Volendam

Iets bestellen via internet doe ik zelden. Ja, met cd’s bestellen was ik er vroeg bij, omdat bol.com de enige winkel was die Nada Surfs High/Low op voorraad had, ergens begin deze eeuw. Met kleding bestellen ben ik altijd voorzichtiger geweest. Liever scan ik de webshop om vervolgens naar een fysieke winkel te gaan. Zo weet ik zeker dat ik de goede maat koop; ik zit standaard tussen medium en large, al neig ik de laatste tijd steeds vaker naar large (die krachttraining lijkt zowaar effect te hebben). Bijkomend voordeel: zo hou je het aantal fysieke winkels in de Nederlandse steden nog een beetje in stand.

Ik had een leuk t-shirt van G-Star gezien op de website. Je kunt een boom opzetten over waarom winkels in december t-shirts verkopen, maar de modewereld heeft begrippen als wintercollectie en zomercollectie al lang geleden overboord gegooid, daarnaast is het bij mij op het werk zo warm dat je ook ‘s winters gerust in t-shirt kan komen werken. En dus ging ik in de Eindhovense binnenstad op jacht naar dit t-shirt. Het bleek onvindbaar. Geeft niet, dacht ik, ik ging toch nog een dagje Sinterklaasshoppen met m’n moeder en jongste zus in Maastricht. Daar zouden ze het misschien wel hebben. En anders ging ik volgende maand nog een dagje naar Amsterdam, daar zouden ze het zeker wel hebben.

Maar ook in Maastricht hadden ze niet wat ik zocht.
‘Waarom bestel je het dan niet online?,’ vroeg mijn zus tijdens de lunch. Zij bestelt geregeld online, om die bestelling met evenveel gemak terug te sturen. Ik vind pakjes terugsturen gedoe. En gedoe dat gemeden kan worden, dient gemeden te worden.

Terug in Eindhoven checkte ik de webshop van G-Star. Het t-shirt hadden ze niet meer in m’n maat – large, zo had ik aan de hand van de maattabel op de website geconcludeerd. Net misgegrepen. Maar ik dacht ook dat het beter was de komende dagen de webshop in de gaten te houden: wie weet zou er nog een exemplaar in mijn maat worden teruggestuurd.

De week erna checkte ik braaf elke dag de webshop. Ik had geluk; op woensdag zag ik het t-shirt in mijn maat staan. Ik bestelde het snel en ik kon m’n geluk niet op toen ik zag dat het pakketje twee dagen later binnen zou komen. Mooi op tijd voor Pakjesavond.

De vrijdag voor Sinterklaas snelde ik naar de winkel om m’n pakje op te halen.
‘Wilt u het nog passen?,’ vroeg de verkoper.
‘Nee joh, dat geloof ik wel,’ antwoordde ik.
Ik fietste snel naar huis, legde het pakketje op het aanrecht en ging naar m’n ouders.

Later die avond maakte ik het pakje open. Vreemd. Door het vloeipapier waarin het t-shirt verpakt zat oogde het heel anders dan op de website. Voorzichtig maakte ik het open. Verrek. Dit was helemaal niet wat ik had besteld. Ik keek op de pakbon bij het t-shirt: ik bleek de bestelling van iemand uit Volendam te hebben gekregen, aan het op ‘2005’ eindigende e-mailadres te zien een jongen van een jaar of twaalf. Op het pakket stonden wél mijn naam en adres. Het enige dat correct was aan deze bestelling, was de maat.

De volgende dag ging ik terug naar de winkel en legde ik m’n probleem uit.
‘Oei, dat is wel heel slordig,’ vond de verkoper.
Tot zover was ik het met ‘m eens.
Hij dacht even na. Toen zei hij: ‘Mijn excuses. Ik heb dit nog nooit meegemaakt. Het is heel vervelend, maar ik kan dit pakket niet terugnemen. Er zit een verkeerde pakbon bij.’
Dat vond ik vreemd. Als ik het pakketje af kon halen in de winkel, dan zouden ze het toch ook terug kunnen nemen? Toch, ik wilde niet de betweter uithangen; aan betweterige klanten had ik bij de BelastingTelefoon zelf ook altijd een bloedhekel.
‘U kunt het beste even de klantenservice bellen, dan helpen zij u verder,’ legde hij uit. ‘Ik zal u het telefoonnummer geven. Ze zijn vandaag tot 14.00 uur bereikbaar.’

Natuurlijk had ik daar ter plekke in de winkel de klantenservice moeten bellen maar, zoals gezegd, ik wilde niet de betweterige klant uithangen. Ik fietste braaf naar huis en belde met de klantenservice. Na een kwartier wachten kreeg ik een medewerker of nee, ‘customer advisor’, aan de lijn die ik m’n probleem uitlegde. Aan de andere kant van de lijn klonken de obligate excuses. Ze zocht m’n bestelling erbij.
‘We hebben u in elk geval wel de goede maat bezorgd,’ lachte ze.
‘Ja, dat klopte nog,’ antwoordde ik tandenknarsend.
‘Ze hebben de bestellingen verwisseld. Nu maar hopen dat die andere klant uw bestelling heeft,’ zei ze.
Dat hoopte ik ook. Ik zag Sinterklaasjournaalachtige taferelen voor me waarbij in heel Nederland pakketjes verkeerd bezorgd waren.
‘Brengt u het pakketje terug naar de winkel, dan maak ik hier een notitie en krijgt u maandag bericht,’ zei de medewerker.
‘Maar de winkel wil het niet terugnemen,’ antwoordde ik verbaasd.
‘Nee hoor, dat moeten ze gewoon accepteren,’ verzekerde de medewerker.

De volgende dag ging ik terug naar de winkel. Ik vertelde de verkoopster over m’n probleem en zei er voor de zekerheid bij dat de klantenservice me telefonisch had verzekerd dat de winkel het pakketje móest accepteren. Ze accepteerde zonder morren m’n pakje en noteerde m’n gegevens.
‘We sturen u morgen nog een bericht,’ zei de dame.
‘Dat zeiden ze van de klantenservice ook al, maar het kan geen kwaad om twee keer gebeld te worden,’ antwoordde ik.

Maandag wachtte ik op een telefoontje, maar ik hoorde niks. Ik voelde de bui al hangen maar ach, ik wilde ze wat tijd gunnen. Misschien waren alle bestellingen inderdaad op z’n Sinterklaasjournaals verkeerd bezorgd – met alle gevolgen van dien.

Ook dinsdag hoorde ik niks.

Inmiddels had ik op Twitter m’n beklag gedaan. Nouja, een paar dagen daarvoor al, met de min of meer grappig bedoelde tweet: ‘ik doe niet aan naming and shaming, maar G-Star Raw, leg me eens uit hoe in een aan mij geadresseerd pakket een bestelling voor iemand aan de andere kant van het land kan zitten?’. Daarbij liet ik niet achterwege G-Star te mentionen, zodat ik zeker wist dat ze het zouden lezen. Als voormalig webcaremedewerker is niks leuker dan de webcare van bedrijven testen. Die van G-Star is euh… mwa. Goed, ik kreeg een reactie van een medewerker, maar pas toen ik had gedreigd meer stampij te schoppen op social media. Een medewerker, ongetwijfeld aan te spreken als ‘customer advisor’ en vermoedelijk werkend vanuit Amerika, want ik werd steevast in het Engels aangesproken, putte zich uit in excuses en vroeg wat er was gebeurd. Ik legde m’n verhaal uit, waarna het oorverdovend stil bleef. Ik begon een systeem te herkennen.

Op woensdag belde ik maar weer eens. Opnieuw hing ik een kwartier aan de telefoon. Opnieuw legde ik m’n verhaal uit aan de ‘customer advisor’ en opnieuw kreeg ik excuses aangeboden en werd me verzekerd dat ik nog die dag bericht zou krijgen. Inderdaad, die dag kreeg ik opnieuw geen bericht.

Vrijdag ging ik een dagje naar Amsterdam.
‘Wat ga je doen als je het t-shirt daar in een winkel tegenkomt?’, vroeg m’n moeder.
‘Geen idee,’ gaf ik toe. Enerzijds wilde ik nog steeds m’n bestelling hebben en dat zou het makkelijkst zijn als ik die zélf zou kopen in een (fysieke) winkel. Anderzijds wilde ik dat ze zelf hun rotzooi op zouden ruimen.
‘Ik zou het gewoon kopen,’ vond m’n moeder. ‘Dan stuur het pakketje maar terug als het binnenkomt.’
Nou, dacht ik, áls dat ooit nog binnenkomt.

In Amsterdam bleken ze het t-shirt ook niet te hebben. Op Twitter stelde ik inmiddels voor om een poll te organiseren: ‘Is Guido’s (correcte) bestelling voor of na Kerst in Eindhoven?’ De webcare van G-Star reageerde als door een wesp gestoken. Of ik m’n DM wilde checken. Daarin meldden ze dat mijn klacht twee dagen daarvoor was doorgegeven en dat ik bericht zou hebben gehad. Wilde ik m’n spamfolder niet checken? Ik checkte m’n mailbox (reken maar dat ik dat die week al heel zorgvuldig had gedaan), inclusief m’n spamfolder. Nee, ik had niks ontvangen. Ik twitterde dit naar de webcare en vroeg de mail dan opnieuw te versturen. Wederom bleef het stil. Voor de zekerheid logde ik in op m’n account van de webshop van G-Star. Ook daar stond geen bericht.

Maandag belde ik maar weer met de klantenservice. Weer kreeg ik iemand anders aan de lijn. De ‘customer advisor’ vroeg m’n bestelnummer en keek het na.
‘Meneer, u bent ons net voor. We wilden u vanmiddag een bericht sturen,’ zei hij.
‘Owja?,’ zei ik quasi verbaasd.
‘We hebben geprobeerd de bestelling te achterhalen, maar de persoon die uw pakketje heeft gehad reageert niet. Dus we gaan uw geld terugstorten,’ zei de man.
‘Mijn pakketje dus komt helemaal niet meer?,’ vroeg ik teleurgesteld.
‘Nee, helaas niet. Mijn excuses meneer. Maar bedankt voor het bellen met G-Star Customer Service.’

Customer Service m’n reet, dacht ik. Het is inmiddels maandagavond en ik heb nog steeds geen bericht gehad over de terug te ontvangen betaling. Intussen is er iemand in Volendam die m’n t-shirt heeft en weigert die te retourneren. Het enige wat ik wil, is m’n bestelling.

Nu heb ik z’n adresgegevens en weet dat ie amper twaalf jaar oud is. Goed, hij heeft dezelfde maat als ik en is dus groot voor z’n leeftijd, bovendien staat ie naar goed Volendams gebruik vermoedelijk stijf van de coke, maar die kan ik hebben. Zeker met die krachttraining van mij.

Vrijdag heb ik een dagje vrij. Wie gaat er mee?

Posted in Mode, Overig | Tagged , , , , , | 1 Comment

Het Mes

Een tijdje terug kwam het eens in mijn pubquizteam ter sprake: mijn overwinning van Met het Mes op Tafel in 2008. Ik mag door de jaren heen aan veel tv-quizzen mee hebben gedaan en ook al ben ik trots op mijn winst in de Nederlandse versie van Pointless in 2015, de hoogste jackpot ooit in die quiz, de winst van een slordige vijftienduizend euro in Met het Mes op Tafel zal altijd vol trots bovenaan mijn quizpalmares staan. De afleveringen staan zelfs nog online (hier en hier), want ik zocht ze op voor m’n teamgenoot die ze terug wilde kijken.

Toegegeven, vlak na uitzending heb ik de afleveringen wel eens teruggekeken, de eerste aflevering uitgezonderd. Die was slecht. Ik had vooraf een tactiek bedacht maar moest die nog finetunen. Dat bleek lastig, omdat mijn ene tegenstander de spelregels niet snapte en de andere tegenspeler alleen maar paste. Ik blufte vooral. En nadat de speler die niks van de regels begreep was afgevallen, begon m’n andere tegenstander ineens wél geld in te zetten. Tot op de dag van vandaag vermoed ik dat hij door z’n meegebrachte fans in het publiek is getipt dat ik aan het bluffen was. Ik won die aflevering nipt, met een eindbedrag van 880 euro. Ik heb het nooit uitgezocht, maar dat moet het laagste winnende bedrag ooit zijn geweest.

De andere afleveringen gingen beter maar wat ik bij het proefspelen (voordat de opnames starten speel je om elkaar te leren kennen een paar rondes) al snel merkte, was dat ik heel erg slecht in shoot-outs ben. Dat bracht me ertoe dat ik er álles aan moest doen om die te mijden. De ironie wil dat ik pas bij de allerlaatste vraag in de finale, toen het om de bonus van tienduizend euro ging, mijn eerste shoot-out in drie afleveringen kreeg. Die won ik. Niet omdat ik het antwoord wist, maar omdat mijn tegenstander gokte en het verkeerde antwoord gaf.

Komende week begint een nieuw seizoen Met het Mes op Tafel. En volgend jaar is het tien jaar geleden dat ik won. Een mooie gelegenheid om m’n tien toch al niet zo geheime tips online kan zetten. Ik doe toch nooit meer mee; ik kan best open kaart spelen.

1. Weet veel

Eigenlijk is dat de belangrijkste tip als je een quiz wilt winnen. In wezen is Met het Mes op Tafel niets anders dan pokeren met correcte antwoorden in plaats van kaarten. Dat betekent ook dat wie elke ronde drie of vier vragen weet, amper bluftips nodig heeft. Zo deed een paar seizoenen na mijn optreden een vriendin van me mee. En hoe ik ook m’n best deed haar bluftips bij te brengen, ze bracht er niks van terecht. Niet dat ze eronder leed want ook zij won het seizoen, al deed ze dat puur op kennis. Als ik haar eraan herinner dat haar spel niet om aan te zien was, wrijft ze me, Liberace citerend, fijntjes in: ‘I cried all the way to the bank.’ Fair enough.

2. Bereid je voor

Deelname aan tv-quizzen is voor sommige mensen net zoiets als penalty’s nemen: hoe kan je je daar nu op voorbereiden? Tot op zekere hoogte is dat niet zo gek moeilijk. Hoewel quizmakers denken erg origineel te zijn met vragen is er typische quiz fodder: vragen die je in elke quiz wel voorbij ziet komen. Kijk het nieuws van de laatste paar maanden terug en je komt al een aardig eind. Wie hebben dit jaar grote hits gescoord? Wie heeft de Nobelprijs voor Literatuur gewonnen? Wat is de nieuwste rage onder de jeugd? Welke films draaiden in de bioscoop? Welke boeken verkochten het beste?

3. Weet waar je sterke kanten liggen

Met het Mes op Tafel heeft de hoofdpijncategorie Ambachten. Ik weet daar níks vanaf. Ook met een spoedcursus doe-het-zelf had ik die kennis niet bijgespijkerd gekregen. Het heeft dan weinig zin om je hierin te verdiepen. Waar ben ik wel in thuis? Geografie. Popmuziek. Beeldende kunst. Literatuur. En dus heb ik m’n kennis van die onderwerpen zoveel mogelijk opgefrist. Ik had het mezelf nooit vergeven als ik was gestruikeld over een geografievraag. En die Ambachten? Ik had alle vragen in die categorie fout.

4. Waag een gok

Sommige spelers die een antwoord niet weten, zetten snel een streep op hun scherm. Dat is niet slim. Beter is om vol overtuiging een antwoord op te schrijven. Misschien kijken je tegenspelers vanuit hun ooghoeken mee, denken ze dat je het antwoord weet en laten ze zich hierdoor wegbluffen. En als je toch iets moet opschrijven, kan je beter een goede gok wagen. Toen ik meespeelde, kreeg ik in de halve finale de vraag wat een andere naam voor de iep is. Ik wist (en weet) bijna niks van bomen en schreef wilg op. Toen realiseerde ik me dat dat antwoord sowieso fout was, en dat ik beter de naam van een andere boom kon opschrijven die goed zou kúnnen zijn. Ik wiste wilg en schreef olm op wat, tot mijn eigen verbazing, goed was.

5. Bluf met overtuiging

Maar heej, zelfs ik weet niet alles. En dan moet je overstappen op Plan B. Toen ik meedeed speelden de meeste deelnemers nogal braaf: veel geld inzetten als ze veel antwoorden goed hadden, weinig geld inzetten als ze weinig antwoorden goed hadden. Een domme tactiek. Je kunt het beter omdraaien: zet veel geld in als je weinig antwoorden goed hebt (zodat je je tegenstanders wegbluft), zet weinig geld in als je veel antwoorden goed hebt (zodat je je tegenstanders meelokt).

Je kunt ook nog proberen daarbij wat toneel te spelen. Ik deed een poging door als ik m’n tegenspelers mee wilde lokken wat weifelend over te komen en als ik ze weg wilde bluffen vol overtuiging vijftig euro neer te leggen. Of m’n acteertalent Oscarwaardig was betwijfel ik. Maar het werkte wel.

6. Win twee van de eerste drie rondes

Ik schreef het al: voordat een aflevering wordt opgenomen, speel je altijd een proefpotje. Wat me bij de drie afleveringen die ik speelde telkens opviel, was dat mijn tegenstanders tijdens dit proefpotje het geld over de balk smeten, maar zo gauw de televisiecamera’s aan gingen, ze niks meer durfden. Wat me ertoe bracht om direct in de eerste ronde hoge bedragen in te zetten; m’n tegenspelers durfden hierin niet mee te gaan. Daardoor had ik meteen een voorsprong die ik kon vergroten door de tweede of derde ronde te winnen.

Dit klinkt makkelijker dan het in de praktijk zal zijn. Wat me de laatste seizoenen opvalt, is dat de vragen in de eerste ronde vrij makkelijk zijn. Ik denk met opzet, zodat spelers meteen veel geld inzetten.

7. Pas als je na de derde ronde bovenaan staat…

De truc is om na drie rondes zoveel geld te hebben dat je je discreet kunt terugtrekken als je bij de vierde ronde bent aanbeland. Zoals ik lichtelijk blasé in de halve finale zei: ‘ik laat mijn tegenstanders het uitvechten.’ Het rekensommetje is simpel: je staat zelf bovenaan en maar één van je tegenspelers kan het ingezette geld van ronde 4 winnen. Ze kunnen dus nooit allebei over je heen gaan. Zelf heb ik altijd strikt vastgehouden aan die regel en ik kreeg daar na de uitzending vragen over. Zo had ik in de finale met drie correcte antwoorden gepast. Een beetje zonde, maar ik heb geen moment spijt gehad van die keuze.

Er zit een nadeel aan deze tactiek. Je tegenspelers zullen noodgedwongen tegen elkaar gaan opbieden, waardoor de speler die met je doorgaat naar de laatste drie rondes een flinke smak geld wint en over het bedrag op jouw teller heengaat.

8. …Of pas als je meer dan 750 euro op de teller hebt staan

Je hoeft niet eens na drie rondes bovenaan te staan om je plek in de laatste drie rondes veilig te stellen. Het enige dat je moet doen is een simpel rekensommetje maken. Iedere speler begint aan Met het Mes op Tafel met 750 euro op de teller. Dat betekent dat in de eerste drie rondes 2250 euro in het spel is. Sta je, nadat je geld hebt ingezet in ronde 4, nog steeds boven de 750 euro, dan weet je altijd dat je veilig zit.

Als je echt lijp bent, ga je in ronde 4 net zo lang mee en sponsor je de tegenstander die je minder goed acht net zolang totdat die boven je andere tegenspeler staat. Dan pas je, waardoor de speler die je hoger inschat uit het spel ligt. Maar dit vergt goed rekenwerk: voor je het weet valt niet de tegenstander af die je wilde wegspelen, maar ben je zelf de pineut. Ik heb me er zelf in elk geval niet aan durven wagen.

9. Je hóeft in de laatste ronde geen vraag te vervangen

De presentator zegt het bij elke aflevering: ‘u mag een vraag vervangen in dezelfde categorie, maar dat hoeft niet.’ Ik denk dat veel deelnemers toch nog denken dat het vervangen van een vraag min of meer moet. Ik heb in de drie afleveringen die ik speelde één keer voor de keuze gestaan een vraag te vervangen. Ik heb er toen voor gekozen dat niet te doen, omdat ik zeker wist dat ik alle vragen goed had. En ook al vond ik de aardrijkskundevraag (in welke Amerikaanse staat ligt San Francisco?) beledigend makkelijk en wilde ik liever winnen op een spannendere aardrijkskundevraag, ik heb de verleiding toch weerstaan om net díe vraag te vervangen.

10. Heb mazzel

Je kunt nog zoveel weten, bluffen en berekenen, uiteindelijk moet je ook gewoon mazzel hebben. Als na vier rondes in de halve finale niet de door mij als beste ingeschatte speler was uitgeschakeld, was die aflevering misschien heel anders afgelopen. En als mijn tegenstander in de laatste ronde van de finale niet zo stom was geweest om bij die ene shoot-out te drukken en een verkeerd antwoord te geven, was het op een tweede shoot-out uitgekomen die hij misschien wél had geweten.

Nadat de drie afleveringen waar ik aan mee had gedaan waren uitgezonden, kreeg ik een mailtje van een oud-docent: ‘je weet veel, je kunt goed bluffen en vooruit, je hebt ook een beetje geluk gehad.’ Zonder geluk vaart niemand wel.

Posted in Media, Quizzen | Tagged , , , , , , | 2 Comments

Buurkater Max

Max in betere tijden.

Buurkater Max is dood.

Ik zeg buurkater Max, al woonde Max tot z’n overlijden niet bij m’n huidige buren. Maar omdat ik lang thuis ben blijven wonen en Max nogal oud is geworden, bovendien kom ik nog regelmatig bij m’n ouders, beschouwde ik Max nog steeds als de buurkater.

Niet dat het overlijden Max ontijdig was. Vroeger, toen ik nog thuis woonde, paste ik als de buren op vakantie waren, samen met m’n ouders op Max. Ik probeerde ‘m dan wel es op te pakken, maar dat was door het nogal ruim zittende vetschort erg lastig; als je een poging deed blubberde hij onder je handen vandaan. Max was een goedmoedige loebas met een maatje meer (behept met een ontzettend zacht en lief miauwtje, wat onbedoeld een komisch effect gaf); hij deed z’n naam eer aan. Z’n nestje stond in een achterstandsbuurt, zo’n deel van Tongelre waar het dagelijks dieet bestaat uit friet, diepvriespizza en afhaalchinees. Bij de buren was hij in de zevende hemel beland. Naast obees was hij ook nog zwakbegaafd én homo. Volgens de buren. Dus driedubbel gehandicapt zeg maar.

Dat hij homo was, kan ik beamen.

Als de buren op vakantie waren, bleef ik ‘s avonds nadat ik Max eten had gegeven, vaak wat hangen. Dan ging ik languit in een zitzak voor de tv liggen. Met een fles cola en een zak chips binnen handbereik had ik zo een prima avond. Dat vonden de buren geen probleem; zo maakte het huis een bewoonde indruk. Tijdens zo’n avond kwam Max een keertje bij me op schoot liggen. Eerst trippelde ie veel te lang met z’n pootjes in m’n kruis (daar had onze eigen kat Saartje ook een handje van) maar uiteindelijk vleide hij zich lang uitgerekt neer: z’n achterpoten haalden met gemak m’n knieën, één van z’n voorpootjes raakte m’n lippen. Hij keek me verliefd aan en leek te kwijlen.
‘Ow Max jongen,’ zei ik, ‘dit wordt wel heel intiem.’

Dat hij zwakbegaafd was, kan ook kloppen.

Onze kat Saartje was een schat van een beest. Slim ook, zo wist ze zelf deuren open te maken (dicht helaas niet). Ze was every inch a lady, maar wel met de miauw van een ordinaire del. En als een andere kat ook maar in de buurt van onze achtertuin durfde te komen, veranderde ze in het grootst denkbare kreng. Gevolg was dat andere katten uit de buurt niet binnen een straal van vijftig meter van ons huis kwamen. Behalve Max. Hoe hard Saartje ook blies, gromde en boos keek, Max bleef haar niet begrijpend aankijken en leek te willen zeggen: ‘vind je me dan niet lief?’ De boodschap kwam simpelweg niet bij ‘m binnen.

Een jaar of negen geleden kregen de buren een kindje. Katten zitten meestal niet te wachten op gezinsuitbreiding en Max leek me geen uitzondering.
‘Op de dag dat de kleine wordt geboren, staat Max met z’n koffertje bij ons op de stoep,’ voorspelde ik.
Omdat Saartje al een paar jaar dood was, kwam Max nu regelmatig in de tuin. Binnen kwam hij nooit, maar op de ochtend na de geboorte van m’n buurmeisje kwam hij binnen gesjokt, zocht een stoel uit in de keuken en ging liggen alsof hij wilde zeggen: ‘dit keer zijn ze echt te ver gegaan. Ik ga niet meer terug.’
Pas tegen het einde van avond hebben we ‘m met voorzichtige dwang naar huis gestuurd.

De laatste jaren was ik Max uit het oog verloren. Al hoorde ik via m’n ouders wel hoe het met Max was. Niet zo goed. Het heilig vuur, voor zover dat er al ooit in had gezeten, was er wel uit. In de achtertuin van m’n ouders kwam hij toen allang niet meer. Dat had een reden. Vanwege z’n obesitas kon hij alleen op het muurtje klimmen door een tussenstapje te maken op de groenbak, die de buren strategisch in hun achtertuin hadden geplaatst. Tijdens een wandeltocht door de buurt was hij in de tuin bij buren verderop in de straat beland maar kon hij, bij gebrek aan groenbak, niet meer op het muurtje komen. De buurman moest Max een kontje komen geven. Dat was voor hem de druppel. De groenbak kreeg een andere plek, Max sjokte voortaan alleen nog de trap op en af en hing rond in de achtertuin.

Een paar maanden terug moesten m’n ouders weer op Max passen.
‘Hoe is het eigenlijk met hem?,’ vroeg ik aan m’n moeder.
‘Nou, het is niet zoveel meer,’ zei ze.
‘Dat is het al jaren niet meer,’ grapte ik. ‘Maar dan ga ik ‘m wel een keertje eten geven. Misschien is het wel de laatste keer.’

Het was inderdaad niet veel meer. Hij had geen overgewicht meer (Max kreeg al jaren dieetvoeding), maar goed lopen deed ie evenmin. Hij waggelde een beetje en miauwde nog zachter dan ie altijd al deed. Dit was niet de grote Max van weleer die ik kende, die op de binnenplaats op z’n rug begon te kroelen zo gauw ik in de buurt kwam. Dit was Omroep Max. Alleen de rollator ontbrak.

Het was de laatste keer dat ik Max zag. Afgelopen week is hij naar de eeuwige jachtvelden vertrokken. Dat zal daar nog wat spektakel geven als hij bij de hemelpoort Saartje tegenkomt (die loopt daar al een slordige twaalf jaar rond).

Maar wie weet loopt Max nog een knappe kater tegen het lijf. Jachtinstinct heeft er bij Max nooit in gezeten, dus ik hoop dat de muisjes in de kattenhemel niet te hard lopen.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged , | Comments Off on Buurkater Max

Ybeltje

Bij alle ophef rond het boek van Ybeltje Berckmoes over de VVD moet ik hardop lachen. Iedereen die ook maar een dag in de Tweede Kamer heeft rondgelopen (lees: ik) weet hoe het er daar aan toe gaat en kan haar verhaal beamen. Ja, het is de afdeling voorlichting die de dienst uitmaakt in de Tweede Kamer.

Ik moest denken aan m’n stage bij Radio 1, eind 2004. Het programma waar ik stage liep, 1 op de Middag, had een vaste rubriek rond 14.50 en 15.50 uur. Dit was een luchtig item, live gebracht door een redacteur op locatie. Zo was het onderwerp een keer carbidschieten (ik weet me dit item alleen nog te herinneren omdat we de halve redactievergadering hebben besteed aan de vraag hoe je carbid uitspreekt: als karbit of karbiet).

Vanwege de Algemene Beschouwingen was besloten dit keer het karretje, zoals de rubriek op de redactie werd genoemd, vanuit de Tweede Kamer te laten komen. Aan mij de taak om een leuk onderwerp voor de redacteur te produceren.

De vraag was alleen: waar ga je het over houden? Alle politieke onderwerpen waren uitgekauwd, bovendien moest het luchtig zijn. Ik speurde de dag voor uitzending de site van de Tweede Kamer af en stuitte op het begrip anciënniteit: het aantal dagen dat iemand in het parlement zit. Doordat er nogal wat verloop is onder Tweede Kamerleden kan het gebeuren dat halverwege een regeerperiode er ineens wat nieuwe gezichten aan het front verschijnen die de Algemene Beschouwingen voor de eerste keer meemaken. Die zouden zeker een frisse blik kunnen werpen op dit Haagse ritueel.

Dat klopte en ik vond al snel de namen van drie politieke groentjes: Corien Jonker (CDA), Jelleke Veenendaal (VVD) en Fatma Koser Kaya (D66). Leuk detail: de toen nog onbekende Veenendaal zou zich niet lang daarna bij de partijleiding van de VVD onmogelijk maken door in de lijsttrekkersverkiezing van de VVD de strijd aan te binden met Mark Rutte, wat niet de bedoeling was geweest.

Die donderdag vertrok ik naar Den Haag. Ik had de dag ervoor al wat fracties gebeld, deze morgen zou ik de rest van de contacten leggen. Bij de persafdeling haalde ik m’n dagpas op, die ik duidelijk zichtbaar moest dragen. Praktisch probleem: het ding was zo gemaakt om aan de borstzak van een overhemd of een jasje te dragen. Ik was (en ben) Mr. T-shirt, dus ik liep wat onbeholpen met die badge in m’n hand. Ach, dacht ik, er kraait geen haan naar dat ik niet overduidelijk zichtbaar met die badge door de wandelgangen loop.

Ik was nog geen kwartier binnen toen het me opviel dat een strak in het pak geklede man achter me aan liep. Wat niet hielp, was dat ik opzichtig aan het zoeken was naar de fractiekamer van het CDA. Als politieke junk voelde ik me als een vis in het water, maar als het om de weg vinden in de wandelgangen ging was ik een groentje.
‘Meneer, mag ik uw perspas zien?,’ vroeg de beveiliger.
Ik liet de pas zien en legde omslachtig uit dat ik de weg zocht en dat ik hoopte dat m’n gestuntel niet voor al te veel commotie bij de beveiliging had gezorgd. Trouwens, nu ik hem toch zag, kon hij mij de weg wijzen naar de fractiekamer van het CDA?

Ik legde mijn voorstel bij het CDA voor. Die vonden het prima, al wilde de voorlichter wel zeker weten dat er geen politieke vragen werden gesteld. Nee hoor, verzekerde ik hem, het is puur een luchtig item als afsluiting van het uur.
‘Dan zie ik u rond kwart voor vier bij de patatbalie,’ zei de voorlichter.
Ik liep opgetogen weg, op zoek naar de andere fractiekamers. Wacht eens even, dacht ik, wat is de patatbalie? Ik liep terug en vroeg besmuikt wat de man precies bedoelde.
‘De patatbalie? Kent u dat niet? De balie buiten de plenaire vergaderzaal. Waar de bodes zitten,’ zei hij.
‘O ja,’ zei ik. ‘Natuurlijk.’

Deze gang van zaken herhaalde zich bij de fracties van de VVD en D66 (al viel het woord patatbalie niet meer). Ook zij vonden een interview geen probleem, mits er niks politiek-inhoudelijks aan de nieuwelingen werd gevraagd.

En dus stond ik rond 15.40 uur met de verslaggeefster te wachten. Bij de patatbalie. En één voor één kwamen de Tweede Kamerleden tevoorschijn. Allemaal hadden ze iemand bij zich: hun eigen voorlichter. Terwijl m’n collega een luchtig gesprek hield met de nog verse volksvertegenwoordigers, hielden de voorlichters met de handen over elkaar strak in de gaten of de journalist én het Tweede Kamerlid zich wel gedroegen. Ik vond het absurd, maar omdat het interview live op de radio was, kon ik er moeilijk iets van zeggen.

Vijf minuten vlogen voorbij en m’n dag werk in de Tweede Kamer zat erop. Ik belde met m’n stagebegeleider om te vragen hoe hij het vond klinken. Hij vond het een leuk item. Ik vertelde over het bizarre interview en dat alle geïnterviewde politici onder curatele stonden bij voorlichters.

‘Dat had je op de radio moeten zeggen,’ zei mijn stagebegeleider lachend.
Ja, dacht ik, eigenlijk wel.

Posted in Media, Politiek | Tagged , , , , , , | Comments Off on Ybeltje

11 Jaar

Ik ging met m’n oudste nichtje Esmee een dagje weg. Een verlaat verjaardagscadeautje, omdat ze in juli 11 was geworden. Esmee is een meisje dat alles leuk vindt. Dat zou het zoeken naar een leuk uitje makkelijk moeten maken, maar in de praktijk maakte dit het juist lastiger. Wie alles leuk vindt, vindt uiteindelijk niks leuk. Vrijwel alle voorstellen kregen het standaard antwoord: ‘ja, leuk.’ Alleen de mergelgrotten van Valkenburg, met aansluitend een bezoek aan het Natuurhistorisch Museum in Maastricht, wees ze af. Jammer, want dat had ik zelf als kind zo leuk gevonden.

Ik begon me af te vragen of ze het überhaupt nog wel leuk zou vinden om met haar 25 jaar oudere oom een dagje weg te gaan. Ik kreeg het idee dat ze meer meeging om míj een plezier te doen. Wat ik vrij sneu vond.

Die twijfel had ik een jaar eerder al gehad, toen ik Esmee voor d’r verjaardag mee naar de film had genomen. Na ampel beraad was besloten dat we naar The Secret Life Of Pets zouden gaan. Vooraf mocht ze van mij chips en popcorn hebben, maar ze vroeg of ze in plaats daarvan een snoepzak met winegums en ander zoet spul mocht vullen. Ik vond het best. Het fijne van suikeroom spelen is dat je de opvoeding niet voor je rekening hoeft te nemen.

Ik had toen, en dat vond ik zelf vrij genereus, voor de 3D-versie van The Secret Life Of Pets gekozen.
‘Heb je wel eens eerder een 3D-film gezien?,’ vroeg ik nogal naïef.
Ze dacht even na.
‘Ik denk dat van de tien films die ik in de bioscoop heb gezien er zes in 3D waren,’ antwoordde ze met een rollende r (aangeleerd) en een zachte g (aangeboren).
Daar zat ik met m’n goede gedrag.

Maar de film was leuk. Althans, voor een meisje van 10. Na afloop haalde haar moeder, m’n zus, ons op. Onderweg naar huis werd de film door Esmee scène na scène naverteld: ‘en toen, en toen, en toen.’ Op die leeftijd is het nog moeilijk onderscheid te maken tussen hoofd- en bijzaken.

Voor haar verjaardagscadeau van dit jaar viel de keus op de tentoonstelling Cool Japan, in Museum Volkenkunde. Bijkomend voordeel: dat museum ligt in Leiden, dus je bent lekker lang onderweg met de trein. Ze mag dan veel 3D-films hebben gezien, een treinreis blijft ook voor een 11-jarige nog tot de verbeelding spreken. Bovendien had ik om de tijd te doden een Donald Duck Extra en een National Geographic Junior gekocht, al had ze de Donald Duck Extra ter hoogte van station Den Bosch al uit. Op Utrecht Centraal kocht ik voor haar een zak Skittles met fruitsmaak. Wat ik al schreef: de opvoeding neem ik op zo’n dag niet voor m’n rekening.

‘Wat heeft zes benen, twee hoofden en één staart?,’ vroeg ze in de trein van Utrecht naar Leiden.
‘Geen idee,’ antwoordde ik naar waarheid.
‘Een man op een paard,’ zei ze.
Ze keek naar buiten en dacht na.
‘Of een vróuw op een paard,’ zei Esmee.
‘Dat kan natuurlijk ook,’ zei ik.
‘Tenzij het een vrouw met een staart is,’ bedacht ze.
‘Of een man met een staart. Laten we het erop houden dat het een mens op een paard is,’ besloot ik. ‘Zonder staart.’

Wat leuk dat ik dit soort gesprekken met haar kan voeren, dacht ik verrast. Niet meer dat kinderlijke getut, maar een individu. Iemand die, bewust of onbewust, een mening heeft over gender, of het nieuwe feminisme.

Een paar jaar eerder, Esmee zal toen 8 zijn geweest, had ik ‘r ook een dagje mee uit genomen. We waren naar het Sea Life Centre in Scheveningen geweest, daarna hadden we het Omniversum bezocht. Ik weet nog dat ze bij me op schoot zat terwijl de tram over de Koningskade in Den Haag voer. Ik was me ineens bewust van de verantwoordelijkheid die ik vandaag voor dit hummeltje had. De opvoeding nam ik dan niet voor m’n rekening, de verantwoordelijkheid wel. Als ik dit al eng vond, hoe moest dat dan gaan als ik zelf ooit kinderen zou krijgen?

Op Cool Japan bleek Esmee als een vis in het water. Bij de ingang stond een groot, rond plateau met allerlei figuurtjes uit tv-series, films, stripverhalen en videogames. Op een scherm op de achtergrond werden fragmenten uit Japanse tv-series afgespeeld. Ik keek naar de figuurtjes en herkende Super Mario, Hello Kitty en iets dat op een Pokémon leek.
‘Ken je die figuren?,’ vroeg ik.
Esmee antwoordde bevestigend en noemde wat namen. Toen werd ze afgeleid door een figuur op het grote scherm.
‘Glitter Force!,’ riep ze verrukt uit.

De tentoonstelling Cool Japan is niet zo gek groot, maar alles werd grondig bestudeerd. Met name de robot (buiten werking), anime, manga’s en computerspellen deden het goed. Ongetwijfeld oprechte interesse, al speelde ook mee dat ze met haar kinderticket mee kon doen aan een quiz. In de zalen stonden in totaal tien consoles met verschillende quizvragen. Ja, Esmee heeft het quizgen. Aan het einde, we waren toen al ruim twee uur binnen, kwamen we erachter dat we één vraag hadden gemist. We konden niet weg voordat ook die was beantwoord en speurden de tentoonstelling af naar de gemiste console.

Ik stelde voor om, voordat we ook de rest van het museum aan een grondige inspectie zouden onderwerpen, iets te drinken in het museumcafé. Op de toonbank stonden vier flesjes met Japanse frisdrank, ieder met een eigen smaak.
‘Wat is dat?,’ vroeg Esmee nieuwsgierig, terwijl ik al een flesje cola-light uit het schap had gepakt.
‘Geen idee. Wil je dat drinken?,’ vroeg ik.
Ze twijfelde, maar was te nieuwsgierig om het niet te proberen. Ik bewonderde haar experimenteerdrang. Ik herinnerde me een vakantie in Denemarken, toen ik een jaar of 8 was. Ik vertikte het melk te drinken, omdat het Deense melk was. Ik lustte alleen Nederlandse melk.

Dat Japanse frisdrankje smaakte prima. Maar het was vooral het flesje dat indruk maakte. Een flesje dat op ingenieuze wijze geopend moest worden en waarbij een plastic balletje vrij kwam dat in het flesje achterbleef. Alle manga’s, anime en Glitter Force ten spijt, dit flesje was de ontdekking van de dag (nouja, Esmee wil nu wel een manga van Sinterklaas). Het móest zelfs mee naar huis, maar zo’n plakkerig flesje voor de rest van de dag in m’n tas vond ik geen prettig idee. Ik had een beter plan: nadat we de rest van het museum hadden bekeken zouden we een nieuw flesje kopen. Kon ze thuis aan de familie laten zien hoe het open moet.

Terwijl we ons in het museumcafé te goed deden aan twee gigantische muffins, werd op een groot scherm een commercial voor Museum Volkenkunde, het Afrika Museum en het Tropenmuseum afgespeeld.
‘Heej, Kenny B,’ riep Esmee. Iedere generatie heeft z’n eigen helden.
Ze keek naar het reclamefilmpje waarin, aldus de slogan, ‘vijf heel gewone Nederlanders een buitengewoon depot bezoeken.’ Naast Kenny B onder andere Floortje Dessing en Filemon Wesselink.
Nadat het filmpje was vertoond sprak ze misprijzend: ‘dat zijn helemaal geen gewone Nederlanders.’

Toen ik Esmee’s leeftijd had, kon ik uren naar de kaarten in de Bosatlas kijken. Ik was dolblij als ik een nieuw land had ontdekt en met name de eindeloze Grote Oceaan, met hier en daar een klein eilandje, sprak tot de verbeelding. Dat doet ze nog steeds. En toen ik de atlas uithad, begon ik met het zonnestelsel. Toen de meester in Groep 7 nog wat snoep in de la had liggen, besloot hij een keer een wedstrijdje te organiseren. Wie kon het snelste plaatsen in de atlas vinden? Ik won glansrijk, al was na een paar rondes het grootste deel van de klas afgehaakt. Het ging me niet om die prijs, maar om het winnen. Ook dat is niet veranderd.

Ik dacht nog even snel over de andere afdelingen van het Museum Volkenkunde te lopen. Ik wilde naar de afdeling Oceanië, om me te vergapen aan een stick chart uit de Marshalleilanden, of een log drum uit Vanuatu. Esmee wilde naar de zaal over Amerika, omdat een klasgenootje daar naartoe was verhuisd. Maar ook in die zalen waren quizzen te maken, waar Esmee meteen bovenop sprong. Na wat onderhandelen spraken we af echt nog maar één quizje te doen, want ik zag al voor me hoe we anders om 17.00 uur met zachte dwang het museum uitgewerkt zouden worden.

Op de terugweg in de trein speelden we Uno en Switch. En omdat ik de opvoeding op zo’n dag niet voor m’n rekening neem, begon Esmee aan de reep Tony’s Chocolonely die ik voor ‘r had gekocht. Tussendoor haalde ze het flesje Japanse frisdrank uit haar rugtas. Ze keek er gebiologeerd naar.

Posted in Kunst, Overig | Tagged , , | Comments Off on 11 Jaar

Selfietutjes en scooterjochies

Siciliaans balkon.

Eigenlijk wilde ik naar de Cycladen in Griekenland. Naar Naxos, en van daaruit gaan eilandhoppen naar de andere eilanden: Paros, Mýkonos, Delos en de kleine Cycladen. Maar dat bleek nogal duur. Hoelang ik ook wachtte, er bleek geen redelijke aanbieding voor de Griekse eilandengroep voorbij te komen. Ten langen leste stelde ik dat voornemen een jaar uit. Maar wat dan? Een ander Grieks eiland klonk aantrekkelijk, maar als ik volgend jaar alsnog naar de Cycladen wilde zou ik twee achtereenvolgende jaren naar Griekenland gaan. De Azoren dan? Dan zou ik twee jaar na elkaar naar een Portugees oord gaan, want vorig jaar was ik al op Madeira. Ook wilde ik nog eens terug naar de Araneilanden, want mijn ene nacht op Inishmore was me goed bevallen. Nadeel is dat het Ierland is, en je dus nooit weet wat je qua weer van verwachten. Voordeel is dat er erg weinig te doen is, dus een ideale manier om volledig tot rust te komen. Iets wat me op een eiland waar veel te zien en te doen is nooit zou lukken.

Totdat ik me herinnerde dat m’n jongste zus jaren geleden naar Sicilië was geweest. Ze was er enthousiast over. Nog steeds zelfs, zo bleek toen ik haar ernaar vroeg. Ze was in Cefalù geweest, een stadje aan de noordkust van het eiland, ongeveer een uur reizen van Palermo. Het hotel was te boeken via Tui. Betaalbaar, maar de vluchttijden – vanuit Schiphol – bleken onmogelijk: midden in de nacht. Dat betekende een extra hotel boeken in Amsterdam, of m’n vader heel lief aankijken of ie me op wilde komen halen. Toen bedacht ik dat Ryanair vanuit Eindhoven op Sicilië vliegt: op Catania aan de oostkust en Trapani aan de westkust. Via booking.com zocht ik een goedkoop adresje om te verblijven. Cefalù lag te ver weg, dus werd het Taormina, oud stadje aan de oostkust dat onlangs nog het toneel was voor een bijeenkomst van de G7. Veel goedkoper én met betere vluchttijden. Who needs tour operators anyway? Ze maken alleen maar lui.

Met Ryanair weet je wat je kan verwachten. Niet veel goeds, maar ze zijn goedkoop en die tweeëneenhalf uur in het vliegtuig zit je wel uit. Het vervoer tussen Catania Airport en Taormina is ook snel uitgeplozen. Maar de B&B is vrij Spartaans: een kamer met een bed, een ventilator en een balkon; al is balkon wel wat veel eer. De badkamer is extern, wat voor veel onhandig gestuntel met twee sleutels zorgt. Niet praktisch maar ach, we doen niet te moeilijk: ik ben toch heel de dag op pad. De vraag is eerder of in juli naar Sicilië gaan nu zo’n goed idee was. Zeker als je, zoals ik, dingen wilt ondernemen. De temperatuur zou de eerste dagen nog ruim boven de 35 graden zijn, daarna wordt het koeler. Ik klamp me vast aan die dertig graden. Die is te doen.

Op de bovenste foto’s Néapolis, de, anders dan de naam doet vermoeden, oude Griekse stad bij Siracusa, met de Orecchio di Dionisio. Daaronder palmbomen (die maken me altijd vrolijk) en daar weer onder Siracusa, met z’n Duomo, smalle straatjes en mooie balkons. En kapotte speedboats.

Toch zweet ik me de eerste dag in Siracusa nog een ongeluk, zeker op de kale heuvelwand waar de oude Griekse nederzetting Néapolis zich bevindt. Prachtig, zo’n oud Grieks theater maar liever ga ik naar de Orecchio di Dionisio, de grot van Dionysos, ontstaan door afgraving van de rotsen voor de aanleg van het theater. Het blijkt een 22 meter hoge kloof te zijn, bovendien redelijk koel, dus prima om hier een minuutje of tien rond te hangen. Daarna zoek je sowieso toch het liefst de airconditioning van de tourbus op.

Siracusa zelf, of beter gezegd Ortygia, het stokoude eiland waarop de stad ooit is gesticht, is het niet veel anders. Ja, een prachtige, sfeervolle stad, met een kathedraal met een barokke façade, opgetrokken na de aardbeving van 1693 waarbij zestigduizend doden vielen en veel oude gebouwen verloren zijn gegaan. Het woord façade mag je letterlijk nemen; achter die barokke gevel gaat namelijk een veel oudere kerk schuil, opgetrokken uit duizenden jaren oude, Dorische zuilen. Op deze plek is rond 530 voor Christus al door de Grieken een tempel gebouwd. Verder heeft Siracusa vooral veel kronkelende, smalle straatjes, waar Sicilianen zonder problemen hun auto’s nog doorheen weten te proppen. En die straatjes zijn met elkaar verbonden door nog smallere steegjes, het domein van de scooterrijders en de voetgangers.

Het leukste is het om door die smalle straatjes en steegjes van de stad te slenteren. Je verwondert je over de kleurrijke gevels, of de balkons waarvan de verf is afgebladderd. Ze dragen alleen maar bij aan de sfeer van verval en het idee dat dit inderdaad ooit, in lang vervlogen tijden, een wereldstad moet zijn geweest. Dat de stad nu een barokke uitstraling heeft, komt doordat de stad ná die aardbeving is herbouwd in die bouwstijl. De Siciliaanse barok wordt zelfs beschouwd als een eigen substroming binnen de architectuur, met steden als Siracusa, Catania, Modica, Ragusa Ibli en Noto. De plaatsen staan allemaal op de werelderfgoedlijst van UNESCO.

Siracusa was één van de belangrijkste en mooiste Griekse steden in het Middellandse Zeegebied, althans volgens Cicero – met name de vloot van de stad was gevreesd. En het is de geboorteplaats van Archimedes. Nergens in de stad ben ik z’n fameuze cirkel tegengekomen, maar de wiskundige wordt geëerd met een eigen museum met modellen van z’n uitvindingen. En waar de oorsprong van Siracusa Grieks moge zijn is om deze stad, net als zoveel strategische locaties op Sicilië, veel strijd gevoerd. Na de Grieken kwamen de Romeinen, daarna de Byzantijnen, de Arabieren, de Noormannen en de Genuanen. En dan zijn we nog maar aan het einde van de Middeleeuwen aanbeland. Sicilië is de ultieme mix van culturen. Je ziet het terug in de architectuur, je proeft het in de lokale keuken en je hoort het aan de taal, een dialect dat ook voor Italianen soms niet te volgen is. En oja, het is te zien aan de mensen. Er zijn volbloed Sicilianen met blond haar en blauwe ogen. Ze hebben ongetwijfeld Normandische genen, of stammen af van de Vikingen, toen die in het Middellandse Zeegebied huis hielden. (uiteindelijk stammen alle Europeanen trouwens af van Karel de Grote, maar dat terzijde).

Lipari en Vulcano, twee van de Liparische eilanden. Lipari is het grootste eiland van de archipel, met een prachtig fort dat hoog boven de enige nederzetting van betekenis van het eiland uittorent. Het bovenste plafondje is van de San Bartolomeo, de Duomo, het onderste van de San Pietro, langs de Corso Vittorio Emanuele II, de belangrijkste straat van het dorp. Op de onderste vier foto’s Vulcano: alle kleuren van de regenboog. En een penetrante strontlucht.

Een dag later is het iets afgekoeld. En beter nog, er staat een tripje naar twee van de Liparische eilanden aan de noordkant van Sicilië op het programma: Lipari en Vulcano. Lipari is het hoofdeiland van de archipel, met een prachtige burcht die boven het enige noemenswaardige dorp op het eiland uittorent. Hier bevindt zich een aantal eeuwenoude kerken, sommige nog in gebruik, sommige verbouwd tot musea. In de hoofdstraat aan de voet van de burcht bevinden zich allerhande winkeltjes. De meeste verkopen vooral vulkanische stenen, afkomstig van Lipari of één van de buureilanden.

Wie wil kan bij aankomst in de haven een rondleiding door het dorp krijgen, die is toch bij de prijs inbegrepen. Maar dat dorp bekijk ik zelf later op de dag wel. Liever neem ik een rondrit van een uur in een taxibusje over het eiland. Kost een tientje en onderweg stop je op parkeerplaatsen met prachtig uitzicht over de omringende eilanden. Die uitzichtpunten hebben poëtische namen als Quattrocchi, wat vier ogen betekent, want zoveel heb je nodig om van het uitzicht te genieten. En inderdaad, je hebt er een prachtig uitzicht op Salina, waar een wolk een schaduw over werpt.

Terwijl we verder rijden en Debora, onze chauffeur, vertelt over Lipari, krijg ik hier eindelijk het eilandgevoel. Veel meer dan op Sicilië, dat zo groot is dat het eigenlijk geen eiland meer mag heten. De uitzichten over de zee, de wind die door bomen langs de kust waait, de ruige rotskust; zelfs de steengroeve die het eiland aan de noordkant ontsiert kan me niet van m’n à propos brengen: hier zou ik wel meer dan een paar uur door willen brengen. Het archeologisch museum dat zich in de burcht bevindt, is geweldig. Een paar kamers zijn ingeruimd voor de honderden miniatuur theatermaskers, en er zijn zoveel amfora’s opgegraven en opgedoken dat niet één, maar zes wanden ermee kunnen worden gevuld. Midden tussen al het museale geweld bevindt zich de San Bartolomeo, de Dom van Lipari, met een rijk beschilderd plafond.

Het naast Lipari gelegen Vulcano is kleiner en minder ontwikkeld. Bij de aanlegsteiger is een geïmproviseerde winkelstraat aangelegd die volgens m’n reisgids nog het meest weg heeft van een in allerijl opgezet Hollywooddecor. Ik denk dat de schrijfster van de Rough Guide to Sicily niets gewend is. Dit soort straatjes zie je veel meer in Hawaï, en ook daar hebben ze een hoog hippiegehalte. De belangrijkste reden om naar Vulcano te komen is een wandeling naar de rand van de krater van de vulkaan. Stromboli, elders in de archipel, is bekender maar Vulcano is actiever en wordt door vulkanologen als gevaarlijker gezien. Beide liggen ze nabij de breuklijn tussen de Afrikaanse en de Euraziatische plaat.

Een wandeling naar de rand van de krater is iets te veel van het goede voor vandaag. De vulkaan ligt te ver van de haven voor een snel bezoek. Nee, wie een paar uurtjes naar Vulcano gaat, moet vooral de modderbaden bezoeken. De stank van de modder is niet te harden en het spul is bovendien ook nog licht radioactief: wie zwanger is of een slechte gezondheid heeft wordt ten sterkste afgeraden van de baden gebruik te maken. Maar voor de rest is het heel gezond. Wat me van dit bezoek vooral bijblijft is hoe heet de modder is. En de stank, die ik een dag later na drie keer douchen nog steeds kan ruiken. Als ik na hooguit tien minuten badderen mezelf afkoel in de nabijgelegen zee, voel ik de grond trillen. Die vulkanologen hebben groot gelijk dat ze Vulcano goed in de gaten houden.

Palermo, melting pot van de vele culturen die in de afgelopen millennia hun stempel hebben gedrukt op Sicilië. Van boven naar beneden: een eerbetoon aan de heilige Rosalia, wiens naamdag de avond ervoor fanatiek is gevierd, het Teatro Massimo, de Via Maqueda, de belangrijkste verkeersader van Palermo, vanwege de feestelijkheden autovrij gemaakt, met de kruising Quattro Canti, de fontein op het Piazza Pretoria, de Martorana, de kathedraal van Palermo en een steegje niet ver van de Via Maqueda. Op de onderste zes foto’s Cefalù, met de Duomo en straatjes. Op de onderste foto een abstract zeezicht; misschien wel m’n favoriete foto van Sicilië.

Een dagtrip naar Palermo is een must. Al is het een beetje maf om de hoofdstad van Sicilië te bezoeken vanuit Taormina. Het is een beetje alsof je met de bus van Eindhoven naar Groningen gaat voor een stadswandeling van een uurtje of drie en nog anderhalf uur vrije tijd, alvorens weer de lange terugreis te hervatten, maar dan met een tussenstop van anderhalf uur in Zwolle, of Deventer. Niettemin biedt zo’n dagtrip ook een mooie kans om het binnenland van Sicilië te zien. Een landschap dat veel minder kaal en dor is dan je op basis van het warme klimaat zou verwachten.

Ik kende Palermo vooral van de moordaanslag op Giovanni Falcone, die in 1992 door de maffia met behulp van kilo’s aan explosieven onder het wegdek van de A29 samen met z’n vrouw en drie bodyguards werd opgeblazen. Nog steeds is Palermo, een metropool met in totaal ruim 1,2 miljoen inwoners, de hoofdstad van de Siciliaanse maffia. Als toerist merk je daar niks van, behalve dan dat de middenstand schaamteloos pronkt met allerlei sinistere snuisterijen: t-shirts met opdruk van Marlon Brando als Vito Corleone, cd’s met muziek uit The Godfather en dagtripjes naar het dorpje Corleone, dat echt bestaat en in werkelijkheid ook een link met de maffia heeft. Het meest komische zijn de zwarte koffiemokken waarbij het oor is vervangen door het handvat van een pistool. Ook hier weer met The Godfather als opdruk.

Wel is Palermo een tolerante stad, een mix van de vele verschillende culturen. Dat zie je met name goed terug in de architectuur van de stad: een mix van Romaanse, Arabische en Normandische stijlen. Ook nu nog is Palermo een tolerante stad, waar Afrikaanse bootvluchtelingen gastvrij worden ontvangen; ondanks de grote problemen waar een arme stad als Palermo mee te kampen heeft. Als de touringcar ‘s morgens Palermo binnen rijdt, staat op een muur ‘Lega Nord Merda’ geschreven. Dan weet ik al: hier ga ik een leuke dag hebben.

Palermo is de luidruchtigste stad van Italië: een constante kakofonie van loeiende sirenes, toeterende auto’s, lawaaiige scooters en roepende marktkooplui. Niet vandaag. De avond ervoor is de feestdag van Rosalia, de patroonheilige van Palermo, gevierd. En heiligenverering nemen ze in Sicilië zeer serieus: vuurwerk, een optocht met praalwagens en een drankgelag. Deze morgen ligt het grootste deel van de inwoners van Palermo nog de roes uit te slapen van de nacht ervoor. De belangrijkste verkeersader van de stad is zelfs autoluw gemaakt – uniek in Italië. Toch is het niet moeilijk je de hectiek van de stad op een andere reguliere dag voor te stellen. Het kruispunt Quattro Canti, met op iedere hoek een fontein die één van de vier seizoenen voor moet stellen.

Onze gids Valentina vertelt er vol vuur over. Over de fontein, maar ook de prachtige kerk Martorana. Het oude deel van de kerk heeft een plafond met Byzantijnse mozaïeken, het nieuwere gedeelte barokke plafondschilderingen. De pilaren zijn Grieks, en op één van de andere pilaren is een koranspreuk in het Arabisch te lezen:  opnieuw een teken van de religieuze tolerantie in de grootste stad van Sicilië. Later die dag bezoeken we een markt in de volksbuurt Capo. De smalle straatjes zijn volgestouwd met kraampjes met groente, fruit, vlees en vis. Eigen teelt en allemaal spotgoedkoop. Onze gids steekt haar enthousiasme niet onder stoelen of banken. ‘Look at these tomatoes! Look at the prices! Look at the zucchini, only in Sicily you see such zucchinis!’, roept ze terwijl ze op een meterslange, dunne courgette wijst. Langs sommige balkons boven de markt langt een plastic emmertje: bewoners laten hun emmertje voor de boodschappen naar beneden zakken.

Later die dag ga ik op eigen houtje nog op zoek naar de Capitolijnse kapel, wereldberoemd voor de Byzantijnse mozaïeken. Helaas: die is vandaag gesloten. Daarna struin ik al zigzaggend door de straten rond de kathedraal van Palermo, waarvan de koepel af en toe boven de flatgebouwen zichtbaar is. In een bakkerij in een achterafstraatje bestel ik bij een Siciliaan in m’n allerbeste Italiaans een broodje en een cola light: drie euro. Ik had ook luxueus uit eten kunnen gaan in het chique restaurant dat de gids ons had aangeraden, maar daar rekenen ze voor een fles water alleen al acht euro. Dit is goedkoper én leuker: de verkoper, een boom van een kerel, schreeuwt geregeld in plat-Siciliaans naar de keuken en neemt telefonisch bestellingen aan terwijl ik verbaasd en geamuseerd toekijk.

Na de lunch gaat de reis naar Cefalù, een stadje met twee bezienswaardigheden: de oude Dom, met Byzantijnse mozaïeken, en het oude washuis. Helaas, de Byzantijnse mozaïeken worden gerestaureerd. Het badhuis laat ik schieten. Opnieuw zijn het de smalle steegjes en straatjes die de voornaamste toeristische attracties zijn. Cefalù is een alleraardigst stadje met een gemoedelijke sfeer waar ik graag langer was gebleven: het heeft een leuke boulevard met een prachtig strand, het heeft gezellige, kleine eettentjes en een prachtig plein aan de voet van de Dom van het dorp. En het is nog niet zo vreselijk toeristisch als Taormina.

Taormina: toevluchtsoord van de rijkelui van Italië. Op de bovenste foto van boven gefotografeerd vanuit het uitzichtpunt voor de Madonna della Rocca, een in de rotswand uitgehouwen kerk, daaronder Isola Bella, het dagelijks door toeristen overlopen natuurreservaat aan de kust bij Taormina, het Griekse theater en het uitzicht vanuit de tuinen, inclusief follies van de hand van Florence Trevelyan. Tussendoor nog een paar balkonnetjes.

Want Taormina had ik, door het drukke schema met alle dagtripjes, nog amper bekeken. Ja ‘s avonds, als ik de Via Umberto I afstruinde, op zoek naar een betaalbaar eettentje. Voor Taormina had ik de zondag gereserveerd: m’n luierdag. Ware het niet dat net die morgen een gigantisch onweer boven Taormina losbarst. Ik blijf in m’n kamer van m’n B&B en wacht geduldig tot het droog wordt. Soms loop ik naar de keuken om aarzelend de donkere lucht te checken. ‘It’s only temporarily!’, roept mijn gastvrouw enthousiast terwijl ze op haar smartphone wijst. Een jong meisje, vermoedelijk haar dochter, vraagt waar ik vandaan kom. Nederland? ‘Ah, so you’re used to this weather,’ zegt ze schouderophalend. ‘Yeah, we have this every day,’ zeg ik met een stalen gezicht.

Ik moet het trouwens nog even over mijn gastvrouw hebben. Antonella is een schat van een vrouw maar Engels spreekt ze, zoals alle Italianen, amper. Ze vindt het jammer dat ik op de eerste dagen al zo vroeg op pad ben, met m’n tripjes naar Siracusa, Lipari en Vulcano, en Palermo en Cefalù. Nu kan ze me niet verwennen met haar verse croissantjes en verse koffie. Want wat is Antonella trots op haar koffiezetapparaat. Een uitgebreide espressomachine met all mod cons. Ze is teleurgesteld dat ik alleen melk drink (ik heb nog nooit koffie gedronken. Ik neem me voor dat ooit wel eens te doen, maar dan in een koffiezaak met zo’n barista met hipsterbaard, die voor mij het perfecte bakkie kan zetten). Wil ik dan geen warme melk, met opgeklopte room? Nou, vooruit dan maar. En daar jaagt ze een kannetje melk door haar trots en toeverlaat.

Als het droog is en de zon doorbreekt, is het al na twaalven. Ik beklim de straten naar de Via Umberto I, de hoofdstraat van Taormina. Ik ben op zoek naar het wandelpad naar de Madonna della Rocca, een in de bergen uitgehouwen kerkje met prachtig uitzicht over Taormina en het schiereiland Isola Bella. In een straatje gaat een kerkje open. Ik twijfel of ik naar binnen zal gaan. Een man die een reclamebord naar buiten draagt ziet het: ‘we’re open. We haven an exhibition. It’s free.’ (Met die laatste opmerking toont hij aan me als Nederlander te hebben ontmaskerd.) De kunstwerken van de Italiaanse kunstenaar Antoni Scilesi bestaan uit een mix van knip- en plakwerk en verf. Op sommige momenten moet ik denken aan de kunstenaars uit La Grande Bellezza. Andere momenten ben ik nieuwsgierig. In de crypte onder de kerk hangt het laatste werk van Scilesi. Op het schilderij staan een man en een vrouw, met twee kinderen. Door het slechte licht zie ik het eerst niet goed en lijken het vier vluchtelingen, maar dan valt het me pas op: de man draagt een militair uniform en heeft onmiskenbaar een snorretje.

Nu vullen de straten van Taormina zich langzaam weer. Langs de doorgaande weg vind ik het begin van het wandelpad naar de Madonna della Rocca. Het zigzagt omhoog, een klautertocht van ongeveer twintig minuten. Eenmaal bovenaan druipt het zweet alweer van m’n voorhoofd; ook na het onweer blijft het plakkerig heet. Maar het uitzicht over Taormina maakt veel goed. Als je door de straten loopt, heeft het plaatsje nog het meeste weg van een Tardis: je hebt geen idee hoe al die straatjes, steegjes en dat oude Griekse theater op die paar vierkante kilometer passen. Van boven zie je hoe alles in elkaar grijpt.

Ik had verder kunnen wandelen, naar de ruïne van het kasteel van de Saracenen, dat nog hoger ligt. Maar liever neem ik de kabelbaan naar de kust. De Siciliaanse kust is volgebouwd met lido’s, de ene nog slechter onderhouden dan de andere en het kleine stukje strand rond Isola Bella dat niet in privébezit is, is bezaaid met zonaanbidders. Daarom huur ik vandaag liever voor een paar uur een strandstoel met parasol. Eerst zwem ik een stukje in de richting van het Isola Bella, een natuurreservaat. Dit was het domein van Florence Trevelyan, een Schotse dame die in 1884 met zachte hand naar Sicilië werd afgevoerd omdat ze een ongewenste relatie met de latere koning Edward VII had. Ze sleet haar dagen in Taormina en legde daar en op Isola Bella, tuinen aan die ze volstopte met follies.

Dit is de kust waar de eerste Griekse emigranten zich duizenden jaar geleden vestigden. Ze kwamen naar Giardini-Naxos, inderdaad vernoemd naar het eiland in de Cycladen waar ze vandaan kwamen. Ook de naam Taormina heeft is niet van Italiaanse oorsprong. Dat is niet vreemd, want de ‘ao’-combinatie kom je in die taal zelden tegen. Maar draai de delen ‘mina’ en ‘taor’ om en je komt tot een verwijzing naar de minotaurus. Inderdaad, ook de plaatsnaam Taormina is van Griekse origine.

Lang stilliggen op mijn strandstoel is er niet bij. Al snel begint het te kriebelen. Eerst wil ik een boottochtje rond Isola Bella maken. Die excursie wordt op het strand aangeboden. Ik schat dat een tochtje van amper een uur een tientje kost. Maar de prijs is vijftien euro, zo is het droge antwoord. Niet dat boot trouwens uitvaart, want ik ben de enige geïnteresseerde.

Dat is het euvel van Taormina. Het is toeristisch en dat betekent in Italië: duur. Als er een versie van Monopoly met alleen zuid-Italiaanse steden zou bestaan, dan zou de Via Umberto I de Kalverstraat zijn. In deze straat, die zich uitstrekt tussen drie stadspoorten, wisselen toeristische winkeltjes en poepsjieke shops elkaar af. In de etalages vind je sieraden van duizenden euro’s, of tassen van Gucci met een bedrag van minstens vier cijfers – voor de komma. Taormina is het domein van de jetset: Jim Kerr van Simple Minds opende hier jaren geleden een eigen boetiekhotel (fun fact: de groep heeft een album uitgebracht met de titel Néapolis, een verwijzing naar de oude Griekse stad bij Siracusa). En als ik de roddels moet geloven, zou Donald Trump hier regelmatig een dubieus dealtje hebben gesloten.

Maar Taormina in het algemeen en de Via Umberto I in het bijzonder zijn ook prachtig. Het is een fotogeniek straatje, met een paar kerkjes, strategisch verspreid over de lengte van de straat, en een pleintje met een prachtig uitzicht over de kustlijn van Sicilië, met op de achtergrond de Etna, waar als waarschuwing altijd een pluimpje rook uit lijkt te komen. ‘s Avonds struikel je er over de toeristen, of wordt de doorgang bemoeilijkt door een fotoshoot voor een trouwerij, of een modeshow op één van de pleintjes.

Het irritantste is dat de smalle straatjes worden geterroriseerd door grote en kleine jochies op scooters. Overdag gaat het nog, maar in de binnenplaats waar m’n B&B is gevestigd, springt een bewoner in één nacht ieder uur minimaal één keer op z’n scooter. Dat geldt elke keer gepaard met veel kabaal – want dat moet in Italië – al is het gerinkel van het kettingslot nog het vervelendst. Geen idee waar hij elk uur heen moet, maar het is Sicilië, dus ik vraag er maar niet naar. En dan zijn er nog de meisjes die me het bloed onder de nagels vandaan halen door tergend lang op één plek te blijven staan en met behulp van een selfiestick tien of twintig foto’s maken. Telkens als ik denk dat ze nu toch wel alle hoeken hebben gehad waarin ze zwoel op de foto kunnen kijken met de skyline van Taormina op de achtergrond, hebben ze toch weer iets anders bedacht. Ik nam me voor om het eerstvolgende Italiaanse tutje dat met haar selfiestick zat te spelen te photobomben. (Nee, dat heb ik niet gedaan).

Ook uit eten gaan is in Taormina schreeuwend duur. Een pizza kost niet veel (al is het geen Happy Italy), maar per persoon rekent een restaurant rustig twee euro per couvert, met nog een euro extra voor service, en dan nóg staat op het bonnetje vermeld of we de fooi niet willen vergeten. Het geldt voor alle restaurants in het plaatsje, dus je kunt er niet omheen. Nouja, de Ierse pub doet er niet aan mee, maar ik ben niet naar Sicilië gekomen voor fish ‘n chips en hamburgers. Zo’n schaamteloze geldklopperij was ik niet eerder in het middellandse zeegebied tegengekomen: noch op Kreta, noch op Madeira. Wel elders in Italië: in Rome.

De toeristen laten zich het maffiose gedrag van de lokale middenstand welgevallen. Misschien weten ze niet beter. En dat Griekse theater ligt zo idyllisch, zeker omdat de achterwand deels is weggebroken: het publiek heeft nu de Etna als decor. Die dramatische setting blijft geliefd; het theater is nog steeds in gebruik voor uitvoeringen van opera’s. En die gemeentelijke tuinen, met alle maffe follies van Trevelyan is een oase van rust.

Op de Etna: je blijft foto’s maken. En ‘s middags een verkoelende duik in de Alcantarakloof, waar het een kunst is om de andere toeristen heen te fotograferen.

Al sinds mijn aankomst keek ik op de Etna uit. Een bezoek had ik er tot deze dag nog niet gebracht. Naar de top kan je niet, dat is te gevaarlijk, maar je kunt wel dichtbij komen. Dat heb ik al eens bij de Haleakala gedaan. Nee, vandaag blijf ik wat dichter bij de voet van de vulkaan en ga ik met een jeep geregeld off road om oude lavastromen te bekijken. Dat is een geslaagde keus: onze gids Francesco is een gezellige prater die goed Engels spreekt en mijn jeepgenoten zijn een Nederlands stel met twee kinderen plus een Deens echtpaar. De wandelingen zijn niet al te uitdagend, maar off the beaten track: weinig andere toeristen. Francesco vertelt bij de eerste lavastroom over hoe deze in 1979 het dorp heeft verwoest. De lavastroom kwam tot stilstand bij een huis dat er nog steeds staat. In het puimsteen is een plaquette geplaatst ter herinnering aan een bewoner die met een bulldozer de lava te lijf ging. Hij overleefde het, al haalde z’n drieste actie niet veel uit.

Ook legt Francesco uit waarom de Etna ‘de goede vulkaan’ wordt genoemd: op de flanken is de grond zo vruchtbaar en in het warme, subtropische microklimaat van Sicilië schijnt de zon zo uitbundig dat er twee of drie keer per jaar geoogst kan worden. Vijf procent van de totale landbouwproductie van de EU is afkomstig van Sicilië. Met name de pistachenoten van Sicilië worden geroemd. Er wordt een lokale likeur geproduceerd met een alcoholpercentage tot 70%. En er is de wijnproductie. Zo heeft Mick Hucknall een wijngaard en produceert hier z’n eigen wijn: Il Cantante. ‘Zeker alleen rode wijn?’ vraag ik. Hij snapt de grap niet en begint Red Red Wine te zingen. Hij mijdt de problemen van Sicilië niet. 20% van de jongeren tussen de 16 en 24 jaar is werkeloos. Ze vertrekken naar elders in Italië of Europa, of volgen een tweede studie aan één van de vier universiteiten op het eiland. Vervolgens kunnen ze nog geen werken vinden, wat het wrange grapje oplevert dat Sicilië de best opgeleide werklozen van Italië heeft.

Later in de morgen bezoeken we een lavagrot, eeuwen geleden in gebruik om ijs in op te slaan. Tot voor kort was niet bekend waar de grot voor gebruikt werd, totdat iemand een gravure in Sint Petersburg van de grot als ijsopslagplaats trof. Daarna maken we een langere wandeling door één van de oude kraters, in de negentiende eeuw voor het laatst uitgebarsten. Het landschap is hier dor en leeg, bewoning mag maar tot 1200 meter hoogte en in tegenstelling tot de bewoners rond de Vesuvius houden de Sicilianen zich keurig aan die regel.

Hij vertelt over de G7-top, die eerder dit jaar werd gehouden in Taormina. Gekkenwerk, zo vindt hij. Over die smalle weggetjes naar boven met zeven regeringsleiders, elk met zo’n twintig bodyguards. Het heeft één voordeel: de weg naar het dorp is speciaal voor de top helemaal opgeknapt. Francesco verhaalt nog eens over de Amerikanen, die het liefst uit veiligheidsoverweging wat huizen hadden gesloopt. En over Trump, maar om hem wordt vooral heel hard gelachen. Niemand die hem hier serieus neemt. Dat blijkt wel als je een wandeling over de Via Umberto I maakt: geregeld kom je karikaturen van Trump tegen, al dan niet met een Italiaans ijsje (met twee of meer bolletjes) in z’n hand.

‘s Middags hebben we een Siciliaanse lunch in een wintersportoord op de Etna. We zitten hier zo hoog op de vulkaan dat het gebied een groot deel van het jaar wordt gebruikt voor de wintersport. Het moet een prachtig beeld zijn om op een winterdag vanuit Taormina of Catania uit te kijken op de Etna waarvan de top is geheuld in een dik pak sneeuw. Later in de middag maken we een verkoelende wandeling door de Alcantarakloof. Het water van de rivier komt rechtstreeks uit de bergen en is heel het jaar door ijskoud. Dat is even wennen, maar na een paar minuten zijn de scherpe steentjes op de rivierbodem het grootste ongemak. Dat en de overvloed aan andere toeristen die de idylle wat verstoren.

De Vallei van de Tempels van Agrigento. Oké, al die pilaren lijken op elkaar, maar het zandsteen contrasteert zo mooi met de blauwe lucht dat je foto’s blijft maken. Op de bovenste acht foto’s de tempels van Juno en Concordia, plus een doorkijkje door de oude stadsmuur. Daaronder heb je gaandeweg meer fantasie nodig om je de grandeur van het oude Akragas voor te stellen, met de resten van de tempels van Heracles, Zeus, en Castor en Pollux. En een vlindertje.

De Vallei van de Tempels bij Agrigento behoort tot het belangrijkste culturele erfgoed van Sicilië. Vandaar dat zelfs vanuit Taormina dagtrips worden georganiseerd, ondanks dat de reis zo’n twee keer drie uur in beslag neemt: Akragas, zoals de Griekse nederzetting heette, ligt in de zuidwesthoek van het eiland, Taormina aan de oostkust. De reis naar Agrigento gaat door hetzelfde glooiende heuvellandschap als naar Palermo eerder in de week. Hier worden graan en maïs verbouwd: Sicilië is al sinds de oudheid de graanschuur van Rome. Soms is tussen dat graan een veld met zonnepanelen te vinden, of staan op een heuvel windturbines. Voor de rest is het landschap leeg, met op hoge kliffen oude vestingstadjes als Enna, Caltanissetta of Caltagirone (het voorvoegsel ‘calta-‘ in de namen komt van ‘kalat’, het Arabische woord voor kasteel). De snelweg heeft ontelbaar veel tunnels en viaducten. Die laatste hebben om de honderd meter, ter hoogte van de pijlers, een rooster ter bescherming bij aardbevingen.

Agrigento is geen mooie stad, met een skyline die wordt vervuild door foeilelijke appartementencomplexen. Maar in zo’n flat heb je wel uitzicht op de tempels van Akragas, de in de vijfde eeuw voor Christus gestichte Griekse stad. Het was indertijd één van de rijkste steden van de oudheid. Volgens de overlevering hadden de inwoners ivoren meubilair, was er goud en zilver in overvloed en kregen zelfs huisdieren een luxe begrafenis. Tegenwoordig resteren alleen nog de tempels en een stuk stadsmuur: 90% van de stad is niet opgegraven – en dit gaat in de nabije toekomst ook niet gebeuren.

De Italianen lijken er drukker mee om de tempels die zijn uitgegraven en opgeknapt, zoals de tempels van Juno en Concordia, goed uit te lichten. En als ik de foto’s mag geloven (mijn touringbus gaat in de loop van de middag terug naar Taormina) zien met name de Dorische zuilen van de tempel van Concordia er bij nacht prachtig uit. Die tempels waar niet veel meer van over is vergen meer fantasie van de bezoeker. Met name de atlassen, die bij de tempel van Zeus als zuilen fungeerden, moeten er spectaculair uit hebben gezien.

Catania is opgetrokken uit weinig sfeervol zwart lavasteen, maar is een verrassend leuke stad, met veel aardige binnenplaatsjes. En, zoals overal op Sicilië, veel kerkjes. Het plafondje hierboven fotografeerde ik in de San Giuliano, net voor de kerk de deuren sloot voor de middagpauze.

Op mijn laatste dag in Sicilië besluit ik in de loop van de morgen alvast richting het vliegveld te vertrekken. Catania lijkt me een aardige plaats, m’n spullen kan ik kwijt op het treinstation. Dat blijkt tegen te vallen. Het bagagedepot is uitbesteed aan een commercieel bedrijfje, zo blijkt het uit het kaartje dat de chagrijnig uit haar ogen kijkende, ongeïnteresseerd kauwgom kauwende spoorbeambte in m’n handen duwt. Die bagage kan ik dumpen, maar daarvoor moet ik wel twintig hete minuten door de stad sjouwen. Typisch Italië: je kunt je tas achterlaten op een plek in de stad die niet op het busstation of op het treinstation zit, maar ergens in het niemandsland ertussenin. Er is dan ook helemaal niks te doen als ik het kantoortje – verrassend snel – vind. De medewerkster is uiterst behulpzaam en spreekt vloeiend Engels; beter dan alle gidsen die ik deze vakantie heb ontmoet.

Eenmaal van m’n last verlost begin ik Catania meer te waarderen. En dat terwijl ik tijdens m’n tocht met bagage nog heb overwogen rechtsomkeert te maken en de eerste de beste bus naar het vliegveld te nemen om daar dan maar de rest van de dag door te brengen –  geïrriteerd was ik over deze idiote constructie. Daar komt nog bij dat m’n reisgids niet veel goeds over Catania te melden heeft: je moet er vooral oppassen voor zakkenrollers en tasjesdieven, het is een stad die in de rest van Italië een reputatie van roversnest heeft. Maar ik vind Catania leuk. De zeelucht, de winkels met visspullen en de uit zwart lavasteen opgetrokken vervallen panden: ze geven de stad een heel eigen karakter.

De Duomo, begraafplaats van componist en lokale trots Vincenzo Bellini, ontbeert het kleurrijke plafondje waar ik altijd naar op zoek ben, maar op het plein voor de kerk staat een fontein met een alleraardigst beeld van een olifant, sinds eeuwen het symbool van de stad, en op een klein pleintje achter het Piazza del Duomo is een luidruchtige vismarkt bezig – de lucht komt me tegemoet. In de smalle straatjes eromheen wordt in groente en vlees gehandeld. Het leukste is dat veel van deze straatjes doorgangen hebben naar binnenplaatsen die soms prachtig zijn ingericht en soms zwaar zijn vervallen. Ik liep nieuwsgierig zo’n binnenplaats op en richtte m’n camera omhoog. Die foto alleen al is m’n tripje naar Catania waard. Een man kijkt uit een hoek toe en roept wat in het Italiaans naar me. Hij gebaart naar boven. Op een plank staan twee bouwvakkers te klussen. Ze zwaaien naar me.

In m’n geïmproviseerde wandeling door de stad kom ik langs diverse kerken, de meeste sluiten rond het middaguur hun deuren. In één kerk zie ik hoe een medewerker de lampen van de opgestoken (elektrische) kaarsen vlak voor de siësta uitdraait. Tussen de middag hoeven die niet voor het zielenheil van de gelovigen te branden.

Ik wil ruim op tijd op het vliegveld zijn, maar vergis me in de vertrektijd van m’n vliegtuig. Daardoor ben ik al veel te vroeg op het vliegveld van Catania. Jammer, want ik had graag nog een wandeling gemaakt naar de Villa Bellini, het park van Catania, gelegen aan de via Etnea. Inderdaad, die weg leidt tot de voet van de Etna. Een gemiste kans, maar wellicht voor een volgend bezoek.

Ja, Sicilië is prachtig. Het eilandgevoel heb ik er niet gekregen; daarvoor is het simpelweg te groot. Er is ook te veel te zien, dus met een weekje aan de oostkant red je het niet. Een volgende keer moet ik echt vliegen op Trapani, aan de westkant van het eiland. Van daaruit kan ik Palermo opnieuw bezoeken, dit keer wat uitgebreider, naar de Egadische eilanden varen of de ruïnes van Segesta en Selinunte bekijken. Het is er ook een stuk minder toeristisch dan Taormina, dat zich uit de markt prijst met z’n idiote prijzen. Misschien leidt de reis wel naar de Liparische eilanden. Want het eilandgevoel kreeg ik wel toen ik op Lipari was, en ik wegkeek op de andere eilanden van de archipel. Toen ik door die burcht die boven het dorp uittorent struinde, en me in het archeologisch museum verwonderde over de honderden amfora’s en miniatuur dodenmaskers.

Vlak nadat m’n vliegtuig is vertrokken uit Catania zie ik in de zee onder me een paar eilanden liggen. Een van de eilanden heeft een perfecte kegelvorm. Uit de top komt een klein pluimpje rook: Stromboli. Voor een volgende keer.

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Selfietutjes en scooterjochies

Tien keer Pacific

Haleakala. Bezongen door George Harrison.

Boekenkasten vol zijn er over de Pacific geschreven. Letterlijk. En niet door de minsten; Herman Melville, W. Somerset Maughan, Mark Twain, Robert Louis Stevenson, Jack London, Pierre Loti, James Jones, James A. Michener, Paul Theroux. Zelfs Paul Gauguin vertrouwde z’n zielenroerselen een keer toe aan het papier in het niemendalletje Noa Noa. Met name korte verhalen over de Pacific lees ik graag. Jack Londons The Seed of McCoy en Mauki, Robert Louis Stevensons The Isle of Voices zijn prachtige verhalen, maar het allermooiste is The Forgotten One van James Norman Hall. Wie gelooft in Zuidzeeromantiek is na het lezen van dat verhaal voorgoed genezen.

Is er ook veel gezongen over de Pacific? Mwa, dat valt een beetje tegen. Al heeft met name Hawaï invloed gehad op de muziekwereld. In de eerste plaats door de films die er vanaf de jaren dertig werden opgenomen. Minstens zo belangrijk was de tikicultuur die na de Tweede Wereldoorlog in zwang raakte: soldaten die gelegerd waren in de Pacific gingen eenmaal thuis graag uit eten in restaurants en cafés die waren ingericht als replica’s van eilanden in de Stille Oceaan. Ook de muziek uit Polynesië werd meegenomen en door muzikanten als Martin Denny, Les Baxter en Arthur Lyman verbasterd tot exotica: muziek op instrumenten als conga’s, bongo’s, marimba’s, xylofoons – daarbij het liefst ondersteund door dierengeluiden. Inspiratie kwam niet alleen uit de Pacific, maar ook uit Zuid-Amerika, Afrika of het Verre Oosten. De populariteit nam in de jaren zestig af, maar de invloed leeft voort; Caro Emerald liet zich op haar meest recente ep Emerald Island nog inspireren door het genre (de openingstrack op die ep heet zelfs Tahitian Skies).

Ik beperk me bij deze top-10 tot namen die nog enigszins bij het westerse muziekpubliek bekend zijn. De enige uitzondering is Israel Kamakawiwo’ole, letterlijk (hij woog meer dan 350 kilo) en figuurlijk een grootheid binnen de Hawaïaanse muziekwereld; diens Facing Future is het bestverkochte Hawaïaanse album ooit. Niet dat er geen contemporaine muziek uit de Pacific om handen is. Putumayo bracht een jaar of tien geleden een aardige compilatie uit: South Pacific Islands. Daarop is de Polynesische, en vanuit Nieuw-Zeeland opererende groep Te Vaka met maar liefst vier liedjes vertegenwoordigd. De groep werkte vorig jaar nog mee aan de soundtrack van Disneyfilm Moana. Ook leuk zijn de Papoea-Nieuw-Guinese zanger Telek en de uit Nieuw-Caledonië afkomstige groep Gurejele. Putumayo brengt een verwaterde versie van wereldmuziek, hapklaar gemaakt voor westerse oortjes, maar het is best genietbaar.

Wie meer authenticiteit zoekt kan terecht bij de Zwitserse muzikaal antropoloog Hugo Zemp die begin jaren zeventig in opdracht van de Verenigde Naties opnames maakte. Hij nam in 1970 in de Solomoneilanden het slaapliedje Rorogwela op. De tekst gaat over een jong weesje dat wordt getroost door z’n oudere broer. Het werd in de jaren negentig gesampled in het lichtelijk pervers getitelde Sweet Lullaby van Deep Forest. En cartoonist en obsessief verzamelaar van 78-toerenplaatjes Robert Crumb stelde ooit een cd samen met de titel Hot Women: Women Singers from the Torrid Regions of the World, met daarop onder andere opnames uit Hawaï en Tahiti. Onlangs kwam ik in een platenzaak een dubbel-cd tegen met de titel Café Hawaii en toen ik zelf in Hawaï was kocht ik een boek (en de bijbehorende cd) met de titel The 50 Greatest Hawai’i Albums. Om maar te zeggen: er is wel íets meer.

Vandaar m’n Spotify-playlist: daarin niet alleen tien onderstaande liedjes, maar ook andere bijdragen die de lijst niet haalden. Bij de samenstelling van de top-10 heb ik gelet op verwijzingen naar specifieke locaties in de titel (of, in het geval van de nr. 10, in de songtekst), maar ik wilde ook een goede spreiding. En hoewel de spoeling vrij dun was, ik had te veel keus voor een top-10.

10. Crosby, Stills & Nash – Southern Cross (1982)

Binnen de westcoastpop is altijd met verlangen over de Grote Oceaan weggekeken. Bij de Beach Boys gebeurde dat nog vol romantische ideeën over surfen en leuke meisjes (de groep nam voor één van hun kerst-lp’s zelfs een Hawaïaans kerstliedje op: Melekalikamaka). Joni Mitchell, indertijd actief in de folkscene van Laurel Canyon, Los Angeles, schreef op haar eerste trip naar Honolulu al over de teloorgang van het paradijs Hawaï. ‘They paved paradise and put up a parking lot,’ zong ze in Big Yellow Taxi. De Eagles waren in The Last Resort, de mooiste track van hun album Hotel California, nog veel cynischer. Amerika is verdorven door het kapitalisme; ook Californië zal ten onder gaan aan het westerse vooruitgangsdenken. Zelfs Hawaï is niet meer veilig, zo treurde Glenn Frey: ‘you can sail to Lahaina, just like the missionaries did. They even put a neon sign: ‘Jesus is coming.”

Stephen Stills geloofde in 1982 nog wel in de romantiek van de Zuidzee. Voor de comeback-lp Daylight Again van Crosby, Stills & Nash (Neil Young had weer eens geen zin) bewerkte hij de song Seven League Boots tot Southern Cross. De protagonist in Stills’ Southern Cross zeilt over de Pacific, de tekstregels geven aan waar het schip zich bevindt: ‘got out of town on a boat goin’ to Southern Islands’, ‘the downhill run to Papeete’ en ‘off the wind on this lie the Marquesas.’ Hij zeilt weg voor een ongelukkige, op de klippen gelopen relatie, maar z’n reis over de Grote Oceaan, onder het gesternte van het Zuiderkruis, biedt hoop voor de toekomst. Met al die nautische verwijzingen is de song een typische exponent van het uit de westcoastpop voortgekomen subgenre met de o zo melige naam yacht rock (de videoclip doet er helemaal niks aan om dat beeld weg te nemen). Southern Cross werd als single uitgebracht en bereikte de achttiende plaats in de Amerikaanse Billboard Hot 100, de laatste hit van betekenis voor het trio.

Het Zuiderkruis. Ik weet niet hoe de tegenvoeters er over denken, maar voor een noorderling klinkt de naam alleen al heel ver weg.

9. ABBA – Happy Hawaii (1976)

Hey Honolulu, we’re going to happy Hawaii
Alice has been there, she said it was fun
Swimming and surfing, enjoying the sun

Ik vraag me af of Björn Ulvaeus en Benny Andersson wel in Honolulu zijn geweest voordat ze Happy Hawaii schreven. Hawaï is geweldig, maar Honolulu is op z’n best een verzameling karakterloze betonblokken. Het is niet zonder charme; Waikiki is een leuk strand en heeft een mooie boulevard, Pearl Harbour is een absolute must, het Bishop Museum is één van de beste musea met kunst uit de Pacific en er is geen betere plek om te leren surfen dan de noordkust van Oahu; zelfs ik kan het nu. Ik ben er geweest, dus ik kan het weten.

Wie denkt dat de mannen van ABBA veel liedjes opnamen en alleen de allerbeste voor hun albums kozen komt bedrogen uit. Liever bleven ze wekenlang aan een compositie schaven om die tot in de puntjes te perfectioneren. Zo begon Happy Hawaii als een andere song: het voor ABBA-begrippen vrij logge Why Did It Have To Be Me?, de enige track op de lp Arrival die door Björn is ingezongen. Het houdt het midden tussen boogie en glamrock.

Het aardige is dat ze eerder experimenteerden met een luchtigere variant, in de typische ABBA-sound van de vroege jaren zeventig. Hier worden de clichés niet gemeden: een intro met de ruisende zee, een (als een synthesizer klinkende) slide gitaar die zorgt voor een authentiek Hawaïaans element en een tekst die gaat over een persoon die de grauwe regelmaat van het dagelijks leven (en, zoals wel vaker bij ABBA, een ongelukkige liefde) wil ontvluchten. Het geeft aan hoe nauwgezet de twee songschrijvers van ABBA te werk gingen, al werd voor de lp Why Did It Have To Be Me? verkozen boven Happy Hawaii.

Gelukkig voor ons verscheen Happy Hawaii alsnog als b-kantje van single Knowing Me, Knowing You. Ik mag er graag aan denken hoe Mamma Mia! niet op een Grieks eiland maar midden in de Pacific, halverwege Amerika en Japan, is gesitueerd. Met Happy Hawaii als soundtrack.

8. David Essex – Tahiti (1983)

Het verhaal van de muiters van de Bounty spreekt ook tegenwoordig nog tot de verbeelding. De bemanning van de Bounty die onder leiding van Fletcher Christian in 1789 in opstand kwam tegen de wrede kapitein Bligh en zich, er zeker van te zijn bij ontdekking ter dood te worden veroordeeld, op het afgelegen eiland Pitcairn verstopte (maar eerst nog even wat vrouwen roofden van Tahiti), wetende dat het op zeekaarten verkeerd stond aangegeven: hier zouden ze nooit worden gevonden. Dat klopte, maar in het isolement van Pitcairn draaiden ze door; binnen een paar jaar waren muiters vermoord, gek geworden of hadden zelfmoord gepleegd. Toen de kolonie in 1814 werd gevonden was John Adams de laatste nog levende muiter.

De muitery van de Bounty werd geromantiseerd in Mutiny on the Bounty van schrijvers Charles Nordhoff en James Norman Hall. Dat boek verscheen in 1932 en werd sindsdien diverse malen verfilmd; de beroemdste versie stamt uit 1962 met Marlon Brando in de hoofdrol van Fletcher Christian. Dat bleek nog niet genoeg, het boek vormde ook de basis voor de musical Mutiny!, met zanger David Essex als publiekstrekker, die in 1985 op het Londense West End in première ging. Het was ook Essex die de muziek schreef, met single Tahiti als belangrijkste artefact. Mike Batt tekende voor de productie. Tekst en muziek zijn het toppunt van suikerzoete wansmaak, maar Essex heeft wél de moeite genomen om Polynesische woorden (of wat daarvoor door moet gaan) erin te verwerken.

Voor Essex betekende Tahiti z’n laatste Engelse top-10-hit en Mutiny! zou meer dan vijfhonderd keer opgevoerd worden. Dat de soundtrack pas in 2010 op cd verscheen zegt natuurlijk helemaal niks over het succes.

7. George Harrison – Soft-Hearted Hana (1979)

Hawaï is de meest progressieve staat van Amerika. Ook, na Colorado, de gezondste (dat hier een oorzakelijk verband is staat buiten kijf). Eigenlijk is de volledige staat een vrijplaats voor hippies: ieder dorp kent meerdere reformwinkels, over drugs doet niemand moeilijk. Toen ik op Maui was spendeerde ik een middag op Little Beach. Terwijl de dag vorderde en de zon langzaam onderging, nam de wietlucht toe en werd er hoe langer hoe bloter gedanst. Niemand die daar iets van zegt, laat staan dat de politie optreedt. Gedogen typisch Nederlands? Think again.

Dat liberale gedachtegoed moet George Harrison hebben aangesproken toen hij eind jaren zeventig naar Hawaï vertrok om liedjes voor z’n nieuwe, titelloze album te schrijven. En natuurlijk snoepte Harrison hier rijkelijk van de drugs. De hallucinaties die hij had na het eten van een geestverruimende paddenstoel leverden de tekst op van Soft-Hearted Hana. Die is onnavolgbaar, maar uit de flarden is op te maken dat hij de reisgids van Maui goed heeft bestudeerd: ‘and hadn’t they just seen me up on Haleakala’, ‘seven naked native girls swam seven sacred pools’ en ‘I fell in love with my soft-hearted Hana.’ De Haleakala is een vulkaan in Maui en Hana is een plaats aan de oostkust van Maui – de weg ernaartoe is een toeristische attractie op zich. Onderweg naar Hana kom je inderdaad langs ‘seven sacred pools’. Ook daar ben ik geweest (de zeven naakte dames heb ik er niet gezien).

Harrison nam Soft-Hearted Hana terug in Engeland op. In een vaudeville-achtig arrangement, gemixt met geluiden en conversaties uit z’n favoriete pub The Row Barge in Henley-on-Thames. Hij was in gedachten nog altijd bij z’n geliefde Hana: ‘she entered right in through my heart and now although we’re miles apart, I still feel her.’ Tegen het einde van de opname wordt de begeleiding opzettelijk vals. De kater komt later.

Harrison kocht rond de tijd van Soft-Hearted Hana een huis in Nahiku, een dorpje langs de weg naar Hana, waar hij de rust zocht waar hij sinds het succes van de Beatles zo naar op zoek was. Hij raakte bevriend met Bob Longhi, restauranteigenaar te Lahaina, en droeg Soft-Hearted Hana aan hem op. Hawaï bleek van blijvende invloed op Harrison; op z’n laatste album Brainwashed staat Rocking Chair in Hawaii, met daarin ook een rol voor de door hem zo geliefde ukelele.

6. The Finn Brothers – Kiss the Road of Rarotonga (1995)

Paul Theroux beschrijft in The Happy Isles of Oceania niet ongeestig over de eerste ontmoeting van de Fransen in 1768 met de oorspronkelijke bewoners van Tahiti. Hoe een jonge Tahitiaanse met ontblote borstjes vanuit haar kano het dek van een marineschip opstapte en ten overstaan van vierhonderd matrozen die al zes maanden geen vrouw hadden gezien, laat staan eentje met blote tieten, haar lendendoek liet vallen waardoor ze poedelnaakt op het dek stond. Louis Antoine de Bougainville, kapitein van het schip, aarzelde geen moment: ‘down went the anchor, and in that moment the myth of romantic Tahiti was conceived, a paradise of fruit trees, brown tits and kiddie porn.’

Op YouTube vond ik een live versie van Kiss the Road of Rarotonga uit 1996 waarin Tim Finn vertelt over hoe hij met z’n motor in de Cookeilanden crasht en door een verpleegster (op blote voeten) van het lokale ziekenhuis plagerig wordt toegesproken met de zin ‘ah, you kissed the road of Rarotonga.’ Einde van het liedje: al ijlend van de drank of de pijnstillers concludeert Tim dat het niet zo erg is dat hij onderuit ging met z’n motor; hij heeft er een leuke, Polynesische verpleegster aan overgehouden.

De Nieuw-Zeelandse broers hebben geregeld eer betoond aan de traditionele muziek van hun thuisland. De Maori-invloeden zijn vooral op het album Together Alone hoorbaar, in Private Universe en de titelsong. Tim Finn betuigde daarnaast z’n respect aan de oorspronkelijke inwoners in z’n solosingle Parihaka. Toch blijft het opvallend over hoe weinig locaties in Nieuw-Zeeland liedjes zijn geschreven, noch door één van de vele projecten van de Finn-broertjes, noch door andere bands en artiesten uit het land. In een Top 100 van beste Nieuw-Zeelandse songs uit 2001 wordt in geen enkele titel een specifieke plek genoemd. Blijkbaar laten de eilanden zich beter bezichtigen dan bezingen.

5. Bali Ha’i (uit South Pacific) (1949)

‘Een collega van me gaat op vakantie naar een eilandengroep in de Stille Oceaan en jij gaat jaloers zijn,’ zei een vriend tegen me.
‘Waar gaat hij heen?,’ vroeg ik nieuwsgierig.
‘Vanuatu.’
‘Oké, ik ben jaloers.’

Toegegeven, ik wil zo’n beetje elk eiland in de Pacific bezoeken. De archipel Vanuatu hoort daar zeker bij. James A. Michener was tijdens de Tweede Wereldoorlog gelegerd op Espírito Santo in de Nieuwe Hebriden, zoals de eilandengroep toen nog heette. Hij schreef Tales of the South Pacific, een boek waarvan de kaft van mijn editie ronkend meldt: ‘the endless ocean, the coconut palms, the waves breaking into spray against the reefs, the full moon rising behind the volcanoes’. Wie op basis daarvan stomende Zuidzeeromantiek verwacht, komt bedrogen uit; in de eerste twee verhalen vliegen de bommenwerpers en de dode strijdmakkers je al om de oren. Maar z’n verhalenbundel bleek een groot succes. In 1948 won hij er de Pulitzerprijs mee.

Tussen het oorlogsgeweld wisten Rodgers & Hammerstein de romantiek uit de verhalen Our Heroine en Fo’ Dolla om te vormen tot de musical South Pacific. Het is met bijna drieduizend shows één van de succesvolste musicals aller tijden, met klassiekers als Some Enchanted Evening, I’m Gonna Wash That Man Right Outa My Hair en There’s Nothing Like a Dame (het kan niet anders of No Dames! uit Hail, Caesar! van de broertjes Coen is hier een parodie op). In South Pacific is Bali Ha’i het mythische eiland dat met haar lokroep de hoofdrolspelers betovert: ‘Bali Ha’i will whisper on the wind of the sea: “Here am I, your special island! Come to me, come to me!”‘ Helaas voor de hoofdpersonen is Bali Ha’i off limits.

Bali Ha’i is met name in de jaren vijftig vaak gecoverd. Frank Sinatra, Peggy Lee, Bing Crosby, Sarah Vaughan, Perry Como, Andy Williams; zo’n beetje elke crooner nam in de jaren vijftig een eigen versie op: het verlangen naar een onbereikbaar paradijs is universeel. Maar Bali Ha’i bestaat. Al zal je het niet in de atlas vinden onder die naam, in het echt heet het Ambae, of Aoba. Als ik de foto’s op internet zie is het nog niet ten prooi gevallen aan massatoerisme. Ik moet er echt eens heen.

4. Elvis Presley – Blue Hawaii (1961)

Voor hele generaties is het beeld dat bij het horen van de naam Hawaï opkomt Elvis die croonend, omringd door hoelameisjes en getooid met een bloemenkrans op z’n ukelele enkele liedjes speelt. Dat is niet gek. De King of Pop is voor eeuwig verbonden met de eilandengroep. Hij nam er drie films op: Blue Hawaii, Girls! Girls! Girls! en Paradise, Hawaiian Style. De bijbehorende soundtracks waren uiterst succesvol, wat in 1973 culmineerde in het concert Aloha from Hawaii. Het werd in veertig landen live uitgezonden.

Het was niet Elvis die had uitgedokterd dat het idyllische Polynesië zich uitstekend leende voor films met flinterdunne verhaaltjes met schaars geklede meisjes en zoetsappige liedjes. Hollywood had dat in de jaren dertig al begrepen, met als resultaat musicalfilms als In The Navy, Honolulu en Waikiki Wedding. Uit die laatste film komt het liedje Blue Hawaii. Een song die er met regels als ‘dreams come true in blue Hawaii and mine could all come true, this magic night of nights with you’ niets aan doet het clichébeeld van wuivende palmenstranden en wulpse Hawaïaanse danseressen weg te nemen. Het werd oorspronkelijk opgenomen door Bing Crosby en Shirley Ross. Er is iets voor te zeggen dat de soundtracks van Elvis meer eeuwigheidswaarde hebben dan de films: Can’t Help Falling In Love, Rock-A-Hula Baby en Return to Sender zijn uitgegroeid tot klassiekers.

Blue Hawaii mag de bekendste song zijn geweest van de soundtrack met dezelfde titel, navrant is dat Elvis voor dezelfde film ook Aloha ‘Oe opnam. Het werd in 1878 geschreven door koningin Liliuokawani van Hawaï na de ferme omhelzing bij het afscheid van kolonel James Harbottle Boyd en groeide uit tot de bekendste Hawaïaanse song, zeker nadat de koningin bij een staatsgreep in 1893 werd afgezet. Elvis zal de bittere ironie van Aloha ‘Oe niet hebben ingezien. Waar hij met z’n films de oorspronkelijke cultuur van Hawaï hevig had geromantiseerd, werd het laatste beetje authenticiteit onder de voet gelopen door het Amerikaanse massatoerisme. Zeker toen Hawaï in 1959 als vijftigste staat toetrad tot de Verenigde Staten en de skyline niet langer werd gedomineerd door houten bungalows, maar door grote betonblokken. Met uitzicht op zee, dat wel.

3. U2 – One Tree Hill (1987)

The Joshua Tree, het magnum opus van U2, gaat over Ierland en Amerika, maar de twee locaties die bij naam worden genoemd in songtitels zijn Red Hill (een mijndorpje in Wales) en One Tree Hill, een heuvel in Auckland die voor de Maori religieuze betekenis heeft. One Tree Hill of Maungakiekie, zoals deze in Maori heet, was in de achttiende eeuw het belangrijkste dorp voor de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Zeeland. De ligging op het smalste stukje van het Noordereiland was van groot belang: twee zeeën binnen handbereik, bovendien bleek de vulkaangrond uiterst vruchtbaar. De heuvel was tot eind achttiende eeuw bewoond, waarna hij in verval raakte.

De aanleiding van de song is tragisch: het overlijden van de roadie Greg Carroll bij een motorongeluk in Dublin in 1986. Carroll was Maori en was twee jaar eerder goed bevriend gemaakt met Bono tijdens een show in Auckland. Hij had de zanger de fameuze Nieuw-Zeelandse heuvel laten zien. ‘I’ll see you again when the stars fall from the sky, and the moon has turned red over One Treel Hill,’ zingt hij. Onbekender is de referentie aan de Chileense zanger Víctor Jara, die bij de coup van Augusto Pinochet in 1973 werd doodgemarteld: ‘Jara sang, his song a weapon in the hands of love, you know his blood still cries from the ground.’

Chili en Nieuw-Zeeland, de oostkant en de westkant van de Grote Oceaan, verenigd in één song. One Tree Hill werd alleen in Nieuw-Zeeland op single uitgebracht, waar het de eerste plaats haalde.

2. Israel Kamakawiwo’ole – Hawai’i ’78 (1993)

Israel Kamakawiwo’ole mag zonder overdrijven de gigant van de Hawaïaanse muziek worden genoemd. Zijn muziek is overal, met name z’n cover van Over The Rainbow. Ik vroeg ernaar toen de taxichauffeur me van het vliegveld van Maui naar mijn hostel bracht. ‘Toeristen verwachten deze muziek te horen,’ was zijn antwoord. De man zei er niet bij of hij het ook mooie muziek vond.

Kamakawiwo’ole zou er niet blij mee zijn geweest. Hij streed met z’n muziek voor de rechten van de oorspronkelijke bewoners van de Hawaï-eilanden en zag met lede ogen aan hoe de Polynesische cultuur werd vertrapt door de Amerikaanse popcorncultuur: ‘if just for a day our king and queen (…) saw highways on their sacred grounds, how would they feel about this modern city life.’

Hawai’i ’78 is een hartenkreet, zoals blijkt uit het citaat van koning Kamehameha de Derde: ‘Ua Mau ke Ea o ka ‘Āina i ka Pono,’ wat in het Engels valt te vertalen als ‘the life of the land is perpetuated in righteousness.’ Ik heb lang gedacht dat de ’78 in de titel verwees naar een wet die in 1978 in Hawaï was doorgevoerd en die al dan niet een tegemoetkoming was aan de oorspronkelijke bewoners van de archipel. De meer voor de hand liggende verklaring is dat de ’78 in de titel verwijst naar 1778, het jaar waarin James Cook de Hawaï-eilanden ontdekte. Voor Mickey Ioane, de schrijver van de song moet die ontdekking het begin van het einde hebben betekend.

1. Jacques Brel – Les Marquises (1977)

Je kunt niet zeggen dat het overlijden van Jacques Brel in 1978 als een verrassing kwam. De zanger leefde allang in geleende tijd, nadat in 1974 bij een operatie z’n linkerlong was verwijderd. Brel voer in de jaren zeventig op een zeilboot om de wereld en besloot op Hiva Oa, in de Franse Marquesaseilanden, waar niemand hem kende, te blijven. Op afraden van z’n artsen – de tropen zouden niet bevorderlijk zijn voor de toch al broze gezondheid van de chansonnier: eens een non-conformist, altijd een non-conformist.

Op Hiva Oa schreef Brel zeventien chansons, waarvan er twaalf op z’n laatste lp Brel zouden verschijnen. Het album werd met tussenpozen opgenomen; maximaal twee liedjes op een dag. Brel is in alles een afscheidsplaat. Nog een laatste trap na aan z’n bekrompen landgenoten in Les F…, een diepdroevig afscheid tussen twee geliefden op de Parijse luchthaven Orly in het chanson met dezelfde titel en een eerbetoon aan Jojo, z’n beste vriend die in 1974 was overleden. Het bekendste is Voir un Ami Pleurer, naar het Nederlands vertaald als het van Herman van Veen bekende Een Vriend zien Huilen.

Het allermooiste is de afsluitende track Les Marquises. Een ode aan de eilandengroep in Frans-Polynesië. Brel noemt in de tekst Paul Gauguin, de post-impressionistische schilder die, vloekend en tierend over het kolonialisme, als een straatarme bohémien z’n laatste jaren in Frans-Polynesië sleet. Een paar oude, witte paarden neuriën nog z’n naam: ‘quelques vieux chevaux blancs qui fredonnent Gauguin’. Ze praten er over de dood alsof het de normaalste zaak van de wereld is: ‘ils parlent de la mort comme tu parles d’un fruit’. De muzikale begeleiding is bescheiden, met houtblazers en getokkel op strijkers. Op de dag dat de lp verscheen, vertrok Brel naar de Marquesaseilanden. Een jaar later was hij dood. Brel ligt begraven in Atuona, op Hiva Oa, niet ver van het graf van Gauguin.

‘Et par manque de brise le temps s’immobilise aux Marquises,’ zingt Brel: waar geen wind waait, staat de tijd stil. Als je toch begraven moet worden, waarom niet op een plek waar de tijd stilstaat?

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , , , , , , , | Comments Off on Tien keer Pacific

Monsters

Het begon met Stefan, die voor z’n studie voor een paar maanden naar Wellington, Nieuw-Zeeland vertrok. Zoals traditie was geworden – hij vertoefde in die tijd geregeld in verre oorden – stelde ik een cd samen met muziek uit z’n nieuwe, tijdelijke thuisland. Dat bleek knap lastig. Je komt een aardig eind met alle projecten van de broertjes Neil en Tim Finn (Split Enz, Crowded House, The Finn Brothers) en je had in de jaren negentig de ultieme one hit wonder OMC (van How Bizarre), maar er moest meer zijn. Ik werkte indertijd op de muziekafdeling van de bibliotheek in Eindhoven en met wat tracks van Nuggets-compilaties kon ik de tracklisting nog aanvullen (Nieuw-Zeeland bleek in de jaren zestig een broeinest voor beatmuziek). In de jaren tachtig waren The Chills dicht bij een internationale doorbraak geweest. Daar hield het wel mee op.

Ik las over het platenlabel Flying Nun, dat vanuit Christchurch opereerde en in de jaren tachtig de rest van Nieuw-Zeeland én de wereld kennis liet maken met de gitaarpop van bands als The Clean, The Bats, Able Tasmans, The Jean-Paul Sartre Experience, Tall Dwarfs, The Verlaines en het hiervoor al genoemde The Chills. Bands veelal afkomstig uit het tochtgat Dunedin (in het trotse bezit van een achthoekig plein, én de steilste straat ter wereld), alleen te bezoeken als je als artiest op doorreis bent naar de Zuidpool, zoals folkzanger Billy Bragg ooit niet ongeestig opmerkte. Toen ik in 2008 Nieuw-Zeeland bezocht om met Stefan een paar weken door het land te reizen, kocht ik op een tussenstop in Sydney een compilatie van het platenlabel. Ik ben gek op obscure muziek, zeker als die van heel ver komt.

Een paar jaar geleden verscheen er een nieuwe compilatie van Flying Nun. Ik schreef daar een blog over dat werd opgepikt door Paul Schwarte, connaisseur van muziek uit het land van de kiwi’s (hier doe ik hem mee tekort, want hij weet werkelijk álles over underground gitaarmuziek – period). Hij voegde me direct toe als vriendje op Facebook. Sindsdien trakteerde hij mij en z’n andere vrienden op clips van al dan niet Nieuw-Zeelandse bands. Meestal vond ik ze aardig en vergat ik de naam alweer snel. Het clipje van Spacejunk van The Bats (vernoemd naar de enige inheemse zoogdiersoort van Nieuw-Zeeland) trof me echter. Ik rende niet meteen naar de platenzaak, dat doe ik nooit, maar ik onthield de bandnaam en bestelde een hele tijd later de nieuwste cd van de groep bij m’n platenboer: Free All The Monsters.

Space junk is flying
and I’m gonna go and get me some
It will be so easy and I’ll have a beautiful pile

Rond die tijd won ik met m’n team op wekelijkse basis de pubquiz van Number 42. De hoofdprijs was telkens vrijkaartjes voor een concert in de Effenaar, of een theatervoorstelling in de Parktheater. We waren zo blasé geworden dat we die vrijkaartjes geregeld weggaven aan andere, ongetwijfeld meer geïnteresseerden dan wijzelf (wat er vermoedelijk toe heeft bijgedragen dat het winnende team niet meer de vrijkaartjes krijgt). Dat gebeurde ook bij de vrijkaartjes voor het concert van Graham Central Station, de band van Larry Graham. Ik ken de beste man, maar heb me nooit zo geïnteresseerd voor funk en soul. Ik wist wel iemand anders die ik Heel Blij kon maken met de kaartjes: m’n oude baas van de muziekafdeling van de bibliotheek die, nu de muziekafdeling was opgedoekt, elke vrijdagmiddag in de platenzaak stond waar ik geregeld kwam. Hij was er inderdaad blij mee want hij was graag naar dat concert gegaan, maar vond de entreeprijs te hoog. Met de kaartjes kon hij z’n vriendin én zoontje meenemen.

Een paar weken later sprak ik hem in de platenzaak en vroeg ik hoe het concert was geweest. Het was fantastisch, zo vertelde m’n oud-collega. Ze hadden met z’n drieën vooraan gestaan en hun zoontje, met z’n acht jaar veruit de jongste toeschouwer, had op het podium mogen dansen met de grote Larry Graham. Toen Graham hem vervolgens vroeg wie volgens hem de grootste muzikant aller tijden was, had het zoontje van m’n oud-collega niet het sociaal wenselijke antwoord Larry Graham gegeven, maar Michael Jackson gezegd. Graham gaf lachend toe daar weinig tegen in te kunnen brengen.

Het deed me goed om te horen dat het concert een onvergetelijke ervaring was geweest. Nu ik er toch was, wist hij of m’n cd van The Bats binnen was binnengekomen? Dat bleek het geval. Over afrekenen deed hij niet moeilijk, die cd kreeg ik van ‘m cadeau.

I’ve been waiting a long, long time
many cold lonely nights
I see the light come shining through

Free All The Monsters kwam Huize Guidje binnen onder een goed gesternte. Het werd mijn feel good plaat waar ik naar bleef teruggrijpen. Spacejunk was prachtig, maar de twaalf liedjes bleven stuk voor stuk hun geheimen prijs geven. Eerst viel ik voor het ‘aye-aye-aye’ refrein van Fingers of Dawn, later kwamen daar het bedrieglijk simpele, instrumentale niemendalletje Canopy, de majestueuze titelsong en het doordenderende See Right Through Me bij. Ik zong ze woord voor woord mee.

Het allermooiste is de balans tussen deze twaalf perfecte popliedjes, semi-live opgenomen in het Seacliff Asylum, een leegstaand gesticht, ergens tussen Oamaru en Dunedin. Op m’n reis door Nieuw-Zeeland moet ik er voorbij zijn gereden. Die semi-live opname geeft de toch al mooie liedjes net wat extra glans. De galm op de rinkelende, twinkelende gitaren à la The Byrds, de hoge, tikkeltje onvaste stem van frontman Robert Scott en diens samenzang met gitariste Kaye Woodward doen de rest. Free All The Monsters bleek in al z’n bescheidenheid een meesterwerk. Tijdloze gitaarmuziek waarmee de revolutie niet zal worden gewonnen, maar dat hoeft niet. De muziek van The Bats schreeuwt geen kwaliteit, maar fluistert die. Nooit heb ik de moeite genomen me in de rest van het oeuvre van de groep te verdiepen. The Bats hebben op Free All The Monsters datgene gevangen dat zo weinig bands lukt: magie. Daarmee vergeleken kan al het andere alleen maar tegenvallen.

Ik sloeg mezelf voor m’n kop dat ik Free All The Monsters niet eerder had aangeschaft, zodat ik de cd mee had kunnen nemen in m’n traditionele eindejaarslijstje voor KindaMuzik. Die fout maakte ik later goed, toen ik voor het vijftienjarig bestaan van KindaMuzik meeschreef aan een artikel over vijftien miskende meesterwerken. Free All The Monsters stond voor mij met stip op nr. 1 als hét album dat in dit artikel vermeld moest worden.

Free all the monsters now
Let them fly up and away
They’ve had enough trials and tribulations
They’ve got enough on their plate

Morrissey zei ooit dat z’n favoriete platen voor hem als vrienden zijn. Dat vind ik overdreven. Wel kunnen platen een steun zijn. Een paar jaar terug ging het wat minder met me. Ik zat tegen een burnout aan, had last van neerslachtigheid en een algeheel ongenoegen over de doelloze, richtingloze staat van m’n leven. Ik neem het leven vaak zwaarder dan strikt noodzakelijk. De muziek hielp me, zoals muziek dat altijd doet. Lost In The Dream van The War On Drugs draaide ik in die tijd vrijwel non-stop, maar op de momenten dat ik die plaat níet draaide, greep ik terug naar Free All The Monsters. De stem van Robert Scott, de melodische brille, de prachtige samenzang, de mooie productie, telkens wisten ze me weer te verleiden – en op te beuren. Ook de teksten spraken steeds meer tot me. Noem het larmoyant, maar als ik de galmende, bijna euforisch klinkende gitaren en de eerste tekstregels van de titelsong hoor, ben ik gerustgesteld: laat ze gaan, die monsters. Ze hebben al voldoende te verduren gehad.

Lang heb ik gedacht dat ik The Bats nooit live zou zien. De groep bestaat ruim dertig jaar en zal in de jaren tachtig, toen Flying Nun en de door het label zo geliefde Dunedin Sound op hun hoogtepunt waren, ongetwijfeld door Europa hebben getoerd. Wilde ik ze nu nog live zien, dan zou ik vast naar Nieuw-Zeeland moeten (iets wat ik dolgraag doe maar tussen droom en daad staan praktische bezwaren, zoals een bankrekening met onvoldoende saldo).

Een wereldreis bleek niet nodig. The Bats komen naar Nederland. Op 8 juni staan ze in het bovenzaaltje van Paradiso. Paul is bang dat ze voor enkele tientallen bezoekers spelen, waarbij driekwart van het publiek uit import-kiwi’s bestaat. Zo erg zal het denk ik niet worden en dan nog: ik ga The Bats live zien. Diep in m’n hart weet ik dat het niet het beste concert wordt dat ik ooit zal zien, al was het maar omdat dit een tournee is ter promotie van hun nieuwe album The Deep Set. Die plaat weet me nergens zo te raken als Free All The Monsters. De liedjes zijn weer prachtig (zie ook de leuke clip bij No Trace), maar de productie is vlak en Scotts stem iets te onvast; de gitaartjes twinkelen net iets minder mooi.

Het geeft niet. Net zo min dat het geeft dat de akoestiek in het bovenzaaltje van Paradiso allerbelabberdst is. Ik ga The Bats live zien. Een droom komt uit. Ze hebben al laten weten lp’s mee te nemen. Stiekem hoop ik op een vinyl exemplaar van Free All The Monsters. Gesigneerd, uiteraard.

I’ll be getting over you when the sun hits the ground
And I’ll be better off than blue when you come around

Posted in Muziek | Tagged , , , | Comments Off on Monsters

Songfestival 2017

Jarenlang schreef ik iedere nieuwe editie van het Songfestival braaf een achtergrondverhaal voor KindaMuzik. Maar dat muziekblog is vorig jaar ter ziele gegaan (ik heb nog gewerkt aan een blog daarover, maar dat telt inmiddels ruim vijfduizend woorden en ik ben nog maar op de helft. Wordt een gevalletje tl;dr). Mijn liefde voor het Songfestival moet ik dan maar weer kwijt op mijn eigen blog, met minder lezertjes. Oh well. Life’s a bitch. Ik licht er zoals ik eerder al eens deed tien vrij willekeurige deelnemers uit: de zuiderburen, de kanshebbers en de wansmaak. Het kan zijn dat er soms overlap is tussen die drie categorieën.

Het Songfestival van 2017 is nu al het festival van De Rel: Oekraïne dat de Russische zangeres Joelija Samojlova niet accepteerde als inzending omdat ze eerder een optreden op de Krim verzorgde. Tja. Dit is natuurlijk vorig jaar al fout gegaan toen de EBU de Oekraïense inzending 1944 van Jamala toestond. Dat liedje ademde aan alle kanten politiek en had nooit geaccepteerd mogen worden. Rusland is een grote schurkenstaat, maar hun bijdragen aan het Songfestival zijn de laatste jaren top of the bill: goede, sterke songs, met een uitmuntende presentatie (ik heb nog altijd een zwak voor Polina Gagarina’s perfect gestagede A Million Voices, dat in 2015 tweede werd). De inzending voor dit jaar was geen hoogtepunt. Samojlova is deels verlamd en zit in een rolstoel, wat ongetwijfeld een hoog ‘ach gossie’ gehalte bij de kijkers oproept, maar ze zingt niet al te best en haar liedje is belabberd; als ze niet de toegang tot Oekraïne was geweigerd, had ik hoogstpersoonlijk haar banden lek geprikt. Desondanks was Rusland een zekerheidje geweest voor de finale. De een z’n dood is de ander z’n brood, want Nederland heeft zo een concurrent minder. Niet dat het O’G3NE veel zal helpen, maar daar kom ik nog op.

Ik neem tien landen mee die worden getipt als kanshebber, of anderszins opvallen. Op alfabetische volgorde met onze geweldige inzending als afsluiter. Fasten your seatbelts.

Australië (Isaiah – Don’t Come Easy)

Goed triviafeitje: Australië is het enige land dat bij al haar deelnames aan het Songfestival in de top-5 is geëindigd. Ja duh, ze deden pas twee keer mee. Natuurlijk, maar de tegenvoeters nemen hun deelname serieus. Vorig jaar hadden ze moeten winnen met Dami Ims weergaloze powerballad Sound of Silence. De nieuwste inzending van Australië is opnieuw een ballad, van hetzelfde songschrijversduo dat vorig jaar Ims Sound of Silence schreef, maar het kabbelt me te veel door. Isaiah is met z’n 17 lentes één van de jongste songfestivaldeelnemers dit jaar; én het is de zoveelste songfestivaldeelnemer die eerder in het thuisland een Idols/X-Factor/Got Talent/The Voice-achtige talentenjacht won. Dat ie nog zo jong is, is te zien (hij lijkt trouwens een beetje op die ene van Milli Vanilli). Voor zover we kunnen nagaan zingt Isaiah wel zelf; maar zouden z’n balletjes wel zijn ingedaald?

België (Blanche – City Lights)

Onze zuiderburen hebben het begrepen. De Vlaamse Laura Tesoro swingde vorig jaar als een tiet, de Walen vaardigen dit jaar Blanche af met het spannende, zwoele, verleidelijke en volstrekt originele City Lights. Ik heb het vaker gezegd: de meeste songfestivalmuziek bestaat in een eigen universum, blissfully unaware van welke muzikale trend dan ook, maar City Lights kan prima mee anno 2017. Het softe ritme, de repetitieve bassynth en de lage, lichthese stem van Blanche roepen Lana Del Rey, Dua Lipa en Lorde in herinnering, tegelijkertijd wijkt het volledig af van hun stijl. Jaloersmakend goed. Althans, tot de repetities begonnen. Naar nu blijkt kan Blanche amper zingen (wat bij mij de vraag oproept hoe ze het zo ver heeft geschopt bij The Voice) en kijkt ze als een bang vogeltje in de camera. Tot overmaat van ramp heeft ze een jurk aangetrokken die zo foeilelijk is dat de enige prijs die België dit jaar wint de Barbara Dex Award is. Zoals Blanche zelf zingt: ‘are we going to lose it all?’

Estland (Koit Toome & Laura – Verona)

Je zou het misschien niet zeggen, maar ik ben vrij verlegen ingesteld. Daardoor zal ik nog liever uren in een vreemde stad ronddwalen dan een wildvreemde lastigvallen om de weg te vragen. Wat is nog erger dan iemand de weg vragen? Er een liedje over zingen en dat insturen voor het Songfestival. Koit Toome en Laura zijn, figuurlijk dan, de weg kwijt in Verona. Het liedje is best aanstekelijk, maar er zit meer warmte in een diepvrieskist dan tussen dit stel. Koit kijkt liever naar die met babyolie ingesmeerde en leren broeken dragende zangers van Montenegro dan z’n zangpartner Laura (zingt zij ‘we lost our gay’?). Nee, we moeten de strekking van het liedje vooral symbolisch zien: Verona staat voor Romeo en Julia, waar het trouwens *spoiler alert* niet goed mee afliep.

Gelukkig verdwaal ik zelden.

Hongarije (Joci Pápai – Origo)

In weerwil van het aartsconservatieve, nationalistische regime van Viktor Orbán is Hongarije op songfestivalvlak de laatste jaren opvallend progressief bezig. In 2013 hadden we al het speelse, akoestische ByeAlex, een jaar later kregen we Hongaarse drum ‘n’ bass en dit jaar is het rap, al is die wel voorzien van een etnisch element: Joci Pápai is namelijk van Roma-afkomst. Het ritme is eigenzinnig, de viool zorgt voor een authentiek element en is een prima hook, en zelfs die Hongaarse rap is best oké; die versta je toch niet. Origo gaat niet winnen, Armenië heeft ook een etnische bijdrage en wordt als grotere favoriet gezien, maar de finale haalt dit zeker. Wel lastig, als enge regimes met goede songfestivalbijdragen komen want ook de laatste dictatuur van Europa, Wit-Rusland, heeft dit jaar een vrolijk stemmende bijdrage.

Italië (Francesco Gabbani – Occidentali’s Karma)

Normaal gesproken heeft Italië een abonnement op smachtend in de camera kijkende mannen in pakken – dat alleen al levert het land tientallen punten op – dit keer zit er ook een echt goed, leuk liedje achter de act. Francesco Gabbani won er eerder het San Remofestival mee en is de gedoodverfde favoriet. Occidentali’s Karma is een inzending met een boodschap: over westerlingen die flirten met oosterse filosofie en levenswijsheden, maar daar geen snars van snappen. Plus iets over evolutie, gebaseerd op Desmond Morris’ The Naked Ape, wat Occidentali’s Karma een dun intellectueel tintje geeft. Morris heeft al aangegeven dat wat hem betreft Gabbani wint. Als er gerechtigheid is (westerse wijsheid: die bestaat niet), wint hij inderdaad. Want afgezien van die grappige boodschap is Occidentali’s Karma ook nog reuze catchy.

Macedonië (Jana Burčeska – Dance Alone)

De muziekwereld is verworden tot een global village waarbij je niet meer kunt horen uit welk land een liedje afkomstig is. Veel landen vertrouwen bij hun inzending op songschrijvers of producers uit het beloofde muziekland Zweden. Het enige dat de afkomst verraadt is de soms belabberde Engelse tekst – en uitspraak. Ook de Macedonische Jana Burčeska doet mee met een Zweedse productie. Het is een danceliedje dat niet zou misstaan in de disco van Skopje: zowel melodie als zanglijn heb je onbewust eerder gehoord, maar het blijft onmiskenbaar in je hoofd hangen. Als het doet denken aan If Love Was A Crime van Poli Genova, de Bulgaarse inzending die vorig jaar vierde werd, dan kan dat kloppen: Dance Alone heeft dezelfde songschrijvers. Burčeska staat bij de bookmakers rond de twintigste plaats, maar het zou me niet verbazen als dit in de top-5 eindigt.

Portugal (Salvador Sobral – Amar Pelos Dois)

Portugal heeft het al jaren moeilijk op het Songfestival. Het strandde geregeld in de halve finale en heeft zelfs een paar edities overgeslagen. Dat is vreemd voor een land dat kan putten uit de eigen, rijke muziekhistorie. Dit jaar heeft Portugal een troef in handen: Salvador Sobral en het lichte, jazzy, tegendraadse, door z’n zus Luísa geschreven Amar Pelos Dois, wat zoveel betekent als Liefde voor Beiden. Het is een rustpunt in het muzikale geweld dat het Songfestival ook is en wordt door songfestivalwatchers mede daarom gezien als kanshebber. Ja, Amar Pelos Dois is erg mooi en Sobral is een goede zanger (die om gezondheidsredenen de repetities aan z’n zus overliet), maar het is een wel heel vreemde eend in de bijt. Hopelijk heeft Sobral wat The Common Linnets in 2014 hadden: een inzending waarvan iedereen zegt ‘ik vind het geweldig, maar de rest snapt dit vast niet.’ Als genoeg mensen dat denken eindigt een liedje vanzelf in de bovenste regionen want ach, wat gun ik het Portugal zo.

Roemenië (Ilinca ft. Alex Florea – Yodel It!)

Wie naar het Songfestival kijkt voor wansmaak, kan altijd rekenen op Roemenië. Het land stelt nooit teleur als het aankomt op volstrekt afgrijselijke, wanstaltige inzendingen (ja, echt). Dit jaar heet die Yodel It!, een inzending met twee der mate verschillende muziekstijlen dat samensmelting ervan op z’n minst onwenselijk is. Want ja, het bevat gejodel, gemixt met rap. Die rap lijkt net iets te veel op Hall of Fame van The Script en het gejodel lijkt op The Lonely Goatherd uit The Sound of Music. Het is net als met die met babyolie ingesmeerde zangers uit Montenegro, de zoveelste rampzalige bijdrage van Ralph Siegel (die nog steeds niet is afgevoerd naar een groot landhuis met een gesloten afdeling) voor San Marino of deze Titanium-rip-off uit Duitsland: je kijkt er met een mengeling van nieuwsgierigheid en walging naar. Dit kan dus ook nog. En reken maar dat Roemenië de finale haalt.

Zweden (Robin Bengtsson – I Can’t Go On)

Nederlandse songfestivaladepten kijken al jaren jaloers naar het Zweedse Melodifestivalen: een Nationaal Songfestival met vier voorrondes die culmineren in een finale met twaalf uitstekende bijdragen. Ik had dit jaar de finale gekeken, ware het niet dat die overlapte met de ontknoping van Wie is de Mol. Prioriteiten hè. Wat mij betreft had deze Lapse bijdrage gewonnen, maar die werd derde. De zanger Robin Bengtsson is me te glad, de act heb ik eerder gezien (OK Go, anyone?) en blijkbaar waren de (slechtzittende) pakken bij H&M in de aanbieding (vijf voor de prijs van vier), maar z’n liedje I Can’t Go On zou niet misstaan in een hitlijst anno 2017. Dat is een aanbeveling. Toch gebeurt er melodisch te weinig om het die onontkoombare hit te maken die België en Italië wel insturen, het zal dus van de presentatie af moeten hangen. Reken maar dat die in Kiev tot in de puntjes verzorgd is.

Nederland (O’G3NE – Lights and Shadows)

En dan hebben we O’G3NE. Waar te beginnen bij dit train wreck? Jarenlang is door songfestivalgekkies gelobbyd om de drie zusjes Vol mee te laten doen aan het Songfestival. Dit jaar ging AVROTROS overstag. Eerst dacht ik: gelukkig, zijn we van dat gedram af. Al wist ik ook meteen: dit wordt een verloren jaar. Laat ik puntsgewijs doornemen wat er mis is met Lights and Shadows.

– Het begint met de act. O’G3NE is geen Nederlandse act die kan bogen op een enorme staat van dienst. Oh, hoor ik de fans dan roepen, dat had Douwe Bob toch ook niet? Nee, maar hij draait al lang mee, heeft op veel festivals gestaan en wordt begeleid door muzikanten die hun sporen in de muziek hebben verdiend. Dit zijn mensen die weten hoe ze een hit moeten schrijven én hoe ze die moeten brengen. O’G3NE heeft op basis van hun deelname aan The Voice Of Holland welgeteld één hit gehad: Magic. Ook Lights and Shadows heeft de Top 40 niet in vuur en vlam gezet. Het kwam niet verder dan de Tipparade. Dat zou AVROTROS zorgen moeten baren.

– Lights and Shadows is hopeloos ouderwets. Ik schreef niet voor niets: onze Wilson Phillips rip-off. Die groep had begin jaren negentig hun laatste hits. Dat is 25 jaar geleden. Een goed songfestivalliedje zou je in principe tussen alle hits op de radio moeten horen. Lights and Shadows krijgt amper airplay. Ja, Radio 2 maakte in het in de week dat het werd gepresenteerd NPO Radio 2 Topsong en draait het ook dezer dagen geregeld; ze kunnen daar moeilijk anders. Maar kijk naar wat er anno 2017 in de hitlijsten staat. Is er iets dat ook maar in de buurt van Lights and Shadows komt? Nee. Geen goed teken.

– Het is niet zo’n goed liedje. Ook na vier of vijf keer draaien blijft Lights and Shadows niet in m’n hoofd hangen. O’G3NE had drie liedjes om uit te kiezen en dit was de beste inzending. Dat betekent dat de rest nóg slechter was, of dat de drie zusjes misschien de boodschap belangrijker vonden dan de kansen van het liedje. Want de boodschap, om alle moeders van de wereld een hart onder de riem te steken in een moeilijke periode, is het belangrijkste. Die boodschap is dan weer wel zo diffuus dat hij met grote woorden op de achtergrond moet worden uitgespeld.

– Maar ze kunnen zo mooi zingen. Ja, dus? Wie de afgelopen jaren het Songfestival heeft gevolgd weet dat mooi zingen prettig voor de tere oortjes is, maar geen garantie voor succes. Andersom heb je meer succes: Jamala, de winnares van vorig jaar, kraste er geregeld naast en Ell & Nikki, die in 2011 namens Azerbeidzjan wonnen, waren ook niet bepaald toonvast. Maar die winnende acts hadden respectievelijk een boodschap en een sterk liedje. Wie denkt dat je er met mooi zingen bent, heeft het niet begrepen.

De enige reden dat O’G3NE het donderdag 11 mei redt is dat andere inzendingen in onze halve finale nóg slechter zijn. Als ik de bookmakers moet geloven is er zelfs een gerede kans dat Nederland zich nipt kwalificeert voor de finale. Dat zegt dan vooral veel over de kwaliteit van het andere gebodene.

Stiekem hoop ik dat O’G3NE donderdag strandt. Moeten we maar meer ons best doen.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , | Comments Off on Songfestival 2017

Deus

Ik was niet heel enthousiast geworden van de line-up. Goed, Ryley Walker wilde ik al een tijdje live zien en Beoga is een meesterlijke Ierse folkgroep, in de lift dankzij het gebruik van één van hun melodieën door Ed Sheeran in z’n hit Galway Girl. Maar het ‘bloemenmeisje van Bermuda’ Heather Nova zag ik al eens eerder en heeft haar beste tijd gehad. Nee, in het blokkenschema van Naked Song stond één act waar ik bij móest zijn: de Popquiz. Die werd deze avond twee keer gehouden in één van de vele foyers die Muziekgebouw Eindhoven rijk is.

Een eerste poging mislukte: van de tien meerkeuzevragen wist ik er acht. Eentje gokte ik verkeerd, eentje wist ik niet. Ik baalde, want door die foute gok kwam het aan op de schattingsvraag. Ik durf met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te stellen dat niemand zo slecht in schatten is als ik. Het ging mis en dus zat ik me tijdens het optreden van Heather Nova te verbijten. Nee, ik kan niet tegen mijn verlies, en dat vind ik een goede eigenschap: het maakt je meer eager om de volgende keer nóg beter je best te doen. Quizzen wil ik winnen, popquizzen al helemaal.

Bij de tweede editie van de popquiz, later op de avond, was ik als eerste in de foyer. Ik stelde me verdekt op, bij een statafel aan de zijkant van het podium. Intussen deelden juryleden antwoordformulieren uit. Ik gebaarde dat ik mee wilde doen. De presentator zag me staan en riep de jury: ‘hier is nog iemand. Die jongen in dat mooie Deus-shirt!’

Ik keek naar beneden. Verrek, ik was helemaal vergeten dat ik vandaag mijn zwarte Deus t-shirt aan had. Het kledingmerk Deus dus. Je kunt amper op straat komen en níet een jongen met truckerscap van dat merk tegenkomen. Een paar maanden terug had ik nog gegrapt dat er een generatie opgroeit die Deus alleen kent als kledingmerk, niet als vermaarde Belgische rockgroep. Aan truckerscaps moet ik met mijn grote hoofd niet beginnen (hoe leuk ik ze ook vind), maar een t-shirt kan altijd. Al begon ik wel te twijfelen of het zo’n goed idee was om het net vandaag te dragen.

‘Jij komt zeker voor het optreden van Stef Kamil Carlens,’ riep de presentator enthousiast.
Ik knikte. Shit. Ongemakkelijk ook. Helemaal vergeten dat die vandaag ook optrad. De presentator kende wel de band Deus, maar niet het kledingmerk.

Begrijp me goed, ik ben gek op Deus. Wie niet? Natuurlijk had ik dat t-shirt ook gekocht met die band in gedachte. Op één van mijn allereerste cassettebandjes stond Suds & Soda, gekopieerd van een hip vriendinnetje van mijn oudste zus. Toen ik in 2008 Met het Mes op Tafel won, was één van de vragen in de finaleronde wie de zanger van Deus is. Mede dankzij dat antwoord (Tom Barman, duh) won ik vijftienduizend euro. Toch, om nu te zeggen dat mijn platenkast vol staat met hun oeuvre: nee. Er zijn al zoveel bands om fan van te zijn. Deus zag ik één keer live, op Lowlands. Zita Swoon zag ik ook één keer live, op Pinkpop. In beide gevallen al heel lang geleden; geen idee wat ze tegenwoordig uitspoken.

De eerste vraag van de tweede popquiz van de avond was een inkoppertje: van welke zangeres had Ryan Adams in 2015 een album integraal gecoverd? Taylor Swift. Volgende vraag: wat was de eerste hit van Gavin DeGraw? I Don’t Want to Be. So far, so good. Toen de dj daarna Suds & Soda instartte, sloeg de schrik me om het hart.
‘De volgende vraag is er eentje voor de Deusfans. En laten we die nu net één in het publiek hebben,’ riep de presentator blij. Hij wees naar mij. Voor de grap bedekte ik het logo op m’n t-shirt met het antwoordformulier. De presentator keek me aan: ‘Stef Kamil Carlens heeft vanavond al gespeeld. Jij was er zeker bij hè? Hoe was het?’
Ik wist niet wat ik moest doen: ja knikken of nee schudden, want ik had het optreden gemist. Waarom wist ik niet. Ik haalde m’n schouders op en stak lachend m’n duim op om aan te geven dat het goed was geweest.
‘Jaaaa,’ zei de presentator veelbetekenend, ‘dat zal wel. Een échte fan.’
Hij stelde z’n vraag: ‘Stef Kamil Carlens staat vandaag dus op het festival. Hij zat ooit in de groep Deus. Welk instrument speelde hij in die band: viool, gitaar, bas of saxofoon?’
Nu moest ik diep graven. Ik dacht vrij zeker te weten dat hij de bassist was, maar onder druk ben ik nergens zeker van. De presentator keek weer naar mij en zei: ‘deze weet je zeker wel hè?’
Ik knikte en bedacht dat niemand het door zou hebben als ik de vraag fout zou hebben.
Een man met wie ik de statafel deelde, stootte me aan en vroeg lachend: ‘kun je die niet voorzeggen?’

De quiz ging verder. Vragen over een rockopera van de Drive-By Truckers, en welk beroemd songschrijversduo The Look Of Love, een hit voor Dusty Springfield, had gecomponeerd. De eerste gokte ik goed, de tweede wist ik. Na de laatste vraag, van welke band Father John Misty de drummer was voordat hij solo ging, wist ik vrij zeker dat ik negen van de tien vragen goed had. Alleen een vraag over Nits had ik waarschijnlijk fout gegokt.

Terwijl de antwoordformulieren werden opgehaald en nagekeken riep de presentator tegen het publiek: ‘wie denkt ‘ik heb ‘m ingekopt’? Wie denkt dat ie heeft gewonnen?’
Ik zei niks. Liever checkte ik het blokkenschema. Wat ik al vermoedde, bleek te kloppen: Stef Kamil Carlens stond geprogrammeerd tegenover de eerste popquiz, eerder op de avond.

De presentator nam de antwoorden door. Inderdaad, de vraag over de oerleden van de Nits had ik fout. Toen hij klaar was, keek hij naar de jury. Die was nog in overleg.
‘De jury is druk bezig alles twee keer te controleren, want we hebben een score van maar liefst negen punten,’ zei hij. ‘Dat betekent dat die persoon maar één vraag fout heeft beantwoord. Welke vraag zou dat zijn?’
Vanaf de zijkant riep ik jolig: ‘de vraag over Nits.’
‘De Nits, ja dat was een lastige vraag,’ zei de presentator.
Vervolgens las hij m’n naam voor als winnaar. Ik stak mijn handen in de lucht.
‘Ja, die jongen in het Deus-shirt wint de popquiz!,’ riep de presentator.

Bij het overhandigen van de prijzen vroeg de presentator nogmaals of ik naar Stef Kamil Carlens was geweest.
‘Nee, dat ging niet. Want ik wilde per se de popquiz winnen. En ik baal dat het de eerste keer niet is gelukt,’ zei ik. Die laatste zin zei ik er snel achteraan, hopende daarmee het gespreksonderwerp te veranderen.
De dj kwam bij ons staan om me te feliciteren. ‘Wat vind je van die nieuwe plaat van Stef Kamil Carlens? Mooi hè? Echt een liedjesplaat,’ vroeg hij.
‘Ja nogal. Mooie plaat,’ zei ik.
Ik heb er nog geen noot van gehoord.
‘Je hebt ‘m wel gemist vanavond. Vind je dat niet jammer?,’ ging hij verder.
‘Ach,’ zei ik, ‘dat haal ik nog wel in.’

Posted in Eindhoven, Mode, Muziek, Quizzen | Tagged , , | Comments Off on Deus