Glasvezelleed

Vorige week vrijdag had ik ineens geen internet. Ik had het eerst niet eens in de gaten, maar m’n telefoon is aangesloten op m’n huisnetwerk en ik had geen bereik meer. Met m’n telefoon bedoel ik m’n oude brakke Samsung Galaxy S2. Het ding is vijf jaar oud en werkt nog. Dat laatste mag met recht een godswonder heten: apps lopen regelmatig vast (zelfs de stopwatch hield er laatst ineens mee op, vraag me niet waarom), überhaupt is zowat de enige app die er nog op zit de Teletekst-app (een klassieker) en dan nog valt het ding om de haverklap uit. Geen probleem, dacht ik, er zijn werkzaamheden in de buurt en het kon zijn dat internet er even uit was gevlogen. Had ik daar trouwens niet pas nog een mailtje over gehad?

Ik zag het een paar uurtjes aan en ging boodschappen doen. Tegen het middaguur had ik nog steeds geen internet. Ik ging naar m’n ouders. Daar stuurde ik toch maar een tweet naar de webcare van KPN. Ik schreef het al eerder: niks leuker dan de webcare van bedrijven testen. Misschien konden ze me vertellen hoelang de werkzaamheden gingen duren. De reactie van KPN was kort: welke werkzaamheden?

Oké, dacht ik. Misschien toch een goed idee om even naar de router te kijken. Ik fietste naar huis en via Twitter en DM legde de webcare uit wat ik moest doen. De meeste foefjes had ik zelf al eens geprobeerd (stekker eruit, internetverbinding eruit).

Waargebeurd verhaal: vroeger, we hebben het hier over eind jaren negentig, een ander tijdperk, lag het internet er geregeld uit. We belden dan met Chello maar aangezien die gewoon een signaal zagen, stuurden ze geen monteur. Er was immers niks aan de hand. We bedachten een list. De volgende keer dat er een storing was, trokken we de internetverbinding eruit.
‘Vreemd,’ zei de medewerker van de helpdesk dan, ‘ik zie hier geen signaal. Zit de verbinding er wel in?’
‘Ja hoor,’ loog ik.
‘Dan sturen we een monteur,’ was de reactie, en zo was de storing snel verholpen.

Dit ging minder snel. Het viel me nu pas op dat op de Experia te weinig lampjes brandden en van de lampjes die brandden was er eentje rood. Geen goed teken, zoveel wist ik ook nog wel.
‘Het lijkt erop dat u geen TV en internet heeft,’ merkte de webcaremedewerker op.
Huh, dacht ik, geen TV? Snel deed ik de TV aan. Verrek, die had inderdaad ook geen signaal. Ik ben niet vergroeid met de TV, er gaan dagen voorbij dat het ding niet aan is geweest, maar het WK voetbal is best aardig als behang: beetje internetten, wat muziek luisteren en op de achtergrond een groen grasveld waar 22 mannetjes druk overheen aan het rennen zijn. Het is best vermakelijk.

‘We sturen een monteur, maar dat wordt wel na het weekend,’ berichtte de medewerker.
Nouja, dacht ik, die moet dan maar maandagochtend om 8.00 uur komen. Op maandag werk ik toch thuis.
‘De monteur kan op z’n vroegst tussen 10.00 en 12.00 uur komen,’ vervolgde de medewerker.
‘Dan doe dat maar,’ verzuchtte ik.
Per omgaande was een afspraak ingepland voor een monteur. Terwijl ik terug naar m’n ouders fietste, kreeg ik een sms’je. KPN bood me 50 GB aan zodat ik met m’n telefoon als hotspot toch kon internetten. 50 GB. Gratis. Dat is best veel, bedacht ik. Sympathiek ook.

Ach gut, dacht ik, bij KPN weten ze natuurlijk niet dat ik een smartphone heb die, als hij eenmaal naar de eeuwige jachtvelden is vertrokken, rechtstreeks door mag naar het museum. Daar werd ik een paar jaar terug nog aan herinnerd, toen ik op het niet al te snuggere idee was gekomen om wat extra geheugen toe te laten voegen. De medewerker van de belwinkel sprak de onsterfelijke woorden: ‘Meneer, u heeft een Fiat Panda. Die moet u niet op willen voeren naar een Maserati.’

Maar het lukte me om op m’n oude Samsung Galaxy S2 een hotspot te maken, zelfs toen ik ‘m maandagmorgen met een kabeltje aansloot op m’n werklaptop, die al net zo brak is als m’n telefoon; de wireless is al maanden stuk en ik hoef niet te verwachten dat ik binnenkort een nieuwe laptop krijg. Ik bekeek m’n geïmproviseerde werkplek thuis en kon me niet aan de indruk onttrekken dat, in de laatste week voor m’n vakantie, heel m’n werk bij elkaar werd gehouden met ducttape.

De monteur stond om 10.30 uur voor de deur.
‘Hmm,’ zei hij terwijl hij in de deuropening stond en achterom keek, ‘werkzaamheden.’
‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Dat zei ik ook al tegen de webcaremedewerker. Maar zij wilden toch iemand sturen.’
De monteur ging aan de slag, belde met een medewerker, reed naar een huisje op de hoek van de Kalverstraat en de Tongelresestraat, een bouwsel waarvan ik me altijd had afgevraagd wát daar nu eigenlijk zit (naar nu blijkt een glasvezelknooppunt), kwam weer terug en trok de conclusie dat al m’n apparatuur goed werkte. De kabel was stuk.
‘Ik stuur een melding door naar de kabelleverancier, dat is bij u Reggefiber. Zij nemen binnen vier uur contact met u op,’ verzekerde de monteur mij.
Vier uur, dacht ik, dat is netjes. Dan zal het niet lukken om morgen een monteur te sturen, maar woensdag moet lukken. Dat komt goed uit, dan werk ik toch thuis.

Reggefiber, Reggefiber, dacht ik, waar ben ik die naam toch tegengekomen? Toen schoot het me binnen. Een tijdje terug had ik een flashy folder ontvangen met als titel ‘Wij zijn Reggefiber’ en de mededeling dat zij nu het glasvezelnetwerk in de regio beheerden. Goh leuk, dacht ik, maar wat moet ik daarmee?

Intussen kreeg ik een berichtje van de webcare van KPN. Of ik hun klantenservice wilde beoordelen. Het leek me beter die pas te beoordelen als de storing was verholpen.

Ik werkte verder. M’n internetverbinding was niet supersnel, maar het functioneerde. Na het werk ging ik sporten en daarna liep ik naar het Parktheater voor de groep-8-musical van Esmee. Onderweg stuurde ik toch maar een berichtje naar de webcare van Reggefiber. Het liep tegen de avond; die vier uur waren nu toch wel verstreken.
‘We hebben geen melding gekregen. En we kunnen pas iets doen als we een melding hebben gehad,’ liet de medewerker weten, ‘maar we kijken het morgen nog wel na. Het storingscentrum is nu toch dicht.’
Ik twitterde nog dat dit vreemd was, omdat me verzekerd was dat de melding meteen naar hen was doorgezet, maar toen viel m’n oog op de werktijden van de webcare: van 8.30 tot 18.00 uur. Ik bekeek de verdere uitleg op het Twitteraccount. ‘Meer dan 2 miljoen huishoudens op glasvezel aangesloten,’ meldden ze ronkend. To be fair, dat is niet helemaal correct, dacht ik, het is momenteel 1.999.999 huishoudens, en dan had ik de andere huizen in dit blok niet meegerekend. Ik zou toch zeker niet de enige in de straat zijn met glasvezel, maar zonder internet?

De volgende ochtend stuurde ik weer een berichtje naar Reggefiber.
‘Nee, we hebben nog steeds geen melding ontvangen,’ zo lieten ze weten.
Ik stuurde een bericht aan de KPN: ‘Ze hebben bij Reggefiber geen melding ontvangen. Is deze wel doorgezet?’
KPN verzekerde mij dat de melding was doorgezet, maar ze zouden dit voor de zekerheid nog een keer doen. Ik wachtte een paar uur op een telefoontje van Reggefiber. Toen stuurde ik weer een bericht naar Reggefiber.
‘Ik vind het vervelend te moeten zeggen,’ liet de medewerker van Reggefiber weten, ‘maar we hebben nog steeds geen melding binnen.’
Ik stuurde weer een bericht aan KPN dat Reggefiber nog geen bericht had doorgezet.
‘We hebben echt de melding naar de juiste afdeling doorgezet,’ liet KPN weten.

Dit ging zo nog een paar keer door.

Intussen was het dinsdagmiddag en had ik nog steeds geen TV en internet. Wel nog die 50 GB waar je veel leuke dingen mee kunt doen. Voetbalwedstrijden van het WK op je laptop bekijken bijvoorbeeld. Al weet je vooraf niet of een wedstrijd het waard is. Bij België – Japan wel, maar bij Kroatië – Denemarken en Zweden – Zwitserland bekroop me toch het gevoel dat het zonde van de bandbreedte was geweest.

M’n vader stuurde een hoopvol app’je.
‘Bij jou op de hoek is iemand van een kabelmaatschappij aan het werk,’ zei hij.
‘Ja pap, dat weet ik. Daar is juist alle ellende mee begonnen,’ appte ik.

Maar toen ik thuiskwam van m’n werk zag ik inderdaad twee mannetjes in een kuil op de hoek van de straat aan de slag. Op het zwarte bestelbusje stond dat ze glasvezelkabels aanlegden. Ha, dacht ik, dan zullen de problemen snel verholpen zijn. Toen ik ‘s avonds naar de stad liep, waren ze nog steeds bezig. Dat stemde hoopvol, misschien probeerden ze al het werk vandaag nog af te krijgen. Toen ik ‘s avonds tegen twaalven thuis kwam kon ik het niet laten om even te kijken op de hoek van de straat. De kuil was dicht. Ik deed de voordeur open en liep meteen naar de router. Helaas. Er brandden nog steeds diezelfde drie groene lampjes, en dat ene rode lampje.

Inmiddels was het woensdag. Ik begon de dag met een nieuw berichtje aan Reggefiber: hadden ze inmiddels al een melding binnen van KPN? Het antwoord liet zich raden: nee, ze hadden geen melding gehad. Ik ging maar weer naar KPN. Die kwamen inmiddels niet verder dan de mantra dat ik geduld moest hebben.

Ammehoela, dacht ik. Geef dan tenminste aan of m’n melding in behandeling is. Dan weet ik dat eraan gewerkt wordt. Op dit moment heb ik niet eens zekerheid dat Reggefiber ermee bezig is. Geduld hebben waarvoor? Voor de mogelijkheid dat m’n melding die al twee dagen geleden zou moeten zijn doorgegeven eventueel in behandeling zal worden genomen? Zo’n storing is al vervelend genoeg, zeg dan tenminste hoelang het nog gaat duren.

Wie heeft toch ooit bedacht dat de privatisering van die kabelmaatschappijen een goed idee was? Met de providers is het al behelpen. Je kunt kiezen uit KPN of Ziggo, of Ziggo of KPN. Met de kabelexploitant heb ik al helemaal geen keus. Ik heb glasvezel en dus zit ik bij Reggefiber. Als de exploitant me niet bevalt, kan ik niet naar een ander overstappen. Dit is gedwongen winkelnering; met gebrekkige klantenservice bovendien. Hoezo keuzevrijheid?

Woensdagmiddag zag ik twee mannen met polo’s van Reggefiber in de straat. Ik kreeg weer hoop. Ze liepen druk rond met kleine koffertjes en groeven een kuil, nu op de hoek aan de andere kant van de straat. Van achter het raam zag ik het tafereel aan. Angstvallig hield ik de Experia in de gaten. Ik stuurde een bericht naar Reggefiber met de goede tijding dat ik medewerkers van hun toko in de straat had gezien. Nu konden ze me toch wel verzekeren dat de melding goed was doorgekomen? Het bleef stil. Ik ging sporten. Toen ik terugkwam waren de mannen vertrokken en was de kuil dicht. Ik durfde nergens meer op te hopen toen ik de voordeur openmaakte. M’n twijfel bleek terecht: nog steeds geen internet. Ik stuurde opnieuw een bericht naar Reggefiber en kreeg weer geen reactie.

Dan maar naar KPN: konden zij me dan niet een bevestiging sturen dat de melding was doorgezet? Ik zou immers binnen vier uur gebeld worden, niet binnen vier dagen. Nee, dat konden ze niet, maar ik kon uit hun bericht concluderen dat de melding echt echt echt echt echt was doorgezet. ‘We hebben al vaker met Reggefiber te maken gehad, dit komt wel in orde.’ Misschien lag het aan mij, maar er klonk enige gelatenheid in dat bericht door.

De volgende ochtend kreeg ik bericht van Reggefiber.
‘De mensen in de straat waren daar vanwege een netwerkstoring, maar die is inmiddels verholpen,’ zo liet de medewerker weten.
Dat leek mij niet, maar het leek me ook beter even niet meer te reageren.

‘s Middags ging de telefoon: ‘Reggefiber. We willen een afspraak inplannen. De monteur kan morgen tussen 12.00 en 16.00 uur komen.’ Ze zei het op een toon die geen tegenspraak duldde, dus ik probeerde nog heel voorzichtig of het ook eerder kon. Het was de eerste dag van m’n vakantie en ik had net gepland om die middag te gaan zwemmen.
‘Dan wordt het na het weekend,’ zei de telefoniste ongeduldig.
Ik koos eieren voor m’n geld. Dit weekend staan de kwartfinales van het WK voetbal op het programma. ‘Oké, dan doe maar morgen tussen 12.00 en 16.00 uur.’

Het gesprek duurde nog geen halve minuut, dus ik vermoed dat ze m’n tweets heeft gelezen en zo min mogelijk met me te maken wilde hebben. Terwijl ik in het echt best aardig ben; ik kan alleen niet zo goed tegen slechte klantenservice en webcare.

Vrijdagochtend stond de monteur om 11.00 uur voor de deur. Hij belde met een collega en rommelde wat met de verbindingen. Binnen tien minuten was hij klaar.
‘Zo. U heeft weer internet,’ zei hij.
Ik schakelde m’n laptop over op het huisnetwerk. Inderdaad, het werkte.
‘Wat was er nu aan de hand?,’ vroeg ik.
‘Er was een netwerkstoring en ze hebben twee connecties verwisseld,’ zei de monteur.
‘Ah,’ zei ik, ‘was dat het.’
Ik had geen idee waar hij het over had.

Goed, alles werkt weer.

Maar waar kan ik nou de beoordeling van de klantenservice van KPN ook alweer invullen?

Posted in Eindhoven | Tagged , , , | 3 Comments

Deep State

Terwijl de FBI jacht maakt op Donald Trump en z’n trawanten, er langzaamaan een steeds groter schandaal aan het licht komt, een schandaal waar Watergate bij in het niet valt, met allerlei illustere figuren met allengs meer exotisch klinkende namen (Natalia Veselnitskaja, Anthony Scaramucci, George ‘just a coffee boy’ Papadopoulos) bovendien, en terwijl Julian Assange en Vladimir Poetin in Moskou zweentjes peten, vloekend en tierend op die vermaledijde deep state die hun plannen voor werelddominantie, die ze maandenlang al handenwrijvend en akelig lachend hadden gesmeed heeft doen ontsporen, goed dat laatste is misschien een beetje overdreven, denk ik aan m’n bezoek aan de Verenigde Staten zes jaar geleden.

Ik maakte een reis langs vier steden in het noordoosten van de Verenigde Staten: Boston, New York, Philadelphia en Washington, D.C. Vier steden die een rijke historie herbergen. Wil je Amerika beter leren kennen, leer dan in Boston over de Boston Massacre. Dat trouwens helemaal geen bloedbad was, maar een sterk staaltje propaganda van de opstandelingen in Amerika (de Britten noemden de confrontatie het incident op King Street, wat weer heel Brits is). Daarmee is een parallel te trekken met de Saturday Night Massacre, de dag dat Richard Nixon z’n attorney general ontsloeg. Dat was evenmin een bloedbad, al is Nixons presidentschap wel rond die tijd ten grave gedragen. Ga in New York op zoek naar de Nederlandse wortels, zoals de oudste huizen die in The Big Apple zijn terug te vinden en die verdacht Nederlands klinkende namen hebben als Pieter Claessen Wyckoff House, Dyckman House, Van Cortlandt House of Voorlezer’s House. Of neem een kijkje bij het graf van Peter Stuyvesant. En bezoek in Philadelphia het gebouw waar de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring is opgesteld, of bekijk de Liberty Bell – met de fameuze barst.

In DC bezocht ik de eerste dag vooral de musea op The Mall, waar je de Star-Spangled Banner in het wild kunt zien. De echte. De tweede dag begon ik op Arlington Cemetery, aan de westkant van Washington, DC dat officieel in Virginia ligt. Daarna stak ik de Potomac over voor een bezoek aan het Vietnammonument en het Lincoln Memorial. Ik keek op de kaart wat de kortste route was naar het Jefferson Memorial. Er was een langere, toeristische route om het Tidal Basin heen maar ook een andere weg, langs de oevers van de Potomac. Dat leek me korter, dus ik nam die route.

Ik liep zo een minuutje of tien verder, aan m’n rechterkant de Potomac, aan de linkerkant een autoweg. Na een tijdje zag ik uit m’n ooghoek hoe een onopvallende auto opvallend stapvoets met me meereed. Het raampje ging automatisch open. Ik probeerde stoïcijns voor me uit te blijven kijken, alsof ik niet in de gaten had dat ik werd bespied, maar keek toch eventjes opzij. Een man met een zonnebril bekeek me enkele seconden aandachtig van top tot teen en probeerde een inschatting te maken. Ik vond het ongemakkelijk, maar liet niks merken. Het raampje ging weer dicht en de auto reed verder.

Het hele voorval zal nog geen halve minuut hebben geduurd en aanvankelijk had ik niet eens in de gaten wát er was gebeurd. Dat kwam pas later, toen ik in het Jefferson Memorial m’n reisgids erbij pakte. Aan de andere kant van de Potomac, op een paar honderd meter afstand van waar ik had gelopen, staat het Pentagon.

Die vermaledijde Deep State. They have a file on me.

Posted in Politiek, Reizen | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Het spoor bijster

Mysterie op het station van Zwolle. Waar komt toch die vreemde nummering vandaan?

De dagen dat ik dagelijks in de trein zat liggen gelukkig ver achter me, maar ik ben nog altijd een fervent treiner. Een paar keer per maand ben ik wel op pad voor m’n werk, of ga ik voor m’n eigen plezier een dagje weg.

Ik ben door de jaren veel eigenaardigheden binnen het Nederlandse spoorwegnetwerk tegengekomen. Zo kan het niet anders of is de kortste afstand tussen twee stations die tussen Harlingen en Harlingen Haven; amper een kilometer enkel spoor. En het station van Hollandsche Rading is het enige dat in twee provincies ligt: Noord-Holland en Utrecht. Dat de grootste plaats zonder treinstation Oosterhout (goed, eigenlijk Amstelveen, maar dat heeft een metroverbinding met Amsterdam, dus dat telt niet) is, beschouw ik inmiddels als algemeen bekend (al blijft het een goed verhaal).

Ander opvallend feitje: Nijmegen heeft een spoor 35. Dat intrigeerde mij jarenlang mateloos, temeer daar het aan de overkant van spoor 1 ligt. Het bracht me ertoe om, toen ik nog wekelijks chatte bij AVRO Nachtdienst, de vraag aan de luisteraars van het programma voor te leggen. Het antwoord was plausibel: dit was de vroegere treinverbinding richting het Duitse Kleef. Logisch, het is een kopspoor en ligt aan de oostkant van het station. Tegenwoordig zijn de enige treinen die vanaf dit spoor vertrekken die treinen die langs de grens richting het zuiden boemelen. Daarnaast bleek het eindpunt van die verbinding, Sittard, ook zo’n gek kopspoor te hebben: spoor 20.

Toch, geen station spreekt zo tot de verbeelding als Zwolle. In het verleden kwam ik wel een paar keer per jaar in Groningen. Als je naar het noorden reist is de hoofdstad van Overijssel het belangrijkste knooppunt; alles wat naar Leeuwarden, Groningen of Emmen moet, rijdt via de oude Hanzestad. Tot een paar jaar terug werd in Zwolle de trein nog gesplitst: het ene deel ging naar Leeuwarden, het andere naar Groningen. Dat leverde altijd wat gepuzzel op als werd omgeroepen op de nummers boven de deuren in de treinstellen te letten. Een vriend uit Groningen vertelde me dat de conducteur een keertje omriep dat het bovenste deel van de dubbeldekker naar Leeuwarden zou gaan, terwijl het onderste naar Groningen zou rijden. Er zijn toen echt mensen gaan verzitten.

Maar wat maakt Zwolle nou zo’n verwarrend station? Dat is de nummering van de sporen. Geen treinstation in Nederland heeft zo’n zooitje van de nummering gemaakt als Zwolle. Daar kwam ik achter toen ik één keer de fout maakte door in Zwolle over te willen stappen. Ik raakte meteen de weg kwijt in de nummering van de sporen, die voor een eenvoudige sterveling niet te volgen is. Dezelfde vriend die me vertelde over de gesplitste dubbeldekker vindt de nummering van de sporen in Zwolle volstrekt logisch. Maar ik liep er verloren. Voor de volledigheid: ik verdwaal zelden.

Vrijdag was ik weer een dagje weg met de trein. ‘s Morgens was ik naar het Fries Museum in Leeuwarden geweest voor een tentoonstelling over Escher (en mensen, gaat dat zien want het is werkelijk een prachtige tentoonstelling), op de terugweg maakte ik een tussenstop in Zwolle om te gaan winkelen en wat plafonnetjes te fotograferen. Ik loop niet meer verloren op station Zwolle. Maar ik verbaas me nog wel en daarom maakte ik, terwijl ik ter hoogte van spoor 6 en 7 stond, bovenstaande foto van de bewegwijzering, pardon, bespoorwijzering, die ik op Facebook postte. Binnen de kortste keren regende het reacties: niemand begreep hier iets van.

Op station Zwolle begin je niet bij spoor 1, maar bij spoor 12 tot en met 16. Dit zijn kopsporen die (min of meer) aan hetzelfde perron liggen als spoor 1: spoor 12 en 13 aan de westkant, spoor 14, 15 en 16 aan de oostkant. Spoor 2 bestaat vervolgens niet (althans, ligt niet aan een perron). Aan het volgende perron ligt aan de ene kant spoor 3, aan de andere kant ligt niet spoor 4, maar spoor 5. Waar ligt spoor 4, ook weer een kopspoor, dan? Achter spoor 3a. Aan het volgende perron liggen vervolgens spoor 6 en 7, niks vreemds dus, daarna bestaat spoor 8 weer niet, maar zijn er wel een spoor 9 en 10. Ook spoor 11 ontbreekt.

Om de verwarring nog iets groter te maken: station Zwolle heeft tegenwoordig een mooie doorgang onder de sporen door, maar de ingang van die doorgang ligt een paar honderd meter ten oosten van het hoofdgebouw.

Bent u in de war? Mooi, dan ligt het niet helemaal aan mij. Gelukkig heeft de NS een forum waar geregeld vragen worden gesteld. Daar vond ik een plattegrond en die maakt een en ander wat overzichtelijker. Een verklaring staat er niet bij, maar uit de dienstregeling blijkt dat vanaf de sporen 12 tot en met 16 de treinen van Blauwnet vertrekken: vanaf spoor 12 en 13 vertrekken deze richting Kampen, vanaf spoor 14, 15 en 16 vertrekken de treinen richting het noorden en oosten.

Dat verklaart nog niet het ontbreken van spoor 8 en 11. Gelukkig is de webcare van de NS onovertroffen (dat meen ik zonder enige ironie), dus ik legde de vraag voor bij een medewerker. Die kwam met een verklaring: de vreemde nummering is het gevolg van de verbouwing van het station van Zwolle in de afgelopen jaren. Nadat ik die vraag had gesteld, reageerde een treinadept die wist te melden dat spoor 8 en 11 zogeheten zaksporen (goede naam) zijn: sporen die vroeger nog naar een perron leidden, maar bij verbreding van het perron zijn verdwenen. Dat klinkt logisch, want op het kaartje is te zien dat de perrons op het station van Zwolle vrij breed zijn.

De webcaremedewerker stelde me gerust; de sporen op station Zwolle zullen, als de werkzaamheden eenmaal zijn afgerond, nog worden omgenummerd.

Hij kon er niet bij vertellen of ze dan wél bij 1 beginnen met tellen.

Posted in Overig, Reizen | Tagged , , , , , | Comments Off on Het spoor bijster

Songfestival 2018

Ik had het geluk om dit jaar bij Eurovision in Concert al 32 van de 43 deelnemende liedjes van deze editie live te horen. Dat meen ik echt. Omdat het bere gezellig was met Pieter en Daniëlle, maar ook omdat je een goede indruk krijgt van de inzendingen van dit jaar. Sommige acts vallen live genadeloos door de mand, andere maken een positievere indruk. En de paar artiesten die niet naar Amsterdam wilden komen (ik kijk naar jou, Alexander Rybak) zijn makkelijk te checken via Joetjoep. Kortom, voldoende gehoord om u stapsgewijs door de inzendingen van deze editie mee te nemen.

Feestje

Een jaar of vijftien geleden was de Balkanbeat even helemaal hip in Nederland (Disko Partizani, anyone?). In Moldavië, dat niet eens op de Balkan ligt, is het genre nog steeds geliefd want DoReDos heeft met My Lucky Day een ontzettend leuke feestplaat gemaakt. Niet origineel, ook parafraseren ze My Number One, waarmee Helena Paparizou in 2005 namens Griekenland won, maar beter goed gejat dan slecht zelf bedacht.

Slam! FM-dj’s opgelet. Polen heeft een inzending die zo meekan in de high rotation. Kygo, Avicii, Mike Perry; de beat, de opbouw naar de drop met een lekker instrumentaal refreintje: alles aan Light Me Up, de ultieme zomerhit, klopt. DJ Gromee wordt op vocalen ondersteund door zanger Lukas Meijer. Die komt, je verwacht het niet, uit Zweden.

Alleen voor ramptoeristen

Spanje doet het verrassend goed bij de bookmakers, maar Tu Canción is een vreselijk zoetsappig kwezelliedje. Als één van de Grote 5 is het land standaard geplaatst voor de finale, maar daarin gaat het echt niet hoog eindigen.

Litouwen heeft een existentiële vraag naar het Songfestival gestuurd: When We’re Old. Ja en? Wat dan? Een weinig opbeurende boodschap in een drakerig liedje. Nee.

Arm IJsland. Het had natuurlijk moeten winnen met Yohanna, of anders met Selma. Als ik één land de overwinning gun, is het IJsland. Al is het maar omdat ze niet eens een locatie hebben waar ze het festival kunnen organiseren. Dit jaar gaat het land hard onderuit. Ari Ólafsson is dolgelukkig dat ie z’n land mag vertegenwoordigen in Lissabon, maar z’n liedje Our Choice is een vreselijke musicaldraak.

Waar Andorra en Monaco zijn afgehaakt, blijft San Marino stug volhouden. Gelukkig heeft het land Ralph Siegel eindelijk afgevoerd naar een sanatorium, maar de inzending is dit jaar gelukkig weer ouderwets wanstaltig. Een vreemd allegaartje met wel erg weinig San Marinese inbreng: Who We Are wordt gezongen door de Maltese zangeres Jessika en de Duitse zangeres Jenifer Brening, en is mede geschreven door de Oostenrijkse Zoë Straub, die in 2015 meedeed met het o zo leuke Loin d’Ici. Volgt u het nog?

Al jaren hoor ik hoe populair het Songfestival in Duitsland is. Maar waarom lukt het onze oosterburen dan niet om iets fatsoenlijks in te sturen? Dit jaar vaardigen ze Michael Schulte af met You Let Me Walk Alone, wat gaat over z’n overleden vader. Reuze sympathiek natuurlijk, al vraag ik me af waarom hij heel Europa lastig moet vallen met z’n leed. Meer dan tachtig miljoen inwoners en dan kom je hiermee? Volgend jaar beter, Duitsland?

De veelplegers

Afgezien van Waylon is de opvallendste recidivist Alexander Rybak. Hij won in 2009 voor Noorwegen met Fairytale en doet dit jaar een poging om in de voetstappen van Johnny Logan (die van What’s Another Year en Hold Me Now) te treden. Rybak heeft sinds z’n overwinning de reputatie van onhandelbaar etterbakje en de Noorse zanger doet er alles aan om die naam te bevestigen: zo heet z’n liedje That’s How You Write A Song. Ja, echt. Toch, het is een oorwurm van jewelste, dus hoog eindigen doet het geheid.

Natuurlijk vaardigen veel landen artiesten af die al eens hand-en-spandiensten hebben verricht bij eerdere inzendingen. SuRie deed al de choreografie van de Belgische inzendingen Loïc Nottet en Blanche, dit keer vertegenwoordigt ze het Verenigd Koninkrijk. Naar verluidt is ze dolgelukkig dat ze haar land mag vertegenwoordigen. Benieuwd of SuRie op 13 mei, als blijkt dat ze stijf onderaan is geëindigd, nog steeds zo blij is. Storm is afgrijselijk.

WTF?

Ook dit jaar zijn er weer voldoende WTF-momenten. Denemarken gooit hier hoge ogen. Rasmussen (wat De Jong is in Nederland) ziet eruit als een Viking (hij lijkt verontrustend veel op één van de spelers in m’n pubquizteam) en daar gaat z’n liedje ook over (over een Viking, niet over die teamgenoot). Tja. Wat zal ik zeggen. Higher Ground is nogal veel ‘en nu die vuisten de lucht in’. Het heeft nog het meest weg van Stonehenge van Spinal Tap, maar dan zonder dansende dwergen op het podium. Maar hij draagt wel echt een cape in de videoclip.

Vijf jaar geleden stuurde Roemenië de operazanger (en diva) Cezar naar het Songfestival met It’s My Life. Dat liedje was een mix van opera en eurohouse. Hij eindigde als dertiende. Estland liet zich niet ontmoedigen en stuurt dit jaar Elina Nechajeva met La Voix. Ook opera, maar dit keer een mix van Emma Shapplin en Alessandro Safina. Kent u die namen nog? Dan gaat u een fijne drie minuten tegemoet. Kent u die namen niet? Lekker het geluid drie minuten uitzetten.

Cornald Maas omschreef de inzending van Hongarije eerder als postrock. Wat grappig is, want Viszlát Nyár is zeker geen postrock. Eerder een soort symfonische punkrock, met grunts trouwens. Lekker, maar niet echt geschikt voor het Songfestival. Het is dat ik m’n mooie adidassneakers aan had, anders was ik bij het optreden van AWS op Eurovision in Concert de moshpit in gesprongen.

Ach, wat weet Maas nu eigenlijk van muziek?

Te goed voor het Songfestival

België heeft een jaloersmakend goed liedje ingestuurd. Zangeres Sennek is in het dagelijks leven werkzaam bij IKEA, wat weer eens wat anders is dan de zoveelste X-Factor/The Voice Of/Idols-winnaar, al was ze ook al toetsenist bij Ozark Henry tijdens een optreden op Rock Werchter. Nee, het pièce de résistance, om het in goed Vlaams te zeggen, is dat A Matter of Time mede is geschreven door één van de mensen achter Hooverphonic. Dat hoor je. Atmosferisch, spannend en ook nog catchy. Het zou niet misstaan als Bondtune.

Tijdens Eurovision in Concert droeg Saara Altto een latex pakje dat suggereert dat ze naast haar zangcarrière ook nog een bijbaan als dominatrix heeft (wat niet waar is, wel deed ze de stem van Anna in de Finse versie van Frozen, dus ze heeft vast een goede Let It Go in huis), maar Monsters is zo tof dat ze na volgende week hopelijk niet meer om extra werk verlegen zit. Fijne dance met electro-invloeden die van het podium knalt. Ze heeft het geschreven met het duo achter Måns Zelmerlöws winnende Heroes uit 2015 en – I kid you not – één van de bandleden van Busted (ja, die van Year 3000). Finland is hit or miss, maar wat mij betreft is dit een hit.

De favorieten

Israël staat al maanden bovenaan bij de bookmakers. Toy van Netta springt vooral in het oog (en oor) vanwege de kipgeluiden in de intro, maar daarna transformeert de song in een toffe feeststamper die niet zou misstaan in de disco’s van Tel Aviv. Toy is meer dan een gimmick en Netta weet haar song live te brengen, zo bleek tijdens Eurovision in Concert. Ik was sceptisch, maar ben nu om.

Met Zweden moet je elk jaar rekening houden. Dit jaar is de inzending Benjamin Ingrosso. Ja, dat is de neef van Sebastian Ingrosso (die van Axwell ^ Ingrosso en de Swedish House Mafia); moeder Pernilla Wahlgren speelde in Ingmar Bergmans Fanny & Alexander. De familie Ingrosso is wat de Krabbé’tjes in Nederland zijn: of je wilt of niet, je komt ze overal tegen. Dance You Off is een gladde, strak geproduceerde popsong à la Charlie Puth, dus helemaal 2018. En hij weet het ook nog live te brengen: alle danspasjes kloppen. Dit wordt top-5. Minstens.

Misschien is het uit schuldgevoel dat Kristian Kostov vorig jaar eigenlijk had moeten winnen (hij werd tweede), maar Bulgarije staat al een tijdje tweede bij de bookmakers. Ik hoor het niet. Bones van EQUINOX is een aardige popsong die goed mee kan op de hedendaagse radio, maar echt beklijven doet het niet.

Australië is een persoonlijke favoriet. Allereerst omdat ik simpelweg álles uit down under geweldig vind. Maar ten tweede omdat ik zangeres Jessica Mauboy, half-Indonesisch, half-aboriginal heel leuk vind. Wat maakt het dan uit dat We Got Love een beetje heel erg Songfestival paint by numbers (alleen de titel al) is? Al brengt Mauboy de tekst (I know what you must be thinking, that we are powerless to change things but don’t, don’t give up ’cause we got love) vol overtuiging.

En Nederland?

Wat bezielt iemand om twee keer aan het Songfestival mee te doen? Zeker als het de eerste keer zo goed ging als met Waylon? Het kan alleen maar minder worden. Denk maar aan Edsilia die in 1998 vierde werd, maar in 2007 roemloos strandde in de halve finale. Is het de roem en de publiciteit die zo verslavend werkt?

Gelukkig is Outlaw in ‘Em een goede inzending. Met afstand het beste van de vijf liedjes die Waylon bij De Wereld Draait Door speelde. Een fijne countryrocksong waarin de rauwe stem van de zanger goed uit de verf komt. Een song die bovendien van het podium knalt, daar heb je eigenlijk niet eens zoveel tierelantijnen bij nodig. Nu zijn het juist die tierelantijnen die voor de meeste commotie zorgen, met name de dansers. Ach, om die dansers maak ik me niet druk. Reken maar dat de regie er alles aandoet om het op TV goed over te doen komen. Nee, het is eerder die met babyolie ingesmeerde trommelaar die me zorgen baart. Die tijd hebben we toch wel echt gehad.

Natuurlijk haalt Nederland de finale. Daarvoor is Waylon een te goede zanger en is Outlaw in ‘Em een te goed liedje. Of het een hoge klassering wordt in die finale, dat betwijfel ik.

Wat me meer zorgen baart is dat Waylon is gekozen omdat geen andere vooraanstaande artiest zin heeft in het songfestivalcircus. Hoe gaat Nederland dat volgend jaar doen?

Posted in Muziek | Tagged , , , , | Comments Off on Songfestival 2018

Coopertest

Een paar weken nadat ik was begonnen met buiten hardlopen, raakte ik aan de praat met een medesporter in de sportschool. Hij is wat kleiner dan ik, wat hij ruimschoots compenseert door z’n spierbouw (hij is ook, om het in goed sportschooljargon zeggen, droger). We zijn even zwaar.
‘Doe je wel eens een coopertest?,’ vroeg hij.
Ik antwoordde ontkennend. Waarom zou ik voor m’n plezier een coopertest lopen? ik schreef vorige maand al hoe belabberd die test op de middelbare school ging: een twaalf minuten durende lijdensweg, waarbij ik vooral strompelde en af en toe een tussensprintje trok. Als indertijd een NK Slecht in Gym zou zijn gehouden, had ik glansrijk gewonnen.
‘Ik doe dat regelmatig,’ zo ging hij verder. ‘Dan weet ik hoe m’n conditie is. De laatste keer haalde ik 2780 meter.’
Hij voegde eraan toe dat jammer te vinden, omdat z’n streven was om drie kilometer te lopen. ‘Dat is de limiet bij het leger,’ zo verzekerde hij me.

Ik dacht na over die afstand, en het nut van de coopertest. Met m’n huidige conditie zou ik zeker twaalf minuten moeten kunnen hardlopen. En doordat ik goede schoenen had, hoefde ik me ook geen zorgen te maken over het tempo. Waar eerder bij een tempo van vijftien kilometer per uur of hoger m’n knie opspeelde, had ik met m’n hardloopschoenen nergens last van.

Een paar dagen later sprak ik ‘m weer.
‘Zullen we een keer tegen elkaar een coopertest doen,’ stelde ik voor.
‘Dat is goed,’ zei hij. ‘Volgende week?’
Ik schrok van z’n voortvarendheid, bovendien had ik net die week weinig tijd, maar we besloten een week later af te spreken.

Vlak voor onze wedstrijd spraken we elkaar in het krachthonk. Het gesprek kwam op bordspellen, iets waar ik weinig belangstelling voor heb, behalve Stratego (waar ik ook nog heel goed in ben).
‘Als ik van je verlies bij de coopertest, wil ik revanche met Stratego,’ zei ik.
Ik zag al voor me hoe we midden in de sportschool tegen elkaar zouden stratego-en.
‘Over Stratego maak ik me nog het minste zorgen,’ bekende m’n tegenstander.

Ik voelde me vereerd dat hij zich zorgen maakte. Qua spieren legde ik het zonder meer tegen ‘m af, maar qua conditie moest ik ‘m aan kunnen. Zolang ik twaalf minuten boven de vijftien kilometer per uur zou blijven haalde ik de drie kilometer makkelijk. Niet dat ik een carrière in het leger ambieer, het was vooral een goede afstand om me op te richten. En, zo redeneerde ik, dan zou ik zeker m’n tegenstander voor blijven.

Vorige week dinsdag was het zover.
‘Zetten we de loopband op +1?,’ vroeg ik vooraf, een niveau dat ik altijd gebruik als ik in de sportschool hardloop, omdat je daarmee de omstandigheden buiten het beste benadert.
‘Nee, 0 is zwaar genoeg,’ antwoordde m’n tegenstander gelaten.
Ik protesteerde niet.

We begonnen te lopen. Toch, om de loopband tot boven de vijftien kilometer per uur te krijgen, kost je een halve minuut. Om dat verlies te compenseren zette ik de loopband al meteen op 15,2 kilometer per uur. Ik hield dat tempo vol en betrapte me erop dat ik af en toe tegen de reling van de loopband liep. Blijkbaar kon ik best sneller, dus ik voerde het tempo op naar 15,6 kilometer per uur, maar na vier minuten had ik nog geen kilometer afgelegd. Ik liep achter op schema.

Na zes minuten constateerde ik opgelucht dat ik over de helft was. Als ik zes minuten op dit tempo kan hardlopen, dan kan ik ook twaalf minuten aan. Hoe hard m’n tegenstander ging wist ik niet, het ging er vooral op om niet op te geven door het tempo te verlagen.

Na acht minuten zat ik nog altijd op 1970 meter. Ik voerde het tempo verder op. Telkens als ik merkte dat ik wilde opgeven, zette ik de loopband een klein beetje harder, totdat ik boven de zestien kilometer per uur zat. Eerst kwam ik op 16,2 kilometer per uur uit, de laatste twee minuten liep ik 16,5 kilometer per uur. Ik beet op m’n tanden en kon het niet laten af en toe te kreunen. Ik kon het aan, maar daar hield het wel mee op. Wel jammer dat zo weinig sporters getuige waren van deze ultieme battle. De enigen die het tafereel met stijgende verbazing aanzagen waren de deelnemertjes van de kindergym.

Na twaalf minuten drukte ik rigoureus op stop. Iets té, want ik vergat te kijken welke afstand ik had afgelegd.
‘Ik heb 3,01 kilometer,’ hijgde m’n tegenstander.
‘Ik weet niet wat ik heb,’ hijgde ik niet minder, ‘maar het moet meer zijn.’ Dat beaamde hij, maar ik baalde omdat ik had gehoopt dat de loopband nog wel m’n eindstand zou vermelden. Niet dus.

Je ziet wel eens sporters op TV die zó kapot zijn na een krachtsinspanning dat ze minutenlang buiten adem zijn. Ik kon me daar nooit iets bij voorstellen. Nu ik half voorovergebogen op de loopband stond uit te hijgen wel. Dat ik had gewonnen deed er niet toe, noch voor m’n tegenstander, noch voor mij. We hadden elkaar zo uitgedaagd dat we het uiterste van onszelf hadden gevraagd. Hij liep voor het eerst boven de drie kilometer bij een coopertest, ik revancheerde me voor de slechte afstanden die ik op de middelbare school liep; 1500 meter, of nog minder.

Thuis rekende ik uit wat ik gelopen moest hebben. Na acht minuten had ik bijna twee kilometer afgelegd, daarna had ik sowieso 16,2 kilometer per uur gelopen. Met wat rekenwerk kwam ik uit op 3,2 kilometer in twaalf minuten. Niet slecht, al was ik de eerste helft van de pubquiz ‘s avonds amper aanspreekbaar.

De volgende dagen bracht ik de coopertest een paar keer ter sprake. Tijdens m’n rondje krachttraining op de sportschool, waar een trainer opmerkte dat hij niet dacht dat iemand in de sportschool die afstand zou kunnen evenaren, op het werk, waar een collega onder de indruk bleek en bij het quizzen, waar me werd verzekerd dat die afstand écht heel goed is.

Stom, dacht ik. Nooit bij stilgestaan dat ik tegenwoordig misschien goed ben in hardlopen. Omdat iedereen zo lovend was over m’n prestatie, moest ik toch eens op zoek naar informatie over de coopertest. Wat zei deze uitslag eigenlijk over m’n conditie?

Ik pakte wikipedia erbij en vond een tabel. Inderdaad, voor een dertiger is een afstand boven de 2700 meter al zeer goed. Zelfs voor de leeftijdscategorie 17 tot 20 jaar, waar de strengste normen gelden, had ik met m’n 3,2 kilometer een zeer goede conditie. Grappig dat ik juist als tiener afstanden had gelopen die als zeer slecht waren gekwalificeerd.

Ik ben trots, maar vraag me nu wel af: als m’n conditie zeer goed is, dan kan ik toch veel meer aan dan die ‘5K’? Een mens moet woekeren met z’n talenten.

Posted in Overig | Tagged , , | Comments Off on Coopertest

Tien keer niet-songfestivalwinnaars

Morgen zit ik in Amsterdam voor Eurovision in Concert: 32 van de 43 artiesten die dit jaar optreden op het Eurovisie Songfestival brengen hun liedje ten gehore. Met een beetje geluk heb ik dus de winnaar, volgende maand in Portugal, in actie gezien. (Nu ik dit schrijf, realiseer ik me dat de enige songfestivalwinnaar die ik ooit live heb gezien Lenny Kuhr is. Maar die is dan ook niet te missen in Eindhoven.)

Naast de winnaar heb ik dan ook 31 verliezers gezien, waarvan sommige zelfs in de halve finales zullen stranden. Het Songfestival is niet anders dan de Nobelprijs voor de Literatuur: het lijstje geweldige liedjes dat niet heeft gewonnen is veel langer dan het lijstje grote namen dat wel heeft gewonnen. Congratulations van Cliff Richard? Werd tweede. Nel Blu di Pinto di Blu (Volare) van Domenico Modugno? Eindigde als derde. Eres Tú van Mocedades? Was runner-up. Alle drie songs werden wereldhits. Om maar te zeggen: wat weet zo’n jury of, zoals het tegenwoordig gaat, het grote publiek nu van goede muziek?

Ik vroeg me af wat m’n favoriete niet-winnende liedjes van het Songfestival zijn. Die lijst is schier oneindig, bovendien kan ik me lang niet alles meer herinneren (waarmee het per definitie als niet goed genoeg kan worden bestempeld, anders had ik ze immers nog wel gekend). Om het allemaal behapbaar te houden (en om ook te kunnen linken naar leuke Joetjoep-filmpjes) heb ik mezelf daarom enkele beperkingen opgelegd:

– geen liedjes van vóór 2000 (dus helaas, geen All Out Of Luck van Selma)
– geen Nederland (want die moeten natuurlijk ieder jaar winnen, tenzij het O’G3NE is)
– geen songs die in de halve finale zijn gestrand (dus geen Salvem el Món van Anonymous)
– één liedje per land en per jaar (dus geen Is It True? van Yohanna of Loin d’Ici van Zoë)

Ook dan blijven nog tien liedjes over die volgens mij een beter lot hadden verdiend.

BrainStorm – My Star (Letland, 2000)

Eurosonic, leuk festival dat jaarlijks begin januari in een ijskoud Groningen wordt georganiseerd. Het is een showcase festival voor nieuwe bands uit Europa en met name artiesten uit Groot-Brittannië, België, Ierland en Zweden hadden hier hun doorbraak. The Libertines, Mika, Millionaire, Franz Ferdinand, José González: ze speelden er allemaal. Toen ik in 2007 het programma voor Eurosonic doornam sprong één naam eruit: BrainStorm. Zou dat dé BrainStorm zijn? Die in 2000 dat o zo leuke liedje My Star hadden gezongen op het Eurovisie Songfestival? Die song waarvan de commentator meewarig zei: ‘ach, Letland heeft het niet begrepen. Ze hebben een góed liedje ingestuurd.’

Ze waren het inderdaad. BrainStorm speelde op de bovenverdieping van een cafeetje, voor twintig man publiek, maar deed dat net zo enthousiast als ze zeven jaar eerder op het Songfestival hadden gedaan. Goed was het niet. Hun songfestivalhit, lieten ze achterwege.

Sahlene – Runaway (Estland, 2002)

In Estland waren ze helemaal niet blij met Sahlene. Hadden de Esten zelf geen goede zangeres dat ze een Zweedse afvaardigden? Weliswaar een Zweedse met credentials; ze deed de achtergrondzang op Charlotte Nilssons Take Me To Your Heaven, die drie jaar eerder het Songfestival had gewonnen, maar tóch. Geen Estse.

Runaway was een perfect popliedje. Gedreven door een akoestische gitaar en een four-to-the-floor beat paste haar liedje perfect tussen de radiopop van Michelle Branch, Amy Studt, Hilary Duff en Ana Johnsson – allemaal zangeressen die begin deze eeuw heel even aan wereldwijd succes mochten snuffelen. Het liedje haalde een niet onverdienstelijke derde plek (buurland Letland won); ondanks de melodielijn, die rechtstreeks is gejat van pedopopgrootmeester R. Kelly’s I Believe I Can Fly.

Sahlene is nog steeds into het Songfestival. In 2016 verzorgde ze de achtergrondzang bij Dami Ims Sound of Silence. Haar komen we later nog tegen.

Vanilla Ninja – Cool Vibes (Zwitserland, 2005)

Zwitserland zat in de jaren nul in hetzelfde schuitje als Nederland: het stuurde acts in die allemaal jammerlijk in de halve finales strandden. Zelfs DJ fuckin’ BoBo overkwam het. Wat doe je dan? Dan vraag je de populairste Estse meidengroep van het moment of ze je land willen vertegenwoordigen op het Eurovisie Songfestival. Een gouden greep: het land nam met speels gemak de onneembaar geachte horde van de halve finales. In de finale eindigden de Estsen, pardon, Zwitsers, op een nette achtste plek. Mede dankzij twaalf punten uit Estland.

Toch, laten we het optreden van Vanilla Ninja eens beter bekijken.

Teksten van songfestivalliedjes zijn notoir slecht, maar het refrein van Cool Vibes slaat alles. ‘Cool vibes, why don’t you kill me.’ Werkelijk? Daarnaast vraag ik me af waarom de zangeres van Vanilla Ninja een gitaar draagt tijdens het optreden. You wear it well, now play it. Het liedje is niet eens rock, eerder pop met harde gitaren. Toch viel ik als een blok voor deze dames – met afstand de mooiste groep die ooit bij het Songfestival op het podium stond. Dat laatste zal 90% van het publiek niet boeien en ik zal dan wel een male chauvinist pig zijn: het oog wil ook wat.

The Ark – The Worrying Kind (Zweden, 2007)

Tegen 2007 was het Songfestival afgezakt tot een glitterfestijn dat uit z’n voegen barstte van de camp. Om een voorbeeld te noemen: Oekraïne stuurde de in zilverfolie verpakte parodielesbo Verka Serduchka naar Helsinki. Zelfs Zweden nam het festival niet meer serieus en vaardigde de glamrockers van The Ark af. The Ark, de groep die rond de eeuwwisseling een radiohitje had gescoord met It Takes a Fool to Remain Sane.

Het stampende ritme à la Mud/The Sweet/Slade, de saxofoonsolo (al is dat instrument op het podium onvindbaar), de naar de seventies knipogende outfits (broeken met wijde pijpen) – Zweden heeft vaak een Waterlookloon naar het Songfestival gestuurd, maar nooit eerder kwam het zo dicht bij ABBA. The Worrying Kind eindigde natuurlijk in de achterhoede (achttiende, om precies te zijn), zoals indertijd álles wat goed was onderin eindigde, maar het festival was tenminste voor drie minuten opgefleurd.

Sébastien Tellier – Divine (Frankrijk, 2008)

Het afvaardigen van Sébastien Tellier is nog altijd één van de grootste trollacties van de 21ste eeuw. Frankrijk, dat jarenlang z’n best deed met keurige zangeressen met nog keurigerdere chansons, gaf er niks meer om. Waarom zou het ook? Als één van de Grote Vier (tegenwoordig de Grote Vijf) stond Frankrijk toch automatisch in de finale. Dan kan je eens iets anders proberen.

Anders was Sébastien Tellier zeker. Goed ook, maar dat mag je ook verwachten van het land dat Daft Punk, Air, Phoenix, M83 en, vooruit, David Guetta heeft voortgebracht.

Tellier leek z’n deelname volstrekt niet serieus te nemen. Hij reed in een golfkarretje het podium op, zwaaide daarbij uitbundig naar het publiek, zoog helium uit een ballon om een couplet van Divine met hoog stemmetje te zingen en werd, zes jaar vóór Conchita Wurst, geflankeerd door vrouwen met baarden op achtergrondzang. De act sloeg volledig dood, zeker toen Tellier tegen het einde een couplet in het Frans zong. Achteraf was dat ene Franstalige couplet nog het meest omstreden. In La Douce France hadden ze liever gezien dat de dj heel het liedje in het Frans had gedaan.

Tom Dice – Me and My Guitar (België, 2010)

Jarenlang heb ik het geroepen: waarom sturen we niet een simpel, klein liedje naar het Songfestival? Tussen alle herrie komt een eenvoudige song des te meer tot z’n recht. Nederland luisterde niet. België wel.

Goed, ik woon niet zo gek ver van de Belgische grens, maar ik dicht mezelf niet zoveel invloed toe. Misschien was het gewoon mazzel dat de VRT voor Tom Eeckhout, die in 2009 tweede was geworden bij The Voice, koos om namens België aan het Songfestival mee te doen. Z’n liedje bleek een verademing op het festival. Een welkom rustpunt. Het leverde de Belgen voor het eerst in zes jaar een finaleplaats op, en ook al eindigde Dice in die finale als zesde, hij had in verschillende Europese landen een hit met z’n Me and My Guitar.

Een jaar later wachtte ik op Dublin Airport op m’n vlucht naar Eindhoven. Ineens hoorde ik Me and My Guitar uit de speakers schallen. Ook daar klonk het perfect.

Jedward – Lipstick (Ierland, 2011)

Mijn eerste kennismaking met de verschrikkelijke tweeling was geen gelukkige. Ze waren te gast bij Graham Norton en het toeval wilde dat ik die avond net een Engelse logée had. Uit haar blik van walging bij de aanblik van Jedward maakte ik op dat we hier niet met de finefleur van de popmuziek te maken hadden (zie dit hilarische lemma op wikipedia over hun debuut-cd Planet Jedward).

Ik was dus sceptisch, te meer ik hun liedje Lipstick matig vond. Totdat ik de show zag. Drie minuten lang spatten de broers van het podium. De knalrode over the top jasjes, de rood-witte visuals, het springen, het dansen: alles klopte. Een perfect voorbeeld van hoe je een matig liedje door een uitgekiende presentatie naar een hoger plan tilt.

Jedward eindigde als achtste in de finale, het beste resultaat voor Ierland sinds 2000. In 2012 deden ze opnieuw mee, met minder succes; ze haalden een negentiende plek. Als ik de Ierse omroep was geweest, had ik Jedward elk jaar gevraagd, zodat ze bij hun twaalfde deelname zouden winnen én een Best of Eurovision-compilatie konden uitbrengen.

Eythor Ingi – Ég Á Líf (IJsland, 2013)

IJsland is twee keer als tweede geëindigd op het Songfetival. In 1999 met Selma’s All Out Of Luck en tien jaar later met Yohanna’s Is It True? Beide liedjes hadden moeten winnen, al vermoed ik dat IJsland niet eens een goede locatie heeft om het Songfestival te organiseren.

Ik was niet enthousiast toen ik Ég Á Líf hoorde. Ik vond het niet zo’n opvallend liedje, een soort Koningslied op z’n IJslands. Maar eerlijk is eerlijk, Eythor Ingi, in het dagelijks leven visser en afkomstig uit het dorp Dalvík, een soort hofleverancier van IJslandse songfestivaldeelnemers, was met afstand de beste zanger van deze editie.

Dat niet alleen, de rockers en metalheads in m’n tijdlijn gingen bij z’n aanblik alleen al los: ‘een Viking. Uit IJsland. Met lang haar, een baard en veel ringen aan z’n vingers. Die móet winnen.’ Omdat goed zingen er bij het Songfestival niet toe doet won ie niet, wel haalde hij een zeventiende plaats. Dat kan je met wat goede wil de middenmoot noemen. Pas na afloop van het Songfestival ging ik de song meer waarderen. 2013 was niet m’n beste jaar. Dan heb je soms behoefte aan een opbeurend, bemoedigend lied.

Polina Gagarina – A Million Voices (Rusland, 2015)

Niemand wilde dat Rusland zou winnen. Echt. Niemand. Ook ik niet. En dan komt ook nog het meest homo-onvriendelijke land van Europa naar het grootste homofestijn ter wereld met een liedje over vrede. Practice what you preach.

Toch ging ik twijfelen. Dat kwam niet eens door die bloedmooie zangeres, haar leuke witte jurkje of de volle overtuiging waarmee Polina Gagarina de onzintekst van A Million Voices bracht. Nee, het kwam door de perfecte staging dat ik nog altijd een zwak voor deze song heb. Niet voor niets maakte een vriend op Facebook zich zorgen. ‘Ze is wel goed,’ bekende hij, toen Gagarina net begonnen was. Een minuut later zei hij: ‘Wow, ze is écht goed.’ Om aan het einde van het liedje te zeggen: ‘Dat gaat spannend worden.’

Terwijl het gejoel en boegeroep uit de zaal tijdens de puntentelling toenam, begon ik zelfs enige sympathie voor de zangeres te koesteren. Het was een steengoed liedje (een Zweedse productie) en de negatieve reacties vond ik onterecht. Ja, het Songfestival is ook politiek. Maar zoals een rasechte poptimist zou zegen: respect the fucking craft.

Dami Im – Sound of Silence (Australië, 2016)

Ik ben al jaren fan van alle muziek van down under. Dus bij de bekendmaking dat de Aussies voortaan mee zouden doen, ging gejuich op in Huize Guidje. Toen ik ook nog hoorde dat het land klasse-acts instuurde (in 2015 bijvoorbeeld Guy Sebastian met Tonight Again), was ik helemaal om. Sound Of Silence was met afstand de beste ballad van 2016. Het was sowieso het beste liedje; een song die prima tussen de hedendaagse pop op de radio kan. Een kwaliteit. En geef toe, de Engelse uitspraak van de uit Zuid-Korea afkomstige zangeres is uiterst charmant. Hoor hoe Im consequent de klemtoon op het woord ‘silence’ verkeerd legt, of hoe ze halverwege Sound of Silence het woord ‘capable’ verbastert tot iets onverstaanbaars.

De Europese vakjury’s waren het met me eens, maar dat was niet voldoende om te winnen. Jamala’s 1944 won dankzij de stem van het publiek, waardoor 2016 het jaar werd met de slechtste songfestivalwinnaar ooit. Tot overmaat van ramp zou Australië met de puntentelling van een jaar eerder wél hebben gewonnen. De tegenvoeters zijn bestolen.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Tien keer niet-songfestivalwinnaars

Doodlopers

Sport is building your mind.

Dat was de tekst op het T-shirt. Ik had het niet eens in de gaten gehad toen ik het, inmiddels zo’n slordige twintig jaar geleden, kocht. Ik lette niet op teksten op T-shirts. M’n moeder deed dat wel en ze had moeten grinniken toen ze het las. Toen ik het zelf ook in de gaten had, merkte ik op dat het in mijn geval ironisch was.

Sportief en ik gingen niet samen. Ik was zo’n jongen die altijd als laatste wordt gekozen bij gym. Veel te dik bovendien. Ik zat daar niet echt mee en ach, ik deed m’n best, maar met name hardlopen en ik zijn nooit goede vrienden geweest. De Coopertest was een twaalf minuten durende martelgang; vooral omdat ik na de warming-up al kapot was. Na afloop kreeg ik dan ook nog de hik, waar vast een medische verklaring voor te geven is, maar eerlijk is eerlijk: ik had een nul voor conditie. De shuttle run ging iets beter, omdat ik het net lang genoeg volhield tot trap 5,5. Hoezo zesjescultuur?

Tegenwoordig gaat het een stuk beter. Ik ben allang niet meer de vadsige, dikke puber van twintig jaar terug, eerder, om met Ruben Hein te spreken, een behaarde satéprikker. Maar het hardlooptrauma van de middelbare school zat diep. Zo diep dat ik, als ik een paar keer per week naar de sportschool ging bij cardio liever voor de veilige opties crosstrainer, hometrainer en roeimachine koos, zelfs als die laatste met enige regelmaat kapot bleek te zijn. Ik meed de loopband.

Maar er begon zich iets te ontwikkelen dat op een buikje leek – boven de 30 heeft alles de neiging om te gaan hangen – en dat wilde ik per se voor zijn. Wie ooit dik is geweest, houdt altijd de angst weer dik te worden.
‘Je kunt gaan hardlopen,’ zei de trainer. Hij knikte naar de loopband. ‘Dat is goed voor je cardio.’
Mja, dacht ik en m’n gedachten dwaalden af aan de laatste keer dat ik op een loopband had gestaan. Het was bij een expositie van het STRP Festival, waar ik een radioreportage maakte. Deze loopband was een technische innovatie die zich aanpaste aan het tempo dat jij liep. Wat er precies gebeurde weet ik tien jaar later nog steeds niet, wel dat ik binnen een paar seconden achter de loopband lag. Het moet spectaculair hebben geoogd, maar daar heb je weinig aan bij een radioreportage.

Toch, omdat ik de illusie heb ooit nog dat strakke goddelijke lichaam te krijgen – ijdelheid is zelfs mij niet vreemd – waagde ik me eraan. Eerst deed ik dit voor en na m’n circuitje krachttraining. Ik bedacht een soort intervaltraining met hardlopen en korte intermezzo’s van wandelen. Dat ging goed al speelde m’n linkerknie, m’n achilleshiel, soms op.

Zou ik ook vijf kilometer aan één stuk kunnen hardlopen? Niet met de ambitie om die afstand nog te verhogen, meer omdat het een te bevatten afstand was. Gezond bovendien, boven de ‘5K’ neemt de kans op blessures toe. Ik besloot één keer in de week te proberen die afstand te lopen. In de sportschool; ik had geen zin in pottenkijkers. Geld voor goede hardloopschoenen om buiten aan de slag te gaan had ik toch niet. De eerste keer dat ik het probeerde zette ik de loopband op 11,5 kilometer per uur. Ik hield het – tot m’n eigen verbazing – vol en was euforisch. Even dacht ik dat dit de mythische runners high was, totdat een ervaren hardloper me er fijntjes op wees dat je die echt niet krijgt na een schamele vijf kilometer. Nee, de euforie kwam voort uit het besef dat ik, die dikke puber die bij gym niks voor elkaar kreeg, nu toch maar mooi vijf kilometer kon hardlopen.

Ik hield het braaf vol. Elke week ging ik hardlopen op de loopband. Altijd vijf kilometer, met een of ander wanstaltig programma van TLC (hallo Say Yes To The Dress), Discovery (je zou vliegangst krijgen van alle afleveringen van Air Crash Investigation die ik heb gezien) of Comedy Central (ik heb voor het eerst een aflevering van Friends uitgekeken, simpelweg omdat ik geen kant op kon) als behang. Om niet constant op het display van de loopband te kijken hoever ik nog moest, sprak ik dan met mezelf af dat ik pas weer mocht kijken ná het volgende reclameblok, om dan te zien dat ik pas honderd meter verder was. Wekelijks voerde ik het tempo op, zodat ik telkens sneller klaar was. Uiteindelijk haalde ik 13,7 kilometer per uur. Het ging goed, al bleef hardlopen vooral een mentale uitdaging.

Begin dit jaar voerde ik het hardloopregime verder op: van één naar twee keer in de week. Nu ging ik op vrijdagmiddag, nadat ik had lesgegeven op een MBO, ook nog hardlopen. Niet om de decemberkilootjes eraf te trainen, maar omdat ik elke week als een berg opzag tegen dat lesgeven. Tegen hardlopen zag ik nog meer op dan tegen lesgeven, waardoor ik lesgeven een stuk minder erg ging vinden.

Het werd maart en ik dacht er steeds meer aan om naar buiten te gaan. Ik had het wel gehad met die loopband. Ik keek op een kaart van Eindhoven voor een geschikte route en vond er eentje vanuit m’n huis langs het Eindhovens Kanaal richting Geldrop met halverwege, bij de roeivereniging, een bruggetje. Dan weer teruglopend over het fietspad aan de andere kant van het kanaal zou ik op vijf kilometer komen. Ongeveer.

Begin deze maand was het zover. Eerst kocht ik een paar hardloopschoenen. Thuis kon ik niet wachten om erop uit te trekken. Ik trok de voordeur achter me dicht, stak de brede middenberm voor m’n huis over en snelde door de Van Minderhoutstraat richting Ruysdaelbaan. Ik had het gevoel dat van achter de gordijntjes en geraniums half Tongelre hoofdschuddend mijn drieste hardlooppoging gadesloeg. Toch, het ging niet onaardig. En beter nog, het verschilde niet eens zo gek veel van hardlopen op de loopband.

Ik had geen idee hoe hard ik aan het lopen was. Op het kanaal zag ik een roeiboot varen, voor me in de verte zag ik een man op een fiets die de roeiers aanmoedigde. Ik hoorde alleen m’n voetstappen en m’n eigen ademhaling.

Toen hoorde ik wat gegiechel. Twee tienermeisjes fietsten vlak achter me.
‘Meneer,’ riep eentje, ‘heeft u het niet koud?’
Fuck it, dacht ik, daar heb ik geen zin in. Ik schudde nee. Opnieuw gegiechel achter me. Ik liep door. Na een tijdje hoorde ik niks meer en keek ik voorzichtig achterom. De meisjes waren verdwenen.

‘Het leuke van buiten hardlopen is dat je je op een punt kunt richten,’ had een collega gezegd.
Ammehoela, dacht ik. Het enige dat ik zag was die lange, lange weg langs het kanaal. Dat bruggetje, halverwege m’n route, was een fata morgana. Telkens als ik dacht dat ik er bijna was, verdween het weer achter de horizon. Toen ik uiteindelijk tóch het bruggetje had gehaald, bleek het een veel te steile kuitenbijter te zijn. Ik holde aan de andere kant van het bruggetje naar beneden en ging wandelen. Ik was te hard van start gegaan en moest dat nu bekopen: een beginnersfout.

Amateur, vloekte ik van binnen. Ineens schoten die eindeloze Coopertests van de middelbare school door m’n hoofd. Dat waren ook twaalf minuten van wandelen en strompelen, met tussensprintjes van hooguit een halve minuut tussendoor om de gymleraar een plezier te doen.

Ik begon weer langzaam te rennen. Twee eenden staken het fietspad over. Een hardloopster kwam me tegemoet en groette me. Ik groette terug. Hardlopers zijn net als motorrijders, met hun eigen codes, bedacht ik. Weer zag ik een eindeloze weg voor me. Ik telde de bomen langs het kanaal en sprak met mezelf af: bij de volgende boom kijk ik op het display. Maar ja. Welk display? Bij de kruising bij de rondweg moest ik inhouden, daarna liep ik aan één stuk door. Op de Kanaaldijk, bijna thuis, zag ik een auto bij de voedselbank stoppen waar, toen ik hevig bezweet langsliep, net de burgemeester uitstapte voor een werkbezoek. Vlak bij m’n huis werd ik bijna aangereden. Thuis pakte ik wat te drinken en kreeg een hoestbui. Daarna kreeg ik de hik, die nog twee uur aanhield.

Hardlopen is léuk joh.

De volgende dag ging ik naar de sportschool.
‘Ik zag je gisteren bij de Leenbakker lopen,’ zei de trainer. ‘Ik dacht nog: die Guido is goed bezig.’
Ik zei dat ik daar zelf iets anders over dacht.

Tegen een vaste klant van de sportschool vertelde ik over m’n eerste hardlooppoging in de buitenlucht. Hoe ik vol enthousiasme was begonnen, maar al snel mezelf was tegengekomen.
‘Jeugdige onbezonnenheid,’ grapte ik tegen m’n medesporter, anderhalf jaar ouder dan ik.
Hij moest lachen.
‘Dat heb je de eerste keer. Maar na vier of vijf keer hou je het wel vol. Dan kan je beter doseren,’ vertelde hij.

Na een dag begon het te kriebelen. Ik wilde weer. Ik moest wel, want ik wilde niet terug naar de loopband en m’n regime van twee keer in de week hardlopen koste wat het kost volhouden. En die tweede keer ging ik wél die volle vijf kilometer blijven rennen.

Die tweede keer was de weersverwachting miezerregen, maar dat deerde me niet. Ik liep mezelf wel warm (ja echt, giechelmeisjes). Ik snelde na m’n werk naar huis, kleedde me om en rende de voordeur uit. Ik liep dezelfde route als de vrijdag ervoor, maar besloot iets langer de Ruysdaelbaan aan te houden, waardoor het stuk langs het kanaal (heen althans) minder lang viel. Ik merkte al snel dat ik het tempo van de loopband te pakken had. Het ging lekker. Ik rende voorbij begraafplaats Sint Calixtus (waar je een bepaalde symboliek in kan zien). Toen ik het woonwagenkamp passeerde groette ik een bewoner die de postbus leeghaalde, het bruggetje viel dit keer veel minder zwaar, maar weer was er die lange weg terug langs het kanaal. Een stemmetje in m’n achterhoofd bleef maar zeuren: ‘Hou toch op met die onzin. Dit is toch nergens voor nodig? Ga toch wandelen.’

Ik realiseerde me het voornaamste nadeel van buiten hardlopen. Bij een loopband móet je wel door. Maar als je buiten rent is er telkens de verleiding om te stoppen, een verleiding die bij elke stap groter wordt.

Bij de kruising met de rondweg kon ik doorlopen en ik kreeg de geest. Nog maar een klein stukje en ik was weer thuis. Ik zette een eindspurt in en keek thuis op m’n telefoon hoelang ik over m’n rondje had gedaan. De teller bleef staan op 22 minuut 30. Dat is dezelfde tijd die ik in de sportschool nodig heb voor m’n ‘5K’.

Inmiddels ben ik een paar weken verder. Het gaat nog altijd met horten en stoten, maar ik heb de flow te pakken. Ik heb helemaal geen last meer van m’n knie en ik vind het zowaar leuk. Nouja, als ik klaar ben. Ik heb zelfs m’n rondje uitgebreid, uit angst dat ik de eerste paar keer de vijf kilometer misschien net niet had gehaald (ik doe niet aan hardloopapps). Het kan dus best zijn dat ik nu zes of zeven kilometer loop. Het is geen halve marathon, laat staan een hele, maar toch.

Hoe was de tekst op dat T-shirt ook alweer?

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged , , , | 4 Comments

Communicatie

Omdat ik in m’n reguliere baan geen extra uren kan krijgen, geef ik dit schooljaar les in communicatie op een MBO-opleiding. Dat gaat, al zeg ik het zelf, redelijk. Ik heb niet het idee dat ik ze veel krijg bijgebracht (de houding laat nogal te wensen over), maar ik vind dat ik heel begripvol ben; zelfs bij de meest domme vraag hou ik m’n gezicht in de plooi en geef ik netjes antwoord. Ik tolereer veel van m’n leerlingen en tijdens de les dwaalt het gesprek geregeld af. Het is vrijdagmiddag, dus dat moet kunnen.

Om een voorbeeld te geven: eerder dit jaar liet ik me ontglippen geen rijbewijs te hebben. Op het moment dat ik het zei had ik al spijt van m’n opmerking. De blikken waarmee ik werd aangestaard zal ik niet licht vergeten: alsof ik een wezen was dat vanuit een ver sterrenstelsel naar deze planeet was gestuurd en net z’n eerste schreden op aarde had gezet. Nu nog, maanden later, floept een leerling er soms ineens uit: ‘Maar meneer, ik snap écht niet dat u geen rijbewijs hebt.’ Ook dan leg ik geduldig uit dat in de stad een rijbewijs niet per se nodig is en dat ik voor reizen buiten Eindhoven de trein pak.

Afgelopen vrijdag dwaalde het gesprek weer eens af.
‘Meneer? Mag ik u wat vragen?,’ vroeg een leerling.
Ojee, dacht ik, als ze zo beginnen moet ik op m’n hoede zijn. Voor je het weet stellen ze een impertinente vraag.
‘Heeft u een relatie?,’ ging ze verder.
Ik antwoordde ontkennend en meende ‘r te horen denken: geen rijbewijs, ook al geen relatie. Wat is dit voor mafketel?
Toen verraste ze me.
‘Volgens mij zoekt u een heel slimme vrouw,’ zei ze. ‘Als ze op de eerste date ook maar één domme opmerking maakt, denkt u: laat maar.’
‘Dat zou zomaar kunnen kloppen,’ zei ik, terwijl ik amper m’n lach kon inhouden.

In één van de eerste lessen had ik ze uitgelegd dat het grootste deel van communicatie non-verbaal is. Ik kom een stuk minder stoïcijns over dan ik zelf in de gaten heb.

Posted in Overig | Comments Off on Communicatie

Nuku’alofa

M’n oudste nichtje Esmee (11) had een goed voor topografie.
‘Zo, jij had een goed voor topografie,’ zei ik. ‘Wat is dan de hoofdstad van Tonga?’
‘Die hebben we niet gehad,’ zei Esmee. ‘We hebben Noord-Amerika gedaan.’
‘Wat is de hoofdstad van Canada?,’ vroeg ik.
‘Vancouver,’ was het antwoord.
‘Tsssk, Vancouver. Dat is niet eens de hoofdstad van British Columbia. En daar krijg jij een goed voor?’, zei ik plagerig. ‘De hoofdstad van Tonga is trouwens Nuku’alofa.’

Wat volgde was een stief kwartiertje waarin Esmee mijn kennis van hoofdsteden testte. Ik ga er prat op dat ik alle hoofdsteden van de wereld uit m’n hoofd ken. Sterker, ik vind dat uit het hoofd kennen van alle hoofdsteden tot de basiskennis van de pubquizzer behoort, evenals de vijftig hoofdsteden van de Amerikaanse staten (de hoofdsteden van de Canadese en Australische provincies en territoria zijn optioneel, maar die weet ik ook allemaal). Te vaak nog zie ik spelers bij Twee voor Twaalf die hoofdsteden op moeten zoeken in de atlas. Wat dóe je daar, mopper ik dan voor de buis.

Voor de rest heb je bitter weinig aan die kennis; ik heb er meer aan dat ik weet hoe ik het lampje in de afzuigkap vervang. Bovendien heb ik nog nooit een vrouw weten te verleiden met de openingszin ‘Zeg, wist jij dat de hoofdstad van Tristan da Cunha Edinburgh of the Seven Seas is?’

Op Twitter heb ik als vastgemaakte tweet ‘Ik snap niet dat mensen die niet weten dat Nuku’alofa is goed kunnen functioneren in deze maatschappij’ (daarvoor had ik als vastgemaakte tweet ‘Ik kan er toch ook niks aan doen dat de meeste mensen zo ontzettend stom zijn?’, gepost op de avond na het Brexit-referendum). Een grapje, als variant op een opmerking die ik geregeld maak tijdens de pubquiz, als tijdens het voorlezen van de eindstand blijkt dat er teams zijn met minder dan de helft van het aantal punten dan ons team heeft gescoord: ‘Hoe functioneren die mensen in deze maatschappij?’ Een medequizzer merkt dan wel eens, niet ongeestig, op: ‘Dat vragen zij zich ook over ons af.’

Trouwens, niet iedereen begrijpt die tweet. Vorige week nog reageerde een dame, volgens haar bio een psychologe (een niet al te snuggere denk ik), ‘dat ik dan heel weinig snapte’. Ik heb ‘r maar in de waan gelaten.

Dit weekend ging het hoofdsteden testen op de verjaardag van m’n zwager door. Esmee pakte haar Boskabouter (de mini-Bosatlas) om me te overhoren:
‘Saint Kitts and Nevis?’
‘Basseterre.’
‘Honduras?’
‘Tegucigalpa.’
‘Stanley?’
‘Dat is de hoofdstad van de Falklandeilanden. Dat is trouwens geen zelfstandig land.’
‘Tuvalu?’
‘Dat is een leuke. Dat kan Fongafale, Funafuti of Vaiaku zijn. Tuvalu heeft een hoofdatol, een hoofdeiland en een hoofdplaats.’ (Wat een beetje veel hoofd is voor een land met amper tienduizend inwoners.)

‘Wat heb je daar nou aan?,’ vroeg m’n oom die het allemaal met verbazing aanhoorde.
‘Helemaal niks,’ beaamde ik. ‘Behalve bij het quizzen.’
‘Maar als Esmee met jou meequizt, hoeft ze die hoofdsteden niet te kennen. Die weet jij dan toch al?,’ vond iemand anders.

Ja, dacht ik, zo lust ik er nog wel een paar. Dat is dezelfde dooddoener die ik al hoor sinds de invoering van de basisvorming. Het mantra van dat onderwijssysteem is dat mensen niets meer hoeven te weten, als ze maar weten waar ze het kunnen vinden. Dank je de koekoek. Want wie gaat dat daar dan opschrijven?

Een dag later luisterde ik naar de radio. Maandag is thuiswerkdag en ik had Stenders Platenbonanza op Radio 2 opstaan. Rob Stenders presenteert dat programma met z’n sidekick Carolien en geregeld komt in de uitzending een popquizje voorbij. Stenders is een wandelende muziekencyclopedie, Carolien is op muzikaal gebied iets minder goed onderlegd. Als zij een antwoord niet weet, wordt de vraag aan de luisteraars gesteld. Wie het weet kan het antwoord sms’en of appen en maakt kans op een goede-oren-aan-je-kop-mok. Ik doe geregeld mee. Ik ben ook een wandelende muziekencyclopedie; zo zeer dat ik Stenders vorige week nog moest verbeteren toen hij vroeg welke grote hit was geschreven door één van de bandleden van The Hooters. Het antwoord was Time After Time van Cyndi Lauper, maar One Of Us van Joan Osborne is ook geschreven door een lid van The Hooters, weliswaar een ander bandlid.

U begrijpt dat ik vond dat mij hier groot onrecht is aangedaan. Ik verdiende ook een mok.

Sommige mensen zijn inmiddels zó geconditioneerd op de popquizjes van Stenders dat ze al een antwoord insturen voordat de vraag is gesteld. Zo bleek een luisteraar tijdens het draaien van Cloudbusting van Kate Bush te hebben ge-appt: Ik voel weer een popquizje aankomen. Donald Sutherland, goed?

Stenders vroeg daarop aan z’n sidekick wat de vraag bij dit antwoord zou moeten zijn: een soort omgekeerde popquiz.
‘Jij hebt hier toch wel ideeën over?,’ vroeg de dj.
‘Nou nee,’ zei z’n sidekick.
‘Dat meen je niet,’ zei de dj. ‘Dat je de achterstevorenbassist van Creedence Clearwater Nogwat niet weet, maar dít?’
‘Nouja zeg. Weet jij wat de hoofdstad van euh… ik zoek een heel moeilijke,’ zei z’n sidekick.
‘Het is al te laat,’ onderbrak Stenders haar lachend, waarna de luisteraar weer kon appen of sms’en.

Dit was m’n kans, dacht ik, dus ik sms’te het antwoord, maar zette er nog wat bij. Je moet iets doen om op te vallen.

Een nieuwsbulletin en een paar platen later hoorde ik Carolien het volgende op de radio zeggen: ‘Guido die sms’t: Wie speelde mee in de videoclip bij Cloudbusting? De hoofdstad van Tonga is trouwens Nuku’alofa. Nou, die gozer die wint. Mijn hart ook.’
‘Cash in jongen, je hebt ook het hartje van Carolien gewonnen,’ voegde Stenders eraan toe.

De hoofdstad van Tristan da Cunha heeft nooit vrouwenharten in vuur en vlam gezet. Met Nuku’alofa heb ik meer succes.

Posted in Aardrijkskunde, Media, Muziek, Quizzen | Tagged , , | 1 Comment

Song Top 20 2017

Het beste boek over popmuziek dat ik dit jaar heb gelezen is The Song Machine. Het uitgangspunt van het boek is simpel: waarom klinken alle liedjes waar John Seabrook, journalist bij The New Yorker en z’n zoon, consequent aangeduid als ‘the kid’, naar luisteren hetzelfde? Daarbij komt de volledige recente muziekgeschiedenis van eind jaren tachtig tot nu voorbij: van Denniz PoP en Dr. Alban tot Stargate en Rihanna; mijn muzikale jeugd én volwassenwording. Ik kocht het boek op een koude winterdag in Groningen, begon toen de trein het station uitreed meteen te lezen en tegen de tijd dat ik in Utrecht CS arriveerde, had ik de eerste zeventig pagina’s uit. Een aanrader voor iedereen die wil weten hoe de popwereld van nu in elkaar zit. Owja, het staat ook nog boordevol goede muziekanekdotes.

Goed. 2017. Wat was het voor muziekjaar? Redelijk. Om met het slechte nieuws te beginnen: het was het jaar van de comeback van Jody ‘hoe dichter bij de nul, hoe strakker om de lul’ Bernal. Dankzij The Boy Next Door had hij dit jaar een hit met een cover van La Colegiala, nota bene eerder een hit voor de dit jaar overleden Sandra Reemer. Bernal heeft deze Top 20 niet gehaald. Net als AJR’s Weak (te veel productie), Something Just Like This van The Chainsmokers en Coldplay (nee, gewoon nee), JP Coopers September Song (te saai) en Jamie TW’s When You Love Someone (idem). Maar die vier liedjes geven wel aan dat er dit jaar veel ander moois is gemaakt.

Voordat ik los ga met m’n Top 20 een disclaimer voor de nieuwkomers. Ik ben deze lijst begonnen omdat ik vind dat muziekjournalisten in Nederland pop niet serieus nemen. Dat was in 2012 al zo en is intussen niet veel beter geworden. Er wordt meewarig gesproken over het megasucces van Ed Sheeran, of de populariteit van een zomerhit als Despacito. Terwijl het schrijven van een goed popliedje net zo knap is als het componeren van een symfonische metalcompositie van twintig minuten. Een hit schrijven is een ambacht, het vergt veel ervaring en uren werk (nogmaals, lees The Song Machine) en er is geen formule voor succes. Goede pop is niet lelijk, goede pop is razend knap en écht goede pop zegt iets over het huidige tijdsgewricht.

Een belangrijke vereiste om in de Top 20 te mogen is dat de single in 2017 in de Top 40 moet zijn binnengekomen (dus helaas, geen In The Blood van John Mayer, J-Boy van Phoenix of Holding On van The War On Drugs). Het moet een hit zijn geweest, hoe groot of klein maakt daarbij niet uit. De indeling is arbitrair. Héél soms zet ik een liedje hoog omdat ik het heel leuk vind, maar doorgaans zet ik liedjes die veel zeggen over de tijd waarin we leven hoger. Mijn ideaal is dat je over vijf of tien jaar deze lijst kunt teruglezen en zeggen: ‘ja, dát was 2017.’

20. Chef’Special – Try Again

Chef’Special toerde het afgelopen jaar in het voorprogramma van Twentyone Pilots door Amerika. Die samenwerking is niet eens zo heel gek; beide bands mixen achteloos genres als rock, hiphop en dance met elkaar tot een pompende mix die altijd goed is voor grote feestvreugde. Niet dat Try Again zo’n feesttrack is. Eerder een ingetogen, tropical hit. Als ik de reacties op Joetjoep moet geloven zit niet iedereen hier op te wachten, maar ik hoor het liever dan een flauwe ballad als In Your Arms.

19. Jebroer & DJ Paul Elstak – Kind van de Duivel

Alle publiciteit is goede publiciteit. Dat wist Jebroer ook best toen hij samen met DJ Paul Elstak en Dr. Phunk de brute dancetrack Kind van de Duivel opnam. Het was wachten op het moment dat een geschokte dominee aanstoot zou nemen aan regels als ‘ik ben een kind van de duivel’ en ‘hoop dat je deze draait op m’n begrafenis’. Dat duurde nog best lang; toen Jebroer geld kreeg geboden als hij níet Kind van de Duivel zou zingen tijdens optredens in Vriezenveen en Hardinxveld was de track al uit de Top 40 verdwenen. Hij was trouwens de kwaadste niet; op Engeltje deed hij het trucje nog eens dunnetjes over. Sleutelzin: ‘er is geen ruimte in de hel, sta bij de hemel op de stoep.’

18. Jax Jones ft. Raye – You Don’t Know Me

Tropical. Het toverwoord viel al bij nr. 20. De lome danceplaten bleven ook in 2017 gewoon komen. Al heet dat in het geval van Jax Jones’ You Don’t Know Me deep house. Ook best. Wat blijft is een vrolijke oorwurm die je door dat ‘na-na-hey’ na één keer draaien niet meer uit je hoofd krijgt. Jax Jones, z’n echte naam is Timucin Fabian Kwong Wah Aluo (ik wil die naam hier even vermeld hebben), maakt muziek die net zo’n melting pot is als z’n etnische afkomst. Ook dat is, net als de dab in de videoclip, Heel Erg 2017.

17. Miley Cyrus – Malibu

Ik had niet gedacht Miley Cyrus ooit in m’n Song Top 20 te hebben. Leuke zangeres, maar megahit Wrecking Ball moest het vooral van die clip en dat refrein van een (ahum) sloopkogel hebben. Daarna maakte ze – op nadrukkelijk afraden van haar platenmaatschappij – het psychedelische album Miley Cyrus & Her Dead Petz met The Flaming Lips: Cyrus was klaar met haar imago van Hannah Montana. Met Malibu maakt ze haar comeback. Goed, een keurige, akoestisch getoonzette single riekt na alle malle fratsen naar opportunisme, maar ik teken ervoor.

16. Niall Horan – Too Much To Ask

Vorig jaar ben ik tot m’n schaamte This Town (ik ben een sucker voor romantische boybandballads) in m’n Song Top 20 vergeten. Die fout maak ik niet nog een keer, dus deze notering voor Too Much To Ask is ook een goedmakertje. Van de vijf leden van One Direction is Niall Horan het beste uit de solostartblokken gekomen, al speelt hij daarbij op safe: The Script/Ed Sheeran-light en dan nog braver. Horans solodebuut Flicker is zó glad dat Stereogum het omschreef als ‘a collection of songs so drowsy and unthreatening you may begin to wonder if you’re on hold with your credit card company.’ Maar in tegenstelling tot z’n oude bandmaatje Zayn Malik, die het vooral moet hebben van duetten met leuke zangeressen (Taylor Swift, Sia) én een pak productie, houdt Horan het klein. Netjes.

15. Harry Styles – Sign Of The Times

De statuur van Harry Styles en de andere oud-One Directionleden is zo groot dat ze muzikaal kunnen doen waar ze zin in hebben. Nog wel, althans. Dat is de enige reden dat Styles ermee weg komt een door de seventies geïnspireerde progrockerige aanstekerballad met een titel die verwijst naar een bekende Princetrack uit te brengen. Radiozenders vinden het zelfs prima een single van bijna zes minuten (een eeuwigheid) op high rotation te zetten (goed, er kwam ook een radio edit). De credibility van Styles kreeg met Sign Of The Times een flinke boost; het haalde zelfs de tiende plek in de Song van het Jaar verkiezing van 3voor12 (ter vergelijking: Despacito eindigde in die lijst als 152ste).

14. Armin van Buuren – Sunny Days
13. Calvin Harris ft. Pharrell Williams & Katy Perry & Big Sean – Feels

Ik ben dit jaar van 3FM naar Radio 2 geswitcht. Ik kon het gezwalk in muziekbeleid bij 3FM niet langer aanhoren. Of misschien word ik gewoon oud. De enige keer dat ik nog naar de jongerenzender luister is als de Mega Top 50 wordt uitgezonden; ik moet toch bij blijven voor de pubquiz. Maar ik mis niks. Radio 2 doet qua jongerenmuziek niet onder voor buur 3FM. Sterker nog, Armin van Buurens Sunny Days heb ik daar dit jaar heel vaak voorbij horen komen. Een mellow zomerhit, met een fijn gitaartje erdoorheen gemixt en een melancholieke toon. ‘Oh, sunny days, lift me when I’m down,’ aldus zanger Josh Cumbee, die de song schreef. Wel jammer van de kerstversie die ze hebben gemaakt; dat voelt toch als de Christmas Macarena.

De állerleukste zomertrack van 2017 komt op naam van Calvin Harris die er op Feels met gasten Pharrell Williams, Katy Perry en Big Sean een zomers feestje van maakt, al lijkt de regel ‘don’t be afraid to catch feels’ grammaticaal niet helemaal correct (spoiler alert: dat is ie wel). Misschien nog leuker is het verongelijkte pruillipje waarmee Perry de regel zingt. Alsof ze zelf ook weet dat haar laatste album Witness broddelwerk was. Don’t worry Kate, je komt nog een keertje voorbij in deze lijst. Op een veel hogere plek dan nr. 11.

12. Taylor Swift – Look What You Made Me Do

Ach Taylorke, where did we go wrong? Op 1989 was je m’n popprinses. De diva die stijlvolle liedjes maakte die niettemin mee konden in de ether en hitlijsten anno 2014. Shake It Off was een tikkeltje plat maar Style, Out Of The Woods en Wildest Dreams behoorden tot de beste singles van de laatste jaren: prachtige, tijdloze popsongs. En dan kom je nu met deze single. Een overgeproduceerde prul die aan de man moet worden gebracht met een opgewarmde fittie met rivale Katy Perry. Je bent verworden tot de zoveelste inwisselbare popzangeres met platte, anonieme popdancetracks als …Ready for It? en End Game. Misschien komen we elkaar ooit nog tegen; wie Right Said Freds I’m Too Sexy samplet kán niet slecht zijn. Voor de rest denk ik: et tu, Taylor?

11. Imagine Dragons – Thunder

Imagine Dragons speelde voor hun doorbraak in 2013 in casino’s in Las Vegas. Een harde leerschool: wat geen enthousiaste reactie van het publiek losmaakte werd weggegooid. Debuutplaat Night Visions schoot dan ook alle kanten op, lompe rock in Radioactive, gezellige folkpop in On Top Of The World met Demons daar tussenin: alles voor het publiek. Op tweede album Smoke + Mirrors probeerde de groep voorzichtig meer eigen smoel te ontwikkelen, maar die plaat flopte (schandalig, want single Shots was geweldig). Dit jaar revancheerde Imagine Dragons zich. Opportunistisch hanteerde het kwartet in singles als Believer, Thunder en Whatever It Takes weer de botte bijl van weleer, dit keer met een vleugje meer EDM. Het werkte. Met Thunder stond Imagine Dragons voor het eerst in vier jaar weer in de Nederlandse top-10. Ook die andere singles deden het prima.

10. Lorde – Green Light

Lordes debuutplaat Pure Heroine uit 2013 was briljant. Slimme, kaal geproduceerde liedjes waardoor de boodschap van een wel heel vroegwijs meisje uit Auckland, Nieuw-Zeeland goed overkwam. Tweede plaat Melodrama (geproduceerd door man van het moment Jack Antonoff) deed niet zo gek veel in de wereldwijde albumlijsten, maar het is opvallend hoe vaak het album terugkomt in de eindejaarslijstjes van 2017 (het staat bij Metacritic zelfs op nr. 2). Single Green Light is een atypische song, door Max Martin omschreven als ‘incorrect songwriting’, al denk ik dat Lorde dat als compliment beschouwt. Inderdaad, een grote pophit werd het niet; een 31ste plaats in de Top 40 komt bij lange na niet in de buurt van het succes van megahit Royals. Het mag duidelijk zijn: met Melodrama neemt de wereld afscheid van Lorde de hitzangeres en krijgt er Lorde de albumartiest voor terug. Dat vind ik geen slechte ruil. Bovendien stal Lorde mijn hart door vlak voor Kerst aan te kondigen níet in Israël op te treden. Dat getuigt van veel lef.

9. Justin Bieber + BloodPop® – Friends

David Guetta stond nog nooit op nummer 1 in de Nederlandse Top 40. Hij zal er niet wakker van liggen, al hoop ik stiekem dat de Franse dj daarom 2U met Justin Bieber heeft openomen: als het met Der Bieber niet lukt, dan lukt het met niemand. Bieber poept aan de lopende band singles uit en vernielt achteloos met een bar slecht optreden op Pinkpop het kleine beetje goodwill dat ie nog heeft, maar zelfs hij kreeg deze Guetta paint by numbers niet naar de eerste plek in Nederland. Nee, dan die samenwerking met BloodPop® (dat symbooltje schijnt erbij te moeten). Electro met een heerlijk stuiterende baslijn, geschreven door singer-songwriter Julia Michaels, dit jaar zelf doorgebroken met haar single Issues (no pun intended). Ook Friends werd geen nr. 1 hit, maar het is wel een veel fijnere track dan 2U.

8. Pink – What About Us

Pink mag je met een gerust hart een popveteraan noemen. Haar eerste Nederlandse Top 40 hit scoorde ze in 2000 met There You Go en daarna is het crescendo gegaan met de carrière van Pink. Dat komt doordat ze de touwtjes altijd stevig in handen heeft gehouden: in 2002 rekende ze met Don’t Let Me Get Me radicaal af met haar lieveschoolmeisjesimago en koos ze voor een stoerder uiterlijk. Niet langer slappe arrenbie, maar girl power 2.0. En ziehier: waar Britney Spears (die ervan langs kreeg in Don’t Let Me Get Me) haar dagen slijt in Las Vegas en Christina Aguilera is vergeten, scoorde Pink met What About Us hit nr. 31 in Nederland. Ze doet het anno 2017 rustiger aan en de sound is softer geworden, What About Us is geen heel opvallende power ballad (sowieso haalt niks het bij Try), maar ze haalde er met gemak de eerste plaats mee. Pink is er nog. Alleen daarom al verdient ze onze respect.

7. Camila Cabello ft. Young Thug – Havana

Camila Cabello is de Zayn van Fifth Harmony, de Robbie van Take That, of de Geri van Spice Girls. Kiest u zelf maar. Ze is dat ene lid dat op een strategisch handig moment tegen de andere bandleden zegt: ‘aju paraplu, ik ben weg.’ Ik kan het haar niet kwalijk nemen. Zeker als je met zoiets moois als Havana op de proppen komt. Dat Karla Camila Cabello Estrabao, zoals de zangeres echt heet, is opgegroeid in Havana en Mexico-Stad kan je horen aan deze mooie, sfeervolle compositie; ze zingt niet voor niets ‘half of my heart is in Havana, oh na na’. Havana klinkt, met dat trompetje subtiel in de muziek gemixt, zwoel en sensueel als een Cubaans nachtclublied maar de productie, met die dreunende, lage pianoklanken, is voor de radio van nu. Muziek voor zomeravonden in Cuba en Mexico-Stad; Buena Vista Social Club voor de 21ste eeuw, mét videoclip als telenovela.

6. Ed Sheeran – Galway Girl

Shape Of You was de grootste hit van Ed Sheeran in 2017, maar ik ben eigenwijs en vind de leukste single van de roodharige hobbit (fun fact: hij was ooit roadie bij Nizlopi) Galway Girl. Omdat hij zo aardig was om met een vrij onbekende Noord-Ierse folkgroep samen te werken, omdat ik die reuze sympathieke folkies ooit interviewde toen ze op Folkwoods speelden, omdat Beoga, zoals de groep heet, daardoor nu wereldberoemd is en omdat die groep eerder dit jaar op het Naked Song Festival speelde en niet te beroerd was om daar Minute 5, de melodie waarop Galway Girl is gebaseerd, voor een Ed Sheeranfan in het publiek te spelen, omdat Galway een heel leuke stad is, maar nog het meest omdat Sheeran, tot afgrijzen van z’n platenmaatschappij die folk niet cool achtte, besloot Galway Girl op z’n album Divide te zetten. In mijn universum is iemand die zich niks aantrekt van wat cool en niet cool is pas écht cool.

5. Luis Fonsi ft. Daddy Yankee (& Justin Bieber) – Despacito

Vind ik dit goed? Mwa. Kan ik hier omheen? Nee. Daarvoor is Despacito een té grote monsterhit (dat lijkt een pleonasme). Vijftien weken op nr. 1 in de Top 40. De meest gestreamde track ooit op Spotify. De meest bekeken videoclip op Joetjoep (op moment van schrijven staat de teller op 4.601.166.632 weergaven). Moet ik doorgaan? Despacito is de grootste Enqirue Iglesiashit van 2017 die niet is ingezongen door die Spaanse zanger met z’n gladde vader. Niet dat ik er blij van ben geworden. Omdat Luis Fonsi en Daddy Yankee (die ik voor altijd blijf associëren met de beestachtige reggaetonhit Gasolina) zo’n flauwe, clichématige zomerhit afleveren: liedje maken met een sloom, reggae-achtig ritme, catchy melodietje met rap eroverheen en klaar is Luis. Tegelijkertijd wordt niemand boos van zoveel onbezorgde, zonnige vrolijkheid. De enige vraag waar ik mee zit: waarom moet Justin Bieber zo nodig opduiken in een nieuwe versie van de track?

4. Portugal. The Man – Feel It Still

De meest onverwachte hit van het jaar staat op naam van Portugal. The Man, afkomstig uit Wasilla, Alaska (9.748 inwoners, aldus wikipedia). De groep timmerde al een decennium aan de weg als bandje in de categorie ‘een beetje vreemd, maar wel lekker’, grossierend in licht-psychedelische, verknipte popliedjes die zo maf zijn dat ze met een grote boog om de Billboard Hot 100 heen lopen. Maar wonderen bestaan. Nadat Feel It Still in Amerika in een reclame werd gebruikt kroop de single langzaam naar de bovenste regionen van de Billboard Hot 100. Tegen die tijd werd Nederland ook wakker en haalde Feel It Still zowaar de Top 40. Het stond dit jaar zelfs in de Top 2000 (op nr. 1962). Een groep zo maf als Portugal. The Man in de Nederlandse hitlijsten. Dat stemt hoopvol.

3. Boef – Habiba

Loop het schoolterrein van een gemiddelde VMBO op, vraag de eerste leerling die je ziet om z’n favoriete artiest en de kans is groot dat je namen als Lil’ Kleine, Frenna, Sevn Alias, Jairzinho, Ronnie Flex en Boef als antwoord krijgt. Vooral Boef. 2017 was zijn jaar. De rapper/vlogger (een dubbele baan) dropte dit jaar z’n album Slaaptekort waarna zestien van de twintig tracks in de lijst van meest gestreamde songs van Nederland op Spotify stonden. In het weekend na de release stond het album zelfs wereldwijd op nr. 28 (natuurlijk stond het ook nog – heel ouderwetsch – op nr. 1 in de Album Top 100). Habiba was de grootste hit. Terecht trouwens; slim geproduceerd liedje (mét meme) dat ik na één keer horen niet uit m’n hoofd krijg. Boeit niet dat ik niet weet wat Boef bedoelt als hij ‘habiba, habiba, waarom stress je mij a zina, a zina’ zingt. Boef was in 2017 net zo alomtegenwoordig als een Napapijri-anorak op een middelbare school. Dan verdien je een plek in m’n top-3.

2. Dua Lipa – New Rules

Het viel niet mee met Dua Lipa het afgelopen jaar. Debuut Be The One was één van de sterkste singles van de laatste jaren, maar daarna ging de Britse zangeres zoals zoveel andere acts voor dance met de botte bijl: Hotter Than Hell, Scared To Be Lonely, Blow Your Mind (Mwah). Mwa. Dat was een aardige omschrijving van die tracks. New Rules, net als die andere tracks afkomstig van haar debuut, is een sterke comeback. Een single waarbij je als luisteraar door die tegendraadse maar o zo fijne beat geregeld op het verkeerde been wordt gezet. Met regels (‘you know you’re gonna wake up in his bed in the morning and if you’re under him, you ain’t getting over him’) die Dua Lipa zichzelf én haar (overwegend vrouwelijke) fans voorhoudt; reden dat de single is omschreven als female empowerment anthem. New Rules is de soundtrack die hoort bij het jaar van #metoo. De enige reden dat de track niet op nr. 1 staat in deze lijst, is dat Be The One nóg beter was.

1. Katy Perry ft. Skip Marley – Chained To The Rhythm

Vorig jaar verscheen een zeldzaam interview met Max Martin online. De Svengali van de popmuziek, roemrucht om z’n kluizenaarschap, deed daarin een boekje open over z’n werkwijze. Dat had hij beter niet kunnen doen. Martin is te openhartig over de ins and outs van de hedendaagse pop zodat ik al z’n trucjes, die me nog nooit duidelijk waren opgevallen, niet meer níet kan horen. Het kan niet anders of dat interview heeft ertoe bijgedragen dat de Popmeister dit jaar z’n mojo verloor. Hij scoorde dit jaar voor het eerst sinds 2007 geen enkele Amerikaanse nr. 1 hit, het door hem geproduceerde album Witness van Katy Perry flopte en alleen Chained To The Rhythm haalde de Amerikaanse Top 10. Maar. Wat. Een. Single. Is. Dat. Catchy als alles wat Martin maakt, maar ook met Een Boodschap over Het Leven anno 2017. Het leven waarin iedereen in z’n eigen bubble leeft; chained to the rhythm van dezelfde muziek, meningen of smaak verworden we tot zombies die niet meer weten wat zich in de bubble van de buurman afspeelt: ‘so comfortable we’re livin’ in a bubble, so comfortable we cannot see the trouble’.

Het kan goed zijn dat Chained To The Rhythm het laatste grote wapenfeit van Max Martin is. Maar als ie in 2018 het bijltje erbij neergooit, doet hij dat wel op een hoogtepunt.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Song Top 20 2017