Boskabouter

Voor zolang ik me kan herinneren ben ik gefascineerd geweest door landkaarten. Ik heb als kind uren met m’n neus in de atlas doorgebracht, wegdromend over verre oorden als Australië of Nieuw-Zeeland. De wereld bleek veel groter dan de stad waarin ik opgroeide, en die wereld kon ik rustig thuis op de bank bekijken; de grote boze buitenwereld hoefde ik er niet voor in.

Ik stond dan ook te watertanden toen ik m’n aardrijkskundedocent door een Boskabouter, een miniatuuruitgave van de Bosatlas, zag bladeren. ‘De kleinste Bosatlas’ stond er ter verduidelijking als ondertitel bij. Een jaloersmakend ding dat ik dolgraag wilde hebben. Ik snelde naar de boekwinkel, maar er was niet aan te komen. De Boskabouter was een relatiegeschenk.

Ik had als kind nogal een hoge stem. Dat heb ik nog lang gehad, tot halverwege m’n tienerjaren. Ik zat daar nooit zo mee, omdat m’n moeder me geruststelde dat jongens met een hoge stem later een diepe bas zouden krijgen. Die belofte is niet helemaal uitgekomen, ik heb geen stem als een bronstige stier, maar het kan er tegenwoordig mee door.

M’n vader werkte als adjunct-directeur op een basisschool. We hebben het hier over de vroege jaren negentig en mobieltjes waren nog geen gemeengoed. Dus als een leverancier buiten schooltijd een vraag had over een bestelling, belde hij de vaste lijn bij ons thuis. Ik nam vaak de telefoon aan, wat voor verwarring zorgde. Dan kreeg ik iemand aan de lijn die dacht dat ie één van m’n zussen sprak, of vroeg: ‘Is uw man ook thuis?’ Ik liet dit gelaten over me heen komen, of merkte weinig subtiel op ‘dat ik m’n vader wel ging halen.’

Toen de leverancier van de schoolboekhandel een keer belde was ik het zat. Daar gingen we weer: ‘Is uw man thuis?’
‘Ja,’ verzuchtte ik ditmaal geïrriteerd, ‘ik ga ‘m wel halen. En u spreekt trouwens met de zoon hoor.’
Ik heb de hoorn neergelegd en m’n vader geroepen, het voorval snel vergetend.

Een paar dagen later sprak de leverancier m’n vader op school.
‘Ik voel me een beetje schuldig over wat er is gebeurd,’ zei hij tegen m’n vader, ‘kan ik het goedmaken met je zoon?’
‘Nou,’ zei m’n vader, ‘ik weet wel iets waar je ‘m heel blij mee kunt maken.’

Een paar weken later had m’n vader een exemplaar van de Boskabouter voor me. En hoewel de landsgrenzen inmiddels meerdere malen zijn verschoven, staat het ding nog altijd te pronken in m’n boekenkast.

‘Goedgemaakt?,’ vroeg de leverancier later.
‘Helemaal goedgemaakt,’ stelde m’n vader ‘m gerust.

Posted in Aardrijkskunde | Tagged , | 3 Comments

Landerig

Ik lag bij m’n ouders in de tuin achterover in een stoel en droomde weg. De najaarszon scheen in m’n gezicht. Het was de herfst van 2018 en ik zat al maanden op een high. Er leek geen einde aan de zomer te komen, ik had een mooie vakantie achter de rug, had niet één maar drie fijne banen en was voor het eerst in jaren weer verliefd geworden (dat het met die liefde niks was geworden boeide me niet eens. Voor je het weet heb je een relatie). Ik had zelfs de moed gevonden om, op m’n 37ste, skateboardlessen te nemen. Niet dat ik ook maar enig talent had, maar ondanks een ronduit slecht verlopen proefles was ik geobsedeerd geraakt door die plank met vier wieltjes. Hooked. Ik neem het leven vaak zwaarder dan strikt noodzakelijk, nu stonden de sterren eindelijk goed.

Kurt Vile en ik gaan terug sinds het album Smoke Ring for My Halo. Die plaat was aanvankelijk langs me heengegaan, maar toen ik voor KindaMuzik wat eindejaarsinterviews verzorgde, noemde menig artiest dat album van Vile als beste plaat van 2011. Met name de productie werd geroemd. Dat album was mooi, maar het album dat erna kwam, Wakin on a Pretty Daze, was nog beter. Een rijkgevulde snoepdoos met pakkende liedjes, waarbij een heerlijk rockertje als Snowflakes Are Dancing (‘Discman is pumping’) achteloos stond weggestopt op het tweede deel van de plaat. Live viel Vile tegen, en de plaat erna (b’lieve i’m goin’ down…) deed me minder, maar je zet een muzikant niet bij het grof vuil na één minder album. Trouwens, die meest recente samenwerking met Courtney Barnett was weer heel prima.

Ik hoorde Loading Zones, de eerste, vooruitgesnelde single van het nieuwe album Bottle It In. Een vrolijk rockertje, bijna net zo fijn als Snowflakes Are Dancing. Het klonk net zo onbezorgd en laidback als ik me voelde. Vile zingt daarin hoe hij ‘all from zone to loading zone of my town’ rijdt en telkens net kort genoeg parkeert om een parkeerbon te voorkomen (‘I park for free!’). En dan die videoclip, waarin Vile in een Amerikaanse bak door z’n thuisstad crosst. Hij draagt een t-shirt met een print van de Highwaymen. Ik ben zeven jaar geleden in Philadelphia geweest, maar dat is een andere stad dan het geromantiseerde Philly uit de clip van Loading Zones. Die ademt in alles de lome, landerige sfeer van een relaxte najaarsdag (wat vreemd is, want de clip is half augustus gepresenteerd). Zo’n zomerse dag die, in de wetenschap dat een lange koude winter voor de deur staat, als een cadeautje voelt. Tegen het einde van de clip speelt Vile onder een viaduct een gitaarsolo. Op de achtergrond rijdt een skater z’n rondjes.

Op deze zonnige zondagmiddag in oktober doezelde ik langzaam weg. Bottle It In draaide on repeat op m’n iPod. Ik voelde me rozig. Met m’n ogen dicht en een glimlach op m’n gezicht speelde ik luchtgitaar. Intussen rolde ik met m’n rechtervoet langzaam m’n nieuw aangeschafte skateboard onder de tuinstoel heen en weer. Nee, nu viel ik nog om als ik naar m’n skateboard keek. Maar ooit, als de sterren goed zouden blijven staan, zou ik die skatebowl masteren.

Posted in Muziek | Tagged , | Comments Off on Landerig

Fietstreinen

Het kan niet anders of de NS heeft een bloedhekel aan passagiers die hun fiets in de trein meenemen. Zoals ik. Ik weet het, op zowat ieder groot station staan tegenwoordig honderden OV-fietsen (als ze niet in de fietsenkelder van de Belastingdienst staan, that is), maar m’n oude vertrouwde hybride (en daarmee bedoel ik niet zo’n ouwelullenfiets met trapondersteuning, door Claudia de Breij ooit treffend omschreven als anitawitziersolex) rijdt toch het beste. Fijn lichtgewicht carbongevalletje dat ik ooit kocht van het prijzengeld van Met het Mes op Tafel, makkelijk mee te nemen in de trein. Ding rijdt nog altijd prima, ook al is alleen het frame nog origineel.

Dat de NS het niet zo heeft op treinfietsers, of fietstreiners, daar kwam ik afgelopen week weer achter. Ik had, om m’n vakantie een beetje gezellig door te komen, wat goedkope treinkaartjes bij het Kruidvat gekocht. Om de hittegolf voor te zijn wilde ik een dagje naar zee: de trein naar Vlissingen nemen en dan door de duinen naar Domburg fietsen voor een frisse duik. De fiets mee in de trein mag pas na 9.00 uur, met als gevolg dat iedereen die z’n fiets mee in de trein wil nemen wacht tot na 9.00 uur en dan massaal de trein pakt.

Er was een tijd dat je in de zomermaanden heel de dag door de fiets mee in de trein mocht nemen, net zoals er een tijd was (nu voel ik me echt opa) dat de NS zelfs een speciale wagon voor fietsen had. Het zijn lang vervlogen tijden. Tegenwoordig mag je van geluk spreken als een trein twee balkons heeft waar je je brik kwijt kan. Is er geen plek? Pech gehad, volgende trein beter.

De fiets mee in de trein ging goed tot Tilburg, waar ik moest overstappen. Op het balkon van de trein naar Roosendaal stonden al twee fietsen, die van mij erbij maakte drie. Dat paste net. Maar toen kwamen er nog twee fietsen bij: van die zware gevallen ‘met trapondersteuning’ (en fietstassen, daar kom ik later nog op). De dames in kwestie, al van een zekere leeftijd, zetten die fietsen er gewoon bij.

‘Dat gaan ze nooit goed vinden,’ mompelde ik.
‘Nouja, dat zal wel goed komen,’ zei eentje joviaal.
Ik wilde net antwoorden dat ik daar anders over dacht toen twee conducteurs instapten. In niet mis te verstane woorden werden de dames van het balkon gebonjourd: ‘Ownee, dat dacht ik toch niet. Eruit jullie. Zet jullie fietsen maar verderop in de trein.’
Uiteindelijk gingen één van oudere dames én een wielrenster die al in de trein zat naar het andere balkon van de trein. De trein vertrok met lichte vertraging, wat me zorgen baarde. De overstaptijd in Roosendaal voor de trein naar Vlissingen is drie minuten.

De trein arriveerde op tijd in Roosendaal. Terwijl de trein naar Vlissingen aan het andere kant van het perron staat, moet je nog ettelijke honderden meters teruglopen. Met zo weinig overstaptijd is dat altijd haasten. Dat is het al jaren, maar om de een of andere reden is het de NS nog niet gelukt daar enkele minuten overstaptijd aan toe te voegen.

Om de trein te halen, fietste ik een klein stukje over het perron. Dag mag niet, en dat weet ik, maar nood breekt wet.
‘Wilt u de volgende keer wel lopen,’ riep de conducteur van de trein naar me.
‘Als jullie voortaan wat meer overstaptijd uittrekken wel,’ mompelde ik knarsetandend.

Op het balkon van de trein trof ik een oudere man met een fiets.
‘Waar gaat u heen?,’ vroeg ik.
‘Bergen op Zoom,’ antwoordde hij.
‘Dan zet ik m’n fiets achter die van u, want ik moet tot Vlissingen,’ zei ik.

Ik had de fiets net geplaatst toen de twee oudere dames er ook bij kwamen. Ik had al opgevangen dat zij er in Middelburg uit moesten, dus ik raadde ze, nadat ik ze de trein in had geholpen, aan ook hun fietsen achter die van de man te zetten. Daardoor was het balkon weer overvol.

‘Dat staat wel goed,’ zei een van de dames.
‘Dat denk ik niet,’ antwoordde ik.
‘Ze kunnen toch niet omvallen?,’ zei ze.
‘Nee, dat niet, maar er staan er te veel naast elkaar,’ zei ik.
‘Daar kan nog best iemand langs hoor,’ vond de dame.
Ik voelde de bui al hangen.

De trein reed verder, en ik stond op het balkon met de man te praten over z’n plannen in Bergen op Zoom. Ik vertelde over m’n fietstochtje op Walcheren. De dames zaten op de stoelen rustig met elkaar te keuvelen, waarbij ik ernstig de indruk kreeg dat één van de twee met me zat te flirten. Dat was me een paar weken terug ook al overkomen, toen ik op een terugreis in de trein van Den Bosch op een groep oudere dames stuitte die naar Toppers in Concert waren geweest. Eentje zat me verlekkerd aan te kijken. Ik snap dat ik woest aantrekkelijk ben, toch vraag ik me op zo’n moment af waar ik het aan heb verdiend.

De conducteurs kwamen langs.
‘Dit kan niet,’ zei eentje resoluut, ‘van wie zijn die fietsen met fietstassen?’
‘Van ons,’ zei één van de dames nietsvermoedend.
‘Die moeten eraf,’ zei de conducteur.
‘Hoezo moeten die eraf?,’ zei de vrouw verbaasd.
Ik keek naar de richtlijnen die op een wand van het balkon stonden. Daar stond, voor zover ik het al niet wist, inderdaad dat reizigers hun fietstassen van de fietsen moeten halen.
‘Dat staat in de regels mevrouw,’ zei de conducteur.
‘Maar ik weet niet hoe die eraf moeten,’ antwoordde de vrouw.
Ik keek naar de fietstassen. Die waren er makkelijk af te halen, maar ik ging dat niet aanbieden. Voor ik het wist kon ik ze er in Middelburg ook weer opzetten.
‘Toch moeten ze eraf,’ hield de conducteur vol.
‘Maar. Hoe. Dan,’ herhaalde de vrouw, nu lichtelijk geïrriteerd.
De conducteur verzuchtte nog eens dat het niet volgens de regels was en wees op de voorschriften op de wand. ‘Voor nu zie ik het door de vingers, maar als er in Bergen op Zoom nog een fiets bij komt dan kom ik terug,’ zei hij omineus.
De man die in Bergen op Zoom zou uitstappen sloeg het tafereel gade. ‘Daar stapt niemand in,’ zei hij rustig.

Waar die man de wijsheid vandaan haalde weet ik niet, maar er stapte inderdaad niemand met een fiets in Bergen op Zoom in. Wel een jonge vrouw met een kinderwagen. Ik zocht, veiligheidshalve, een plek elders in de treinwagon. In Middelburg hielp ik de dames met het uitstappen met hun fietsen. Zo’n anitawitziersolex is loeizwaar. In Vlissingen hielp ik de vrouw met de kinderwagen en stapte ik zelf uit.

Over de terugreis zal ik het niet hebben. Dat was een aaneenschakeling van uitgevallen treinen en een passagier die aan de noodrem trok nadat haar zoontje per ongeluk op het perron stond terwijl ze zelf nog moest uitstappen. Later in de week had ik, op andere reizen, te maken met een stroomstoring en een station dat ontruimd moest worden.

Ik heb nog twee treinkaartjes van het Kruidvat over en heb reisjes naar Rotterdam en Groningen gepland staan. Ik neem m’n fiets voorlopig niet mee in de trein, wel m’n skateboard.

Hopelijk heeft de NS daar minder moeite mee.

Posted in Reizen | Tagged , , , | 3 Comments

In Stapelbäddsparken

Stapelbäddsparken, met op de achtergrond m’n hotel.

Net zoals ik vroeger voor bezoek aan een stad eerst checkte of er een leuke platenzaak zat, zo kijk ik tegenwoordig eerst even of een stad een gaaf skatepark (of skatewinkel) heeft. Niet dat ik met m’n skateboard op m’n rug heel Nederland door cross, maar als je toch op vakantie gaat naar Malmö, en je een hotel hebt dat uitkijkt op een ontzettend gaaf skatepark, tja, dan ben je wel gek als je níet je board meeneemt.

Het hield wel in dat ik moest uitzoeken of de pitstop onderweg (ik reed met m’n ouders mee en ze wilden op de heenweg overnachten in Hamburg) ook een leuk skatepark bezat. Elke dag oefenen is elke dag oefenen.

Hamburg heeft inderdaad een indoor skatepark, maar doordat de Duitse Autobahn tegenwoordig een aaneenschakeling van wegwerkzaamheden is kwam ik pas tegen 21.00 uur aan bij dat park. Waar ik ook nog eens niet bleek te kunnen pinnen (in Zweden en Denemarken pin je eigenlijk alleen nog maar, maar Duitsers zweren bij cash, zeker in zo’n shabby toko als een skatehal), waardoor m’n sessie nog meer vertraging opliep.

Of het door mijn neiging kwam om met een betaalpas te willen betalen weet ik niet, maar de medewerkers namen voetstoots aan dat ik Amerikaans ben. Dat vond ik niet zo’n probleem. Beter voor een crappy Amerikaanse skateboarder te worden aangezien dan voor een crappy Nederlandse skateboarder, zo redeneerde ik. Ik heb toch iets van nationale trots.

Die skatehal bleek een stuk kleiner dan Area 51. Daarnaast was de indeling onhandig, dus ‘lijnen’ rijden zoals ik gewend ben was daar eigenlijk onmogelijk. Er was een grote halfpipe waarvan het me niet duidelijk was of die open was. Er was ook een kleine halfpipe, maar die bleek bezet. Toen die uiteindelijk toch vrij was duurde het even voor ik op gang kwam. De man die de halfpipe voor me had gebruikt kwam kijken en bood aan te helpen: ‘Zusammen? Together?’ Ik bedankte vriendelijk. Dat was me de eer te na. Pompen in een halfpipe kan ik (heel goed zelfs), maar ik moet wel even warm worden. Dat bleek; even later kwam hij kijken en zag hij dat het goed was.

Nee, dan het skatepark van Malmö. Het heet Stapelbäddsparken (goede naam) en blijkt wereldberoemd te zijn. Dat wist ik niet, ook niet de vorige keer dat ik in Malmö was geweest. Ik heb dat hele skatepark toen zelfs gemist, en dat terwijl ik de wijk waarin het ligt, Västra Hamnen, wel degelijk had bezocht. Nee, het enige skategerelateerde dat ik toen ben tegengekomen was een groep jongeren op het busstation, waarvan eentje een gebroken deck droeg. Goh, dacht ik, die dingen kunnen dus stuk?

Dit jaar had ik voor m’n bezoek aan Malmö naar een leuk hotel gezocht en was ik stomtoevallig op een hotel gestuit dat uitkeek op een gigantisch skatepark. Het was meteen duidelijk waar ik deze week ging slapen – en skaten.

Op de zaterdag van aankomst was in het skatepark een feestje gaande. Organisatie was in handen van Bryggeriet, de plaatselijke skateschool. Uit de speakers schalde hiphopmuziek. Het was te druk om me nu hier te vertonen. Ik vind buiten skateboarden ongemakkelijk; niet alleen vanwege m’n leeftijd, maar ik voel me ook snel geïntimideerd door andere – veel betere – skateboarders. En dan is er nog dat beton waar ik nog nooit op had gereden.

‘s Avonds ging ik terug. Ik reed een stukje over het grote plein dat achter het skatepark ligt. Dat beton bleek supersmooth te rijden. Nouja, als er geen kiezeltjes liggen. Tot twee keer toe blokkeerde m’n board en werd ik bijna gelanceerd vanwege zo’n stom pokkesteentje: te harde wieltjes, die meer geschikt zijn voor skaten op hout. Het gevolg was dat ik de rest van de week lichtelijk neurotisch het park checkte op kiezeltjes die me een retourtje Universitetssjukhus Malmö op zouden leveren.

De tweede dag ging beter. Ik probeerde wat ramps, reed van heuveltjes af en ging verder het skatepark in. Het viel me op hoe razend slim dat is opgebouwd: alles loopt op of af, zo genereer je makkelijk snelheid. Het beton was eerst nog best eng; het leek me harder te vallen dan hout, al wilde ik dat niet uitproberen. ‘Als je door je knieën gaat, kan er niks gebeuren,’ zeggen de instructeurs in Eindhoven altijd, al vermoed ik dat ze dat sinds mijn komst hebben veranderd in ‘als je door je knieën gaat, kan er bíjna niks gebeuren.’ Ik knoopte dat in m’n oren; als je bang bent te vallen raak je verkrampt en durf je niks meer.

Actiefoto. Om 8.15 uur ‘s morgens. Ja, dat is veel te vroeg.

De avond erop zaten op de rand van het park vier jochies. Ze riepen naar een volwassen man die met z’n skateboard een ollie probeerde te maken en gooiden kiezeltjes naar ‘m. Hij trok zich er niks van aan.

De man riep iets naar me in het Zweeds.
‘Sorry, I’m not Swedish,’ zei ik. In Malmö zijn ze niet zo aan toeristen gewend.
Hij verontschuldigde zich en vroeg waar ik vandaan kwam.
‘Eindhoven? I was there last year for a music festival. Woo-Hah,’ vertelde hij.
Ha, zei ik, dan ben je op je reis van Eindhoven Airport naar de stad langs het gaafste skatepark van Nederland gereden.

Hij bleek Anton te heten en pas naar de buurt te zijn verhuisd. Hij had het skatepark gezien en herinnerde zich ooit een board van een vriend cadeau te hebben gekregen dus hij besloot te leren skateboarden. Ik keek bedenkelijk naar dat board dat me, hij was ongeveer even lang als ik, veel te klein leek. Ik vertelde dat ik vorig jaar was begonnen en zei lachend hoe oud ik ben. Hij schrok toen hij m’n leeftijd hoorde. Of dat was omdat hij het een hoge leeftijd vond om nog te leren skateboarden of omdat ik er zo goed uitzie voor m’n leeftijd heb ik maar niet gevraagd. Ik vermoed het laatste.

Ik stelde voor dat hij verderop in het skatepark de halfpipe kon proberen. Nouja, het is het diepste punt in het park; met een beetje fantasie kan je er een halfpipe in zien. Niet heel moeilijk, maar het geeft een kick als je het kunt. Het zou ‘m een beter gevoel geven dan die mislukte ollies. We stonden nog geen vijf minuten te oefenen toen een andere jonge man erbij kwam. Hij riep iets in het Zweeds en uit de reactie van Anton kon ik opmaken dat hij duidelijk maakte dat ik niet Zweeds ben. Hij stelde zich voor als Marko, had ooit geskateboard en wilde ons wel lesgeven.

‘What’s your name?,’ vroeg hij kordaat. ‘Guido? Kiedo? Really? Wow, that’s a fucking cool name, Kiedo.’
Ik heb met name in Amerika veel lol met m’n naam, maar ‘fucking cool’ wil ik m’n naam niet noemen. Maar al snel bleek dat Marko in elke zin minstens twee keer het woord ‘fucking’ nodig had om z’n boodschap kracht bij te zetten.

Marko wist nog wel een trucje dat we konden doen. Van het bultje af en dan tegen de wand omhoog, achteruitrijden en dan het bultje op. Dan moest ik van m’n board en Anton erop springen. Ik had een paar weken eerder een jochie iets soortgelijks zien doen in de skatehal en het zag er enorm stoer uit. Het leek me moeilijk, maar ook m’n medeskateboarders wilden zich er niet aan wagen.

Ik legde uit dat het trucje voor mij nog iets te hoog gegrepen was. Marko reageerde teleurgesteld.
‘I want to try it, but I’m a bit scared,’ bekende ik en ik deed voor hoe ik vlak voor de wand waar ik in wilde rijden blokkeerde en m’n board afremde.
Hij zuchtte.
‘But you need to break those fucking barriers. Because if you break those barriers, it will help you break barriers in your life as well,’ zei hij.
‘That’s true,’ erkende ik.

Nu richtte hij zich tot Anton: ‘If I can give you some advice, get rid of that fucking crappy board.’
Anton keek wat beteuterd naar z’n board. Ik liet ‘m even op mijn board rijden. Dat beviel ‘m wel. Marko keek naar m’n board.
‘That’s a fucking good board,’ zei hij.

Duh, dacht ik.

Marko ging weg en ook Anton nam afscheid. Ik heb hem later die week niet meer gezien. Misschien voelde ie zich wat beschaamd met z’n fucking crappy board.

Later in de week bleef ik rampjes oefenen en ook de halfpipe in het park kreeg ik snel onder de knie. Wel wachtte ik altijd tot het rustig was. Op de laatste avond vroeg ik m’n vader om een actiefoto te maken, maar net toen hing het in het park met de benen buiten. Geen nood, vond hij, dan zouden we foto’s op vrijdagochtend maken, als hij me toch moest oppikken voor de terugreis.

Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ik moet even opwarmen, zeker als ik net wakker ben en m’n spieren nog stijf en stram zijn. Ik ben ook al 38.

De volgende ochtend stond ik om 7.00 uur weer in de halfpipe. Ik oefende een half uurtje, wat voor geen meter ging, ontbeet in het eettentje op de hoek van de straat waar ik een praatje maakte met een buurtbewoner, en ging vervolgens weer verder met oefenen. Toen m’n vader rond 8.15 uur de halfpipe in kwam lopen was ik zowaar opgewarmd, maar zo hoog als ik eerder in de week in de halfpipe was gekomen kwam ik niet meer. Jammer, al maakt de blauwe lucht op de achtergrond veel goed. En ik kon terug in Eindhoven trots een coole actiefoto aan de andere skaters laten zien.

Inmiddels ben ik ruim twee weken terug uit Malmö. Dat ene trucje, waarbij ik van het rampje af in de wand rij, oefen ik sinds een week; hout valt minder hard dan beton. Althans, dat denk ik. Moeilijk is het niet, het is meer een kwestie van durven. Ik heb zelfs al bijna de rand van de skatebowl gehaald.

You need to break those fucking barriers.

Posted in Reizen, Skateboarden, Uncategorized | Tagged , , , , | Comments Off on In Stapelbäddsparken

Vooruitgang

Eerste foto met m’n nieuwe telefoon.

Vooruitgang gaat met horten en stoten.

Ik wil niet zeggen dat ik in een sociaal isolement terecht was gekomen, maar dan toch zeker een socialemedia-isolement: zo’n beetje de halve wereld zat op Instagram, streaming audio kende ik vrijwel alleen van naam want ik had enkel een gratis Spotify-account (voor muziek viel ik terug op m’n oude vertrouwde iPod Classic) en als iemand me een Tikkie wilde sturen, stelde ik voor het rekeningnummer te mailen of appen, dan zou ik het bedrag overschrijven.

Het was dus hoog tijd om m’n Samsung Galaxy S2 naar het museum te sturen en een nieuwe smartphone te kopen. Dat was het al langer, maar tussen droom en daad staan praktische bezwaren, zoals een weinig coöperatief banksaldo.

Omdat de wereld van smartphones voor mij terra incognita is, een wereld die me bovendien niet eens zo boeit, informeerde ik bij een kenner. Ik moest de OnePlus 6T hebben, zo vertrouwde deze informant me toe. Top of the bill, betaalbaar en, bijkomend voordeel, andere smartphonegebruikers zouden aan de telefoon meteen zien dat ik een kenner was. Dat laatste leek me twijfelachtig.

Een week voordat ik quizvragen verloond zou krijgen en ik eindelijk m’n nieuwe telefoon kon kopen, stond ik bij de ingang van de skatehal met m’n iPod te klooien.
‘Wacht, even dit ding uit zetten,’ zei ik tegen de jongen achter de balie terwijl hij m’n toegangspasje wilde checken.
‘Wow, een iPod,’ zei hij verrukt.
‘Ja,’ verzuchtte ik, ‘nog een week en dan stap ik over op Spotify.’
‘Oh, mag ik ‘m dan van je overnemen?,’ vroeg hij.

Gut, dacht ik, daar had ik helemaal niet aan gedacht. Dat iemand dat ding nog zou willen hebben. De jeugd doet tegenwoordig toch alleen nog maar aan streaming? Tegelijkertijd zag ik geen bezwaar. Er zat alleen maar sentimentele waarde aan. Kom op Guido, een beetje streng voor jezelf zijn. Als je ‘m niet weggeeft, ligt ie toch maar onder te stoffen op de rommelkamer, voorheen de logeerkamer.

Vorige week woensdag was het zover. Ik kon niet langer wachten, wilde dat ding niet online bestellen en liep dus een winkel binnen, waar zich het volgende gesprek ontspon:
‘Waarmee kan ik u helpen?’
‘Ik zoek de OnePlus 6T.’
‘Dat is deze hier.’
‘Doe die maar. In het zwart en met 256 GB.’
‘Wilt u ‘m niet uitproberen?’
‘Nee, dat geloof ik wel. Kan ik eindelijk m’n Samsung Galaxy S2 uit het raam gooien.’
‘Dat die het nog doet.’
‘Ja, daar ben ik zelf ook verbaasd over.’

Vijf minuten later stond ik weer buiten.

Thuis pakte ik m’n telefoon uit. Alleen het uit de verpakking halen was al een belevenis. Volgens de bijgevoegde documenten maakte ik nu deel uit van een ‘community’. Daar zou ik mee uitkijken, dacht ik, Groucho Marx’ befaamde uitspraak (en mijn credo) ‘I don’t want to belong to any club that will accept people like me as a member’ indachtig.

Het zag er allemaal sjiekdefriemel uit, al was het even puzzelen hoe ik de simkaart in het apparaat kreeg. Niet gek, na het checken van een tutorial op YouTube (ik ben zo’n millennial) bleek dat ding veel te groot te zijn. Een nieuwe kaart aanvragen kostte twee dagen, want het was niet in me opgekomen om de volgende dag een nieuwe simkaart in de KPN-winkel op te halen. M’n geduld werd danig op de proef gesteld.

Een dag later trof ik de jongen die de iPod van me over wilde nemen in de skatehal.
‘Wil je de muziek er ook bij hebben?,’ vroeg ik.
‘Wat jij wil,’ antwoordde hij.
‘Er zijn quizzers die een moord doen voor wat hier op staat,’ lachte ik, terwijl ik het ding omhoog hield. ‘Die snappen niet hoe ik elk jaar de Popquiz Marathon win.’

Het leek me niet dat hij heel erg geïnteresseerd zou zijn in de muziek op m’n iPod. De enige echt hedendaagse muziek die er op staat is de Best of 2018 compilatie van Hitzone. Wel vormde het de aanleiding voor een bijzonder geanimeerd gesprek over popmuziek, hiphop en Afrobeat, zodat ik nog heel snel naar huis moest fietsen om niet het begin van de halve finale van het Songfestival te missen.

Afgelopen weekend zette ik de nieuwe simkaart in de telefoon en werd ik ineens heel ver de 21ste eeuw ingekatapulteerd. Bye bye Samsung Galaxy S2, hallo veel te hippe telefoon waar ik waarschijnlijk geen snars van snap.

Dat laatste bleek reuze mee te vallen. Die dingen zijn zo intuïtief gemaakt dat je geen moment vastloopt. Ik maakte een account aan voor Instagram en downloadde de Twitterapp. Er zit een uitstekende camera in, dus Insta gaat wel een dingetje worden (nee, geen selfies). Daarna ging ik skateboardfilmpjes bingewatchen op Joetjoep, waarbij de accu amper leeg bleek te lopen. En toen ie écht bijna leeg was, had ik ‘m binnen een uur weer opgeladen. Bizar.

Leuk allemaal, maar sinds ik m’n Spotify Premium-account heb geactiveerd, ben ik pas helemaal in het walhalla terechtgekomen. Er is een wereld voor me opengegaan. Heel Veel Muziek. Onbeperkt. Het voelt een beetje als Napster twintig jaar eerder, maar legaal – en tegen betaling, dat dan wel. Alles is on demand, dus niet eindeloos staren naar groene, gele en rode stipjes, op zoek naar de optimale downloadsnelheid. Daarbij, het werkt lekker smooth. Als ik op m’n telefoon luister en Spotify op m’n laptop open, geeft ie netjes aan dat ik op een ander apparaat aan het luisteren ben. Playlistjes maken is een feest. Eindelijk al die liedjes luisteren die moeilijk op cd verkrijgbaar zijn, of snel de hits checken waar in de pubquiz naar wordt gevraagd. Die investering van negen euro in de maand verdien ik makkelijk terug, want waarom zou ik nog cd’s kopen?

‘Nu nog een bluetoothspeaker,’ zei m’n vader enthousiast.
‘Rustig aan he,’ zei ik, want dat moet wel een bluetoothspeaker zijn mét aansluiting voor m’n platenspeler. Het moet toch een beetje retro blijven.

M’n iPod Classic (met muziek, want ik was te lam om die eraf te gooien) heeft afgelopen week een tweede huis gekregen. Daar gingen nog keiharde onderhandelingen aan vooraf, want de knul in de skatehal wilde me zelfs iets geven voor dat ding. Ik wees ‘m er op dat de plug ieder jaar moet worden vervangen, iets dat ‘m al zo’n vijftig euro zou kosten, en dat het aansluiten op de laptop ook een speciale werkwijze behoeft. Toch, hij wilde per se iets terug doen voor die iPod. Bier drink ik niet, dus hij mocht ‘m hebben voor een t-shirt (waarmee ik m’n street cred weer een boost geef).

Eerst voelde ik een knoop in m’n maag toen ik na de overdracht wegfietste. Wat had ik gedaan?! Ik had m’n oude, dierbare iPod weggegeven. M’n steun en toeverlaat in bange dagen, die me vergezelde op reizen naar New York, IJsland en Hawaï en boordevol stond met steengoede muziek (en vooruit, ook de nodige bagger).

Toen keek ik op Spotify naar de enorme stortvloed aan muziek waar ik nu toegang tot had. Pet Shop Boys, Jane Wiedlin, Deftones, Opgezwolle, Lupe Fiasco, Brockhampton, blink-182, The Chills, Kodaline, Taylor Swift, Ben Howard, Damien Jurado, zelfs die oude Ome Neil Young: alles staat er op. Nouja, niet alles. Niggas in Paris van Kanye West en Jay-Z niet, zo bleek toen ik een hiphopplaylist (nog meer street cred) wilde samenstellen. Daar valt mee te leven.

Vooruitgang gaat met horten en stoten. En doet soms een beetje pijn. Wat moet ik nu met die 1500 cd’s op de rommelkamer?

Posted in Muziek | Tagged , , | 2 Comments

Tien keer Songfestival 2019

Begin vorige maand ging ik naar Eurovision in Concert. Dat was voor mij de tweede keer en net als het jaar ervoor een bijzonder leuke ervaring. Het format is simpel: zo’n tweederde van de deelnemende acts voert tijdens deze avond alvast hun kunstje op. Zonder show of act eromheen, dus volledig opsmukvrij. Van sommige acts zie je al meteen dat het land dat ze vertegenwoordigen écht niet wil winnen (standaard het meest venijnige commentaar), andere landen maken meer indruk. En dan zijn er nog goede deelnemers die verstek laten gaan. Ik heb de afgelopen maanden menig inzending, al dan niet live, gehoord. De tien liedjes die ik hier uitlicht zijn kanshebbers, of zijn om andere redenen opvallend. Al is dat soms niet meer dan het feit dat het van een buurland is.

Duncan Laurence mensen. Hij gaat het doen.

België (Eliot – Wake Up)

België had twee jaar geleden goud in handen. City Lights was een geweldige electropophit die niet zou misstaan in een hipsterhitlijst. Helaas bleek zangeres Blanche zo stijf van de zenuwen te staan dat ze tijdens haar optreden drie minuten lang als een bang konijntje starend in de koplampen op het podium stond. Toch: vierde plek.

Eliot, de Belgische inzending van dit jaar is net als Blanche afkomstig uit Wallonië. Waar het met de Vlamingen de afgelopen jaren hit (Laura Tesoro) or miss (eigenlijk alle andere inzendingen) was, hebben de Walen het goed begrepen. De songschrijver van City Lights, Pierre Dumoulin, mocht de nieuwste bijdrage schrijven. Opnieuw is het een electrotrack, maar een stuk ingetogener dan die killertrack van twee jaar geleden. Dat is dan ook het grootste euvel. Wake Up is een mooie, stemmige track, met een boodschap over het klimaat. Ik ben een sucker voor dit soort electropop, maar twijfel of dit potten gaat breken. Electropop is zo 2010.

Italië (Mahmood – Soldi)

Hij ontbrak tijdens Eurovision in Concert en pas toen ik later het clipje bij Soldi zag begreep ik wat we daar gemist hebben. Natuurlijk, Duncan Laurence móet winnen, maar mag Italië dan tweede worden? Soldi is zo’n geweldige track, een song die ook buiten het Songfestival pal overeind blijft. Een mix tussen pop, hiphop en trap, in het Italiaans, met ook wat Arabisch tussendoor (Mahmood heeft deels Egyptische wortels). Soldi gaat over een moeilijke jeugd: gebroken gezinnen, een moeder die niet kan rondkomen en een vader die alles bij elkaar liegt voor geld. Die boodschap haal ik uit de vertaling, maar de woede waarmee Mahmood z’n gal spuwt spreekt ook boekdelen. Het is weer eens wat anders dan het zoveelste songfestivalniemendalletje. Mahmood. Onthou die naam.

Nederland (Duncan Laurence – Arcade)

Zou het dan eindelijk? Pays-Bas: douze points? Ahoy 2020?

Het kan snel gaan. Een half jaar geleden had nog maar een handjevol mensen gehoord van Duncan Laurence. Ondergetekende incluis: ‘Duncan wie?,’ was mijn eerste reactie bij het horen van de naam. Toegegeven, daar zat enige scepsis bij. Artiesten als Anouk, Ilse DeLange en Douwe Bob zijn amper bekend over de landsgrenzen, het zijn wel podiumbeesten die hun hand niet omdraaien voor een goed optreden. Dat moest deze Duncan nog maar bewijzen.

De eerste positieve verrassing was de song. Arcade bleek een mooi, klein gehouden en eigentijds liedje te zijn dat de drie minuten goed benut en nergens gehaast klinkt. De tweede positieve verrassing was dat het liedje niet speciaal voor het Songfestival is geschreven, maar gewoon, een goed liedje, dat het ook goed op de hedendaagse radio zou kunnen doen. De derde positieve verrassing kwam tijdens Eurovision in Concert waar Duncan Laurence bewees Arcade ook live perfect uit te kunnen voeren. Aan het oorverdovende applaus voor Laurence tijdens die avond leek het alsof de Messias zelve was neergedaald. Mag het een keertje? Voor het eerst in decennia doen ‘we’ mee voor de eindoverwinning.

Noorwegen (KEiiNO – Spirit In The Sky)

Zweden heeft Melodifestivalen, een nationaal songfestival waar alle Europese landen vanwege de steevast geweldige inzendingen stikjaloers naar kijken. Sinds jaar en dag is één van de deelnemers de Lapse zanger Jon Henrik Fjällgren. Winnen doet ie niet, wel komt ie al jaren heel dichtbij (z’n inzending in 2017, En värld full av strider, was écht heel goed). Noorwegen heeft goed naar de prestaties van Fjällgren gekeken en vaardigt dit jaar een gelegenheidssupertrio af, met daarin joik-zanger/rapper Fred Buljo. Spirit In The Sky is eurohouse die met z’n etnische invloeden wat doet denken aan Power of American Natives van Dance 2 Trance. Misschien is het door dancemangel halen van die mooie Lapse muziek keiharde heiligschennis, maar toegegeven, dit is goed gemaakt; niet voor niets ging tijdens Eurovision in Concert het dak eraf. Een van m’n favoriete inzendingen van dit jaar, al is het een guilty pleasure.

Portugal (Conan Osiris – Telemóveis)

Op IJsland, met afstand de opvallendste act van deze editie, kom ik straks nog. Maar in de categorie ‘vreemd, maar toch wel lekker’ is Portugal goede tweede. Ik hoorde deze inzending een paar maanden terug al op Radio 2. De dienstdoende dj posteerde dat de Portugezen gek waren geworden dit in te sturen. Toegegeven, Telemóveis is bizar. En de act is nog bizarder. Twee mannen die in semi-antieke Romeinse outfit een mix tussen dans en pantomime brengen. Soms lijkt het slapstick, maar dan op z’n Portugees. Ik checkte voor de zekerheid bij een Braziliaanse waar Telemóveis eigenlijk over gaat. Dat blijkt, heel obligaat, de liefde te zijn (al lijkt hij niet echt geïnteresseerd in de dame waar hij over zingt). Zij omschreef het geheel als ‘nogal conceptueel’. Het moge conceptueel zijn, draai het een paar keer en je bent verkocht. En verknocht. Dit verdient een finaleplek.

Rusland (Sergej Lazarev – Scream)

Weet u nog hoe het ging in 2016? Måns Zelmerlöw won in 2015 met een act met een geanimeerd poppetje en half Europa dacht: heej, dát is leuk, laten we volgend jaar ook uitpakken met allerlei stoere special effects. Van die landen ging Rusland het verste met een volstrekt idiote act die helemaal niks toevoegde aan het liedje (dat best goed was). Die zanger, Sergej Lazarev, is nu terug en, zoals altijd, of we het leuk vinden of niet, Rusland is in it to win it. Ik denk dat de Europese homogemeenschap niet bang hoeft te zijn dat Moskou volgend jaar gastheer is van het Songfestival. Scream haalt het niet bij You Are The Only One, zo heeft de ballad een iets te hoog musicalgehalte. Ook blijft het niet zo goed hangen als die vorige bijdrage. De presentatie is weer – verrassend – volledig over the top: met spiegels waardoor niet één maar negen Lazarevs op het podium staan. Je moet er van houden. Kan iemand de Russen het principe less is more uitleggen?

Spanje (Miki – La Venda)

Ik licht hier negen liedjes uit die tot de kanshebbers behoren, of op een andere manier opvallen. Spanje is de uitzondering. Het land eindigt steevast in de onderste regionen, maar ik ben tijdens Eurovision in Concert gevallen voor dit vrolijke niemendalletje. Wellicht komt dat door het totale gebrek aan decorum: gewoon een jonge gast in t-shirt en spijkerbroek, met een baseballpetje achterstevoren op z’n hoofd. Fijn dat iemand tijdens het kitschfestijn dat het Songfestival is zonder enige opsmuk een vrolijk moppie komt zingen. En dan flirt de videoclip handig met urban sports als freerunning. Ja, dan heb je me. La Venda is het soort liedje dat Spanje al jaren afvaardigt en de prestaties van de afgelopen jaren geven Miki weinig kans: de laatste vier jaar kwam het land nooit hoger dan een 21ste plaats.

De eerste beelden van de repetities beloven weinig goeds: iets met een robot die door songfestivalwatchers zo hartgrondig wordt gehaat dat hij nu al is uitgegroeid tot de Jar Jar Binks van dit Songfestival. Dat is op zich best een knappe prestatie.

IJsland (Hatari – Hatrið mun sigra)

De WTF?!-inzending van dit jaar komt op naam van IJsland. De groep heet Hatari (iets met haters), de bijdrage heet Hatrið mun sigra (iets met haat zal zegevieren) en muzikaal is het een mix van My Chemical Romance en Depeche Mode. Qua presentatie is het nouja, een BDSM-act. Compleet met leren tuigjes, latex en maskers. Whatever turns you on, maar IJsland vaardigde ooit Pál Oscar (in 1997 al) én Euroband af, dus het land heeft een reputatie hoog te houden. Grappig feitje: de ouders van de bandleden vervullen allemaal hoge regeringsfuncties in IJsland. Stel je voor dat de kinderen van – ik noem maar wat – Stef Blok en Paul Blokhuis in Nederland in een BDSM/dance-act zouden zitten. Goed, het liedje dan. Dat is best grappig én goed. Het zwakke punt binnen Hatari is de falsetzang van Klemens. Die kwam tijdens Eurovision in Concert niet echt uit de verf. Blijft de vraag of dat in Tel Aviv goed komt.

Elk jaar is er wel een land dat uit het Lordivaatje wil tappen. Doorgaans doet zo’n act het goed, dus IJsland haalt zeker de finale. Of de Europese BDSM-scene groot genoeg is dat het ook wint, betwijfel ik. Wat voor IJsland pleit is dat ze zich uitspreken tegen schurkenstaat Israël, wat ze nog meer gehaat zal maken. Mijn sympathie hebben ze.

Zweden (John Lundvik – Too Late For Love)

Het is een zekerheidje dat Zweden altijd met goede inzendingen komt, het zijn de Grote Vernieuwers die met een opvallende act (Måns Zelmerlöw, Robin Bengtsson) of eigentijdse productie (Loreen, Benjamin Ingrosso) de rest van Europa de weg wijzen. Het heeft het land zes songfestivaloverwinningen opgeleverd, slechts eentje minder dan recordhouder Ierland, en ik zie de Scandinaviërs hen op de lange termijn met gemak inhalen. Maar Too Late For Love klinkt niet alleen als een vroege ninetiesarrenbiegospelproductie, het is ook nog eens afgekeken van de Oostenrijkse inzending van vorig jaar. Nu eindigde de Oostenrijkse Cesár Sampson verrassend als derde (Zweden viel vooral bij de televoters genadeloos door de mand en werd zevende), dus waarschijnlijk dacht de Zweedse omroep dit jaar: beter goed gejat dan slecht bedacht. Maar toch, van het Beloofde Popland verwacht je net wat meer.

Zwitserland (Luca Hänni – She Got Me)

Als Nederland de topfavoriet is, dan is Zwitserland de grootste concurrent. Dat snap ik deels; de Zwitsers hebben heel goed naar Cyprus geluisterd, dat het vorig jaar boven verwachting goed deed met Fuego (en natuurlijk had moeten winnen). Leg She Got Me daar naast en je hoort het trucje: langzaam opbouwen naar dat refrein, dat vervolgens plagerig nog een klein beetje uitstellen, en daarna het dak eraf spelen met dat lekker dreinerige refrein met een etnische sound. Kortom: goed gemaakt. Wat in het nadeel van Zwitserland werkt is dat het met een blauwdruk komt van een niet-winnend liedje van een jaar eerder. Toen was het idee nieuw en niet genoeg voor winst, wie zegt dat een mindere kopie een jaar later meer succes heeft?

En verder…

– doet ook Malta met Chameleon vrolijk mee met Fuego imiteren. Maar zoals altijd: minder dan het origineel.
– is de inzending van Ierland, 22 van Sarah McTernan, geschreven door de hoofdrolspeler van de film Pluk van de Petteflet. Echt waar.
– vaardigt San Marino andermaal cultheld Serhat af, die zich dit keer door het ultracatchy niemendalletje Say Na Na Na heen kreunt.
– komt Finland met Look Away van Darude. Jeweetwel, de dj die begin deze eeuw een wereldhit had met Sandstorm. Aardig, doch niet memorabel.
– heeft Tsjechië met Friend Of A Friend gewoon een leuk gitaarliedje ingestuurd, wel van een band met de ietwat gekke naam Lake Malawi.
– heet de inzending van Cyprus Replay en die klinkt verdacht veel als de inzending van dat land van vorig jaar.
– komt Australië met Zero Gravity, een Papageno-duet op anabolen. Aussies love it. Maar ja, André Rieu is daar ook mateloos populair.

Posted in Lijstjes, Muziek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Tien keer Songfestival 2019

Indroppen

M’n skateboardmaatje (en personal coach) en ik besloten dat we dit keer echt echt echt gingen indroppen. We hadden het al eerder tegen elkaar gezegd, wetende dat we allebei nogal tegen het trucje opzagen. Nouja, trucje. Moeilijk is het niet, het is meer een kwestie van durven. Het is eerder dat je met board over de rand gaat hangen, je ene voet op je tail, je voorste voet op de nose en dan met die voorste voet een flinke stamp op je board geeft. Het fijne is dat je daarmee veel snelheid genereert en dat is leuk. Het vervelende is dat je daarmee veel snelheid genereert en dat moet je wel euh… aankunnen.

Dat indroppen is al vanaf de eerste les een spannende exercitie. Ik zie mezelf nog de eerste keer op de rand staan in de instructieruimte, mezelf afvragend wat ik daar in godsnaam stond te doen. Het heeft nog weken geduurd voordat ik alleen in durfde te droppen in de instructieruimte, en dat is dan een rand van amper een halve meter hoog.

Vorige week reed ik rond in de skatehal terwijl de instructeur die me de eerste weken onder z’n hoede had gehad vanaf het balkon toekeek. Toen ik onder het balkon langs reed, riep ie naar me.
‘Gaat lekker he?,’ riep hij.
‘Jazeker,’ antwoordde ik, trots om een compliment te krijgen.
‘Ik zit zo te kijken, maar je gaat heel lekker,’ vervolgde hij.

Even later zat ie beneden nog een keer te kijken en liep ik op ‘m af om ‘m te bedanken. Dat het zo goed ging kwam grotendeels door een balansoefening die hij me een paar maanden terug had aangeleerd: op je board rijden en daarbij op je voorste voet leunen.
‘Als je dat goed kunt, dan scheelt dat zoveel,’ had hij gezegd, nadat ik voor de zoveelste keer een les met veel gestuntel was doorgekomen.

De weken erna was ik elke avond op het asfaltveldje voor m’n huis heen en weer aan het rijden, steeds sneller en altijd balancerend op m’n voorste voet. Aan het begin zette ik nog geregeld m’n andere voet aan de grond, maar gaandeweg merkte ik dat het niet nodig was. Ik ging inderdaad veel lekkerder, meer ontspannen, rijden. Ik had m’n balans gevonden.

‘Het gaat wel lekker, alleen dat indroppen wil nog niet zo,’ zei ik en vertelde dat m’n skateboardmaatje er net zo tegenop zag.
‘Dat kunnen jullie,’ antwoordde hij.
‘Dat weet ik,’ zei ik en tikte een paar keer op m’n skateboardhelm, ‘maar hierboven wil dat er niet zo in.’
‘Niet bij nadenken, gewoon doen,’ was het antwoord.

Twee dagen later zag een andere instructeur me van een rampje af rijden en aan de andere kant van de zaal een kickturn maken. Het was dezelfde instructeur die me twee maanden terug de geheime tip had gegeven waardoor ik nu überhaupt die draai kon maken, dus toen hij vlak bij me stond, sprak hij me aan.
‘Gaat lekker man,’ zei hij.
‘Ja he?,’ antwoordde ik, ‘elke keer als ik hier ben doe ik nu kickturns.’
‘Je gaat ze ook leuk vinden als ze lukken,’ zei hij.
‘Nu het indroppen nog,’ verzuchtte ik en wees op een opstaande rand achter hem.
‘Dat kan jij,’ zei hij.

Dit weekend moest het gebeuren. Ik was m’n uitstelgedrag spuugzat. Wilde ik verder met skateboarden, dan moest ik kunnen indroppen, period. Daarnaast, over anderhalve maand staat een weekje Malmö op het programma en het hotel dat ik daar op het oog heb ligt pal voor een enorm gaaf skatepark. Toeval bestaat niet. Ik moest kunnen indroppen. Daarbij, ik zag het de meeste jonge gastjes in de hal probleemloos doen: zo moeilijk kon het toch niet zijn?

Thuis sprak ik mezelf moed in. Je kunt dit. Ik kan dit. Ik. Kan. Dit.

‘Wat doen we eerst?,’ vroeg ik aan m’n personal coach terwijl we samen in de hal stonden, want ik vond het logischer om eerst op een lagere rand te beginnen, verderop in de zaal en van daaruit naar dit hogere punt toe te werken.

M’n skateboardmaatje dacht daar anders over. Terwijl ik voor het eerst m’n board over de rand hing en in de afgrond voor me keek, dropte hij in, reed van het rampje een paar meter verder af en was een paar seconden later terug.
‘Ja, zo snel gaat dat bij mij niet he,’ zei ik.
‘Niet bij nadenken,’ was z’n antwoord, ‘en chill.’
‘Ik ben nu zeker niet chill,’ zei ik en voelde het zweet in m’n handen staan.

Verderop in de hal waren twee vrouwen bezig met een photoshoot.
‘Ze staan een beetje in de weg,’ zei ik tegen m’n personal coach.
‘Smoesjes,’ zei hij.
‘Ja oké,’ gaf ik toe.
‘Tien punten als ik haar omver rij?,’ vroeg ik en wees op de vrouw die het meest in de weg stond.
‘Vijftig als je ook de fotograaf omver kegelt,’ antwoordde hij.

Ik bleef een paar minuten naar m’n board staren. De afgelopen weken had ik vaker op die rand gestaan. Gewoon. Om aan het idee te wennen. En elke keer had ik me vooraf ingebeeld dat het echt niet zo moeilijk was, maar eenmaal met m’n board over de rand hangend begon ik daar toch ernstig aan te twijfelen. Nee, die rand was echt niet zoveel hoger als die in de instructieruimte. Maar toch: ik zag mezelf al op de grond liggen.

Een jongen van een jaar of vijftien kwam naast me staan.
‘Eerste keer?,’ vroeg hij.
‘Ja,’ antwoordde ik, ‘wel al vaak in de instructieruimte gedaan, maar de eerste keer hier.’
Hij knikte.
‘Ik zie het iedereen hier doen, jou zie ik het ook doen. Het kan niet moeilijk zijn, maar het blijft een uitdaging,’ zei ik nerveus lachend.
‘Het wordt niet makkelijker als je minutenlang met je board boven de rand blijft hangen,’ zei hij goedbedoeld.

Eigenlijk wilde ik even naar de halfpipe om te pompen. Als ik dat deed, dan werd ik vanzelf losser en leek die rand wat minder hoog. Het is allemaal mentaal, maar dat is zo vaak met skateboarden. De halfpipe was bezet en in plaats daarvan ging ik elders in de zaal kickturns doen. Altijd eerst dingen doen die je goed kunt, dan krijg je zelfvertrouwen en kan je je mentaal voorbereiden op dat ene moeilijke trucje waar je tegenaan hikt.

Een kwartier later ging ik terug. Opnieuw hing ik m’n board over de rand. Ik zette m’n achterste voet op de tail. Zover was ik daarnet ook gekomen. Nu zette ik ook voorzichtig, trillend, m’n voorste voet op de nose, m’n knie naar voren gebogen. Het board boog een beetje door, dat was me nooit eerder opgevallen. Het enige dat ik nu moest doen was stampen, maar dat deed ik niet. Weer stond ik minutenlang te dubben. Soms haalde ik m’n voet eraf, dan zette ik die weer terug.

M’n skateboardmaatje kwam naast me staan.
‘Wat is het probleem? De snelheid?,’ vroeg hij.
‘Nee, het is het idee dat ik hier onderuit ga,’ antwoordde ik.
‘Maar je gaat alleen onderuit als je ook denkt dat je onderuit gaat. Je moet denken dat je het kunt,’ zei hij in z’n rol als personal coach. ‘En je kunt het.’
Dat klonk logisch.

Nog steeds stond ik met m’n board op de rand. Ik gebaarde naar een jongen aan de andere kant van de zaal dat ie kon komen.
‘Als je met je board over de rand hangt, denken ze dat je gaat,’ zei hij.
‘Dat snap ik,’ antwoordde ik geïrriteerder dan bedoeld.
‘Ik wijs je alleen maar op de etiquette,’ antwoordde hij.
‘Maar ik denk dat ze wel zien dat het me niet makkelijk afgaat,’ zei ik.

Een oudere man die we al maanden alleen hadden zien skateboarden gebaarde nu ook dat ik wat hem betreft kon gaan. Ik wuifde terug dat hij voor mocht gaan. In al die maanden had ik ‘m nog nooit tegen iemand iets horen zeggen, maar nu reed ie bij me voor langs, kwam naast me staan en zei: ‘Niet nadenken. Gewoon doen.’
Ik knikte.

Ik stond nog een minuut naar m’n board te kijken. In m’n hoofd speelde zich de volgende dialoog af:
‘Kom op Guido, wat is het ergste dat kan gebeuren?’
‘Nou, dat ik iets breek.’
‘Dat heelt wel weer.’
‘Ja, maar ik moet zo nog naar de verjaardag van m’n nichtje.’
‘Je gaat zo boos op jezelf zijn als je het niet doet.’
‘Dat wel.’
‘Nou dan. Doe niet zo moeilijk en stamp op dat ding.’

Ik slikte een keer en zette opnieuw m’n voorste voet op de nose. Daarna stampte ik. Ik stampte hard. Ik stampte met alle overtuiging. Toen landde ik ‘m. Vervolgens schoot m’n board met een rotvaart de zaal in. Ik lag op de grond.

‘Je hebt het gedaan,’ riep m’n personal coach enthousiast. ‘Wacht, ik ga je board halen.’
Ik keek verdwaasd de zaal in, niet wetend waar m’n board ergens was geëindigd.
‘Nog een keer,’ zei ik toen hij terug was en me m’n board gaf.

Ik klom op de rand. Weer stond ik een paar minuten te twijfelen. Net was ik onderuit gegaan, dat zou me niet nog een keer overkomen. Maar net was het me ook gelukt om me over de drempel heen te zetten. Dus dat moest een tweede keer ook lukken. Opnieuw gaf ik een flinke stamp op de nose. Dit keer bleef ik staan, maar terwijl ik met een noodvaart op het rampje af reed besefte ik dat ik volledig verkrampt en in een verkeerde houding op m’n board stond. Ik reed van het rampje af en wist precies wat ging gebeuren: ik werd gelanceerd. Ik vloog voorover en gleed een paar meter over de grond. Instinctief voelde ik meteen of ik niks had gebroken. Dat was niet het geval. Wel had ik een grote schaafwond op m’n onderarm.

Ik stond op, trillend op m’n benen.
‘Het indroppen ging goed,’ zei m’n skateboardmaatje enthousiast.
Ik grijnsde. ‘Ja, nu de rest nog.’

M’n personal coach ging naar huis om naar de Grand Prix van Azerbeidzjan te kijken.
‘Dinsdag weer?,’ vroeg ik, want nu moest ik doorzetten.
Hij antwoordde dat ‘m dat een goed idee leek.
‘Wel met elleboogbeschermers,’ zei ik en keek naar de schaafwond op de rand van m’n onderarm en m’n elleboog.

In de kantine bestelde ik een worstenbroodje. Ik liet de schaafwond aan de jongen achter bar zien.
‘Eerste keer in de hal ingedropt,’ zei ik, niet zonder trots.
Hij keek met een pijnlijk gezicht naar de wond.
‘Het indroppen ging goed. Nu de rest nog,’ lachte ik.

De oudere man die ik voor het eerst iets had horen zeggen kwam naast me zitten. Hij bestelde een biertje en dronk het zwijgend op.

Toen ik even later naar huis fietste voelde ik de schaafwond op m’n arm. Die deed best veel pijn. Maar ik was apetrots.

I did it.

No pain, no gain.

Posted in Skateboarden | Tagged , | Comments Off on Indroppen

Jarig

Op m’n 28ste verjaardag zei m’n toenmalig leidinggevende tegen me: ‘Gefeliciteerd. Vanaf nu wordt het alleen maar minder.’
Ik had toch al een klotebaan, dus die mededeling kon er ook nog wel bij.

Hij had wel gelijk. De tijd dat je naar je verjaardag uitkijkt is dan wel voorbij. Verjaren wordt minder memorabel. Hoezeer je ook wilt dat het een Bijzondere Dag is, in de praktijk zijn al die verjaardagen inwisselbaar. Nouja, op m’n achttiende verjaardag ging ik naar de Efteling, dat is altijd leuk. En ik kan me m’n dertigste verjaardag nog goed herinneren want toen was ik jarig met Pasen en gingen we pannenkoeken eten. Ook goed. Een paar jaar eerder ging ik op de avond voor m’n verjaardag stappen en was ik zo bezopen dat ik bij thuiskomst half in m’n broek en half in de tuin heb gepist. De dag erna was ik vrij brak, maar ook die verjaardag zal ik niet licht vergeten.

Nee, bij het verstrijken van weer een jaar is er eerder gelatenheid dat het nooit meer zo goed wordt als het nooit is geweest. Het aandeel grijze haren in mijn toch al niet zo weelderige haardos is zichtbaar aan het toenemen. Een spier in m’n linkerlies speelt danig op bij het hardlopen en skateboarden en dat ene verkoudheidje blijkt ook heel hardnekkig. Er zijn mensen die de schoonheid van verval zien, maar dat zijn waarschijnlijk dezelfde mensen waar zelfs Robert Schoemacher hoofdschuddend van zou zeggen: ‘Nee, daar ga ik niet meer aan beginnen.’

Aan de andere kant, vorig jaar deed ik, vlak voor m’n 37ste verjaardag, een coopertest en toen bleek ik nog de conditie van een 17 jaar jonge god te hebben. Dus waar hebben we het over?

Toch, het enige dat rest is zoveel mogelijk Leuke Dingen Doen; iets dat ik, u had het waarschijnlijk al gemerkt, in grote mate doe.

Twee jaar terug had ik een memorabele verjaardag. Ik was jarig op een maandag, niet de beste dag van de week om een feestje te vieren. Het toeval wilde dat net die dag Japandroids op zou treden in de Melkweg. Dat vind ik één van de leukste rockbands van de laatste jaren en wilde ik dus graag live zien. Ik had ze een paar jaar eerder voor een show op Incubate geïnterviewd, maar kon het optreden toen niet bijwonen. Dat ging ik nu inhalen. Hoe leuk zou het zijn om mezelf dit concert cadeau te doen?

Wat heet, dacht ik. Ik maak er een dagje van. Ik heb altijd mooi weer op m’n verjaardag, dus dat kwam vast goed.

Op de Grote Dag postte ik eerst een vrolijke foto van mezelf als kleuter op Facebook: ik ben jarig en ga vandaag alleen maar leuke dingen doen. Daarna pakte ik de trein naar Amsterdam. Zonnig was het niet, maar de weersverwachting was dat het open zou trekken, dus ik had een zomerjas meegenomen.

In Amsterdam pakte ik de metro naar de hortus botanicus. Die ligt in een deel van de hoofdstad waar ik eigenlijk nooit kom, dus dat leek me vandaag een leuk uitje. In de buurt zocht ik een pinautomaat. Ik ben jarig op payday; een prettige bijkomstigheid. Dat deed ik niet bij een automaat van m’n eigen bank, maar dat leek me niet zo’n probleem. Daarna ging ik naar de hortus. Niet alleen het weer was grijs en grauw, de bloemen stonden ook nog niet in bloei. De enige planten die vrolijk kleurden stonden in de kassen. De lens van m’n digitale camera besloeg van het vocht en de warmte in de kassen en het duurde een eeuwigheid voor dat was verholpen.

Jarig voelde ik me niet.

Na het bezoek aan de hortus liep ik Amsterdam in. Het liep tegen het einde van de ochtend en langzaam begon ik spijt te krijgen dat ik zo vroeg was vertrokken. Wat ging ik in godsnaam doen om de rest van de dag door te komen? Intussen stroomden op Facebook de felicitaties binnen. Ik likete ze allemaal braaf. Leuk, dacht ik, maar die telefoon loopt zo wel heel snel leeg. Trouwens, had ik m’n lader eigenlijk wel bij me?

Via allerlei omzwervingen belandde ik in de Concerto (ik kom daar altijd uit als ik in Amsterdam uit). In de rekken vond ik de nieuwste cd van The Naked and Famous. Ik had het niet breed, dus stond een half uur te twijfelen of ik ‘m wel of niet zou kopen. Of zou ik dan voor de vinylversie gaan? Dan moest ik wel nog een halve dag zo’n onhandig grote lp met me meeslepen. Ik besloot eerst naar het Fotomuseum om de hoek te gaan, maar in gedachten was ik bij die cd. En ik wilde jarig zijn. Jarig Zijn. Maar ik voelde me niet jarig. Ik was me stierlijk aan het vervelen. Na het museumbezoek liep ik terug naar de Concerto en kocht die cd; je hebt het meest spijt van de dingen die je niet doet. Misschien voelde ik me nu wel jarig.

De rest van de dag liep ik wat door de stad te slenteren. Het weer bleef grauw en koud. Het begon zachtjes te miezeren. Ondanks de tijd van het jaar struikelde je over de toeristen. Eigenlijk heb ik een pesthekel aan Amsterdam.

Ik besefte dat ik eigenlijk nog extra geld moest pinnen voor de garderobe en wat drankjes in de Melkweg. Misschien hadden ze een leuke poster of lp die ik kon kopen. Ik probeerde een pinautomaat, maar die weigerde. Ik had die dag al gepind en mocht alleen nog een keer pinnen bij een automaat van m’n eigen bank (een idiote regel waarvan ik dacht dat die allang was afgeschaft). Ik kwam zat geldautomaten tegen, maar niet die van m’n eigen bank. Op m’n telefoon kijken waar ik een pinautomaat kon vinden ging niet, dat ding was zo goed als leeg.

Ik ging eten in Café De Prins, een vast adres als ik in Amsterdam ben. Ik zag een telefoon aan een lader liggen. Even kreeg ik hoop.
‘Kan ik m’n telefoon ook even aan de lader leggen?,’ vroeg ik.
‘Heb je een lader?,’ vroeg ze.
Nee, dat niet. En zij hadden die ook niet liggen.

Onderweg naar de Melkweg bleef ik naar een geldautomaat van de Rabobank zoeken. Tevergeefs.

Bij de Melkweg vreesde ik het ergste. Ik had niet eens voldoende geld voor de garderobe.
‘Is het heel erg als ik m’n jas en tas mee de zaal in neem?’, vroeg ik.
Dat was geen probleem. Bij de merchandise hing een poster van het concert, maar ik was zo murw van de teleurstellend verlopen dag dat het niet in me opkwam om te vragen of ik kon pinnen.

Het concert was goed, maar na zo’n dag kon zelfs dat me niet meer opbeuren. Ik voelde me een halve toerist, op het balkon met die onhandige tas bij me.

Na afloop pakte ik snel de tram naar Amsterdam Centraal. Weg. Naar huis. Toen ik in de trein zat, kwamen drie jongens mijn kant op lopen. Eentje had een poster van het concert gekocht, met daarop ook de datum van het concert in de Melkweg. Dat was een gaaf aandenken geweest, bedacht ik knarsetandend. In de weken erna probeerde ik in alle macht nog aan die poster te komen. Wat ik ook probeerde, niks lukte.

Je hebt het meest spijt van de dingen die je níet doet.

Ook dit jaar ga ik alleen maar leuke dingen doen; als dat maar goed gaat. Eerst ‘s morgens werken, maar ‘s middags heb ik vrij genomen. Dan ga ik eerst sporten en daarna een paar uurtjes skateboarden. ‘s Avonds eet ik pannenkoeken.

Het lijkt me de perfecte gelegenheid om iets te breken. Weet ik zeker dat ik deze verjaardag niet vergeet.

Posted in Overig | Tagged , | 1 Comment

Tien keer Record Store Day

Morgen is het Record Store Day. Een feestje om de lokale platenboer een financieel hart onder de riem te steken. Ik ben sinds 2010 vrijwel elk jaar van de partij geweest. Die eerste keer was dat nog een kleinschalig feestje: twee bakken met releases op vinyl (zelfs een enkele cd) op een tafel tegenover de kassa, meer was het niet. In de jaren erna werd het steeds drukker en daarom heb ik een paar edities overgeslagen. Ik hield niet van het benauwde en drukke van dat toch al zo kleine platenzaakje dat ik frequenteer.

Sinds een paar jaar heeft m’n platenzaak een ingenieus systeem waarmee eventuele vechtpartijen worden voorkomen (niet dat die er waren) en dus ben ik weer van de partij. Elk jaar sta ik rond 7.30 uur voor de deur en dan ben ik zeker niet de eerste, meestal staat er al een man of zes à zeven. Dat zijn vaak dezelfde gezichten, dus het voelt inmiddels als een soort reünie, waarbij je op slinkse wijze probeert te achterhalen of diegenen die vóór jou arriveerden niet toevallig op het door jou zo felbegeerde plaatje azen, onderwijl hopend dat de platenzaak voldoende exemplaren heeft ontvangen.

Ik speelde al een paar jaar met het idee om tien Record Store Day-releases uit te lichten in een blogje. Dit zijn natuurlijk niet de tien beste releases. Dat zijn die obscure vinyl singletjes waar 250 exemplaren van geperst zijn – dat werk. Nee, dit zijn de tien releases van negen edities van Record Store Day die me om de een of andere reden bij zijn gebleven. Sommige draai ik zelfs nog regelmatig.

Franz Ferdinand – Covers EP (2010)

Ik bekeek het programma van London Calling in 2003 en zag Franz Ferdinand staan. Nooit van gehoord. Een paar weken later was ik in Engeland en was ik getuige van de hype. Pardon, De Hype. Ik kocht de eerste ep Darts Of Pleasure en zag ze in het (veel te kleine) bovenzaaltje van Paradiso. Franz Ferdinand was gaaf. Een paar maanden later zag ik ze opnieuw, in de Vera in Groningen, tijdens Eurosonic. Wat een tof optreden was dat. Ik was fan.

Op zich heeft Covers EP niet zoveel om het lijf en ik zou deze plaat allang weer vergeten zijn, ware het niet dat het me lang heeft geduurd om het exacte toerental uit te vogelen. Bij een ep is dat doorgaans 45 toeren, maar dat klonk niet. Nouja, soms wel, soms niet. Maar 33 toeren werkte ook niet altijd prettig. Pas recent vond ik op Discogs de oplossing: kant a is geperst op 45 toeren, kant b op 33 toeren. Een gebbetje, typisch Record Store Day.

Villagers – Live at the Workman’s Club (2011)

De eerste keer dat ik Villagers zag was op London Calling. Ik was niet onder de indruk. Ik was daarin, gezien de lovende recensies die ik na afloop las, de enige. Toch, ik vond de liedjes gekunsteld en niet overkomen. Ik dacht dat de songs beter uit de verf zouden komen zonder alle productionele opsmuk, of begeleiding van een band.

Omdat m’n kennismaking met Villagers niet al te best was, twijfelde ik aanvankelijk bij deze lp. Maar Live at the Workman’s Club bleek juist de ideale instapplaat voor Villagers. In feite is het een soloplaat van frontman Conor O’Brien (die toch al in z’n eentje Villagers is). De zanger heeft alleen begeleiding van gitaar of piano en daardoor komen die kleine liedjes veel beter uit de verf; precies zoals ik ze wil horen. Komt nog bij dat O’Brien weergaloos in vorm was op deze avond, wat een intieme en bij geestige live-lp opleverde. Na het draaien was ik alsnog fan (check ook het prachtige album Darling Arithmetic). En dat allemaal op basis van een Record Store Day release.

2 Many DJ’s – As Heard On Radio Soulwax Pt. 2 (2012)

Van alle Record Store Day releases in m’n collectie is dit vermoedelijk de obscuurste; er zijn niet meer dan tweehonderd exemplaren van geperst. Dat is te merken aan de prijzen die op internet voor een exemplaar worden geboden: die lopen op tot tachtig euro. Niet dat ik mijn dubbel-lp van de hand doe; ik speculeer niet met vinyl. Maar daarnaast vind ik dit een veel te leuke mix van de broertjes Dewaele. Van Peaches naar The Velvet Underground en van The Breeders naar New Order: het gaat alle kanten op. De mix van Destiny’s Child Independent Woman en Dreadlock Holiday van 10cc is zelfs nog een alternatief hitje geworden.

Het clearen van alle samples zorgde indertijd voor de nodige problemen. Voor de hoes gold hetzelfde. Oorspronkelijk stond op de hoes een foto van Elton John die twee vingers opsteekt. Om problemen met de rechten te voorkomen fotoshopte de ontwerper een papieren zak over Johns hoofd. Ook dan wilde de fotograaf niet dat de foto werd gebruikt, en dus werd de volledige foto getipp-ext; de papieren zak uitgezonderd.

Nick Drake – Nick Drake (2013)

Nick Drake is me dierbaar. De drie albums die hij bij leven uitbracht, Five Leaves Left, Bryter Layter en Pink Moon draai ik nog geregeld en laatst keek ik nog op Joetjoep de hartverscheurende documentaire A Skin Too Few terug. Dat de platenmaatschappij begin jaren zeventig heeft geprobeerd Drake ook in Amerika door te laten breken was me niet bekend, maar voor die gelegenheid stelde Island een compilatie samen met de beste tracks van de eerste twee lp’s. Om onduidelijke redenen is die lp nooit in de handel gekomen. Die omissie werd in 2013 ingehaald, al hebben de makers wel de lelijke gaten in de hoes, in de seventies in de originele release gestanst om illegale verkoop te voorkomen, gereproduceerd. Geen nieuwe muziek, maar alles van Nick Drake is en blijft prachtig.

Tame Impala – Live Versions (2014)

‘Neem je die mee?,’ vroeg de jongen die naast me stond bij het doorspitten van de bakken met Record Store Day releases.
‘Ik vrees van wel,’ antwoordde ik.

Wie op Record Store Day een felbegeerd exemplaar van z’n keuze wil bemachtigen moet goed beslagen ten ijs komen. Vooraf even online checken hoe de hoes eruit ziet bijvoorbeeld. Daardoor had ik Live Versions snel uit de bakken gevist.

Zoals wel vaker bij Record Store Day releases gingen nogal wat tegenstrijdige berichten over deze lp de ronde. Sommige exemplaren zouden op gekleurd vinyl zijn geperst, andere op ‘gewoon’ zwart vinyl. Sommige zouden geleverd worden met downloadcode, andere weer niet. Ik had geluk: mijn Live Versions kwam op groen doorschijnend vinyl én met downloadcode. Pas veel later begreep ik dat dit voor alle Europese versies van Live Versions geldt.

Arcade Fire – Ready To Start / Sprawl II (Mountains Beyond Mountains) (2012)

Ik heb het niet zo op remixen. Je moet er eigenlijk van uit kunnen gaan dat de beste versie van een song de originele release is. Een remix voegt daar weinig aan toe. Hetzelfde geldt voor Sprawl II (Mountains Beyond Mountains) op The Suburbs – het magnum opus van Arcade Fire; het was enige tijd de meestgedraaide song op m’n iPod. Geen idee waarom ik dan deze 12″ heb gekocht, misschien was de reden júist dat ik Sprawl II (Mountains Beyond Mountains) zo goed vond. Ook een mindere remix is dan acceptabel. Ik heb er geen spijt van, want de remix van Damian Taylor is beter dan het origineel. Echt. De productie is opgeschroefd, met een iets hardere bas die heerlijk door de huiskamer dreunt (sorry, not sorry buren). Iemand op Discogs omschrijft het als ‘Depeche Mode meets Bat For Lashes in an especially bad mood. It’s dynamite.’ Dat is allemaal waar.

Fleetwood Mac – Tusk (2016) / Mirage (2017) / Tango In The Night (2018)

Fleetwood Mac heeft iets slims bedacht. Elk jaar brengt het een oud album opnieuw uit, maar vervangt het de originele liedjes door andere versies. De groep staat er om bekend om, onder het genot van bergen cocaïne en andere geestverruimende middelen, maanden te pielen op alternatieve uitvoeringen van songs. Zo’n lp is dus makkelijk samen te stellen, zeker omdat veel van deze alternatieve versies eerder al op heruitgaven of boxsets van de westcoastpopgroep zijn verschenen. Tusk was de eerste lp die deze eer ten deel viel, een persoonlijke favoriet. Later volgden Mirage en Tango In The Night, al stonden bij die laatste albums op de alternatieve versie zelfs wat b-kantjes en outtakes (Stevie Nicks was tegen die tijd zo doorgesnoven dat ze tot niet veel meer in staat was). Ik heb ze braaf allemaal gekocht; het zijn heel leuke lp’s. Zelfs het artwork komt in een alternatieve uitvoering.

Dit jaar verschijnt Fleetwood Macs titelloze lp uit 1975 in een alternatieve versie. Logischerwijs is dan volgend jaar het vermaarde Rumours aan de beurt. Ik vrees dat ik dan echt vroeg in de rij moet gaan staan.

Fleet Foxes – Crack-Up (Choral Version) (2018)

Ik koop bijna geen vinyl singletjes. De reden is triviaal: mijn oude pick-up heeft wat moeite met de 45 toeren. Het duurt eventjes voordat de platenspeler is warmgedraaid op het juiste toerental. Maar Fleet Foxes’ Crack-Up wilde ik per se hebben, zeker in de live versie die de groep maakte tijdens Iceland Airwaves 2017. Dat die prachtig is, had ik al gehoord op YouTube. Nog verrassender is de b-kant: In The Morning. Een cover van de Bee Gees, opgenomen tijdens het Montreux Jazz Festival 2017. En dan dat artwork: een foto van de kalkterrassen in het Turkse Pamukkale. Alles even stijlvol.

Eerder baalde ik nog van The War On Drugs die hun nieuwe track Thinking Of A Place, een andere Record Store Day release, over twee plaatkanten uitsmeerde, waardoor die mooie song onnodig wordt onderbroken; het had met gemak op één plaatkant gekund. Dan had je op de b-kant een live opname, outtake of cover kunnen plaatsen. Nee, dat heeft Fleet Foxes beter bekeken.

Phoenix – Monologue (2018)

Phoenix is een band met een retestrakke discipline. Elk nieuw album van de Franse band telt evenveel tracks; van debuut United tot de meest recente (en onderschatte) lp Ti Amo, ja dat is een ode aan de Italo disco: ze tellen allemaal exact tien composities. Dus toen voor Record Store Day 2018 een shaped vinyl met een outtake van de opnamesessies van Ti Amo werd aangekondigd, wilde ik deze hebben. Daarmee wijken de Fransen in zekere zin af van hun strakke regime, maar het bood mij ook de gelegenheid om een keer een lp in een maf vormpje aan te schaffen. Helaas voor m’n bankrekening was Monologue nogal prijzig. Nooit eerder betaalde ik zoveel geld voor één liedje.

Nu nog een keer een goede picture disk scoren.

Rage Against The Machine – Democratic National Convention 2000 (2018)

Officieel is het een bootleg, en zoals het een bootleg betaamt is het geluid niet optimaal. Dat geeft niks; het geeft de rellerige sfeer die rond dit optreden, volgens de hoes georganiseerd tijdens de democratische conventie rond de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2000, goed weer. De openingswoorden van volksmenner Zack de la Rocha alleen al: ‘Brothers and sisters, our democracy has been hi-jacked.’ Vervolgens komen in een stief half uurtje een paar van de grootste hits voorbij: Bulls On Parade, Guerrilla Radio en Killing In The Name. Daarna werd de show op last van de politie afgebroken. Een heerlijke lp, die ik graag draai als ik na een avondje skateboarden net iets te veel adrenaline in m’n lijf heb.

Toch is Democratic National Convention 2000 niet geheel onomstreden. Op Discogs beweren sommige fans dat dit helemaal geen registratie is van dat vermaarde concert, maar van een heel ander optreden. Of anders een mix van verschillende concerten. Mij maakt het niet uit. Rage Against The Machine ragt er lekker op los. I love it.

Posted in Lijstjes, Muziek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , | Comments Off on Tien keer Record Store Day

Muziekbibliothecaris

Het beste baantje dat ik ooit heb gehad was dat van muziekbibliothecaris, van 2002 tot 2008 op de muziekafdeling van de bibliotheek in de Witte Dame. En hoewel ik het prima naar m’n zin heb in m’n huidige baan wordt het nooit meer beter dan toen: heel de dag met klanten over muziek lullen, iets waar ik ook nog vorstelijk voor betaald kreeg, én ik mocht gratis onbeperkt cd’s lenen. Daar kwam nog bij dat ik de leukst denkbare collega’s had die eenzelfde passie voor muziek deelden.

Wel heb ik me er over verbaasd dat ze me indertijd hebben aangenomen. Ik was begin twintig en liep erbij als een overjarige puber. M’n standaard outfit bestond uit een vaalgewassen t-shirt, een oversized spijkerbroek en afgetrapte All Stars. M’n haar stond stijf van de gel. Letterlijk. Ik kan niet echt een bibliothecaire indruk hebben gemaakt toen ik op sollicitatiegesprek kwam. Dat moet een heel keurige collega van een andere afdeling ook hebben gevonden, zo hoorde ik later. Hij had me op één van m’n eerste werkdagen op de muziekafdeling zien zitten en vroeg geschokt aan een collega van de aangrenzende jeugdafdeling: ‘Wie is die jongen?!’

Waarschijnlijk was het feit dat ik niet het standaard biebtype was juist de reden dat ze me hebben aangenomen. Het gaf de muziekafdeling een jong, tikkeltje rebels imago. Al was de leeftijdgenoot waarmee ik de weekenddiensten draaide (we werkten afwisselend op zaterdag en zondag) het compleet tegenovergestelde van mij: keurig gekleed volgde ze een opleiding tot klassiek pianiste, een studie die ze uiteraard afrondde binnen de tijd die daar voor stond. Ze zat altijd fris en fruitig achter de balie, wat mij na een nacht doorhalen iets meer moeite kostte. Niet dat ik met hoofdpijn werkte (katers heb ik nooit gehad), maar op sommige zondagen was m’n lontje net iets te kort; dat klanten zelfs dan vriendelijk bleven heeft mijn vertrouwen in de mensheid aanzienlijk doen vergroten.

De muziekafdeling was het walhalla. Goed, cd’s opruimen was niet m’n favoriete klusje, en dat klanten tientallen keren per dag om de sleutel van het toilet kwamen vragen werkte ook danig op m’n zenuwen, zeker omdat het ding om de haverklap kwijt was. En dan was er nog een pianokamer die per uur gereserveerd kon worden maar waarvan sommige gebruikers het begrip quatre mains iets te letterlijk namen.

Daar stond een kleurrijk palet aan klanten tegenover, ieder met een eigen verhaal. Zo was daar een verstokte roker die zo naar nicotine stonk dat ik m’n adem inhield als hij de afdeling op kwam lopen. Hij liet vaak cd’s uit de Centrale Discotheek Rotterdam overkomen, dus ik moest ‘m wel persoonlijk aan de balie helpen. Die cd’s moest ik uit de kast achter de balie pakken, dus ik draaide me dan snel om, haalde nogmaals diep adem en pakte de cd’s. Het was een bijzonder aimabele man die ook nog graag een praatje maakte, iets dat ik wellicht iets te gelaten onderging.

Er was een stotteraar, nouja, er waren er meerdere. Omdat ik heb geleerd dat je bij een stotteraar nooit de zin moet afmaken wachtte ik rustig af, al is geduld niet m’n sterkste kant. Een enkele keer zocht ik al in het systeem naar de cd van de klant (in gedachten had ik z’n zin allang afgemaakt), maar de computer was erg traag. De man zat nog midden in een stotter toen ik gefrustreerd naar het scherm riep: ‘Schiet nou es op man!’
De man schrok, stamelde ‘owja natuurlijk,’ en maakte probleemloos z’n zin af.
‘Ik bedoelde niet u,’ verzuchtte ik.

De bekendste of beter, beruchtste, klant was een kale oudere man die meerdere keren per week in de bibliotheek bivakkeerde. Hij kwam dan druk pratend en gebarend de afdeling op lopen, daarbij eventuele andere klanten die ik aan het helpen was negerend en toeterde, al dan niet met z’n kunstgebit in, een zin die standaard begon met ‘hedde gullie’ over de afdeling, waarna geregeld iets wanstaltig Nederlands- of Duitstaligs volgde. Een keer liep hij, zonder kunstgebit, op me af en riep: ‘Hedde gullie Jussify My Luv?’ Een surreële ervaring.

M’n favoriete klant was een man die een jaar of vijf à zes ouder was dan ik. We deelden een liefde voor alternatieve gitaarbandjes. Hij kwam elke zaterdag naar de bibliotheek. Als bijbaantje werkte hij, naast z’n reguliere baan, één dag in de week in de Free Record Shop in Den Bosch. Als hij in de bieb kwam haalde hij een schriftje uit z’n tas waarin hij zorgvuldig de nieuwste releases van de afgelopen tijd bijhield en informeerde of we de cd’s hadden besteld. Ik was te cool om het toe te geven, maar ik keek elke zaterdag uit naar z’n bezoek en baalde als ik een zondagdienst moest draaien, waardoor ik ‘m mis zou lopen. Onze gesprekken gingen nooit verder dan muziek, dus dat hij vader zou worden hoorde ik via een collega.

Het leukste vond ik het om m’n muziekkennis te etaleren. De klant die zich wilde verdiepen in Depeche Mode en aan me vroeg wat een goede instapplaat was (Violator), of een andere klant die een soortgelijke vraag stelde, maar dan over Prince (Sign Of The Times). En er was een jongen die een keertje aan m’n balie kwam. Hij had een liedje gehoord, maar wist niet hoe het heette en begon, loepzuiver, te zingen: ‘I saw you standing there.’ Ik herkende het meteen: Just Friends van Gavin DeGraw (achteraf denk ik dat hij donders goed wist wat hij zong en met me aan het flirten was).

Een andere keer was een klant cd’s aan het luisteren aan onze balie toen hij vertelde al jaren op zoek te zijn naar een liedje uit de jaren tachtig.
‘Het gaat over mensen die op ruimtereis zijn en daar proberen ze contact mee te leggen, maar na een tijdje verbreekt het contact. Het is best een zielig liedje,’ zo vertelde hij.
‘Dat ken ik,’ zei ik, ‘Clouds Across The Moon van The Rah Band.’
De klant was sceptisch want de titel zei ‘m niks. Hij kon zich ook moeilijk voorstellen dat een jong broekie als ik het kende, dus ik pakte een verzamel-cd uit de bakken waar ik wist dat het op stond. Hij stopte lacherig de cd in de speler en zette de koptelefoon op om helemaal verbaasd het liedje te horen dat hij al die jaren had gezocht.

Ooit had ik vlak voor een invaldienst doordeweeks meegespeeld met het Popduel op 3FM. Ik had daarbij de connectie moeten raden tussen drie hiphopplaten, maar had geen idee.
‘Ik weet niet, alle drie doodgeschoten?,’ had ik, gangstarap indachtig, gegrapt.
Ik vertelde dat net aan m’n leidinggevende terwijl een klant naar de balie kwam lopen.
‘Dat heb ik gehoord. Ik had dat ook gezegd,’ bekende hij.

M’n werkzaamheden hielden niet op bij strikt muzikale zaken. Zo mocht ik geregeld helpen bij computerproblemen. We hebben het hier over de jaren nul, dus mensen die naar de bibliotheek komen om te internetten zijn, laat ik het diplomatiek zeggen, geen early adopters. Een keer kwam een man (‘ik ben bang voor computers’) naar de balie omdat hij tot z’n frustratie alleen de bovenste twee resultaten in de zoekmachine zag. Hoe kon hij de andere zoekresultaten zien? Ik nam de muis van ‘m over, bewoog de cursor naar de balk aan de zijkant van het scherm, klikte op de linkermuisknop en bewoog de balk naar beneden.
Hij keek me met grote ogen aan en sprak vol bewondering: ‘Jij weet ook álles he?’

Een andere klant wilde graag chatten. Ik legde uit hoe hij een account aan kon maken voor MSN, maar daarmee had hij nog geen contactpersonen om mee te chatten.
‘Weet u misschien iemand waar u mee kunt chatten?,’ vroeg ik.
Dat bleek het geval en hij voegde een persoon toe. Die persoon was offline.
‘U kunt nu niet met deze persoon chatten, hij is niet online. Is er nog iemand anders waar u mee wilt chatten?,’ vroeg ik.
Nee, dit was de enige persoon die hij kende. Hij wilde wachten.
‘Maar het kan nog uren duren voordat hij online komt,’ probeerde ik nog.
Dat deerde hem niet.

Toen ik later die dag met pauze ging zag ik ‘m nog steeds doelloos naar het scherm staren.

We zijn inmiddels tien jaar verder, maar alle opvallende klanten staan nog op m’n netvlies: de oudere dame met wie ik meeliep om de weg naar het toilet te wijzen en die me als dank een doosje rozijntjes gaf. De Franse student van de Design Academy die zo onduidelijk Engels sprak dat ik ‘m écht niet verstond toen ie om de nieuwste cd van Jamiroquai vroeg. De Amerikaanse muzikant die, na de bladmuziek voor een obscuur muziekstuk bij me ingeleverd te hebben wegliep én terugkwam, omdat het ‘m niet zinde dat ik niet had geïnformeerd hoe het concert was verlopen; ik ben niet zo van de oppervlakkige beleefdheden. Het meisje dat een cd zocht met een lied uit een operette omdat ze het wilde draaien op de uitvaart van haar oma. Ze zat huilend bij me aan de balie.

Alles wat mooi is moet kapot. In 2008 kreeg de bibliotheek een nieuwe directeur en hij maakte binnen een paar maanden een complete puinzooi van de instelling. Hij versjteerde de relatie met de grootste subsidieverstrekker (de gemeente), joeg tientallen medewerkers weg en doekte uiteindelijk de muziekafdeling op. Tegen die tijd had ik zowaar m’n studie Journalistiek afgerond dus ik kon met opgeheven hoofd vertrekken. Omdat de directeur me met een fooi af had willen poeieren (ik had een vast contract, wat ‘m niet beviel) en uit woede over al het goede dat hij had verziekt heb ik ‘m een ongenadige trap na gegeven op die plekken waar het het meest pijn deed: in de lokale media, bij de gemeente en in het vakblad van het bibliotheekwezen. Hij moet me vervloekt hebben en daar ben ik nog steeds trots op.

De muziekafdeling mag niet meer bestaan, als oud-collega’s hebben we altijd contact gehouden. Iedereen is goed terechtgekomen en elk jaar komen we bij elkaar. Dan halen we herinneringen op aan onze kleurrijke klantenkring. Dit weekend staat een reünie op de planning.

Ook sommige klanten kom ik nog tegen. De verstokte roker zie ik nog af en toe in een platenzaak. Hij is gestopt met roken en gezonder dan ooit. De kale, oudere man die Justify My Love wilde lenen zag ik, zonder kunstgebit, een paar weken terug bij de Albert Heijn. Er was een vage blik van herkenning toen hij me zag; we worden allemaal ouder.

M’n favoriete klant heb ik nog één keer gezien. Dat was in de Free Record Shop in Den Bosch. Hij was druk met klanten helpen en maakte een vermoeide druk. Hij leek me niet te herkennen. Dat zal door het vaderschap komen.

Posted in Eindhoven, Muziek, Overig | Tagged , , , | 1 Comment