Selfietutjes en scooterjochies

Siciliaans balkon.

Eigenlijk wilde ik naar de Cycladen in Griekenland. Naar Naxos, en van daaruit gaan eilandhoppen naar de andere eilanden: Paros, Mýkonos, Delos en de kleine Cycladen. Maar dat bleek nogal duur. Hoelang ik ook wachtte, er bleek geen redelijke aanbieding voor de Griekse eilandengroep voorbij te komen. Ten langen leste stelde ik dat voornemen een jaar uit. Maar wat dan? Een ander Grieks eiland klonk aantrekkelijk, maar als ik volgend jaar alsnog naar de Cycladen wilde zou ik twee achtereenvolgende jaren naar Griekenland gaan. De Azoren dan? Dan zou ik twee jaar na elkaar naar een Portugees oord gaan, want vorig jaar was ik al op Madeira. Ook wilde ik nog eens terug naar de Araneilanden, want mijn ene nacht op Inishmore was me goed bevallen. Nadeel is dat het Ierland is, en je dus nooit weet wat je qua weer van verwachten. Voordeel is dat er erg weinig te doen is, dus een ideale manier om volledig tot rust te komen. Iets wat me op een eiland waar veel te zien en te doen is nooit zou lukken.

Totdat ik me herinnerde dat m’n jongste zus jaren geleden naar Sicilië was geweest. Ze was er enthousiast over. Nog steeds zelfs, zo bleek toen ik haar ernaar vroeg. Ze was in Cefalù geweest, een stadje aan de noordkust van het eiland, ongeveer een uur reizen van Palermo. Het hotel was te boeken via Tui. Betaalbaar, maar de vluchttijden – vanuit Schiphol – bleken onmogelijk: midden in de nacht. Dat betekende een extra hotel boeken in Amsterdam, of m’n vader heel lief aankijken of ie me op wilde komen halen. Toen bedacht ik dat Ryanair vanuit Eindhoven op Sicilië vliegt: op Catania aan de oostkust en Trapani aan de westkust. Via booking.com zocht ik een goedkoop adresje om te verblijven. Cefalù lag te ver weg, dus werd het Taormina, oud stadje aan de oostkust dat onlangs nog het toneel was voor een bijeenkomst van de G7. Veel goedkoper én met betere vluchttijden. Who needs tour operators anyway? Ze maken alleen maar lui.

Met Ryanair weet je wat je kan verwachten. Niet veel goeds, maar ze zijn goedkoop en die tweeëneenhalf uur in het vliegtuig zit je wel uit. Het vervoer tussen Catania Airport en Taormina is ook snel uitgeplozen. Maar de B&B is vrij Spartaans: een kamer met een bed, een ventilator en een balkon; al is balkon wel wat veel eer. De badkamer is extern, wat voor veel onhandig gestuntel met twee sleutels zorgt. Niet praktisch maar ach, we doen niet te moeilijk: ik ben toch heel de dag op pad. De vraag is eerder of in juli naar Sicilië gaan nu zo’n goed idee was. Zeker als je, zoals ik, dingen wilt ondernemen. De temperatuur zou de eerste dagen nog ruim boven de 35 graden zijn, daarna wordt het koeler. Ik klamp me vast aan die dertig graden. Die is te doen.

Op de bovenste foto’s Néapolis, de, anders dan de naam doet vermoeden, oude Griekse stad bij Siracusa, met de Orecchio di Dionisio. Daaronder palmbomen (die maken me altijd vrolijk) en daar weer onder Siracusa, met z’n Duomo, smalle straatjes en mooie balkons. En kapotte speedboats.

Toch zweet ik me de eerste dag in Siracusa nog een ongeluk, zeker op de kale heuvelwand waar de oude Griekse nederzetting Néapolis zich bevindt. Prachtig, zo’n oud Grieks theater maar liever ga ik naar de Orecchio di Dionisio, de grot van Dionysos, ontstaan door afgraving van de rotsen voor de aanleg van het theater. Het blijkt een 22 meter hoge kloof te zijn, bovendien redelijk koel, dus prima om hier een minuutje of tien rond te hangen. Daarna zoek je sowieso toch het liefst de airconditioning van de tourbus op.

Siracusa zelf, of beter gezegd Ortygia, het stokoude eiland waarop de stad ooit is gesticht, is het niet veel anders. Ja, een prachtige, sfeervolle stad, met een kathedraal met een barokke façade, opgetrokken na de aardbeving van 1693 waarbij zestigduizend doden vielen en veel oude gebouwen verloren zijn gegaan. Het woord façade mag je letterlijk nemen; achter die barokke gevel gaat namelijk een veel oudere kerk schuil, opgetrokken uit duizenden jaren oude, Dorische zuilen. Op deze plek is rond 530 voor Christus al door de Grieken een tempel gebouwd. Verder heeft Siracusa vooral veel kronkelende, smalle straatjes, waar Sicilianen zonder problemen hun auto’s nog doorheen weten te proppen. En die straatjes zijn met elkaar verbonden door nog smallere steegjes, het domein van de scooterrijders en de voetgangers.

Het leukste is het om door die smalle straatjes en steegjes van de stad te slenteren. Je verwondert je over de kleurrijke gevels, of de balkons waarvan de verf is afgebladderd. Ze dragen alleen maar bij aan de sfeer van verval en het idee dat dit inderdaad ooit, in lang vervlogen tijden, een wereldstad moet zijn geweest. Dat de stad nu een barokke uitstraling heeft, komt doordat de stad ná die aardbeving is herbouwd in die bouwstijl. De Siciliaanse barok wordt zelfs beschouwd als een eigen substroming binnen de architectuur, met steden als Siracusa, Catania, Modica, Ragusa Ibli en Noto. De plaatsen staan allemaal op de werelderfgoedlijst van UNESCO.

Siracusa was één van de belangrijkste en mooiste Griekse steden in het Middellandse Zeegebied, althans volgens Cicero – met name de vloot van de stad was gevreesd. En het is de geboorteplaats van Archimedes. Nergens in de stad ben ik z’n fameuze cirkel tegengekomen, maar de wiskundige wordt geëerd met een eigen museum met modellen van z’n uitvindingen. En waar de oorsprong van Siracusa Grieks moge zijn is om deze stad, net als zoveel strategische locaties op Sicilië, veel strijd gevoerd. Na de Grieken kwamen de Romeinen, daarna de Byzantijnen, de Arabieren, de Noormannen en de Genuanen. En dan zijn we nog maar aan het einde van de Middeleeuwen aanbeland. Sicilië is de ultieme mix van culturen. Je ziet het terug in de architectuur, je proeft het in de lokale keuken en je hoort het aan de taal, een dialect dat ook voor Italianen soms niet te volgen is. En oja, het is te zien aan de mensen. Er zijn volbloed Sicilianen met blond haar en blauwe ogen. Ze hebben ongetwijfeld Normandische genen, of stammen af van de Vikingen, toen die in het Middellandse Zeegebied huis hielden. (uiteindelijk stammen alle Europeanen trouwens af van Karel de Grote, maar dat terzijde).

Lipari en Vulcano, twee van de Liparische eilanden. Lipari is het grootste eiland van de archipel, met een prachtig fort dat hoog boven de enige nederzetting van betekenis van het eiland uittorent. Het bovenste plafondje is van de San Bartolomeo, de Duomo, het onderste van de San Pietro, langs de Corso Vittorio Emanuele II, de belangrijkste straat van het dorp. Op de onderste vier foto’s Vulcano: alle kleuren van de regenboog. En een penetrante strontlucht.

Een dag later is het iets afgekoeld. En beter nog, er staat een tripje naar twee van de Liparische eilanden aan de noordkant van Sicilië op het programma: Lipari en Vulcano. Lipari is het hoofdeiland van de archipel, met een prachtige burcht die boven het enige noemenswaardige dorp op het eiland uittorent. Hier bevindt zich een aantal eeuwenoude kerken, sommige nog in gebruik, sommige verbouwd tot musea. In de hoofdstraat aan de voet van de burcht bevinden zich allerhande winkeltjes. De meeste verkopen vooral vulkanische stenen, afkomstig van Lipari of één van de buureilanden.

Wie wil kan bij aankomst in de haven een rondleiding door het dorp krijgen, die is toch bij de prijs inbegrepen. Maar dat dorp bekijk ik zelf later op de dag wel. Liever neem ik een rondrit van een uur in een taxibusje over het eiland. Kost een tientje en onderweg stop je op parkeerplaatsen met prachtig uitzicht over de omringende eilanden. Die uitzichtpunten hebben poëtische namen als Quattrocchi, wat vier ogen betekent, want zoveel heb je nodig om van het uitzicht te genieten. En inderdaad, je hebt er een prachtig uitzicht op Salina, waar een wolk een schaduw over werpt.

Terwijl we verder rijden en Debora, onze chauffeur, vertelt over Lipari, krijg ik hier eindelijk het eilandgevoel. Veel meer dan op Sicilië, dat zo groot is dat het eigenlijk geen eiland meer mag heten. De uitzichten over de zee, de wind die door bomen langs de kust waait, de ruige rotskust; zelfs de steengroeve die het eiland aan de noordkant ontsiert kan me niet van m’n à propos brengen: hier zou ik wel meer dan een paar uur door willen brengen. Het archeologisch museum dat zich in de burcht bevindt, is geweldig. Een paar kamers zijn ingeruimd voor de honderden miniatuur theatermaskers, en er zijn zoveel amfora’s opgegraven en opgedoken dat niet één, maar zes wanden ermee kunnen worden gevuld. Midden tussen al het museale geweld bevindt zich de San Bartolomeo, de Dom van Lipari, met een rijk beschilderd plafond.

Het naast Lipari gelegen Vulcano is kleiner en minder ontwikkeld. Bij de aanlegsteiger is een geïmproviseerde winkelstraat aangelegd die volgens m’n reisgids nog het meest weg heeft van een in allerijl opgezet Hollywooddecor. Ik denk dat de schrijfster van de Rough Guide to Sicily niets gewend is. Dit soort straatjes zie je veel meer in Hawaï, en ook daar hebben ze een hoog hippiegehalte. De belangrijkste reden om naar Vulcano te komen is een wandeling naar de rand van de krater van de vulkaan. Stromboli, elders in de archipel, is bekender maar Vulcano is actiever en wordt door vulkanologen als gevaarlijker gezien. Beide liggen ze nabij de breuklijn tussen de Afrikaanse en de Euraziatische plaat.

Een wandeling naar de rand van de krater is iets te veel van het goede voor vandaag. De vulkaan ligt te ver van de haven voor een snel bezoek. Nee, wie een paar uurtjes naar Vulcano gaat, moet vooral de modderbaden bezoeken. De stank van de modder is niet te harden en het spul is bovendien ook nog licht radioactief: wie zwanger is of een slechte gezondheid heeft wordt ten sterkste afgeraden van de baden gebruik te maken. Maar voor de rest is het heel gezond. Wat me van dit bezoek vooral bijblijft is hoe heet de modder is. En de stank, die ik een dag later na drie keer douchen nog steeds kan ruiken. Als ik na hooguit tien minuten badderen mezelf afkoel in de nabijgelegen zee, voel ik de grond trillen. Die vulkanologen hebben groot gelijk dat ze Vulcano goed in de gaten houden.

Palermo, melting pot van de vele culturen die in de afgelopen millennia hun stempel hebben gedrukt op Sicilië. Van boven naar beneden: een eerbetoon aan de heilige Rosalia, wiens naamdag de avond ervoor fanatiek is gevierd, het Teatro Massimo, de Via Maqueda, de belangrijkste verkeersader van Palermo, vanwege de feestelijkheden autovrij gemaakt, met de kruising Quattro Canti, de fontein op het Piazza Pretoria, de Martorana, de kathedraal van Palermo en een steegje niet ver van de Via Maqueda. Op de onderste zes foto’s Cefalù, met de Duomo en straatjes. Op de onderste foto een abstract zeezicht; misschien wel m’n favoriete foto van Sicilië.

Een dagtrip naar Palermo is een must. Al is het een beetje maf om de hoofdstad van Sicilië te bezoeken vanuit Taormina. Het is een beetje alsof je met de bus van Eindhoven naar Groningen gaat voor een stadswandeling van een uurtje of drie en nog anderhalf uur vrije tijd, alvorens weer de lange terugreis te hervatten, maar dan met een tussenstop van anderhalf uur in Zwolle, of Deventer. Niettemin biedt zo’n dagtrip ook een mooie kans om het binnenland van Sicilië te zien. Een landschap dat veel minder kaal en dor is dan je op basis van het warme klimaat zou verwachten.

Ik kende Palermo vooral van de moordaanslag op Giovanni Falcone, die in 1992 door de maffia met behulp van kilo’s aan explosieven onder het wegdek van de A29 samen met z’n vrouw en drie bodyguards werd opgeblazen. Nog steeds is Palermo, een metropool met in totaal ruim 1,2 miljoen inwoners, de hoofdstad van de Siciliaanse maffia. Als toerist merk je daar niks van, behalve dan dat de middenstand schaamteloos pronkt met allerlei sinistere snuisterijen: t-shirts met opdruk van Marlon Brando als Vito Corleone, cd’s met muziek uit The Godfather en dagtripjes naar het dorpje Corleone, dat echt bestaat en in werkelijkheid ook een link met de maffia heeft. Het meest komische zijn de zwarte koffiemokken waarbij het oor is vervangen door het handvat van een pistool. Ook hier weer met The Godfather als opdruk.

Wel is Palermo een tolerante stad, een mix van de vele verschillende culturen. Dat zie je met name goed terug in de architectuur van de stad: een mix van Romaanse, Arabische en Normandische stijlen. Ook nu nog is Palermo een tolerante stad, waar Afrikaanse bootvluchtelingen gastvrij worden ontvangen; ondanks de grote problemen waar een arme stad als Palermo mee te kampen heeft. Als de touringcar ‘s morgens Palermo binnen rijdt, staat op een muur ‘Lega Nord Merda’ geschreven. Dan weet ik al: hier ga ik een leuke dag hebben.

Palermo is de luidruchtigste stad van Italië: een constante kakofonie van loeiende sirenes, toeterende auto’s, lawaaiige scooters en roepende marktkooplui. Niet vandaag. De avond ervoor is de feestdag van Rosalia, de patroonheilige van Palermo, gevierd. En heiligenverering nemen ze in Sicilië zeer serieus: vuurwerk, een optocht met praalwagens en een drankgelag. Deze morgen ligt het grootste deel van de inwoners van Palermo nog de roes uit te slapen van de nacht ervoor. De belangrijkste verkeersader van de stad is zelfs autoluw gemaakt – uniek in Italië. Toch is het niet moeilijk je de hectiek van de stad op een andere reguliere dag voor te stellen. Het kruispunt Quattro Canti, met op iedere hoek een fontein die één van de vier seizoenen voor moet stellen.

Onze gids Valentina vertelt er vol vuur over. Over de fontein, maar ook de prachtige kerk Martorana. Het oude deel van de kerk heeft een plafond met Byzantijnse mozaïeken, het nieuwere gedeelte barokke plafondschilderingen. De pilaren zijn Grieks, en op één van de andere pilaren is een koranspreuk in het Arabisch te lezen:  opnieuw een teken van de religieuze tolerantie in de grootste stad van Sicilië. Later die dag bezoeken we een markt in de volksbuurt Capo. De smalle straatjes zijn volgestouwd met kraampjes met groente, fruit, vlees en vis. Eigen teelt en allemaal spotgoedkoop. Onze gids steekt haar enthousiasme niet onder stoelen of banken. ‘Look at these tomatoes! Look at the prices! Look at the zucchini, only in Sicily you see such zucchinis!’, roept ze terwijl ze op een meterslange, dunne courgette wijst. Langs sommige balkons boven de markt langt een plastic emmertje: bewoners laten hun emmertje voor de boodschappen naar beneden zakken.

Later die dag ga ik op eigen houtje nog op zoek naar de Capitolijnse kapel, wereldberoemd voor de Byzantijnse mozaïeken. Helaas: die is vandaag gesloten. Daarna struin ik al zigzaggend door de straten rond de kathedraal van Palermo, waarvan de koepel af en toe boven de flatgebouwen zichtbaar is. In een bakkerij in een achterafstraatje bestel ik bij een Siciliaan in m’n allerbeste Italiaans een broodje en een cola light: drie euro. Ik had ook luxueus uit eten kunnen gaan in het chique restaurant dat de gids ons had aangeraden, maar daar rekenen ze voor een fles water alleen al acht euro. Dit is goedkoper én leuker: de verkoper, een boom van een kerel, schreeuwt geregeld in plat-Siciliaans naar de keuken en neemt telefonisch bestellingen aan terwijl ik verbaasd en geamuseerd toekijk.

Na de lunch gaat de reis naar Cefalù, een stadje met twee bezienswaardigheden: de oude Dom, met Byzantijnse mozaïeken, en het oude washuis. Helaas, de Byzantijnse mozaïeken worden gerestaureerd. Het badhuis laat ik schieten. Opnieuw zijn het de smalle steegjes en straatjes die de voornaamste toeristische attracties zijn. Cefalù is een alleraardigst stadje met een gemoedelijke sfeer waar ik graag langer was gebleven: het heeft een leuke boulevard met een prachtig strand, het heeft gezellige, kleine eettentjes en een prachtig plein aan de voet van de Dom van het dorp. En het is nog niet zo vreselijk toeristisch als Taormina.

Taormina: toevluchtsoord van de rijkelui van Italië. Op de bovenste foto van boven gefotografeerd vanuit het uitzichtpunt voor de Madonna della Rocca, een in de rotswand uitgehouwen kerk, daaronder Isola Bella, het dagelijks door toeristen overlopen natuurreservaat aan de kust bij Taormina, het Griekse theater en het uitzicht vanuit de tuinen, inclusief follies van de hand van Florence Trevelyan. Tussendoor nog een paar balkonnetjes.

Want Taormina had ik, door het drukke schema met alle dagtripjes, nog amper bekeken. Ja ‘s avonds, als ik de Via Umberto I afstruinde, op zoek naar een betaalbaar eettentje. Voor Taormina had ik de zondag gereserveerd: m’n luierdag. Ware het niet dat net die morgen een gigantisch onweer boven Taormina losbarst. Ik blijf in m’n kamer van m’n B&B en wacht geduldig tot het droog wordt. Soms loop ik naar de keuken om aarzelend de donkere lucht te checken. ‘It’s only temporarily!’, roept mijn gastvrouw enthousiast terwijl ze op haar smartphone wijst. Een jong meisje, vermoedelijk haar dochter, vraagt waar ik vandaan kom. Nederland? ‘Ah, so you’re used to this weather,’ zegt ze schouderophalend. ‘Yeah, we have this every day,’ zeg ik met een stalen gezicht.

Ik moet het trouwens nog even over mijn gastvrouw hebben. Antonella is een schat van een vrouw maar Engels spreekt ze, zoals alle Italianen, amper. Ze vindt het jammer dat ik op de eerste dagen al zo vroeg op pad ben, met m’n tripjes naar Siracusa, Lipari en Vulcano, en Palermo en Cefalù. Nu kan ze me niet verwennen met haar verse croissantjes en verse koffie. Want wat is Antonella trots op haar koffiezetapparaat. Een uitgebreide espressomachine met all mod cons. Ze is teleurgesteld dat ik alleen melk drink (ik heb nog nooit koffie gedronken. Ik neem me voor dat ooit wel eens te doen, maar dan in een koffiezaak met zo’n barista met hipsterbaard, die voor mij het perfecte bakkie kan zetten). Wil ik dan geen warme melk, met opgeklopte room? Nou, vooruit dan maar. En daar jaagt ze een kannetje melk door haar trots en toeverlaat.

Als het droog is en de zon doorbreekt, is het al na twaalven. Ik beklim de straten naar de Via Umberto I, de hoofdstraat van Taormina. Ik ben op zoek naar het wandelpad naar de Madonna della Rocca, een in de bergen uitgehouwen kerkje met prachtig uitzicht over Taormina en het schiereiland Isola Bella. In een straatje gaat een kerkje open. Ik twijfel of ik naar binnen zal gaan. Een man die een reclamebord naar buiten draagt ziet het: ‘we’re open. We haven an exhibition. It’s free.’ (Met die laatste opmerking toont hij aan me als Nederlander te hebben ontmaskerd.) De kunstwerken van de Italiaanse kunstenaar Antoni Scilesi bestaan uit een mix van knip- en plakwerk en verf. Op sommige momenten moet ik denken aan de kunstenaars uit La Grande Bellezza. Andere momenten ben ik nieuwsgierig. In de crypte onder de kerk hangt het laatste werk van Scilesi. Op het schilderij staan een man en een vrouw, met twee kinderen. Door het slechte licht zie ik het eerst niet goed en lijken het vier vluchtelingen, maar dan valt het me pas op: de man draagt een militair uniform en heeft onmiskenbaar een snorretje.

Nu vullen de straten van Taormina zich langzaam weer. Langs de doorgaande weg vind ik het begin van het wandelpad naar de Madonna della Rocca. Het zigzagt omhoog, een klautertocht van ongeveer twintig minuten. Eenmaal bovenaan druipt het zweet alweer van m’n voorhoofd; ook na het onweer blijft het plakkerig heet. Maar het uitzicht over Taormina maakt veel goed. Als je door de straten loopt, heeft het plaatsje nog het meeste weg van een Tardis: je hebt geen idee hoe al die straatjes, steegjes en dat oude Griekse theater op die paar vierkante kilometer passen. Van boven zie je hoe alles in elkaar grijpt.

Ik had verder kunnen wandelen, naar de ruïne van het kasteel van de Saracenen, dat nog hoger ligt. Maar liever neem ik de kabelbaan naar de kust. De Siciliaanse kust is volgebouwd met lido’s, de ene nog slechter onderhouden dan de andere en het kleine stukje strand rond Isola Bella dat niet in privébezit is, is bezaaid met zonaanbidders. Daarom huur ik vandaag liever voor een paar uur een strandstoel met parasol. Eerst zwem ik een stukje in de richting van het Isola Bella, een natuurreservaat. Dit was het domein van Florence Trevelyan, een Schotse dame die in 1884 met zachte hand naar Sicilië werd afgevoerd omdat ze een ongewenste relatie met de latere koning Edward VII had. Ze sleet haar dagen in Taormina en legde daar en op Isola Bella, tuinen aan die ze volstopte met follies.

Dit is de kust waar de eerste Griekse emigranten zich duizenden jaar geleden vestigden. Ze kwamen naar Giardini-Naxos, inderdaad vernoemd naar het eiland in de Cycladen waar ze vandaan kwamen. Ook de naam Taormina heeft is niet van Italiaanse oorsprong. Dat is niet vreemd, want de ‘ao’-combinatie kom je in die taal zelden tegen. Maar draai de delen ‘mina’ en ‘taor’ om en je komt tot een verwijzing naar de minotaurus. Inderdaad, ook de plaatsnaam Taormina is van Griekse origine.

Lang stilliggen op mijn strandstoel is er niet bij. Al snel begint het te kriebelen. Eerst wil ik een boottochtje rond Isola Bella maken. Die excursie wordt op het strand aangeboden. Ik schat dat een tochtje van amper een uur een tientje kost. Maar de prijs is vijftien euro, zo is het droge antwoord. Niet dat boot trouwens uitvaart, want ik ben de enige geïnteresseerde.

Dat is het euvel van Taormina. Het is toeristisch en dat betekent in Italië: duur. Als er een versie van Monopoly met alleen zuid-Italiaanse steden zou bestaan, dan zou de Via Umberto I de Kalverstraat zijn. In deze straat, die zich uitstrekt tussen drie stadspoorten, wisselen toeristische winkeltjes en poepsjieke shops elkaar af. In de etalages vind je sieraden van duizenden euro’s, of tassen van Gucci met een bedrag van minstens vier cijfers – voor de komma. Taormina is het domein van de jetset: Jim Kerr van Simple Minds opende hier jaren geleden een eigen boetiekhotel (fun fact: de groep heeft een album uitgebracht met de titel Néapolis, een verwijzing naar de oude Griekse stad bij Siracusa). En als ik de roddels moet geloven, zou Donald Trump hier regelmatig een dubieus dealtje hebben gesloten.

Maar Taormina in het algemeen en de Via Umberto I in het bijzonder zijn ook prachtig. Het is een fotogeniek straatje, met een paar kerkjes, strategisch verspreid over de lengte van de straat, en een pleintje met een prachtig uitzicht over de kustlijn van Sicilië, met op de achtergrond de Etna, waar als waarschuwing altijd een pluimpje rook uit lijkt te komen. ‘s Avonds struikel je er over de toeristen, of wordt de doorgang bemoeilijkt door een fotoshoot voor een trouwerij, of een modeshow op één van de pleintjes.

Het irritantste is dat de smalle straatjes worden geterroriseerd door grote en kleine jochies op scooters. Overdag gaat het nog, maar in de binnenplaats waar m’n B&B is gevestigd, springt een bewoner in één nacht ieder uur minimaal één keer op z’n scooter. Dat geldt elke keer gepaard met veel kabaal – want dat moet in Italië – al is het gerinkel van het kettingslot nog het vervelendst. Geen idee waar hij elk uur heen moet, maar het is Sicilië, dus ik vraag er maar niet naar. En dan zijn er nog de meisjes die me het bloed onder de nagels vandaan halen door tergend lang op één plek te blijven staan en met behulp van een selfiestick tien of twintig foto’s maken. Telkens als ik denk dat ze nu toch wel alle hoeken hebben gehad waarin ze zwoel op de foto kunnen kijken met de skyline van Taormina op de achtergrond, hebben ze toch weer iets anders bedacht. Ik nam me voor om het eerstvolgende Italiaanse tutje dat met haar selfiestick zat te spelen te photobomben. (Nee, dat heb ik niet gedaan).

Ook uit eten gaan is in Taormina schreeuwend duur. Een pizza kost niet veel (al is het geen Happy Italy), maar per persoon rekent een restaurant rustig twee euro per couvert, met nog een euro extra voor service, en dan nóg staat op het bonnetje vermeld of we de fooi niet willen vergeten. Het geldt voor alle restaurants in het plaatsje, dus je kunt er niet omheen. Nouja, de Ierse pub doet er niet aan mee, maar ik ben niet naar Sicilië gekomen voor fish ‘n chips en hamburgers. Zo’n schaamteloze geldklopperij was ik niet eerder in het middellandse zeegebied tegengekomen: noch op Kreta, noch op Madeira. Wel elders in Italië: in Rome.

De toeristen laten zich het maffiose gedrag van de lokale middenstand welgevallen. Misschien weten ze niet beter. En dat Griekse theater ligt zo idyllisch, zeker omdat de achterwand deels is weggebroken: het publiek heeft nu de Etna als decor. Die dramatische setting blijft geliefd; het theater is nog steeds in gebruik voor uitvoeringen van opera’s. En die gemeentelijke tuinen, met alle maffe follies van Trevelyan is een oase van rust.

Op de Etna: je blijft foto’s maken. En ‘s middags een verkoelende duik in de Alcantarakloof, waar het een kunst is om de andere toeristen heen te fotograferen.

Al sinds mijn aankomst keek ik op de Etna uit. Een bezoek had ik er tot deze dag nog niet gebracht. Naar de top kan je niet, dat is te gevaarlijk, maar je kunt wel dichtbij komen. Dat heb ik al eens bij de Haleakala gedaan. Nee, vandaag blijf ik wat dichter bij de voet van de vulkaan en ga ik met een jeep geregeld off road om oude lavastromen te bekijken. Dat is een geslaagde keus: onze gids Francesco is een gezellige prater die goed Engels spreekt en mijn jeepgenoten zijn een Nederlands stel met twee kinderen plus een Deens echtpaar. De wandelingen zijn niet al te uitdagend, maar off the beaten track: weinig andere toeristen. Francesco vertelt bij de eerste lavastroom over hoe deze in 1979 het dorp heeft verwoest. De lavastroom kwam tot stilstand bij een huis dat er nog steeds staat. In het puimsteen is een plaquette geplaatst ter herinnering aan een bewoner die met een bulldozer de lava te lijf ging. Hij overleefde het, al haalde z’n drieste actie niet veel uit.

Ook legt Francesco uit waarom de Etna ‘de goede vulkaan’ wordt genoemd: op de flanken is de grond zo vruchtbaar en in het warme, subtropische microklimaat van Sicilië schijnt de zon zo uitbundig dat er twee of drie keer per jaar geoogst kan worden. Vijf procent van de totale landbouwproductie van de EU is afkomstig van Sicilië. Met name de pistachenoten van Sicilië worden geroemd. Er wordt een lokale likeur geproduceerd met een alcoholpercentage tot 70%. En er is de wijnproductie. Zo heeft Mick Hucknall een wijngaard en produceert hier z’n eigen wijn: Il Cantante. ‘Zeker alleen rode wijn?’ vraag ik. Hij snapt de grap niet en begint Red Red Wine te zingen. Hij mijdt de problemen van Sicilië niet. 20% van de jongeren tussen de 16 en 24 jaar is werkeloos. Ze vertrekken naar elders in Italië of Europa, of volgen een tweede studie aan één van de vier universiteiten op het eiland. Vervolgens kunnen ze nog geen werken vinden, wat het wrange grapje oplevert dat Sicilië de best opgeleide werklozen van Italië heeft.

Later in de morgen bezoeken we een lavagrot, eeuwen geleden in gebruik om ijs in op te slaan. Tot voor kort was niet bekend waar de grot voor gebruikt werd, totdat iemand een gravure in Sint Petersburg van de grot als ijsopslagplaats trof. Daarna maken we een langere wandeling door één van de oude kraters, in de negentiende eeuw voor het laatst uitgebarsten. Het landschap is hier dor en leeg, bewoning mag maar tot 1200 meter hoogte en in tegenstelling tot de bewoners rond de Vesuvius houden de Sicilianen zich keurig aan die regel.

Hij vertelt over de G7-top, die eerder dit jaar werd gehouden in Taormina. Gekkenwerk, zo vindt hij. Over die smalle weggetjes naar boven met zeven regeringsleiders, elk met zo’n twintig bodyguards. Het heeft één voordeel: de weg naar het dorp is speciaal voor de top helemaal opgeknapt. Francesco verhaalt nog eens over de Amerikanen, die het liefst uit veiligheidsoverweging wat huizen hadden gesloopt. En over Trump, maar om hem wordt vooral heel hard gelachen. Niemand die hem hier serieus neemt. Dat blijkt wel als je een wandeling over de Via Umberto I maakt: geregeld kom je karikaturen van Trump tegen, al dan niet met een Italiaans ijsje (met twee of meer bolletjes) in z’n hand.

‘s Middags hebben we een Siciliaanse lunch in een wintersportoord op de Etna. We zitten hier zo hoog op de vulkaan dat het gebied een groot deel van het jaar wordt gebruikt voor de wintersport. Het moet een prachtig beeld zijn om op een winterdag vanuit Taormina of Catania uit te kijken op de Etna waarvan de top is geheuld in een dik pak sneeuw. Later in de middag maken we een verkoelende wandeling door de Alcantarakloof. Het water van de rivier komt rechtstreeks uit de bergen en is heel het jaar door ijskoud. Dat is even wennen, maar na een paar minuten zijn de scherpe steentjes op de rivierbodem het grootste ongemak. Dat en de overvloed aan andere toeristen die de idylle wat verstoren.

De Vallei van de Tempels van Agrigento. Oké, al die pilaren lijken op elkaar, maar het zandsteen contrasteert zo mooi met de blauwe lucht dat je foto’s blijft maken. Op de bovenste acht foto’s de tempels van Juno en Concordia, plus een doorkijkje door de oude stadsmuur. Daaronder heb je gaandeweg meer fantasie nodig om je de grandeur van het oude Akragas voor te stellen, met de resten van de tempels van Heracles, Zeus, en Castor en Pollux. En een vlindertje.

De Vallei van de Tempels bij Agrigento behoort tot het belangrijkste culturele erfgoed van Sicilië. Vandaar dat zelfs vanuit Taormina dagtrips worden georganiseerd, ondanks dat de reis zo’n twee keer drie uur in beslag neemt: Akragas, zoals de Griekse nederzetting heette, ligt in de zuidwesthoek van het eiland, Taormina aan de oostkust. De reis naar Agrigento gaat door hetzelfde glooiende heuvellandschap als naar Palermo eerder in de week. Hier worden graan en maïs verbouwd: Sicilië is al sinds de oudheid de graanschuur van Rome. Soms is tussen dat graan een veld met zonnepanelen te vinden, of staan op een heuvel windturbines. Voor de rest is het landschap leeg, met op hoge kliffen oude vestingstadjes als Enna, Caltanissetta of Caltagirone (het voorvoegsel ‘calta-‘ in de namen komt van ‘kalat’, het Arabische woord voor kasteel). De snelweg heeft ontelbaar veel tunnels en viaducten. Die laatste hebben om de honderd meter, ter hoogte van de pijlers, een rooster ter bescherming bij aardbevingen.

Agrigento is geen mooie stad, met een skyline die wordt vervuild door foeilelijke appartementencomplexen. Maar in zo’n flat heb je wel uitzicht op de tempels van Akragas, de in de vijfde eeuw voor Christus gestichte Griekse stad. Het was indertijd één van de rijkste steden van de oudheid. Volgens de overlevering hadden de inwoners ivoren meubilair, was er goud en zilver in overvloed en kregen zelfs huisdieren een luxe begrafenis. Tegenwoordig resteren alleen nog de tempels en een stuk stadsmuur: 90% van de stad is niet opgegraven – en dit gaat in de nabije toekomst ook niet gebeuren.

De Italianen lijken er drukker mee om de tempels die zijn uitgegraven en opgeknapt, zoals de tempels van Juno en Concordia, goed uit te lichten. En als ik de foto’s mag geloven (mijn touringbus gaat in de loop van de middag terug naar Taormina) zien met name de Dorische zuilen van de tempel van Concordia er bij nacht prachtig uit. Die tempels waar niet veel meer van over is vergen meer fantasie van de bezoeker. Met name de atlassen, die bij de tempel van Zeus als zuilen fungeerden, moeten er spectaculair uit hebben gezien.

Catania is opgetrokken uit weinig sfeervol zwart lavasteen, maar is een verrassend leuke stad, met veel aardige binnenplaatsjes. En, zoals overal op Sicilië, veel kerkjes. Het plafondje hierboven fotografeerde ik in de San Giuliano, net voor de kerk de deuren sloot voor de middagpauze.

Op mijn laatste dag in Sicilië besluit ik in de loop van de morgen alvast richting het vliegveld te vertrekken. Catania lijkt me een aardige plaats, m’n spullen kan ik kwijt op het treinstation. Dat blijkt tegen te vallen. Het bagagedepot is uitbesteed aan een commercieel bedrijfje, zo blijkt het uit het kaartje dat de chagrijnig uit haar ogen kijkende, ongeïnteresseerd kauwgom kauwende spoorbeambte in m’n handen duwt. Die bagage kan ik dumpen, maar daarvoor moet ik wel twintig hete minuten door de stad sjouwen. Typisch Italië: je kunt je tas achterlaten op een plek in de stad die niet op het busstation of op het treinstation zit, maar ergens in het niemandsland ertussenin. Er is dan ook helemaal niks te doen als ik het kantoortje – verrassend snel – vind. De medewerkster is uiterst behulpzaam en spreekt vloeiend Engels; beter dan alle gidsen die ik deze vakantie heb ontmoet.

Eenmaal van m’n last verlost begin ik Catania meer te waarderen. En dat terwijl ik tijdens m’n tocht met bagage nog heb overwogen rechtsomkeert te maken en de eerste de beste bus naar het vliegveld te nemen om daar dan maar de rest van de dag door te brengen –  geïrriteerd was ik over deze idiote constructie. Daar komt nog bij dat m’n reisgids niet veel goeds over Catania te melden heeft: je moet er vooral oppassen voor zakkenrollers en tasjesdieven, het is een stad die in de rest van Italië een reputatie van roversnest heeft. Maar ik vind Catania leuk. De zeelucht, de winkels met visspullen en de uit zwart lavasteen opgetrokken vervallen panden: ze geven de stad een heel eigen karakter.

De Duomo, begraafplaats van componist en lokale trots Vincenzo Bellini, ontbeert het kleurrijke plafondje waar ik altijd naar op zoek ben, maar op het plein voor de kerk staat een fontein met een alleraardigst beeld van een olifant, sinds eeuwen het symbool van de stad, en op een klein pleintje achter het Piazza del Duomo is een luidruchtige vismarkt bezig – de lucht komt me tegemoet. In de smalle straatjes eromheen wordt in groente en vlees gehandeld. Het leukste is dat veel van deze straatjes doorgangen hebben naar binnenplaatsen die soms prachtig zijn ingericht en soms zwaar zijn vervallen. Ik liep nieuwsgierig zo’n binnenplaats op en richtte m’n camera omhoog. Die foto alleen al is m’n tripje naar Catania waard. Een man kijkt uit een hoek toe en roept wat in het Italiaans naar me. Hij gebaart naar boven. Op een plank staan twee bouwvakkers te klussen. Ze zwaaien naar me.

In m’n geïmproviseerde wandeling door de stad kom ik langs diverse kerken, de meeste sluiten rond het middaguur hun deuren. In één kerk zie ik hoe een medewerker de lampen van de opgestoken (elektrische) kaarsen vlak voor de siësta uitdraait. Tussen de middag hoeven die niet voor het zielenheil van de gelovigen te branden.

Ik wil ruim op tijd op het vliegveld zijn, maar vergis me in de vertrektijd van m’n vliegtuig. Daardoor ben ik al veel te vroeg op het vliegveld van Catania. Jammer, want ik had graag nog een wandeling gemaakt naar de Villa Bellini, het park van Catania, gelegen aan de via Etnea. Inderdaad, die weg leidt tot de voet van de Etna. Een gemiste kans, maar wellicht voor een volgend bezoek.

Ja, Sicilië is prachtig. Het eilandgevoel heb ik er niet gekregen; daarvoor is het simpelweg te groot. Er is ook te veel te zien, dus met een weekje aan de oostkant red je het niet. Een volgende keer moet ik echt vliegen op Trapani, aan de westkant van het eiland. Van daaruit kan ik Palermo opnieuw bezoeken, dit keer wat uitgebreider, naar de Egadische eilanden varen of de ruïnes van Segesta en Selinunte bekijken. Het is er ook een stuk minder toeristisch dan Taormina, dat zich uit de markt prijst met z’n idiote prijzen. Misschien leidt de reis wel naar de Liparische eilanden. Want het eilandgevoel kreeg ik wel toen ik op Lipari was, en ik wegkeek op de andere eilanden van de archipel. Toen ik door die burcht die boven het dorp uittorent struinde, en me in het archeologisch museum verwonderde over de honderden amfora’s en miniatuur dodenmaskers.

Vlak nadat m’n vliegtuig is vertrokken uit Catania zie ik in de zee onder me een paar eilanden liggen. Een van de eilanden heeft een perfecte kegelvorm. Uit de top komt een klein pluimpje rook: Stromboli. Voor een volgende keer.

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Selfietutjes en scooterjochies

Tien keer Pacific

Haleakala. Bezongen door George Harrison.

Boekenkasten vol zijn er over de Pacific geschreven. Letterlijk. En niet door de minsten; Herman Melville, W. Somerset Maughan, Mark Twain, Robert Louis Stevenson, Jack London, Pierre Loti, James Jones, James A. Michener, Paul Theroux. Zelfs Paul Gauguin vertrouwde z’n zielenroerselen een keer toe aan het papier in het niemendalletje Noa Noa. Met name korte verhalen over de Pacific lees ik graag. Jack Londons The Seed of McCoy en Mauki, Robert Louis Stevensons The Isle of Voices zijn prachtige verhalen, maar het allermooiste is The Forgotten One van James Norman Hall. Wie gelooft in Zuidzeeromantiek is na het lezen van dat verhaal voorgoed genezen.

Is er ook veel gezongen over de Pacific? Mwa, dat valt een beetje tegen. Al heeft met name Hawaï invloed gehad op de muziekwereld. In de eerste plaats door de films die er vanaf de jaren dertig werden opgenomen. Minstens zo belangrijk was de tikicultuur die na de Tweede Wereldoorlog in zwang raakte: soldaten die gelegerd waren in de Pacific gingen eenmaal thuis graag uit eten in restaurants en cafés die waren ingericht als replica’s van eilanden in de Stille Oceaan. Ook de muziek uit Polynesië werd meegenomen en door muzikanten als Martin Denny, Les Baxter en Arthur Lyman verbasterd tot exotica: muziek op instrumenten als conga’s, bongo’s, marimba’s, xylofoons – daarbij het liefst ondersteund door dierengeluiden. Inspiratie kwam niet alleen uit de Pacific, maar ook uit Zuid-Amerika, Afrika of het Verre Oosten. De populariteit nam in de jaren zestig af, maar de invloed leeft voort; Caro Emerald liet zich op haar meest recente ep Emerald Island nog inspireren door het genre (de openingstrack op die ep heet zelfs Tahitian Skies).

Ik beperk me bij deze top-10 tot namen die nog enigszins bij het westerse muziekpubliek bekend zijn. De enige uitzondering is Israel Kamakawiwo’ole, letterlijk (hij woog meer dan 350 kilo) en figuurlijk een grootheid binnen de Hawaïaanse muziekwereld; diens Facing Future is het bestverkochte Hawaïaanse album ooit. Niet dat er geen contemporaine muziek uit de Pacific om handen is. Putumayo bracht een jaar of tien geleden een aardige compilatie uit: South Pacific Islands. Daarop is de Polynesische, en vanuit Nieuw-Zeeland opererende groep Te Vaka met maar liefst vier liedjes vertegenwoordigd. De groep werkte vorig jaar nog mee aan de soundtrack van Disneyfilm Moana. Ook leuk zijn de Papoea-Nieuw-Guinese zanger Telek en de uit Nieuw-Caledonië afkomstige groep Gurejele. Putumayo brengt een verwaterde versie van wereldmuziek, hapklaar gemaakt voor westerse oortjes, maar het is best genietbaar.

Wie meer authenticiteit zoekt kan terecht bij de Zwitserse muzikaal antropoloog Hugo Zemp die begin jaren zeventig in opdracht van de Verenigde Naties opnames maakte. Hij nam in 1970 in de Solomoneilanden het slaapliedje Rorogwela op. De tekst gaat over een jong weesje dat wordt getroost door z’n oudere broer. Het werd in de jaren negentig gesampled in het lichtelijk pervers getitelde Sweet Lullaby van Deep Forest. En cartoonist en obsessief verzamelaar van 78-toerenplaatjes Robert Crumb stelde ooit een cd samen met de titel Hot Women: Women Singers from the Torrid Regions of the World, met daarop onder andere opnames uit Hawaï en Tahiti. Onlangs kwam ik in een platenzaak een dubbel-cd tegen met de titel Café Hawaii en toen ik zelf in Hawaï was kocht ik een boek (en de bijbehorende cd) met de titel The 50 Greatest Hawai’i Albums. Om maar te zeggen: er is wel íets meer.

Vandaar m’n Spotify-playlist: daarin niet alleen tien onderstaande liedjes, maar ook andere bijdragen die de lijst niet haalden. Bij de samenstelling van de top-10 heb ik gelet op verwijzingen naar specifieke locaties in de titel (of, in het geval van de nr. 10, in de songtekst), maar ik wilde ook een goede spreiding. En hoewel de spoeling vrij dun was, ik had te veel keus voor een top-10.

10. Crosby, Stills & Nash – Southern Cross (1982)

Binnen de westcoastpop is altijd met verlangen over de Grote Oceaan weggekeken. Bij de Beach Boys gebeurde dat nog vol romantische ideeën over surfen en leuke meisjes (de groep nam voor één van hun kerst-lp’s zelfs een Hawaïaans kerstliedje op: Melekalikamaka). Joni Mitchell, indertijd actief in de folkscene van Laurel Canyon, Los Angeles, schreef op haar eerste trip naar Honolulu al over de teloorgang van het paradijs Hawaï. ‘They paved paradise and put up a parking lot,’ zong ze in Big Yellow Taxi. De Eagles waren in The Last Resort, de mooiste track van hun album Hotel California, nog veel cynischer. Amerika is verdorven door het kapitalisme; ook Californië zal ten onder gaan aan het westerse vooruitgangsdenken. Zelfs Hawaï is niet meer veilig, zo treurde Glenn Frey: ‘you can sail to Lahaina, just like the missionaries did. They even put a neon sign: ‘Jesus is coming.”

Stephen Stills geloofde in 1982 nog wel in de romantiek van de Zuidzee. Voor de comeback-lp Daylight Again van Crosby, Stills & Nash (Neil Young had weer eens geen zin) bewerkte hij de song Seven League Boots tot Southern Cross. De protagonist in Stills’ Southern Cross zeilt over de Pacific, de tekstregels geven aan waar het schip zich bevindt: ‘got out of town on a boat goin’ to Southern Islands’, ‘the downhill run to Papeete’ en ‘off the wind on this lie the Marquesas.’ Hij zeilt weg voor een ongelukkige, op de klippen gelopen relatie, maar z’n reis over de Grote Oceaan, onder het gesternte van het Zuiderkruis, biedt hoop voor de toekomst. Met al die nautische verwijzingen is de song een typische exponent van het uit de westcoastpop voortgekomen subgenre met de o zo melige naam yacht rock (de videoclip doet er helemaal niks aan om dat beeld weg te nemen). Southern Cross werd als single uitgebracht en bereikte de achttiende plaats in de Amerikaanse Billboard Hot 100, de laatste hit van betekenis voor het trio.

Het Zuiderkruis. Ik weet niet hoe de tegenvoeters er over denken, maar voor een noorderling klinkt de naam alleen al heel ver weg.

9. ABBA – Happy Hawaii (1976)

Hey Honolulu, we’re going to happy Hawaii
Alice has been there, she said it was fun
Swimming and surfing, enjoying the sun

Ik vraag me af of Björn Ulvaeus en Benny Andersson wel in Honolulu zijn geweest voordat ze Happy Hawaii schreven. Hawaï is geweldig, maar Honolulu is op z’n best een verzameling karakterloze betonblokken. Het is niet zonder charme; Waikiki is een leuk strand en heeft een mooie boulevard, Pearl Harbour is een absolute must, het Bishop Museum is één van de beste musea met kunst uit de Pacific en er is geen betere plek om te leren surfen dan de noordkust van Oahu; zelfs ik kan het nu. Ik ben er geweest, dus ik kan het weten.

Wie denkt dat de mannen van ABBA veel liedjes opnamen en alleen de allerbeste voor hun albums kozen komt bedrogen uit. Liever bleven ze wekenlang aan een compositie schaven om die tot in de puntjes te perfectioneren. Zo begon Happy Hawaii als een andere song: het voor ABBA-begrippen vrij logge Why Did It Have To Be Me?, de enige track op de lp Arrival die door Björn is ingezongen. Het houdt het midden tussen boogie en glamrock.

Het aardige is dat ze eerder experimenteerden met een luchtigere variant, in de typische ABBA-sound van de vroege jaren zeventig. Hier worden de clichés niet gemeden: een intro met de ruisende zee, een (als een synthesizer klinkende) slide gitaar die zorgt voor een authentiek Hawaïaans element en een tekst die gaat over een persoon die de grauwe regelmaat van het dagelijks leven (en, zoals wel vaker bij ABBA, een ongelukkige liefde) wil ontvluchten. Het geeft aan hoe nauwgezet de twee songschrijvers van ABBA te werk gingen, al werd voor de lp Why Did It Have To Be Me? verkozen boven Happy Hawaii.

Gelukkig voor ons verscheen Happy Hawaii alsnog als b-kantje van single Knowing Me, Knowing You. Ik mag er graag aan denken hoe Mamma Mia! niet op een Grieks eiland maar midden in de Pacific, halverwege Amerika en Japan, is gesitueerd. Met Happy Hawaii als soundtrack.

8. David Essex – Tahiti (1983)

Het verhaal van de muiters van de Bounty spreekt ook tegenwoordig nog tot de verbeelding. De bemanning van de Bounty die onder leiding van Fletcher Christian in 1789 in opstand kwam tegen de wrede kapitein Bligh en zich, er zeker van te zijn bij ontdekking ter dood te worden veroordeeld, op het afgelegen eiland Pitcairn verstopte (maar eerst nog even wat vrouwen roofden van Tahiti), wetende dat het op zeekaarten verkeerd stond aangegeven: hier zouden ze nooit worden gevonden. Dat klopte, maar in het isolement van Pitcairn draaiden ze door; binnen een paar jaar waren muiters vermoord, gek geworden of hadden zelfmoord gepleegd. Toen de kolonie in 1814 werd gevonden was John Adams de laatste nog levende muiter.

De muitery van de Bounty werd geromantiseerd in Mutiny on the Bounty van schrijvers Charles Nordhoff en James Norman Hall. Dat boek verscheen in 1932 en werd sindsdien diverse malen verfilmd; de beroemdste versie stamt uit 1962 met Marlon Brando in de hoofdrol van Fletcher Christian. Dat bleek nog niet genoeg, het boek vormde ook de basis voor de musical Mutiny!, met zanger David Essex als publiekstrekker, die in 1985 op het Londense West End in première ging. Het was ook Essex die de muziek schreef, met single Tahiti als belangrijkste artefact. Mike Batt tekende voor de productie. Tekst en muziek zijn het toppunt van suikerzoete wansmaak, maar Essex heeft wél de moeite genomen om Polynesische woorden (of wat daarvoor door moet gaan) erin te verwerken.

Voor Essex betekende Tahiti z’n laatste Engelse top-10-hit en Mutiny! zou meer dan vijfhonderd keer opgevoerd worden. Dat de soundtrack pas in 2010 op cd verscheen zegt natuurlijk helemaal niks over het succes.

7. George Harrison – Soft-Hearted Hana (1979)

Hawaï is de meest progressieve staat van Amerika. Ook, na Colorado, de gezondste (dat hier een oorzakelijk verband is staat buiten kijf). Eigenlijk is de volledige staat een vrijplaats voor hippies: ieder dorp kent meerdere reformwinkels, over drugs doet niemand moeilijk. Toen ik op Maui was spendeerde ik een middag op Little Beach. Terwijl de dag vorderde en de zon langzaam onderging, nam de wietlucht toe en werd er hoe langer hoe bloter gedanst. Niemand die daar iets van zegt, laat staan dat de politie optreedt. Gedogen typisch Nederlands? Think again.

Dat liberale gedachtegoed moet George Harrison hebben aangesproken toen hij eind jaren zeventig naar Hawaï vertrok om liedjes voor z’n nieuwe, titelloze album te schrijven. En natuurlijk snoepte Harrison hier rijkelijk van de drugs. De hallucinaties die hij had na het eten van een geestverruimende paddenstoel leverden de tekst op van Soft-Hearted Hana. Die is onnavolgbaar, maar uit de flarden is op te maken dat hij de reisgids van Maui goed heeft bestudeerd: ‘and hadn’t they just seen me up on Haleakala’, ‘seven naked native girls swam seven sacred pools’ en ‘I fell in love with my soft-hearted Hana.’ De Haleakala is een vulkaan in Maui en Hana is een plaats aan de oostkust van Maui – de weg ernaartoe is een toeristische attractie op zich. Onderweg naar Hana kom je inderdaad langs ‘seven sacred pools’. Ook daar ben ik geweest (de zeven naakte dames heb ik er niet gezien).

Harrison nam Soft-Hearted Hana terug in Engeland op. In een vaudeville-achtig arrangement, gemixt met geluiden en conversaties uit z’n favoriete pub The Row Barge in Henley-on-Thames. Hij was in gedachten nog altijd bij z’n geliefde Hana: ‘she entered right in through my heart and now although we’re miles apart, I still feel her.’ Tegen het einde van de opname wordt de begeleiding opzettelijk vals. De kater komt later.

Harrison kocht rond de tijd van Soft-Hearted Hana een huis in Nahiku, een dorpje langs de weg naar Hana, waar hij de rust zocht waar hij sinds het succes van de Beatles zo naar op zoek was. Hij raakte bevriend met Bob Longhi, restauranteigenaar te Lahaina, en droeg Soft-Hearted Hana aan hem op. Hawaï bleek van blijvende invloed op Harrison; op z’n laatste album Brainwashed staat Rocking Chair in Hawaii, met daarin ook een rol voor de door hem zo geliefde ukelele.

6. The Finn Brothers – Kiss the Road of Rarotonga (1995)

Paul Theroux beschrijft in The Happy Isles of Oceania niet ongeestig over de eerste ontmoeting van de Fransen in 1768 met de oorspronkelijke bewoners van Tahiti. Hoe een jonge Tahitiaanse met ontblote borstjes vanuit haar kano het dek van een marineschip opstapte en ten overstaan van vierhonderd matrozen die al zes maanden geen vrouw hadden gezien, laat staan eentje met blote tieten, haar lendendoek liet vallen waardoor ze poedelnaakt op het dek stond. Louis Antoine de Bougainville, kapitein van het schip, aarzelde geen moment: ‘down went the anchor, and in that moment the myth of romantic Tahiti was conceived, a paradise of fruit trees, brown tits and kiddie porn.’

Op YouTube vond ik een live versie van Kiss the Road of Rarotonga uit 1996 waarin Tim Finn vertelt over hoe hij met z’n motor in de Cookeilanden crasht en door een verpleegster (op blote voeten) van het lokale ziekenhuis plagerig wordt toegesproken met de zin ‘ah, you kissed the road of Rarotonga.’ Einde van het liedje: al ijlend van de drank of de pijnstillers concludeert Tim dat het niet zo erg is dat hij onderuit ging met z’n motor; hij heeft er een leuke, Polynesische verpleegster aan overgehouden.

De Nieuw-Zeelandse broers hebben geregeld eer betoond aan de traditionele muziek van hun thuisland. De Maori-invloeden zijn vooral op het album Together Alone hoorbaar, in Private Universe en de titelsong. Tim Finn betuigde daarnaast z’n respect aan de oorspronkelijke inwoners in z’n solosingle Parihaka. Toch blijft het opvallend over hoe weinig locaties in Nieuw-Zeeland liedjes zijn geschreven, noch door één van de vele projecten van de Finn-broertjes, noch door andere bands en artiesten uit het land. In een Top 100 van beste Nieuw-Zeelandse songs uit 2001 wordt in geen enkele titel een specifieke plek genoemd. Blijkbaar laten de eilanden zich beter bezichtigen dan bezingen.

5. Bali Ha’i (uit South Pacific) (1949)

‘Een collega van me gaat op vakantie naar een eilandengroep in de Stille Oceaan en jij gaat jaloers zijn,’ zei een vriend tegen me.
‘Waar gaat hij heen?,’ vroeg ik nieuwsgierig.
‘Vanuatu.’
‘Oké, ik ben jaloers.’

Toegegeven, ik wil zo’n beetje elk eiland in de Pacific bezoeken. De archipel Vanuatu hoort daar zeker bij. James A. Michener was tijdens de Tweede Wereldoorlog gelegerd op Espírito Santo in de Nieuwe Hebriden, zoals de eilandengroep toen nog heette. Hij schreef Tales of the South Pacific, een boek waarvan de kaft van mijn editie ronkend meldt: ‘the endless ocean, the coconut palms, the waves breaking into spray against the reefs, the full moon rising behind the volcanoes’. Wie op basis daarvan stomende Zuidzeeromantiek verwacht, komt bedrogen uit; in de eerste twee verhalen vliegen de bommenwerpers en de dode strijdmakkers je al om de oren. Maar z’n verhalenbundel bleek een groot succes. In 1948 won hij er de Pulitzerprijs mee.

Tussen het oorlogsgeweld wisten Rodgers & Hammerstein de romantiek uit de verhalen Our Heroine en Fo’ Dolla om te vormen tot de musical South Pacific. Het is met bijna drieduizend shows één van de succesvolste musicals aller tijden, met klassiekers als Some Enchanted Evening, I’m Gonna Wash That Man Right Outa My Hair en There’s Nothing Like a Dame (het kan niet anders of No Dames! uit Hail, Caesar! van de broertjes Coen is hier een parodie op). In South Pacific is Bali Ha’i het mythische eiland dat met haar lokroep de hoofdrolspelers betovert: ‘Bali Ha’i will whisper on the wind of the sea: “Here am I, your special island! Come to me, come to me!”‘ Helaas voor de hoofdpersonen is Bali Ha’i off limits.

Bali Ha’i is met name in de jaren vijftig vaak gecoverd. Frank Sinatra, Peggy Lee, Bing Crosby, Sarah Vaughan, Perry Como, Andy Williams; zo’n beetje elke crooner nam in de jaren vijftig een eigen versie op: het verlangen naar een onbereikbaar paradijs is universeel. Maar Bali Ha’i bestaat. Al zal je het niet in de atlas vinden onder die naam, in het echt heet het Ambae, of Aoba. Als ik de foto’s op internet zie is het nog niet ten prooi gevallen aan massatoerisme. Ik moet er echt eens heen.

4. Elvis Presley – Blue Hawaii (1961)

Voor hele generaties is het beeld dat bij het horen van de naam Hawaï opkomt Elvis die croonend, omringd door hoelameisjes en getooid met een bloemenkrans op z’n ukelele enkele liedjes speelt. Dat is niet gek. De King of Pop is voor eeuwig verbonden met de eilandengroep. Hij nam er drie films op: Blue Hawaii, Girls! Girls! Girls! en Paradise, Hawaiian Style. De bijbehorende soundtracks waren uiterst succesvol, wat in 1973 culmineerde in het concert Aloha from Hawaii. Het werd in veertig landen live uitgezonden.

Het was niet Elvis die had uitgedokterd dat het idyllische Polynesië zich uitstekend leende voor films met flinterdunne verhaaltjes met schaars geklede meisjes en zoetsappige liedjes. Hollywood had dat in de jaren dertig al begrepen, met als resultaat musicalfilms als In The Navy, Honolulu en Waikiki Wedding. Uit die laatste film komt het liedje Blue Hawaii. Een song die er met regels als ‘dreams come true in blue Hawaii and mine could all come true, this magic night of nights with you’ niets aan doet het clichébeeld van wuivende palmenstranden en wulpse Hawaïaanse danseressen weg te nemen. Het werd oorspronkelijk opgenomen door Bing Crosby en Shirley Ross. Er is iets voor te zeggen dat de soundtracks van Elvis meer eeuwigheidswaarde hebben dan de films: Can’t Help Falling In Love, Rock-A-Hula Baby en Return to Sender zijn uitgegroeid tot klassiekers.

Blue Hawaii mag de bekendste song zijn geweest van de soundtrack met dezelfde titel, navrant is dat Elvis voor dezelfde film ook Aloha ‘Oe opnam. Het werd in 1878 geschreven door koningin Liliuokawani van Hawaï na de ferme omhelzing bij het afscheid van kolonel James Harbottle Boyd en groeide uit tot de bekendste Hawaïaanse song, zeker nadat de koningin bij een staatsgreep in 1893 werd afgezet. Elvis zal de bittere ironie van Aloha ‘Oe niet hebben ingezien. Waar hij met z’n films de oorspronkelijke cultuur van Hawaï hevig had geromantiseerd, werd het laatste beetje authenticiteit onder de voet gelopen door het Amerikaanse massatoerisme. Zeker toen Hawaï in 1959 als vijftigste staat toetrad tot de Verenigde Staten en de skyline niet langer werd gedomineerd door houten bungalows, maar door grote betonblokken. Met uitzicht op zee, dat wel.

3. U2 – One Tree Hill (1987)

The Joshua Tree, het magnum opus van U2, gaat over Ierland en Amerika, maar de twee locaties die bij naam worden genoemd in songtitels zijn Red Hill (een mijndorpje in Wales) en One Tree Hill, een heuvel in Auckland die voor de Maori religieuze betekenis heeft. One Tree Hill of Maungakiekie, zoals deze in Maori heet, was in de achttiende eeuw het belangrijkste dorp voor de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Zeeland. De ligging op het smalste stukje van het Noordereiland was van groot belang: twee zeeën binnen handbereik, bovendien bleek de vulkaangrond uiterst vruchtbaar. De heuvel was tot eind achttiende eeuw bewoond, waarna hij in verval raakte.

De aanleiding van de song is tragisch: het overlijden van de roadie Greg Carroll bij een motorongeluk in Dublin in 1986. Carroll was Maori en was twee jaar eerder goed bevriend gemaakt met Bono tijdens een show in Auckland. Hij had de zanger de fameuze Nieuw-Zeelandse heuvel laten zien. ‘I’ll see you again when the stars fall from the sky, and the moon has turned red over One Treel Hill,’ zingt hij. Onbekender is de referentie aan de Chileense zanger Víctor Jara, die bij de coup van Augusto Pinochet in 1973 werd doodgemarteld: ‘Jara sang, his song a weapon in the hands of love, you know his blood still cries from the ground.’

Chili en Nieuw-Zeeland, de oostkant en de westkant van de Grote Oceaan, verenigd in één song. One Tree Hill werd alleen in Nieuw-Zeeland op single uitgebracht, waar het de eerste plaats haalde.

2. Israel Kamakawiwo’ole – Hawai’i ’78 (1993)

Israel Kamakawiwo’ole mag zonder overdrijven de gigant van de Hawaïaanse muziek worden genoemd. Zijn muziek is overal, met name z’n cover van Over The Rainbow. Ik vroeg ernaar toen de taxichauffeur me van het vliegveld van Maui naar mijn hostel bracht. ‘Toeristen verwachten deze muziek te horen,’ was zijn antwoord. De man zei er niet bij of hij het ook mooie muziek vond.

Kamakawiwo’ole zou er niet blij mee zijn geweest. Hij streed met z’n muziek voor de rechten van de oorspronkelijke bewoners van de Hawaï-eilanden en zag met lede ogen aan hoe de Polynesische cultuur werd vertrapt door de Amerikaanse popcorncultuur: ‘if just for a day our king and queen (…) saw highways on their sacred grounds, how would they feel about this modern city life.’

Hawai’i ’78 is een hartenkreet, zoals blijkt uit het citaat van koning Kamehameha de Derde: ‘Ua Mau ke Ea o ka ‘Āina i ka Pono,’ wat in het Engels valt te vertalen als ‘the life of the land is perpetuated in righteousness.’ Ik heb lang gedacht dat de ’78 in de titel verwees naar een wet die in 1978 in Hawaï was doorgevoerd en die al dan niet een tegemoetkoming was aan de oorspronkelijke bewoners van de archipel. De meer voor de hand liggende verklaring is dat de ’78 in de titel verwijst naar 1778, het jaar waarin James Cook de Hawaï-eilanden ontdekte. Voor Mickey Ioane, de schrijver van de song moet die ontdekking het begin van het einde hebben betekend.

1. Jacques Brel – Les Marquises (1977)

Je kunt niet zeggen dat het overlijden van Jacques Brel in 1978 als een verrassing kwam. De zanger leefde allang in geleende tijd, nadat in 1974 bij een operatie z’n linkerlong was verwijderd. Brel voer in de jaren zeventig op een zeilboot om de wereld en besloot op Hiva Oa, in de Franse Marquesaseilanden, waar niemand hem kende, te blijven. Op afraden van z’n artsen – de tropen zouden niet bevorderlijk zijn voor de toch al broze gezondheid van de chansonnier: eens een non-conformist, altijd een non-conformist.

Op Hiva Oa schreef Brel zeventien chansons, waarvan er twaalf op z’n laatste lp Brel zouden verschijnen. Het album werd met tussenpozen opgenomen; maximaal twee liedjes op een dag. Brel is in alles een afscheidsplaat. Nog een laatste trap na aan z’n bekrompen landgenoten in Les F…, een diepdroevig afscheid tussen twee geliefden op de Parijse luchthaven Orly in het chanson met dezelfde titel en een eerbetoon aan Jojo, z’n beste vriend die in 1974 was overleden. Het bekendste is Voir un Ami Pleurer, naar het Nederlands vertaald als het van Herman van Veen bekende Een Vriend zien Huilen.

Het allermooiste is de afsluitende track Les Marquises. Een ode aan de eilandengroep in Frans-Polynesië. Brel noemt in de tekst Paul Gauguin, de post-impressionistische schilder die, vloekend en tierend over het kolonialisme, als een straatarme bohémien z’n laatste jaren in Frans-Polynesië sleet. Een paar oude, witte paarden neuriën nog z’n naam: ‘quelques vieux chevaux blancs qui fredonnent Gauguin’. Ze praten er over de dood alsof het de normaalste zaak van de wereld is: ‘ils parlent de la mort comme tu parles d’un fruit’. De muzikale begeleiding is bescheiden, met houtblazers en getokkel op strijkers. Op de dag dat de lp verscheen, vertrok Brel naar de Marquesaseilanden. Een jaar later was hij dood. Brel ligt begraven in Atuona, op Hiva Oa, niet ver van het graf van Gauguin.

‘Et par manque de brise le temps s’immobilise aux Marquises,’ zingt Brel: waar geen wind waait, staat de tijd stil. Als je toch begraven moet worden, waarom niet op een plek waar de tijd stilstaat?

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , , , , , , , | Comments Off on Tien keer Pacific

Monsters

Het begon met Stefan, die voor z’n studie voor een paar maanden naar Wellington, Nieuw-Zeeland vertrok. Zoals traditie was geworden – hij vertoefde in die tijd geregeld in verre oorden – stelde ik een cd samen met muziek uit z’n nieuwe, tijdelijke thuisland. Dat bleek knap lastig. Je komt een aardig eind met alle projecten van de broertjes Neil en Tim Finn (Split Enz, Crowded House, The Finn Brothers), maar er moest meer zijn. Ik werkte indertijd op de muziekafdeling van de bibliotheek in Eindhoven en met wat tracks van Nuggets-compilaties kon ik de tracklisting nog aanvullen (Nieuw-Zeeland bleek in de jaren zestig een broeinest voor beatmuziek). In de jaren tachtig waren The Chills dicht bij een internationale doorbraak geweest. Daar hield het wel mee op.

Ik raakte bekend met het platenlabel Flying Nun, dat vanuit Christchurch opereerde en in de jaren tachtig de rest van Nieuw-Zeeland én de wereld kennis liet maken met de gitaarpop van bands als The Clean, The Bats, Able Tasmans, The Jean-Paul Sartre Experience, Tall Dwarfs, The Verlaines en het hiervoor al genoemde The Chills. Bands veelal afkomstig uit het tochtgat Dunedin (in het trotse bezit van een achthoekig plein, én de steilste straat ter wereld), alleen te bezoeken als je als artiest op doorreis bent naar de Zuidpool, zoals folkzanger Billy Bragg ooit niet ongeestig opmerkte. Toen ik in 2008 Nieuw-Zeeland bezocht, kocht ik op een tussenstop in Sydney een compilatie van het platenlabel. Ik ben gek op obscure muziek, zeker als die van heel ver komt.

Een paar jaar geleden verscheen er een nieuwe compilatie van Flying Nun. Ik schreef daar een blog over dat werd opgepikt door Paul Schwarte, connaisseur van muziek uit het land van de kiwi’s (hier doe ik hem mee tekort, want hij weet werkelijk álles over underground gitaarmuziek – period). Hij voegde me direct toe als vriendje op Facebook. Sindsdien trakteerde hij mij en z’n andere vrienden op clips van al dan niet Nieuw-Zeelandse bands. Meestal vond ik ze aardig en vergat ik de naam alweer snel. Het clipje van Spacejunk van The Bats (vernoemd naar de enige inheemse zoogdiersoort van Nieuw-Zeeland) trof me echter. Ik rende niet meteen naar de platenzaak, dat doe ik nooit, maar ik onthield de bandnaam en bestelde een hele tijd later de nieuwste cd van de groep bij m’n platenboer: Free All The Monsters.

Space junk is flying
and I’m gonna go and get me some
It will be so easy and I’ll have a beautiful pile

Rond die tijd won ik met m’n team op wekelijkse basis de pubquiz van Number 42. De hoofdprijs was telkens vrijkaartjes voor een concert in de Effenaar, of een theatervoorstelling in de Parktheater. We waren zo blasé geworden dat we die vrijkaartjes geregeld weggaven aan andere, ongetwijfeld meer geïnteresseerden dan wijzelf (wat er vermoedelijk toe heeft bijgedragen dat het winnende team niet meer de vrijkaartjes krijgt). Dat gebeurde ook bij de vrijkaartjes voor het concert van Graham Central Station, de band van Larry Graham. Ik ken de beste man, maar heb me nooit geïnteresseerd voor funk en soul. Ik wist wel iemand anders die ik Heel Blij kon maken met de kaartjes: m’n oude baas van de muziekafdeling van de bibliotheek die, nu de muziekafdeling was opgedoekt, elke vrijdagmiddag in de platenzaak stond waar ik geregeld kwam. Hij was er inderdaad blij mee want hij was graag naar dat concert gegaan, maar vond de entreeprijs te hoog. Met de kaartjes kon hij z’n vriendin én zoontje meenemen.

Een paar weken later sprak ik hem in de platenzaak en vroeg ik hoe het concert was. Het was fantastisch geweest, vertelde m’n oud-collega. Ze hadden met z’n drieën vooraan gestaan en hun zoontje, met z’n acht jaar veruit de jongste toeschouwer, had op het podium mogen dansen met de grote Larry Graham. Toen Graham hem vervolgens vroeg wie volgens hem de grootste muzikant aller tijden was, had het zoontje van m’n oud-collega niet het sociaal wenselijke antwoord Larry Graham gegeven, maar Michael Jackson gezegd. Graham gaf lachend toe daar weinig tegen in te kunnen brengen.

Het deed me goed om te horen dat het concert een onvergetelijke ervaring was geweest. Nu ik er toch was, wist hij of m’n cd van The Bats binnen was binnengekomen? Dat bleek het geval. Over afrekenen deed hij niet moeilijk, die cd kreeg ik van ‘m cadeau.

I’ve been waiting a long, long time
many cold lonely nights
I see the light come shining through

Free All The Monsters kwam Huize Guidje binnen onder een goed gesternte. Het werd mijn feel good plaat waar ik naar bleef teruggrijpen. Spacejunk was prachtig, maar de twaalf liedjes bleven stuk voor stuk hun geheimen prijs geven. Eerst viel ik voor het ‘aye-aye-aye’ refrein van Fingers of Dawn, later kwamen daar het bedrieglijk simpele, instrumentale niemendalletje Canopy, de majestueuze titelsong en het doordenderende See Right Through Me bij. Ik zong ze woord voor woord mee.

Het allermooiste is de balans tussen deze twaalf perfecte popliedjes, semi-live opgenomen in het Seacliff Asylum, een leegstaand gesticht, ergens tussen Oamaru en Dunedin. Op m’n reis door Nieuw-Zeeland ben ik erdoorheen gekomen. Die semi-live opname geeft de toch al mooie liedjes net wat extra glans. De galm op de rinkelende, twinkelende gitaren à la The Byrds, de hoge, tikkeltje onvaste stem van frontman Robert Scott en diens samenzang met gitariste Kaye Woodward doen de rest. Free All The Monsters bleek in al z’n bescheidenheid een meesterwerk. Tijdloze gitaarmuziek waarmee de revolutie niet zal worden gewonnen, maar dat hoeft niet. De muziek van The Bats schreeuwt geen kwaliteit, maar fluistert die. Nooit heb ik de moeite genomen me in de rest van het oeuvre van de groep te verdiepen. The Bats hebben op Free All The Monsters datgene gevangen dat zo weinig bands lukt: magie. Daarmee vergeleken kan al het andere alleen maar tegenvallen.

Ik sloeg mezelf voor m’n kop dat ik Free All The Monsters niet eerder had aangeschaft, zodat ik de cd mee had kunnen nemen in m’n traditionele eindejaarslijstje voor KindaMuzik. Die fout maakte ik later goed, toen ik voor het vijftienjarig bestaan van KindaMuzik meeschreef aan een artikel over vijftien miskende meesterwerken. Free All The Monsters stond voor mij met stip op nr. 1 als hét album dat in dit artikel vermeld moest worden.

Free all the monsters now
Let them fly up and away
They’ve had enough trials and tribulations
They’ve got enough on their plate

Morrissey zei ooit dat z’n favoriete platen voor hem als vrienden zijn. Dat vind ik overdreven. Wel kunnen platen een steun zijn. Een paar jaar terug ging het wat minder met me. Ik zat tegen een burnout aan, had last van neerslachtigheid en een algeheel ongenoegen over de doelloze, richtingloze staat van m’n leven. Ik neem het leven vaak zwaarder dan strikt noodzakelijk. De muziek hielp me, zoals muziek dat altijd doet. Lost In The Dream van The War On Drugs draaide ik in die tijd vrijwel non-stop, maar op de momenten dat ik die plaat níet draaide, greep ik terug naar Free All The Monsters. De stem van Robert Scott, de melodische brille, de prachtige samenzang, de mooie productie, telkens wisten ze me weer te verleiden – en op te beuren. Ook de teksten spraken steeds meer tot me. Noem het larmoyant, maar als ik de galmende, bijna euforisch klinkende gitaren en de eerste tekstregels van de titelsong hoor, ben ik gerustgesteld: laat ze gaan, die monsters. Ze hebben al voldoende te verduren gehad.

Lang heb ik gedacht dat ik The Bats nooit live zou zien. De groep bestaat ruim dertig jaar en zal in de jaren tachtig, toen Flying Nun en de door het label zo geliefde Dunedin Sound op hun hoogtepunt waren, ongetwijfeld door Europa hebben getoerd. Wilde ik ze nu nog live zien, dan zou ik vast naar Nieuw-Zeeland moeten (iets wat ik dolgraag doe maar tussen droom en daad staan praktische bezwaren, zoals een bankrekening met onvoldoende saldo).

Een wereldreis bleek niet nodig. The Bats komen naar Nederland. Op 8 juni staan ze in het bovenzaaltje van Paradiso. Paul is bang dat ze voor enkele tientallen bezoekers spelen, waarbij driekwart van het publiek uit import-kiwi’s bestaat. Zo erg zal het denk ik niet worden en dan nog: ik ga The Bats live zien. Diep in m’n hart weet ik dat het niet het beste concert wordt dat ik ooit zal zien, al was het maar omdat dit een tournee is ter promotie van hun nieuwe album The Deep Set. Die plaat weet me nergens zo te raken als Free All The Monsters. De liedjes zijn weer prachtig (zie ook de leuke clip bij No Trace), maar de productie is vlak en Scotts stem iets te onvast; de gitaartjes twinkelen net iets minder mooi.

Het geeft niet. Net zo min dat het geeft dat de akoestiek in het bovenzaaltje van Paradiso allerbelabberdst is. Ik ga The Bats live zien. Een droom komt uit. Ze hebben al laten weten lp’s mee te nemen. Stiekem hoop ik op een vinyl exemplaar van Free All The Monsters. Gesigneerd, uiteraard.

I’ll be getting over you when the sun hits the ground
And I’ll be better off than blue when you come around

Posted in Muziek | Tagged , , , | Comments Off on Monsters

Songfestival 2017

Jarenlang schreef ik iedere nieuwe editie van het Songfestival braaf een achtergrondverhaal voor KindaMuzik. Maar dat muziekblog is vorig jaar ter ziele gegaan (ik heb nog gewerkt aan een blog daarover, maar dat telt inmiddels ruim vijfduizend woorden en ik ben nog maar op de helft. Wordt een gevalletje tl;dr). Mijn liefde voor het Songfestival moet ik dan maar weer kwijt op mijn eigen blog, met minder lezertjes. Oh well. Life’s a bitch. Ik licht er zoals ik eerder al eens deed tien vrij willekeurige deelnemers uit: de zuiderburen, de kanshebbers en de wansmaak. Het kan zijn dat er soms overlap is tussen die drie categorieën.

Het Songfestival van 2017 is nu al het festival van De Rel: Oekraïne dat de Russische zangeres Joelija Samojlova niet accepteerde als inzending omdat ze eerder een optreden op de Krim verzorgde. Tja. Dit is natuurlijk vorig jaar al fout gegaan toen de EBU de Oekraïense inzending 1944 van Jamala toestond. Dat liedje ademde aan alle kanten politiek en had nooit geaccepteerd mogen worden. Rusland is een grote schurkenstaat, maar hun bijdragen aan het Songfestival zijn de laatste jaren top of the bill: goede, sterke songs, met een uitmuntende presentatie (ik heb nog altijd een zwak voor Polina Gagarina’s perfect gestagede A Million Voices, dat in 2015 tweede werd). De inzending voor dit jaar was geen hoogtepunt. Samojlova is deels verlamd en zit in een rolstoel, wat ongetwijfeld een hoog ‘ach gossie’ gehalte bij de kijkers oproept, maar ze zingt niet al te best en haar liedje is belabberd; als ze niet de toegang tot Oekraïne was geweigerd, had ik hoogstpersoonlijk haar banden lek geprikt. Desondanks was Rusland een zekerheidje geweest voor de finale. De een z’n dood is de ander z’n brood, want Nederland heeft zo een concurrent minder. Niet dat het O’G3NE veel zal helpen, maar daar kom ik nog op.

Ik neem tien landen mee die worden getipt als kanshebber, of anderszins opvallen. Op alfabetische volgorde met onze geweldige inzending als afsluiter. Fasten your seatbelts.

Australië (Isaiah – Don’t Come Easy)

Goed triviafeitje: Australië is het enige land dat bij al haar deelnames aan het Songfestival in de top-5 is geëindigd. Ja duh, ze deden pas twee keer mee. Natuurlijk, maar de tegenvoeters nemen hun deelname serieus. Vorig jaar hadden ze moeten winnen met Dami Ims weergaloze powerballad Sound of Silence. De nieuwste inzending van Australië is opnieuw een ballad, van hetzelfde songschrijversduo dat vorig jaar Ims Sound of Silence schreef, maar het kabbelt me te veel door. Isaiah is met z’n 17 lentes één van de jongste songfestivaldeelnemers dit jaar; én het is de zoveelste songfestivaldeelnemer die eerder in het thuisland een Idols/X-Factor/Got Talent/The Voice-achtige talentenjacht won. Dat ie nog zo jong is, is te zien (hij lijkt trouwens een beetje op die ene van Milli Vanilli). Voor zover we kunnen nagaan zingt Isaiah wel zelf; maar zouden z’n balletjes wel zijn ingedaald?

België (Blanche – City Lights)

Onze zuiderburen hebben het begrepen. De Vlaamse Laura Tesoro swingde vorig jaar als een tiet, de Walen vaardigen dit jaar Blanche af met het spannende, zwoele, verleidelijke en volstrekt originele City Lights. Ik heb het vaker gezegd: de meeste songfestivalmuziek bestaat in een eigen universum, blissfully unaware van welke muzikale trend dan ook, maar City Lights kan prima mee anno 2017. Het softe ritme, de repetitieve bassynth en de lage, lichthese stem van Blanche roepen Lana Del Rey, Dua Lipa en Lorde in herinnering, tegelijkertijd wijkt het volledig af van hun stijl. Jaloersmakend goed. Althans, tot de repetities begonnen. Naar nu blijkt kan Blanche amper zingen (wat bij mij de vraag oproept hoe ze het zo ver heeft geschopt bij The Voice) en kijkt ze als een bang vogeltje in de camera. Tot overmaat van ramp heeft ze een jurk aangetrokken die zo foeilelijk is dat de enige prijs die België dit jaar wint de Barbara Dex Award is. Zoals Blanche zelf zingt: ‘are we going to lose it all?’

Estland (Koit Toome & Laura – Verona)

Je zou het misschien niet zeggen, maar ik ben vrij verlegen ingesteld. Daardoor zal ik nog liever uren in een vreemde stad ronddwalen dan een wildvreemde lastigvallen om de weg te vragen. Wat is nog erger dan iemand de weg vragen? Er een liedje over zingen en dat insturen voor het Songfestival. Koit Toome en Laura zijn, figuurlijk dan, de weg kwijt in Verona. Het liedje is best aanstekelijk, maar er zit meer warmte in een diepvrieskist dan tussen dit stel. Koit kijkt liever naar die met babyolie ingesmeerde en leren broeken dragende zangers van Montenegro dan z’n zangpartner Laura (zingt zij ‘we lost our gay’?). Nee, we moeten de strekking van het liedje vooral symbolisch zien: Verona staat voor Romeo en Julia, waar het trouwens *spoiler alert* niet goed mee afliep.

Gelukkig verdwaal ik zelden.

Hongarije (Joci Pápai – Origo)

In weerwil van het aartsconservatieve, nationalistische regime van Viktor Orbán is Hongarije op songfestivalvlak de laatste jaren opvallend progressief bezig. In 2013 hadden we al het speelse, akoestische ByeAlex, een jaar later kregen we Hongaarse drum ‘n’ bass en dit jaar is het rap, al is die wel voorzien van een etnisch element: Joci Pápai is namelijk van Roma-afkomst. Het ritme is eigenzinnig, de viool zorgt voor een authentiek element en is een prima hook, en zelfs die Hongaarse rap is best oké; die versta je toch niet. Origo gaat niet winnen, Armenië heeft ook een etnische bijdrage en wordt als grotere favoriet gezien, maar de finale haalt dit zeker. Wel lastig, als enge regimes met goede songfestivalbijdragen komen want ook de laatste dictatuur van Europa, Wit-Rusland, heeft dit jaar een vrolijk stemmende bijdrage.

Italië (Francesco Gabbani – Occidentali’s Karma)

Normaal gesproken heeft Italië een abonnement op smachtend in de camera kijkende mannen in pakken – dat alleen al levert het land tientallen punten op – dit keer zit er ook een echt goed, leuk liedje achter de act. Francesco Gabbani won er eerder het San Remofestival mee en is de gedoodverfde favoriet. Occidentali’s Karma is een inzending met een boodschap: over westerlingen die flirten met oosterse filosofie en levenswijsheden, maar daar geen snars van snappen. Plus iets over evolutie, gebaseerd op Desmond Morris’ The Naked Ape, wat Occidentali’s Karma een dun intellectueel tintje geeft. Morris heeft al aangegeven dat wat hem betreft Gabbani wint. Als er gerechtigheid is (westerse wijsheid: die bestaat niet), wint hij inderdaad. Want afgezien van die grappige boodschap is Occidentali’s Karma ook nog reuze catchy.

Macedonië (Jana Burčeska – Dance Alone)

De muziekwereld is verworden tot een global village waarbij je niet meer kunt horen uit welk land een liedje afkomstig is. Veel landen vertrouwen bij hun inzending op songschrijvers of producers uit het beloofde muziekland Zweden. Het enige dat de afkomst verraadt is de soms belabberde Engelse tekst – en uitspraak. Ook de Macedonische Jana Burčeska doet mee met een Zweedse productie. Het is een danceliedje dat niet zou misstaan in de disco van Skopje: zowel melodie als zanglijn heb je onbewust eerder gehoord, maar het blijft onmiskenbaar in je hoofd hangen. Als het doet denken aan If Love Was A Crime van Poli Genova, de Bulgaarse inzending die vorig jaar vierde werd, dan kan dat kloppen: Dance Alone heeft dezelfde songschrijvers. Burčeska staat bij de bookmakers rond de twintigste plaats, maar het zou me niet verbazen als dit in de top-5 eindigt.

Portugal (Salvador Sobral – Amar Pelos Dois)

Portugal heeft het al jaren moeilijk op het Songfestival. Het strandde geregeld in de halve finale en heeft zelfs een paar edities overgeslagen. Dat is vreemd voor een land dat kan putten uit de eigen, rijke muziekhistorie. Dit jaar heeft Portugal een troef in handen: Salvador Sobral en het lichte, jazzy, tegendraadse, door z’n zus Luísa geschreven Amar Pelos Dois, wat zoveel betekent als Liefde voor Beiden. Het is een rustpunt in het muzikale geweld dat het Songfestival ook is en wordt door songfestivalwatchers mede daarom gezien als kanshebber. Ja, Amar Pelos Dois is erg mooi en Sobral is een goede zanger (die om gezondheidsredenen de repetities aan z’n zus overliet), maar het is een wel heel vreemde eend in de bijt. Hopelijk heeft Sobral wat The Common Linnets in 2014 hadden: een inzending waarvan iedereen zegt ‘ik vind het geweldig, maar de rest snapt dit vast niet.’ Als genoeg mensen dat denken eindigt een liedje vanzelf in de bovenste regionen want ach, wat gun ik het Portugal zo.

Roemenië (Ilinca ft. Alex Florea – Yodel It!)

Wie naar het Songfestival kijkt voor wansmaak, kan altijd rekenen op Roemenië. Het land stelt nooit teleur als het aankomt op volstrekt afgrijselijke, wanstaltige inzendingen (ja, echt). Dit jaar heet die Yodel It!, een inzending met twee der mate verschillende muziekstijlen dat samensmelting ervan op z’n minst onwenselijk is. Want ja, het bevat gejodel, gemixt met rap. Die rap lijkt net iets te veel op Hall of Fame van The Script en het gejodel lijkt op The Lonely Goatherd uit The Sound of Music. Het is net als met die met babyolie ingesmeerde zangers uit Montenegro, de zoveelste rampzalige bijdrage van Ralph Siegel (die nog steeds niet is afgevoerd naar een groot landhuis met een gesloten afdeling) voor San Marino of deze Titanium-rip-off uit Duitsland: je kijkt er met een mengeling van nieuwsgierigheid en walging naar. Dit kan dus ook nog. En reken maar dat Roemenië de finale haalt.

Zweden (Robin Bengtsson – I Can’t Go On)

Nederlandse songfestivaladepten kijken al jaren jaloers naar het Zweedse Melodifestivalen: een Nationaal Songfestival met vier voorrondes die culmineren in een finale met twaalf uitstekende bijdragen. Ik had dit jaar de finale gekeken, ware het niet dat die overlapte met de ontknoping van Wie is de Mol. Prioriteiten hè. Wat mij betreft had deze Lapse bijdrage gewonnen, maar die werd derde. De zanger Robin Bengtsson is me te glad, de act heb ik eerder gezien (OK Go, anyone?) en blijkbaar waren de (slechtzittende) pakken bij H&M in de aanbieding (vijf voor de prijs van vier), maar z’n liedje I Can’t Go On zou niet misstaan in een hitlijst anno 2017. Dat is een aanbeveling. Toch gebeurt er melodisch te weinig om het die onontkoombare hit te maken die België en Italië wel insturen, het zal dus van de presentatie af moeten hangen. Reken maar dat die in Kiev tot in de puntjes verzorgd is.

Nederland (O’G3NE – Lights and Shadows)

En dan hebben we O’G3NE. Waar te beginnen bij dit train wreck? Jarenlang is door songfestivalgekkies gelobbyd om de drie zusjes Vol mee te laten doen aan het Songfestival. Dit jaar ging AVROTROS overstag. Eerst dacht ik: gelukkig, zijn we van dat gedram af. Al wist ik ook meteen: dit wordt een verloren jaar. Laat ik puntsgewijs doornemen wat er mis is met Lights and Shadows.

– Het begint met de act. O’G3NE is geen Nederlandse act die kan bogen op een enorme staat van dienst. Oh, hoor ik de fans dan roepen, dat had Douwe Bob toch ook niet? Nee, maar hij draait al lang mee, heeft op veel festivals gestaan en wordt begeleid door muzikanten die hun sporen in de muziek hebben verdiend. Dit zijn mensen die weten hoe ze een hit moeten schrijven én hoe ze die moeten brengen. O’G3NE heeft op basis van hun deelname aan The Voice Of Holland welgeteld één hit gehad: Magic. Ook Lights and Shadows heeft de Top 40 niet in vuur en vlam gezet. Het kwam niet verder dan de Tipparade. Dat zou AVROTROS zorgen moeten baren.

– Lights and Shadows is hopeloos ouderwets. Ik schreef niet voor niets: onze Wilson Phillips rip-off. Die groep had begin jaren negentig hun laatste hits. Dat is 25 jaar geleden. Een goed songfestivalliedje zou je in principe tussen alle hits op de radio moeten horen. Lights and Shadows krijgt amper airplay. Ja, Radio 2 maakte in het in de week dat het werd gepresenteerd NPO Radio 2 Topsong en draait het ook dezer dagen geregeld; ze kunnen daar moeilijk anders. Maar kijk naar wat er anno 2017 in de hitlijsten staat. Is er iets dat ook maar in de buurt van Lights and Shadows komt? Nee. Geen goed teken.

– Het is niet zo’n goed liedje. Ook na vier of vijf keer draaien blijft Lights and Shadows niet in m’n hoofd hangen. O’G3NE had drie liedjes om uit te kiezen en dit was de beste inzending. Dat betekent dat de rest nóg slechter was, of dat de drie zusjes misschien de boodschap belangrijker vonden dan de kansen van het liedje. Want de boodschap, om alle moeders van de wereld een hart onder de riem te steken in een moeilijke periode, is het belangrijkste. Die boodschap is dan weer wel zo diffuus dat hij met grote woorden op de achtergrond moet worden uitgespeld.

– Maar ze kunnen zo mooi zingen. Ja, dus? Wie de afgelopen jaren het Songfestival heeft gevolgd weet dat mooi zingen prettig voor de tere oortjes is, maar geen garantie voor succes. Andersom heb je meer succes: Jamala, de winnares van vorig jaar, kraste er geregeld naast en Ell & Nikki, die in 2011 namens Azerbeidzjan wonnen, waren ook niet bepaald toonvast. Maar die winnende acts hadden respectievelijk een boodschap en een sterk liedje. Wie denkt dat je er met mooi zingen bent, heeft het niet begrepen.

De enige reden dat O’G3NE het donderdag 11 mei redt is dat andere inzendingen in onze halve finale nóg slechter zijn. Als ik de bookmakers moet geloven is er zelfs een gerede kans dat Nederland zich nipt kwalificeert voor de finale. Dat zegt dan vooral veel over de kwaliteit van het andere gebodene.

Stiekem hoop ik dat O’G3NE donderdag strandt. Moeten we maar meer ons best doen.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , | Comments Off on Songfestival 2017

Deus

Ik was niet heel enthousiast geworden van de line-up. Goed, Ryley Walker wilde ik al een tijdje live zien en Beoga is een meesterlijke Ierse folkgroep, in de lift dankzij het gebruik van één van hun melodieën door Ed Sheeran in z’n hit Galway Girl. Maar het ‘bloemenmeisje van Bermuda’ Heather Nova zag ik al eens eerder en heeft haar beste tijd gehad. Nee, in het blokkenschema van Naked Song stond één act waar ik bij móest zijn: de Popquiz. Die werd deze avond twee keer gehouden in één van de vele foyers die Muziekgebouw Eindhoven rijk is.

Een eerste poging mislukte: van de tien meerkeuzevragen wist ik er acht. Eentje gokte ik verkeerd, eentje wist ik niet. Ik baalde, want door die foute gok kwam het aan op de schattingsvraag. Ik durf met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te stellen dat niemand zo slecht in schatten is als ik. Het ging mis en dus zat ik me tijdens het optreden van Heather Nova te verbijten. Nee, ik kan niet tegen mijn verlies, en dat vind ik een goede eigenschap: het maakt je meer eager om de volgende keer nóg beter je best te doen. Quizzen wil ik winnen, popquizzen al helemaal.

Bij de tweede editie van de popquiz, later op de avond, was ik als eerste in de foyer. Ik stelde me verdekt op, bij een statafel aan de zijkant van het podium. Intussen deelden juryleden antwoordformulieren uit. Ik gebaarde dat ik mee wilde doen. De presentator zag me staan en riep de jury: ‘hier is nog iemand. Die jongen in dat mooie Deus-shirt!’

Ik keek naar beneden. Verrek, ik was helemaal vergeten dat ik vandaag mijn zwarte Deus t-shirt aan had. Het kledingmerk Deus dus. Je kunt amper op straat komen en níet een jongen met truckerscap van dat merk tegenkomen. Een paar maanden terug had ik nog gegrapt dat er een generatie opgroeit die Deus alleen kent als kledingmerk, niet als vermaarde Belgische rockgroep. Aan truckerscaps moet ik met mijn grote hoofd niet beginnen (hoe leuk ik ze ook vind), maar een t-shirt kan altijd. Al begon ik wel te twijfelen of het zo’n goed idee was om het net vandaag te dragen.

‘Jij komt zeker voor het optreden van Stef Kamil Carlens,’ riep de presentator enthousiast.
Ik knikte. Shit. Ongemakkelijk ook. Helemaal vergeten dat die vandaag ook optrad. De presentator kende wel de band Deus, maar niet het kledingmerk.

Begrijp me goed, ik ben gek op Deus. Wie niet? Natuurlijk had ik dat t-shirt ook gekocht met die band in gedachte. Op één van mijn allereerste cassettebandjes stond Suds & Soda, gekopieerd van een hip vriendinnetje van mijn oudste zus. Toen ik in 2008 Met het Mes op Tafel won, was één van de vragen in de finaleronde wie de zanger van Deus is. Mede dankzij dat antwoord (Tom Barman, duh) won ik vijftienduizend euro. Toch, om nu te zeggen dat mijn platenkast vol staat met hun oeuvre: nee. Er zijn al zoveel bands om fan van te zijn. Deus zag ik één keer live, op Lowlands. Zita Swoon zag ik ook één keer live, op Pinkpop. In beide gevallen al heel lang geleden; geen idee wat ze tegenwoordig uitspoken.

De eerste vraag van de tweede popquiz van de avond was een inkoppertje: van welke zangeres had Ryan Adams in 2015 een album integraal gecoverd? Taylor Swift. Volgende vraag: wat was de eerste hit van Gavin DeGraw? I Don’t Want to Be. So far, so good. Toen de dj daarna Suds & Soda instartte, sloeg de schrik me om het hart.
‘De volgende vraag is er eentje voor de Deusfans. En laten we die nu net één in het publiek hebben,’ riep de presentator blij. Hij wees naar mij. Voor de grap bedekte ik het logo op m’n t-shirt met het antwoordformulier. De presentator keek me aan: ‘Stef Kamil Carlens heeft vanavond al gespeeld. Jij was er zeker bij hè? Hoe was het?’
Ik wist niet wat ik moest doen: ja knikken of nee schudden, want ik had het optreden gemist. Waarom wist ik niet. Ik haalde m’n schouders op en stak lachend m’n duim op om aan te geven dat het goed was geweest.
‘Jaaaa,’ zei de presentator veelbetekenend, ‘dat zal wel. Een échte fan.’
Hij stelde z’n vraag: ‘Stef Kamil Carlens staat vandaag dus op het festival. Hij zat ooit in de groep Deus. Welk instrument speelde hij in die band: viool, gitaar, bas of saxofoon?’
Nu moest ik diep graven. Ik dacht vrij zeker te weten dat hij de bassist was, maar onder druk ben ik nergens zeker van. De presentator keek weer naar mij en zei: ‘deze weet je zeker wel hè?’
Ik knikte en bedacht dat niemand het door zou hebben als ik de vraag fout zou hebben.
Een man met wie ik de statafel deelde, stootte me aan en vroeg lachend: ‘kun je die niet voorzeggen?’

De quiz ging verder. Vragen over een rockopera van de Drive-By Truckers, en welk beroemd songschrijversduo The Look Of Love, een hit voor Dusty Springfield, had gecomponeerd. De eerste gokte ik goed, de tweede wist ik. Na de laatste vraag, van welke band Father John Misty de drummer was voordat hij solo ging, wist ik vrij zeker dat ik negen van de tien vragen goed had. Alleen een vraag over Nits had ik waarschijnlijk fout gegokt.

Terwijl de antwoordformulieren werden opgehaald en nagekeken riep de presentator tegen het publiek: ‘wie denkt ‘ik heb ‘m ingekopt’? Wie denkt dat ie heeft gewonnen?’
Ik zei niks. Liever checkte ik het blokkenschema. Wat ik al vermoedde, bleek te kloppen: Stef Kamil Carlens stond geprogrammeerd tegenover de eerste popquiz, eerder op de avond.

De presentator nam de antwoorden door. Inderdaad, de vraag over de oerleden van de Nits had ik fout. Toen hij klaar was, keek hij naar de jury. Die was nog in overleg.
‘De jury is druk bezig alles twee keer te controleren, want we hebben een score van maar liefst negen punten,’ zei hij. ‘Dat betekent dat die persoon maar één vraag fout heeft beantwoord. Welke vraag zou dat zijn?’
Vanaf de zijkant riep ik jolig: ‘de vraag over Nits.’
‘De Nits, ja dat was een lastige vraag,’ zei de presentator.
Vervolgens las hij m’n naam voor als winnaar. Ik stak mijn handen in de lucht.
‘Ja, die jongen in het Deus-shirt wint de popquiz!,’ riep de presentator.

Bij het overhandigen van de prijzen vroeg de presentator nogmaals of ik naar Stef Kamil Carlens was geweest.
‘Nee, dat ging niet. Want ik wilde per se de popquiz winnen. En ik baal dat het de eerste keer niet is gelukt,’ zei ik. Die laatste zin zei ik er snel achteraan, hopende daarmee het gespreksonderwerp te veranderen.
De dj kwam bij ons staan om me te feliciteren. ‘Wat vind je van die nieuwe plaat van Stef Kamil Carlens? Mooi hè? Echt een liedjesplaat,’ vroeg hij.
‘Ja nogal. Mooie plaat,’ zei ik.
Ik heb er nog geen noot van gehoord.
‘Je hebt ‘m wel gemist vanavond. Vind je dat niet jammer?,’ ging hij verder.
‘Ach,’ zei ik, ‘dat haal ik nog wel in.’

Posted in Eindhoven, Mode, Muziek, Quizzen | Tagged , , | Comments Off on Deus

Eind-ho-vuh

Jaren geleden stond ik eens met m’n fiets voor een verkeerslicht te wachten. Voor me stond een oudere man, naast hem stond een vader met z’n zoontje achterop. Het jongetje droeg een PSV-shirt.
‘Wè hedde gij een lillik shirtje an,’ zei de oudere man plagerig lachend tegen het jongetje.
Het jongetje snapte het niet, dus de vader zei dat ie maar moest vragen voor welke club de oudere man dan was. Dat deed het jongetje besmuikt: ‘voor wie bent u dan? Ajax? Feyenoord?’
‘Nee,’ zei de oudere man stralend, ‘FC Eindhoven natuurlijk!’

Ik ben die anekdote nooit vergeten. Zeker voor de oudere garde geldt: er is maar één écht Eindhovense club en dat is FC Eindhoven. Mijn opa was fan. Ik wilde al jaren een keertje naar een wedstrijd van de blauw-witten. Het kwam er nooit van. Wat niet wil zeggen dat ik de prestaties van die andere club uit Eindhoven niet trouw in de gaten hou: de voorgaande seizoenen was FC Eindhoven nog een paar keer dicht bij promotie geweest, dit seizoen zijn ze weer ouderwets grillig; goede wedstrijden worden afgewisseld met euh… mindere periodes. Momenteel zit FC Eindhoven in zo’n mindere periode: van de laatste vier wedstrijden gingen er drie verloren. Scoren doet de ploeg voldoende: dit seizoen al vijftig keer. Dat is slechts twee doelpunten minder dan Jong PSV, dat vierde staat. Het probleem is dat de verdediging zo lek is als een mandje: tegenover die vijftig doelpunten vóór staan 58 tegendoelpunten. Dat is drie minder dan FC Dordrecht, dat voorlaatste staat.

Via The Hub kon ik naar de streekderby FC Eindhoven – FC Den Bosch. Een tientje entree, vervoer van en naar het stadion is bij de prijs inbegrepen en gebeurt met de spelersbus, wat een ongemakkelijk moment oplevert als enkele supporters beginnen te klappen als we bij het Jan Louwers Stadion aan de Aalsterweg arriveren. Bij gebrek aan een FC Eindhoven-shirt (dat er ongetwijfeld nog gaat komen), heb ik voor de gelegenheid een blauw-wit gestreept t-shirt aangetrokken: ik ben op alles voorbereid. Ook mijn medereizigers, expats uit Frankrijk, Ierland en Italië hebben er zin in.

Ik raak aan de praat met onze gastheer, een jonge man die door de KNVB is aangesteld ter promotie van FC Eindhoven. Ik vertel hem dat het niet het beste seizoen van de club is. Dat beaamt hij, al is juist dit seizoen nog zo geïnvesteerd in nieuwe spelers. Toch blijft hij positief: er moet gestreden worden voor een plekje in de nacompetitie. Op dit moment is FC Eindhoven weliswaar gezakt naar de elfde plaats, een plek bij de bovenste acht of negen is mogelijk; zeker nu FC Eindhoven over Leonardo beschikt. De Braziliaan is via Feyenoord, Ajax, Salzburg, Newcastle United Jets (die in Australië) bij FC Eindhoven beland. Hij staat vanavond voor het eerst in de basis en wordt ronkend door de stadionspeaker aangekondigd: ‘onze Braziliaanse sterspeler Leeeeoooonardoooo!’.

Promotie naar de eredivisie, dat klinkt ambitieus. Het laatste seizoen dat FC Eindhoven op het hoogste niveau speelde was 1976-1977: toen was ik nog niet eens geboren. Als ik de borden langs het veld moet geloven is het vertrouwen in de terugkeer van de grote successen er nog altijd. Er staan teksten op als ‘Want in Europa zien ze zeker vroeg of laat blauw-wit’, ‘Hier aan de Aalsterweg, hier voelen wij ons thuis!’, ‘Er is geen club in het zuiden die Eindhoven kan verslaan.’ Dat laatste lijkt voor de buitenstaander wat buitenissig, maar FC Eindhoven won vorig jaar de Lichtstadderby van PSV.

FC Eindhoven begint vanavond niet heel sterk. In de eerste paar minuten is de ploeg vooral aan het verdedigen. Kansen krijgen ze amper. Als een speler van FC Eindhoven de bal terugspeelt naar z’n doelman, stoot mijn Ierse buurman me aan. Hij speelt Gaelic football, een mix van voetbal, handbal en basketball en legt me uit dat hij als doelman bij zo’n terugspeelbal allang was getackeld.

Na twintig minuten zit de bal ineens achter in het net: 1-0 voor FC Eindhoven. Niet snel daarna wordt het 2-0. Het scorebord lijkt te schrikken van die voortvarendheid; het duurt een paar minuten voordat de stand is bijgewerkt. Achter me roept een supporter: ‘aan het doelsaldo werken Eindhoven!’ Wat later gaat een bal van FC Den Bosch richting het doel van FC Eindhoven. ‘Keeper!,’ roept een man in het publiek. Dat vind ik aardig: de doelman ziet de bal van meters afstand aan komen. Bij een mooie pass over de breedte van het veld vindt een toeschouwer de balaanname tegenvallen. ‘Jammer dat hij de bal naar een technisch minder begaafde speler passt,’ zegt hij, met realiteitszin. Hij bespreekt met z’n buurman het falende aankoopbeleid van die club met dat stadion aan de Mathildelaan; met hoorbaar leedvermaak.

Het Jan Louwers Stadion is zó klein dat een te hard gespeelde bal niet alleen buiten de lijnen, maar net zo snel op het dak van een tribune of buiten het stadion (capaciteit: 4300 bezoekers) belandt. Maar elke doelpoging, mooie pass, of wissel wordt met applaus begroet. Hier geen geklaag over duurbetaalde vedettes die te lui zijn om achter een onhaalbaar geachte bal aan te rennen. FC Eindhoven heeft niet eens vedettes. Eigenlijk is er geen reden te bedenken om níet enorm fan van deze sympathieke club te zijn.

De fanatiekste fans zitten bovenin, in een hoek van de tribune. Vooraan hangt een spandoek met een afbeelding van Super Mario met als opschrift Super Dario, een verwijzing naar FC Eindhoven-speler Dario Van den Buijs. De harde kern zingt de hele avond om het hardst: ‘Eind-ho-vuh! Eind-ho-vuh!’
‘Are they really singing ‘Eind-ho-vuh! Eind-ho-vuh!”, vraagt mijn Mexicaanse buurman.
‘Yes, they are,’ zeg ik.
‘Wow,’ zegt hij hoofdschuddend.
Mijn Ierse buurman zegt dat hij niet kan verstaan wat ze nog meer zingen. Hij verstaat Nederlands, met Brabants heeft hij nog problemen. Ik luister eens goed naar de voetbalfans. Ook ik kan er geen chocola van maken.

De ruststand is 2-0, maar ik waarschuw mijn medebezoekers voor te veel optimisme. Het zal niet de eerste keer zijn dat FC Eindhoven een voorsprong verspeelt. Mijn woorden blijken profetisch: vrijwel meteen na rust komt FC Den Bosch op 2-1, niet snel daarna wordt het 2-2. Op de tribune is de spanning voelbaar. Een supporter op de bovenste rij van de tribune slaat een paar keer hard op de golfplaten achterwand van het stadion om z’n aanmoediging kracht bij te zetten: ‘kom op, Eindhoven!’

Mijn Ierse buurman begint steeds meer commentaar te geven: ‘they should change number five.’
‘You’re an expert,’ zeg ik.
‘The more I drink, the more I’m an expert,’ legt hij uit.
Even later is de grensrechter de gebeten hond en roept hij: ‘aye, Britney Spears, pay attention!’
‘Why do you call him Britney Spears?,’ vraag ik.
‘Because of his microphone,’ zegt hij.

Hij vertelt over de tijd dat hij in Aken woonde en eens naar een wedstrijd van Alemannia Aachen tegen Union Berlin was geweest. Niveau: derde Bundesliga. Alemannia Aachen verloor met 1-4, maar toen de thuisploeg op 1-0 was gekomen was het bescheiden stadion ontploft. En heb ik dat filmpje gezien van die supporters van die ene Duitse voetbalploeg? Toen de ploeg maandenlang niet had gescoord hadden ze allemaal pijlen van bordkarton mee naar de wedstrijd genomen, om ze de weg naar het juiste doel te wijzen. Even overwegen we FC Eindhoven ook de juiste kant op te sturen. De gedachte alleen al lijkt te helpen: FC Eindhoven komt uit een knappe counter weer op voorsprong. Nu scanderen alle expats mee: ‘Eind-ho-vuh! Eind-ho-vuh!’

De eerste keer dat ik, ergens halverwege jaren negentig, naar een wedstrijd van die andere Eindhovense club ging, wonnen ze met 3-2 van Willem II. Dat had 4-2 moeten zijn, ware het niet dat een doelpunt (onterecht natuurlijk) werd afgekeurd wegens buitenspel. Mijn eerste wedstrijd van FC Eindhoven lijkt ook in 3-2 te eindigen. Zeker als vlak voor het einde sterspeler Leonardo geblesseerd afhaakt. Als er vier minuten blessuretijd bij komt, slaat de spanning in het publiek opnieuw toe. Maar in blessuretijd maakt FC Eindhoven aan alle twijfels een einde: 4-2.
‘Tien! Tien!,’ roept een supporter achter me enthousiast.

Terwijl de spelers het publiek bedanken, zingt het publiek nu over Zombie Nations Kernkraft 400 opnieuw: ‘Eind-ho-vuh! Eind-ho-vuh!’ Een van de expats is onder de indruk: ‘six goals, wow!’ Bij de fanstore (formaat: bouwkeet) worden sjaaltjes aangeschaft. De drie punten zijn binnen, de negende plek is in zicht. Er is geen club in het zuiden die Eindhoven kan verslaan.

Posted in Eindhoven | Tagged , , , , | Comments Off on Eind-ho-vuh

Kleuterkwartier

Over het belang van hitlijsten anno 2017 kan je een aardige boom opzetten. Tot begin deze eeuw waren bij het samenstellen van hitlijsten de verkoopcijfers leidend, later kwam daar airplay bij, tegenwoordig is de fysieke single zo goed als uitgestorven en wordt het succes van een song bepaald aan de hand van het aantal streams op Spotify, of Joetjoep.

Toch geeft een hitlijst een aardig beeld van de populairste liedjes van het moment en voor mij is het een handige manier om bij te blijven: in elke pubquiz wordt naar hedendaagse hits gevraagd, dus het is verplichte kost om de hitlijsten bij te houden – al is dit allemaal wat ingewikkelder dan in de jaren negentig, toen het volgen van populaire muziek een stuk natuurlijker ging: ik krijg wat dancemeuk mee in de sportschool, waar de zender in het krachthonk staat vastgeroest op Slam! FM, maar voor de rest ben ik aangewezen op de Mega Top 50. Door wat drukke weekenden in de afgelopen maand miste ik die een paar keer en de gevolgen waren niet te overzien: ik wist een paar keer een recente plaat in de audioronde van de pubquiz niet. Dat zijn dure punten (pubquizzen is een teamsport, maar het is een ongeschreven regel in mijn team dat muziek mijn afdeling is).

Af en toe krijg ik het vermoeden dat 3FM met de Mega Top 50 in haar maag zit. Het zit weggestopt op de zaterdagmiddag en een tijd terug werd de zendtijd al teruggebracht van drie naar twee uur. Dat was een teken aan de wand, maar heel erg vond ik het niet. In de praktijk werden alleen de platen onderin niet meer gedraaid: al te platte danceplaten, of Nederhop. Soms is democratie zo slecht nog niet; overgeproduceerde meuk eindigt doorgaans ver buiten de Top 10. Toch, de vernieuwing is daar niet mee opgehouden.

Sinds een paar weken heeft de geplaagde hitlijst een nieuwe presentator: Rob Janssen. Laat ik ermee beginnen dat ik snap dat iedere radiomaker ergens moet beginnen. Van de lokale omroep in één of ander plattelandsdorp, naar een grotere lokale of regionale omroep, naar de nachtprogrammering van 3FM. Ik ben sinds 2001 vrijwilliger bij Studio 040 (dat toen nog heel anders heette trouwens) en ik heb menig radiotalent voorbij zien komen. Ik heb mezelf nooit als radiotalent beschouwd – ik ben nu eenmaal niet het type snelle jongen, bovendien hopeloos niet-technisch – maar ik ben afgestudeerd radiojournalist, hou van het vak en ik hoor wat een goed programma is.

De Mega Top 50 is geen goed programma. De schamele twee uur zendtijd, eerst nog goed gevuld met hits, wordt nu gebruikt voor infantiele radiospelletjes. En als ik bedoel infantiel, dan bedoel ik ook écht infantiel. En het zijn er in totaal drie. Dat zijn er minstens twee te veel, zeker omdat ze ook nog es tergend veel tijd in beslag nemen én niet eens leuk zijn. Er is een spelletje waarbij de luisteraar moet raden hoeveel keer je ‘koekoek’ in een fragment hoort. Een fragment met dierengeluiden die zo te horen door de presentator zelf zijn gemaakt. Ik zal het niet al te spannend maken, het antwoord was: één keer.

In een ander spelletje moeten twee zaken gecombineerd worden. Dat is iedere week anders en wordt bepaald aan de hand van een rad, met deze week: combineer een dier met een televisieprogramma. De leukste inzending was Kalkoenenjacht (heeft u ‘m?). De jingle die hierbij hoort komt uit Rad van Fortuin, jeweetwel, dat programma dat door SBS6 nieuw leven is ingeblazen en wordt gepresenteerd door André Hazes jr., waardoor met terugwerkende kracht duidelijk is geworden hoe goed Hans van der Togt eigenlijk was. Tot slot is er nog een minutenlang item onder de noemer #daarbeniknietblijmee, waarin luisteraars ergens hun beklag over kunnen doen, zodat iedereen lekker klaagvrij het weekend in kan. Even overwoog ik in te bellen en te klagen over de Mega Top 50 anno 2017, maar dat leek me te meta.

Dit alles wordt voorzien van jingles en fillers die het midden houden tussen circusmuziek en hoempapa. Ik snap dat een programma moet worden opgeleukt met spelletjes. Ook de Mega Top 50 oude stijl had radiospelletjes, het hoort erbij, het zorgt voor interactie met de luisteraar: prima. Maar wat hebben een spelletje waarbij iemand moet raden hoeveel koekoeks er worden geroepen, of een rubriek waarin mensen minutenlang kunnen klagen met de hits van het moment te maken? Ik snap dat niet. Als je zulke rubrieken wilt brengen, doe dat dan in een ander programma, bij voorkeur in het weekend tussen 7.00 en 9.00 uur ‘s morgens, en noem dit het kleuterkwartier, maar het hoort niet thuis in een hitlijst: het zorgt niet voor een coherent programma.

Ik kies niet voor niets voor de benaming kleuterkwartier, want de mensen die het meeste lol hebben in de Mega Top 50 zijn de presentator en z’n entourage. Afgelopen uitzending hadden ze zoveel plezier dat de filemelding in de soep liep, waarna ze zich plots zorgen maakten of de filelezer nu boos op ze zou zijn. Ik denk niet dat ie boos was, eerder teleurgesteld. Teleurgesteld dat 3FM zulke sneue kleuters overdag een programma laat maken dat van een bedenkelijk niveau is. Een programma waarvan ook de radioleiding bij Studio 040 zou zeggen dat het voor verbetering vatbaar is.

Nogmaals, ik snap dat jong radiotalent zich moet ontwikkelen. 3FM heeft het zwaar, omdat jongeren steeds minder naar de zender luisteren. En jongeren die niet naar een jongerenzender luisteren, dat is wel een dingetje. 3FM moet verjongen, oude rotten als Gerard Ekdom en Paul Rabbering vertrekken naar Radio 2 (en nemen veel oudere luisteraars mee, ondergetekende incluis), terwijl jong talent zich nog moet ontwikkelen. Dat gaat regelmatig van au. Als zender heb je daar echter een prima kweekvijver voor: de nacht. Het is een harde leerschool, waarbij zat radiomakers zitten die het niet redden. Alle grote jongens van 3FM zijn daar ooit begonnen: van Giel Beelen tot Domien Verschuuren, maar het beste wat de zender momenteel op radiotalent te bieden heeft is Janssen. De spoeling is wel heel dun geworden.

De Mega Top 50 is verworden tot een programma door en voor kleuters. Ja, ik ben al 35 en ja, ik ben ongetwijfeld te oud voor hitlijsten, maar ik ben niet zuur. Nee, echt niet. Wel wil ik een goed radioprogramma horen. Dat ik daarvoor misschien wat te oud ben, neem ik graag voor lief.

Posted in Media, Muziek | Tagged , , | Comments Off on Kleuterkwartier

Song Top 20 2016

Toen ik in 2012 voor de eerste keer een Song Top 20 maakte (deze editie vier ik mijn eerste lustrum), had ik voor de samenstelling wat voorwaarden gesteld. De belangrijkste eis was dat het een hit moest zijn geweest en, om precies te zijn, in de Nederlandse Top 40. De Mega Top 50 is doorgaans beter maar ook het speeltje van 3FM, en daardoor iets alternatiever. Het zorgde ervoor dat een Song Top 20 voor mij behapbaar was, want de beste twintig liedjes van het jaar period op een rij zetten is schier onmogelijk. De beste liedjes halen de hitlijsten niet; het gaat hier immers om pop. Maar ja. Na het overlijden van David Bowie stond diens Lazarus ineens een paar weken in de onderste regionen van de Top 40. Als een vlag op een modderschuit zou ik bijna willen zeggen, al doe ik daarmee de rest van dit popjaar te kort. Ik kan niet om Bowie heen, maar laat ik hem hierbij alvast noemen. Hij is buitencategorie en veel te goed voor deze Song Top 20.

2016 was, ondanks de vele muziekhelden die ons ontvielen, een uitstekend jaar voor de popmuziek. De beats waren minder lomp dan voorgaande jaren. Het toverwoord is tropical. Die muziek hing al een aantal jaren in de lucht, maar dit jaar had het merendeel van de top-40-hits lome, rustige beats die ook buiten de dansvloer prima te pruimen zijn. Bovendien zijn het vaak prima popliedjes; ook al zit er veel formulewerk bij.

Over het allerslechtste van 2016 heb ik al geschreven. Voor de rest was er ook dit jaar de terreur van de veridolsing, ver-x-factoring of, misschien nog wel de beste benaming, vervoicing binnen de popmuziek: het goede, licht alternatieve liedjes omvormen tot brave muzak voor het grote publiek, vaak gedaan door winnaars van talentenjachten die een liedje nodig hebben om hun zangtalent zo goed mogelijk te kunnen etaleren. Het gebeurde eerder met Hallelujah van Leonard Cohen, en Cannonball van Damien Rice. Allebei prachtsongs, maar tot in lengte van dagen bekender in de uitvoeringen van respectievelijk Lisa Lois en Little Mix. Dit jaar was Robyn het slachtoffer. Haar Dancing On My Own kreeg een ‘akoestische’ behandeling van Calum Scott. Ik kan heel veel leuke lijfstraffen bedenken voor mensen die roepen dat Scotts versie van Dancing On My Own beter is dan het origineel van Robyn, of ervoor zorgen dat alleen die Calum Scott-versie in de nieuwste editie van de Top 2000 staat. Maar laat ik beginnen met te verwijzen naar vier van de beste covers die ik de laatste jaren hoorde. Coveren. Doe. Je. Zo.

Maar ja. Die halen niet de Top 40.

Tot slot de videoclip van het jaar. Coldplay is een band om een ontzettende hekel aan te krijgen. Wegens het verloochenen van de wortels in de serieuze pianopop van begin deze eeuw, het opzichtige flirten met popproducers, het met alle populaire muziekwinden meewaaien: alles voor het succes. Maar dan ineens komt de groep met een single als Up & Up, met een videoclip boordevol surrealistische beelden. Een clip om naar te blijven kijken: de skiërs op het hoofdkussen, de racende auto’s op de ring van Saturnus, de planeten die boven het trottoir zweven, de drummer die op het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland zit te drummen – telkens ontdek ik iets nieuws, of heb ik een andere favoriet. Het gaat in een top-20 om de muziek en niet om de video, maar deze wil ik vermeld hebben.

20. Ellie Goulding – Still Falling For You

Ellie Goulding heeft al verrassend veel hits gescoord, maar de echte knijter ontbrak. Tot vorig jaar dan, toen de zangeres een wereldhit had met Love Me Like You Do, de soundtrack van Fifty Shades of Grey en één van de beste popsingles van de laatste jaren. Als je één keer zo’n succes hebt met een filmhit, waarom niet een tweede poging wagen? Dit keer heet de film Bridget Jones’s Baby en het liedje Still Falling For You. Wel ontbreekt ditmaal Max Martin, wat wellicht verklaart dat de single klinkt als het mindere broertje van Love Me Like You Do. Ook dan druipt de hitpotentie er nog vanaf, al haalde Still Falling For You de Top 10 niet. Bij lange na niet.

19. Walking On Cars – Speeding Cars

Het dorpje Dingle aan de Ierse westkust telt amper tweeduizend inwoners, maar al die inwoners spelen een muziekinstrument. Je moet ook wel, want het regent er het grootste deel van het jaar. Het is er trouwens prachtig, ik ben er in 2011 op vakantie geweest. Toen bestond de groep Walking On Cars al een jaar, dit jaar beleefden ze een bescheiden doorbraak met single Speeding Cars. Een slimme popsong zoals ze die in Ierland al decennia weten te schrijven, met die ‘he-ya he-ya he-ya he-ya’ hook in het refrein die je na één keer horen niet meer uit je hoofd krijgt. Het werd zonder noemenswaardige airplay (3FM pikte de single niet op) Alarmschijf en bereikte de onderste regionen van de Top 40. Tijdloze popmuziek, die in het huidige tijdsgewricht aanvoelt als een anachronisme.

18. Drake ft. Wizkid & Kyla – One Dance

De bestverkochte cd van 2016 is in Amerika niet de nieuwste van Drake, Beyoncé of Kanye West, maar van Mozart. Echt waar. Wat zal Drake gebaald hebben. Zijn Views schreeuwde aan alle kanten world dominance, maar de reviews (ha ha) waren matig. Ik snap die twijfel wel. Van de meeste nr. 1 hits snap ik de appeal, maar het succes van single One Dance begreep ik niet toen het eind april in één week van de 25ste naar de eerste plaats van de Top 40 sprong. Ik snap het nog steeds niet. Het pianoriedeltje is aardig, het ritme is prettig in het gehoor liggend, maar er is dit jaar veel betere muziek gemaakt. Er is zelfs betere hiphop gemaakt. Maar het is Drake. En One Dance is een wereldhit. Het is zelfs de meest gestreamde track op Spotify. Het ligt aan mij.

17. Mike Perry ft. Shy Martin – The Ocean

Sinds ik ooit las dat alle films eenzelfde opbouw hebben, ben ik daar op gaan letten. Het klopt. Blockbusters en filmhuisfilms verschillen in wezen weinig van elkaar; het gaat om een formule en het is aan de regisseur om die zodanig te camoufleren dat dit niet te zeer opvalt. Met popmuziek is het niet anders. Vrijwel ieder liedje kent een soortgelijke opbouw, maar de zanger/dj/producer dient die zo aantrekkelijk op dat de luisteraar toch overstag gaat. Ja, The Ocean van de Zweedse producer Mike Perry is paint by numbers tropical house (je kunt Cut Your Teeth van Kygo er overheen leggen), maar ik trap er met beide voeten in. Ik niet alleen. Het stond zes weken op de eerste plaats in Zweden, waar het dé zomerhit van 2016 was. Dan moet je van goede huize komen.

16. Deorro ft. Elvis Crespo – Bailar

Bailar is de platste dancetrack van 2016. Even was er nog, mede dankzij Serious Request, concurrentie van Believer van Major Lazer en Showtek (die bovendien een thuisvoordeel hebben; Showtek is Eindhovens), maar Believer is té plat. Bovendien heeft Bailar een iets hoger feestgehalte. Althans, gedurende de eerste minuut, als Bailar een vrolijke, zomerse meedeiner lijkt te worden. Lijkt, want dan komt de beat erin, de meest platte, ongenuanceerde feestbeat van 2016. Het is tekenend voor de Nederlandse muziekscene dat zo’n song juist hier een grote hit wordt. Want lomper dan Deorro en Elvis Crespo tref je ze anno 2016 niet aan. Behalve bij Major Lazer en Showtek dan.

15. Adele – Send My Love (To Your New Lover)

2015 was het jaar van Adele, in 2016 ging de zangeres met het snelst verkopende album van de 21ste eeuw op haar naam op wereldtournee. De singles van 25 deden de promotie. When We Were Young was een tikkeltje paint by numbers Adele, maar in Send My Love (To Your New Lover) was, met dat ritmische en geloopte gitaartje, een andere kant van de zangeres te horen. Mede geschreven en geproduceerd door Max Martin (en diens protegé Shellback), nadat Adele I Knew You Were Trouble van Taylor Swift hoorde en stante pede ook met de Zweedse grootmeester wilde werken. En dan te bedenken dat de basis van het liedje door de zangeres werd geschreven toen ze dertien jaar oud was. Hoezo 25?

14. Rae Sremmurd ft. Gucci Mane – Black Beatles

Kent iemand Baauer nog? Van de Harlem Shake? Zelden iemand zo niet blij gezien met een wereldhit, toen Baauers hit in 2013 viral ging. Dan waren Rae Sremmurd en Gucci Mane een heel stuk dankbaarder toen Black Beatles eind november de eerste plaats van de Billboard Hot 100 bereikte, vooral dankzij het gebruik van de track in de meme van 2016: de Mannequin Challenge. Die houdt niet veel meer in dan stokstijf stil blijven staan terwijl een camera ze filmt, het liefst met Black Beatles op de achtergrond. Zelfs Macca zelf gaf z’n goedkeuring toen hij een Mannequin Challenge deed. Net als Harlem Shake is Black Beatles overduidelijk trap, de southern hiphopversie die wordt gekenmerkt door donkere synths en rauwe raps. Al lijkt het, als je de videoclip ziet met al die vrolijke beelden van de live shows, wel mee te vallen met het duistere gehalte van Rae Sremmurd en Gucci Mane.

13. Bruno Mars – 24K Magic

Elke zaterdag, als ik in de kleedkamer van de sportschool sta uit te puffen van de grit strength, worden in de aangrenzende zaal breakdance-lessen gegeven. Sinds een paar maanden beginnen ze steevast met Bruno Mars’ 24K Magic. Blijkbaar gaat het niet altijd goed; het wordt geregeld opnieuw ingestart. 24K Magic is een typisch breakdanceplaatje. En Mars is op een missie om de nieuwe King of Pop te worden, met de vrolijke, onbezorgde, schaamteloos retro klinkende jarentachtigsynthfunk van 24K Magic als vehikel. De zanger neemt daarvoor de blauwdruk van het ultieme popmeesterwerk Thriller en komt zelf met een album dat ook negen tracks telt. Het ding heeft een speelduur van nog geen 34 minuten. Ook dat is een statement: álle tracks zijn potentiële hits. Al blijf ik met de vraag zitten of negen liedjes met retro jarentachtigsynthfunk niet te veel van het goede is.

12. Kungs vs. Cookin’ On 3 Burners – This Girl

Remixen zijn de levensader van de muziekindustrie. Is je track geflopt? Geen nood, een dj reanimeert je zorgenkindje et voilà: je hebt alsnog een monsterhit. Dat klinkt cynisch en is in het geval van het o zo zomerse This Girl wellicht zelfs onterecht. Het origineel stamt al uit 2009, is van het Australische funktrio Cookin’ On 3 Burners en werd in die versie ook in het thuisland geen hit. Valentin Brunel, de echte naam van de negentienjarige, uit het Franse Toulon afkomstige dj Kungs, maakte de remix. Hij voerde het tempo iets op, mixte er handclaps, een funky gitaartje én extra trompetjes doorheen en scoorde daarmee de leukste zomerhit van 2016.

11. Fifth Harmony ft. Ty Dolla $ign – Work From Home

Work From Home is de best bekeken videoclip van 2016. Een keer kijken en je snapt waarom: veel te zonnebankbruine, te gespierde en te bezwete mannen, met daartussenin wulps dansende zangeressen. We zijn een eind gekomen sinds Addicted To Love, maar tegelijkertijd zijn we geen meter opgeschoten. Goed, Fifth Harmony dus. De kwade genius achter dit vijftal is Simon Cowell. Stelde hij eerder uit solozangers die meededen aan The X-Factor in Groot-Brittannië One Direction samen, in 2012 deed hij hetzelfde bij The Voice USA al gaat het hier om, niet onbelangrijk, vijf zangeressen. Dinah Jane, die de tweede keer het pre-chorus zingt, is de beste. Als Fifth Harmony na een volgend album al ruziënd uit elkaar dondert (Camila Cabello kondigde haar afscheid afgelopen weekend al aan), dicht ik Jane een glansrijke, Beyoncé-achtige, solocarrière toe. Omdat er – heel erg nineties – ook een rap in het liedje moet, rapt Ty Dolla $ign een moppie mee. Ja, die naam schrijf je echt zo. Ayn Rand zou trots op ‘m zijn geweest.

10. Rag’n’Bone Man – Human

Bestaat authenticiteit in de popmuziek? Ik denk het niet. Ik denk dat het überhaupt nooit bestaan heeft. Een liedje kan wel heel authentiek klínken, vandaar dat muziekcritici lyrisch zijn over het succes van Rag’n’Bone Mans Human. Het is een monster van een track, grotendeels zelf geschreven door Rory Graham. Hij is Rag’n’Bone Man, een singer-songwriter die de woorden funk en soul op z’n handen getatoeëerd heeft staan. De productie is in handen van Two Inch Punch, een man die eerder werkte voor hitfabriekjes Sam Smith en Years & Years. Human is in wezen een bluessong, die door de in your face productie naar een hoger plan wordt getild. Rag’n’Bone Man miste vorige week op een haar na de eerste plaats in de Britse Top 40, waarmee de felbegeerde titel Christmas Nr. 1 nipt aan z’n neus voorbij ging. Dat is nog de minste zorg. De vraag is hoe Rag’n’Bone Man zo’n monsterhit in godsnaam op gaat volgen. Hij is gedoemd een one hit wonder te worden.

9. Desiigner – Panda
8. Broederliefde – Jungle

Er was dit jaar nogal wat te doen rond 3FM. Het verwijt: ze draaien te weinig hiphop. Tja. 3FM zit in een lastig parket. Het is van oudsher een rockzender, gericht op alternatieve muziek, tegelijkertijd ziet ook de leiding dat jongeren steeds minder naar 3FM luisteren. En als jongeren niet meer naar een jongerenzender luisteren, nouja, dat is wel een dingetje.

Als de zender krakers als Panda op high rotation zet ben ik om. Sidney Royel Selby III is de rapper die dit jaar op achttienjarige leeftijd als Desiigner de eerste plaats van de Billboard Hot 100 bereikte. Met dank aan Kanye, die Panda samplede op z’n plaat The Life of Pablo. Niet dat het gaat over de grote troetelbeer die al niezend honderden miljoen views op Joetjoep binnen harkt, maar om Desiigners liefde voor de BMW X6: verkrijgbaar in zwart en wit, vandaar dat hij geregeld ijlend ‘panda, panda’ zegt. Panda is meesterlijk geproduceerd: de omineuze beat en de strijkers op de achtergrond, de rap die mooi naar voren is gehaald in de mix. Hiphop en trap als voer voor de woofers. Het is te maf voor de Top 40, maar kwam daar toch terecht.

Met Broederliefde heb ik minder, maar het valt niet te ontkennen dat 2016 het jaar van deze hiphopgroep uit Spangen was. Het album Hard Work Pays Off 2 stond veertien weken op nr. 1 van de Album Top 100. Alaka en Ik was al Binnen haalden beiden de Top 40, Jungle was de grootste hit. ‘De Nederlandse oorwurm van het jaar,’ aldus 3voor12. Absoluut; Jungle is, eenmaal gehoord, niet meer uit je onderbewustzijn weg te krijgen. Met veel gevoel voor humor ook: kijk alleen maar naar de hoes van dat album dat alle records verbrak. Dan vergeet ik nog het állerbelangrijkste. Er groeit dankzij Jungle een nieuwe generatie op die het acroniem Benelux kent. Kudo’s.

7. Justin Timberlake – Can’t Stop The Feeling!

Max Martin had in 2016 niet z’n beste jaar. Scoorde hij in 2014 nog drie Amerikaanse nr. 1 hits, in 2015 waren het er nog twee. Dit jaar was het er maar eentje: Can’t Stop The Feeling! van Justin Timberlake die we, naar A. F. Th. van der Heijden, alleen nog maar met z’n initialen hoeven aan te duiden: J.T.. Hoewel het in Amerika de bestverkochte single van het jaar was, vind ik Can’t Stop The Feeling! niet de beste van Martin. Hij wil te graag. Of misschien komt het door Timberlake, die net als Mars te dicht bij het muziekidioom van de King of Pop blijft hangen en daardoor niet overtuigt als geloofwaardige troonpretendent. Blijft over dat Timberlakes single een hoog feestgehalte heeft waar niemand zich een buil aan kan vallen. En durfde de zanger het aan om op te treden als pauze-act tijdens het Eurovisie Songfestival. Een primeur; nooit eerder stond zo’n grote Amerikaanse artiest op het podium tijdens het ultieme kitschfestijn.

6. The Chainsmokers ft. Rozes – Roses

The Chainsmokers brachten in 2014 #selfie uit, een song met de levensduur van de gemiddelde noveltyhit: één week leuk. Geen reclame voor de rest van de output van het Amerikaanse DJ-duo. Zoals Stereogum niet ongeestig opmerkte: ‘a song that bad is its own kind of quality control filter: This river is polluted today, and it will probably be polluted for a long time, so don’t even bother looking for refreshment here. The Chainsmokers might as well fuck off forever.’ Maar, zo moest ook deze scribent van Stereogum toegeven, Roses, de single die The Chainsmokers vorig jaar uitbracht (maar in 2016 door toedoen van Justin Bieber alsnog een hit werd) is prachtig. Een productie die niet zomaar de standaard bottebijlmethode toepast met een plat, lomp beukend refrein, maar juist de subtiliteit opzoekt. Misschien is het juist de verbazing dat een groep die zulke bagger kan maken het ook in zich heeft zo’n wonderschone dancetrack te produceren, al begon bij opvolgers Don’t Let Me Down, Closer en All We Know de blauwdruk op te vallen. Wel jammer dat het zulke eikels zijn.

5. ZAYN – Pillowtalk

Leden van boybands houden elkaar constant in gijzeling. De band is bedoeld als springplank voor een succesvolle solocarrière dus de vraag die boven elke boyband hangt is simpel: wie springt als eerste en heeft daarmee een voorsprong op de rest? Zayn Malik was de eerste van de One Directionleden die in maart 2015 aankondigde uit de band te stappen, om een jaar later z’n solodebuut Mind of Mine te droppen. Over dat album had Stereogum een prachtige quote: ‘Malik has delivered a whole album of One Direction minus fun plus sex.’ Uiteindelijk was Pillowtalk de enige single van Mind of Mine met enige impact en zelfs dat liedje is, nu de balans van 2016 wordt opgemaakt, alweer bijna vergeten maar ik breek er, met z’n spijkerharde drums, de ambivalente teksten (‘be in the bed all day, fucking you, and fighting on’) die tegelijkertijd niks aan duidelijkheid te wensen overlaten én de zowel spuuglelijke als fascinerende videoclip (met liefje Gigi Hadid) graag een lans voor.

4. Twenty One Pilots – Stressed Out

Vroeger, toen de aarde nog plat was, en je poepen nog met een lange oe schreef, ja toen was alles beter. Dat hebben Josh Dun en Tyler Joseph goed begrepen. Hun doorbraaksingle Stressed Out is een even melancholieke als vrolijke kijk op het jong zijn, want met het ouder worden verdwijnen de adolescententwijfels geenszins: ‘I was told when I get older all my fears would shrink, but now I’m insecure and care wat people think’. Ik snap Joseph heel goed. Ik niet alleen. Vorige maand stonden ze voor een uitverkochte Heineken Music Hall die, aldus de recensent van de Volkskrant, verdacht leeg oogde, al kwam dat doordat alle meisjes tegen het podium aan stonden gedrukt. Er zijn anno 2016 veel vervelendere groepen waar de gemiddelde bakvis voor kan vallen, dus mij hoor je niet klagen. En Twenty One Pilots behaalde dat succes op eigen kracht. Want Blurryface, het album waar Stressed Out (en andere topsingles als Ride en Lane Boy) van afkomstig zijn, is de vierde plaat van het duo én, net als de voorgangers, grotendeels zelf geschreven. Respect.

3. The Weeknd ft. Daft Punk – Starboy

Sinds het overlijden van Michael Jackson de troon van de King of Pop vacant is doen diverse sterren een greep naar de macht. Mars en Timberlake, we kwamen ze al tegen, blijven daarbij te dicht bij de stijl van de grootmeester zelve, maar Abel Makkonen Tesfaye, lijkt de ethics van Wacko Jacko meer naar de 21ste eeuw te trekken. Iets meer. Hij is in elk geval slim genoeg om een samenwerking met Daft Punk (is het schilderij op 1 minuut 20 een cameo of product placement?) aan te gaan, een duo dat op een dermate hoog niveau musiceert dat zelfs een b-kantje met gemak mijn eindejaarslijstje zou halen. De pulserende beats en de brommende synthbas zijn typisch Daft Punk; Starboy wordt nergens lomp, maar is tegelijkertijd een extreem dansbare track. Het is met afstand de meest mellow track die dit jaar op Slam! FM te horen is geweest. Het enige jammere is dat The Weeknd nog geen fatsoenlijk, coherent album heeft weten uit te brengen. Ook het album Starboy – de titel is een eerbetoon aan Jackson – is, op z’n zachtst gezegd, wisselvallig. Of is het met de titel van King of Pop net zoiets met ouderdom: iedereen wil het worden, niemand wil het zijn?

2. Mike Posner – I Took A Pill In Ibiza (SeeB Remix)

‘Is that really a song?’, aldus een Engelstalige vriendin tegen mij, toen ik eerder dit jaar met haar de meest recente hits doornam. Ja, dit is een song. En een verdomd goede ook nog. Als Drank & Drugs de feestdrugshit van 2015 was, dan is I Took a Pill in Ibiza the day after. De kater komt later: Posner voelde zich ‘ten years older but fuck it, it was something to do.’ Het mooie van I Took a Pill in Ibiza is dat de tekst in tegenspraak is met die hedonistische openingsregels. Die gaat over de tol van de roem van een popster, zo zingt hij dat hij na een one night stand zegt dat ie het druk heeft, ‘but the truth is I can’t open up’. Dat levert in de originele versie een vervelende lamentatie op, dus kudo’s voor het Noorse DJ-duo SeeB dat ze die lamlendige song van Posner hebben verbouwd tot deze remix die zo verraderlijk vrolijk klinkt. Nee, de roem en de drugs die bij het succes horen, daar is niks cool aan. Hoeveel luisteraars zal dat zijn opgevallen.

1. Dua Lipa – Be The One

Alle liedjes van het volgend jaar te verschijnen debuut van Dua Lipa heeft ze zelf geschreven. Allemaal. Behalve Be The One. Maar, zo gaf de zangeres zelf toe, dat liedje is zó goed dat het per se op haar debuut moet. Laat het ook meteen haar beste song zijn, waar latere singles als Hotter Than Hell, Last Dance en Blow Your Mind (Mwah) niet bij in de buurt komen. 2016 is het jaar van de tropical house hausse. Prettig in het gehoor liggende, relaxte dance, met als vaandeldragers The Chainsmokers, Robin Schulz, Kygo, Seeb en Mike Perry: we kwamen een paar van deze jongens al eerder in de lijst tegen. Dua Lipa geeft ze allemaal het nakijken. Ze is niet alleen het mooiste meisje van de klas (bekijk de videoclip bij Be The One en probeer níet te smelten), ze heeft ook nog eens de mooiste track van het jaar. Eigenlijk is dat heel logisch.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Song Top 20 2016

Paspoortleed

In mijn eerste paspoort zullen niet veel stempels hebben gestaan. Het was zo’n exemplaar waarbij onderaan de pagina’s de Nederlandse geschiedenis in vogelvlucht werd verteld. Interessant; alles wat ik weet van de Hoekse en Kabeljauwse twisten heb ik geleerd op vakantie naar Frankrijk, als ik verveeld door mijn paspoort bladerde en de minuscuul kleine, onleesbaar geachte, woordjes uitspelde. Aan mijn voorlaatste paspoort was ik, vanwege de stempels van Australië, Nieuw-Zeeland en Amerika meer gehecht, maar de baliemedewerkster was meedogenloos en nam het paspoort in toen ik een nieuw aan kwam vragen.

Dit keer ging het niet anders. Mijn paspoort verliep op 24 november en omdat het geld bij Guido niet op de rug groeit had hij zich voorgenomen dat hij zich, op de dag dat hij z’n salaris én dertiende maand binnen zou krijgen, naar de kapper, de fotograaf én de gemeente zou spieden ten einde het nieuwe paspoort (à la leges van 64 euro 40) aan te vragen. Dat zou allemaal geen problemen moeten opleveren. Zou. Maar misschien had ik me toch zorgen moeten maken toen het apparaat dat mijn nieuwe pasfoto scande niet zo overtuigd leek van de rechtsgeldigheid van mijn tronie. Tot twee keer toen hield de medewerkster de foto onder de scan en pas na hevig aandringen ging het apparaat schoorvoetend akkoord.

‘Omdat dit paspoort is verlopen moet ik het inhouden meneer,’ sprak de baliemedewerkster ietwat verveeld.
‘Owja?,’ vroeg ik verbaasd, maar ik sputterde niet tegen. Goed, ik had dan tijdelijk geen geldig identiteitsbewijs (nee, ik heb nooit mijn rijbewijs gehaald), maar dat moest te overleven zijn. Uiterlijk volgende week donderdag zou mijn paspoort klaar zijn.

Nog geen uur later bestelde ik in een kledingzaak een t-shirt dat niet in mijn maat voorradig was. Bij het afrekenen zag ik hoe een andere klant een bestelling ophaalde en zich moest legitimeren. Ai, probleempje.
‘Euh, ik heb momenteel helaas geen geldig identiteitsbewijs,’ zei ik tegen de medewerker.
‘Ow, dat is geen probleem hoor,’ verzekerde hij me.
Toch schoot het nu even door m’n hoofd: die paar dagen zonder geldig legitimatiebewijs konden nog knap lastig worden.

Afgelopen weekend wilde ik een dagje met de trein naar Rotterdam. Toen ik het uitgeprinte kaartje, dat ik een paar maanden terug in de Spoordeelwinkel had gekocht, eens goed bekeek zag ik pas de kleine lettertjes: ‘alleen geldig op vertoon van een geldig identiteitsbewijs.’ Lastig. Ik begon me inmiddels toch danig onthand te voelen zonder paspoort. Er werd nooit naar gevraagd, zeker niet als ik met de trein reisde, maar ik vond het geen prettige gedachte om semi-illegaal in de trein te zitten. Voor de zekerheid checkte ik het met de webcare van de NS. Nee, reizen met zo’n treinkaartje zonder geldige legitimatie was eigenlijk niet toegestaan, ‘maar overleg even met de conducteur voordat je in de trein stapt,’ aldus de medewerker van de webcare. Gezagsgetrouw als ik ben wachtte ik bij de trein op de conducteur en toen ik de beste man achteraan bij de trein zag staan, rende ik op ‘m af, waarop hij doodleuk instapte en vertrok: trein gemist. Een half uur later was de conducteur van de volgende trein wel aanspreekbaar, al was hij wat korzelig: ‘dat is niet geldig. Maar waar moet u heen?’
Ik zei dat ik naar Rotterdam moest.
‘Daar gaat u wel komen.’
‘En terug?’
Dat bleek een retorische vraag. Hij haalde z’n schouders op.
‘Oké. Dat moet ik daar dan nog maar vragen.’

‘s Avonds, na zonder problemen uit Rotterdam te zijn teruggereisd, vertelde ik tijdens het eten bij mijn ouders dat ik mij, zo zonder geldige papieren, illegaal voelde. Mijn zwager, ook te gast en iets rechtser dan ik: ‘krijg je nu dan geld?’
Hij kreeg van mij een vernietigende blik toegeworpen.

Vandaag kreeg ik aan het einde van de morgen een telefoontje van een medewerkster van de gemeente: ‘meneer, uw foto is niet goed. Uw voorhoofd is te hoog en u heeft uw mond niet dicht.’
Mijn mond niet dicht? Dat was me niet opgevallen. Sterker, op de eerste foto die de fotograaf had gemaakt had ik m’n mond volgens de beste man nog een beetje open, reden voor hem om ‘m opnieuw te maken. En wat betreft dat voorhoofd, het liefste had ik willen roepen ‘mevrouw, ik word al kaal. Dat komt voor bij mannen, ook op hun 35ste.’ In plaats daarvan stamelde ik dat ik na het werk wel een andere pasfoto af zou komen geven. Ik kon zo naar de balie lopen en naar iemand vragen: geen enkel probleem.

Een paar uur later kreeg ik een mailtje: ‘Beste lezer, uw paspoort of ID-kaart ligt klaar op het Stadskantoor.’ Dat maakte het er niet duidelijker op.

Na het werk fietste ik meteen naar het stadskantoor. Bij de balie legde ik de situatie uit: ‘ik zit met een cryptische situatie. Ik ben vanmorgen gebeld dat de foto voor mijn nieuwe paspoort niet goed zou zijn, én ik kreeg vanmiddag een mailtje dat mijn paspoort klaar ligt.’
‘Oei, dat is wel wat slordig,’ vond de baliemedewerker. ‘Maar ik vrees dat uw pasfoto dan niet correct is,’ vervolgde hij.
Hij ging het nakijken en kwam even later terug. ‘Uw paspoort is vanmorgen binnengekomen en toen bleek dat de pasfoto niet goed was. Er zou te veel voorhoofd op de foto staan. En u heeft uw mond niet dicht.’
‘Dat had ik al begrepen. Wel wat vreemd,’ zei ik, ‘want ik heb m’n mond toch echt dicht op die foto. Daar heeft de fotograaf zelfs nog op gelet.’
‘Tja, dan weet ik het ook niet. Maar gaat u even een nieuwe pasfoto maken en geef die af, dan doen we vandaag de aanvraag nog weg. Dan heeft u woensdag alsnog uw paspoort,’ zo verzekerde de medewerker mij.
‘Woensdag? Dat is toch nog sneller dan ik had verwacht. Eigenlijk zou het donderdag binnenkomen,’ reageerde ik verheugd.

Bij de fotowinkel waar ik vorige week de pasfoto’s had laten maken reageerden ze nuchter op mijn verhaal. Nee, ze hadden geen idee wat er mis kon zijn, maar zonder morren maakte de medewerkster gratis een nieuwe foto.
‘Voor ons is het soms ook een raadsel waarom foto’s worden afgekeurd,’ zo verzekerde ze me.

Terug in het stadskantoor liep ik direct door naar de balies. De medewerker die mij net had geholpen, was met een klant bezig dus ik stond er wat hulpeloos, met de nieuwe pasfoto’s in mijn hand. Een medewerkster vroeg wat ik kwam doen. Ik legde mijn situatie uit. Ze ging overleggen en kwam terug. Nee, de eerste foto was echt niet goed, sprak ze verwijtend. Alsof ik zelf ook niet in had gezien dat de pasfoto helemaal fout was geweest. En trouwens, de foto werd ook nog eens extra groot in mijn paspoort gezet. Het zag er niet uit. Zoals ze het beschreef dacht ik dat ik als een Conehead, of E.T. was afgebeeld.
‘Ik moet een nieuwe aanvraag voor u indienen,’ zei de dame.
‘Ik had begrepen dat ik alleen mijn pasfoto af hoefde te geven,’ antwoordde ik.
‘Nee, dat kan niet meneer,’ zo zei de baliemedewerkster op een toon die geen tegenspraak duldde. ‘Ik moet een nieuwe aanvraag voor u doen. Maar die is dan op kosten van de gemeente Eindhoven.’
Nu volgde de riedel die ik een week eerder al had gehoord: mijn lengte, de handtekening, de pasfoto, de vingerafdrukken.
‘U hoeft toch niet snel weg he? Want dan maak ik er een spoedaanvraag van,’ vroeg de dame.
‘Nee hoor,’ verzekerde ik de medewerkster. ‘Maar het paspoort is toch al woensdag klaar.’
‘Woensdag? Dat is wel erg snel. Dat hadden we nog gehaald als u de foto voor 15.30 uur had aangeleverd. Nee, nu wordt het donderdag,’ zei ze.
Gelaten verliet ik het stadskantoor. In mijn hand had ik het afhaalbewijs waarop de baliemedewerkster in grote letters had geschreven ‘tbv gemeente Eindhoven’.

Thuis bekeek ik de afgekeurde pasfoto. Ik heb mijn hoofd een beetje naar achteren. Maar mijn mond heb ik toch echt dicht.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged , , | Comments Off on Paspoortleed

Bastille

Kunnen we het even hebben over Bastille? Ik wil niet de misantroop uithangen, maar als ik heel eventjes mag: Good Grief moet de allerslechtste single zijn van de allerslechtste band die anno 2016 de Nederlandse ether vervuilt. Het jaar is nog niet voorbij, dus ik neem enig risico met deze boude stelling, maar ik verwacht niet dat er een andere band is die in de buurt komt van de ongekende dieptes die Bastille heeft weten te bereiken. Dat het zo’n verschrikkelijke band is kan niet als een verrassing komen. Pompeii was al een draak van een single, al kon ik me voorstellen dat de ‘hey-hey-oh-hey-oh’ hook in het refrein wel lekker blijft hangen. Je neuriet het meteen mee, geen wonder dat het een wereldhit is geworden. Je kreeg het als argeloze luisteraar sowieso door je strot geduwd, dus of je het wilde of niet, vroeg of laat blèrde je het vanzelf wel mee.

Ik hoopte dat het bij die ene single zou blijven. Dat Bastille in een vlaag van verstandsverbijstering van de voltallige wereldbevolking op een voetstuk was gehesen, dat de groep door de mand zou vallen. De mensheid zou het snel genoeg doorkrijgen: dit is een band gespeend van enig talent. Andere singles van het debuutalbum Bad Blood beloofden nochtans weinig goeds. Laura Palmer, Things We Lost In The Fire: ze hadden dezelfde mix van belabberde teksten, catchy koortjes en, het allerergste, een niet kloppend metrum. De grootste doodzonde moest toen nog komen. De regelrechte verkrachting van twee geweldige jarennegentigeurohousekrakers: The Rhythm Of The Night van Corona en Rhythm Is A Dancer van Snap. Ze werden verbouwd tot Of The Night, waarbij alles wat de originele tracks zo leuk hadden gemaakt werd weggegooid. Dat je zoiets opneemt is ernstig, dat je het uitbrengt is schandalig, dat er radiostations zijn die het draaien gaat alle verstand te boven. Slechter dan Of The Night kon niet.

Tot Good Grief dus.

Good Grief is een aantoonbaar slecht liedje. Alles, werkelijk álles aan deze track is slecht. Het zijn grote woorden, ik weet het, dus laat ik om mijn bewering te onderbouwen een exegese van de tekst maken. Die gaat, zoals in zoveel popliedjes, over de zanger die treurt dat z’n vriendinnetje bij ‘m weg is. Althans, dat denk ik. Want Bastille-zanger Dan Smith beschrijft een en ander in zo’n incoherent relaas dat je je serieus afvraagt of het vriendinnetje niet in stukken gezaagd in de vriezer ligt, of met betonnen voetjes op de bodem van het kanaal de vissen gezelschap houdt. Dat is dan misschien de verklaring voor de regel die zanger Dan Smith keer op keer blijft herhalen:

What’s gonna be left of the world if you’re not in it?

Hou dit in gedachten, want dit refrein is nog het enige begrijpelijke deel van de songtekst. De rest is cryptischer. Zo heeft Smith de helft van de tijd z’n handen voor z’n gezicht en durft hij amper tussen z’n vingers door te kijken:

Watching through my fingers, watching through my fingers
Shut my eyes and count to ten

Laten we dit stukje proza eens verder ontleden. Blijkbaar ziet hij iets traumatisch en slaat hij z’n handen voor z’n ogen. Begrijpelijk. Wie heeft niet als kind met een mengeling van nieuwsgierigheid en angst met z’n handen voor z’n ogen gezeten, of is bij een spannende filmscène achter de bank gekropen? Smith blijkbaar ook. Dat je dan je ogen ook nog dichtdoet en tot tien telt en denkt dat het enge beeld dan weg is, ach. Laten we het erop houden dat logisch redeneren niet de sterkste kant van Smith is. Dit is de man die over Pompeii zong ‘hey-hey-oh-hey-oh’; alsof de inwoners van die stad niks beters te doen hadden dan onzinteksten zingen toen de Vesuvius uitbarstte. Nee, dan het tweede couplet, waarin Smith’s zintuigen niet meer correct lijken te functioneren:

Watching through my fingers, watching through my fingers
In my thoughts you’re far away
And you are whistling the melody, whistling the melody
Crystallizing clear as day
Oh I can picture you so easily, picture you so easily

Je hoopt dat de tekst hier begrijpelijker wordt. Dat Smith zelf ook wel inziet: ‘goed, ik heb net een hoop quatsch gezongen, nu moet ik de luisteraar wel enige houvast bieden.’ Dat is niet het geval. Want volgens bovenstaand fragment kijkt de zanger tussen z’n vingers door en ziet z’n vriendinnetje. Of niet, want in gedachten is ze ver bij hem weg. En hij hoort haar een melodie fluiten. Dat is raar. Als je iets hoort, kan je dan niet beter je oren dichtknijpen, in plaats van je handen voor je ogen houden? Of heel hard een ander liedje zingen? Dat werkt altijd goed als je een oorwurm (zoals Pompeii) kwijt probeert te raken. Vreemd genoeg sluit Smith het couplet af met de regel dat hij haar zo makkelijk voor z’n ogen ziet. Waarom hou je dan überhaupt nog je handen voor je gezicht? Dat heeft weinig nut als je iemand in gedachten voor je ziet. Dan, in het derde couplet, wordt de relatie tussen zanger Smith en z’n vriendinnetje ronduit problematisch:

Watching through my fingers, watching through my fingers
Caught off guard by your favorite song
Oh I’ll be dancing at a funeral, dancing at a funeral
Sleeping in the clothes you love
It’s such a shame we had to see them burn, shame we had to see them burn

Juist. Dus de zanger houdt nog steeds z’n handen voor z’n ogen en schrikt nu als hij plotseling haar favoriete liedje hoort. Dan gaat ie zelfs dansen op een begrafenis. Maar over wiens uitvaart heeft hij het? Die van z’n vriendinnetje? En hoe is zij aan haar einde gekomen? Daarover heeft Smith het niet. Toch ligt hij wel in haar kleren te slapen. De zanger is dus een travestiet. Niet dat dat erg is; anno 2016 doet niemand meer moeilijk over een onderwerp als gender. Maar dat hij in haar kleren slaapt die ze net samen hebben verbrand is wel een tikkeltje, tja, vreemd. Want zijn die kleren verbrand in de crematie van z’n vriendinnetje? Dat kan niet, want ze hebben ze samen verbrand. Gaan we nog even verder, teneinde wat duidelijkheid te krijgen over de strekking van Good Grief.

You might have to excuse me
I’ve lost control of all my senses
And you might have to excuse me
I’ve lost control of all my words
So get drunk, call me a fool

Het heeft even geduurd, maar alles lijkt nu wat duidelijker te worden. Smith is compleet murw van alle emoties. Arme jongen. Hij ziet nu zelf ook in dat ie aan het raaskallen is. Eindelijk heeft Good Grief een zin die hout snijdt: laten we samen dronken worden en elkaar voor gek verklaren. Logisch, want alleen als je starnakel dronken bent begrijp je deze tekst.

Natuurlijk, slechte teksten zijn van alle tijden. Jim Morrison van The Doors, een band die tegenwoordig alom wordt beschouwd als Enorm Belangrijk En Invloedrijk, zong in Riders On The Storm tenenkrommende rijmelarij als ‘there’s a killer on the road, his brain is squirming like a toad’ en kwam er mee weg. In de jaren negentig had je Des’ree, die met Life een nieuwe norm zette wat betreft onzinteksten: ‘I don’t want to see a ghost, it’s a sign that I fear most, I’d rather have a piece of toast, watch the evening news’. Bijna twintig jaar later nog steeds lachwekkend slecht. Of The Killers, die in 2008 de existentiële vraag opwierpen: ‘are we human, or are we dancer?’ Ze werden er hard om uitgelachen, maar Human werd een wereldhit. En er verschijnen zeventien jaar na dato nog geregeld bloedserieuze artikelen over de vraag waar I Want It That Way van de Backstreet Boys nu eigenlijk over gaat. Hoe slecht die teksten dan ook mogen zijn, het zijn wel klassieke pophits gebleken (oké, Des’ree’s Life uitgezonderd).

Toch vermoed ik dat die Smith niet helemaal achterlijk is. Hij heeft een paar hits gescoord, dan zal je allicht iets kunnen. En nee, popzangers hebben niet de ambitie om met hun teksten te kunnen wedijveren met het beste werk van Tolstoj, Shakespeare of Joyce. Maar om eerst drie coupletten lang rabiate nonsens uit te kramen om dan met het excuus te komen dat je aan het raaskallen bent is wat al te makkelijk. Daar trappen we niet zomaar in. En trouwens, als je zo’n onzin uitkraamt, had dan in elk geval voor een tekst gekozen die enigszins in het metrum past. Want geheel in traditie met de rest van het oeuvre van Bastille klopt er werkelijk niks van de tekst als deze over de melodie wordt gezongen. Smith legt continu de klemtoon verkeerd en rekt woorden op om ze in het metrum gepropt te krijgen: whistling, melody, dancing, crystallizing, sleeping. Hij doet het zó vaak dat ik vermoed dat hij het expres doet. Waarom is een raadsel. Het is lelijk en irritant.

Het stomme is: ik ben lang niet de enige die Bastille verschrikkelijk vindt. Zelfs OOR, het muziekblad dat een paar jaar terug nog lovende woorden over had voor SuperHeavy, het volslagen geflopte hobbyproject van Mick Jagger, publiceerde een vernietigende recensie over het laatste Bastille-album Wild World, waar Good Grief de eerste single van is. De recensie zorgde zelfs nog voor enige ophef, want kritische recensies worden bij OOR met uitsterven bedreigd:

‘Bastille maakt namelijk muziek waar geen recensent zich mee wil bezighouden. Dat deed de Britse band al op debuut Bad Blood. Singles Pompeï en Things We Lost In The Fire werden desondanks enorme hits. Ik snap dat nog steeds niet. Deze groep is het debiele broertje van Coldplay. En nu ik dat heb opgeschreven, wil ik meteen mijn excuses aanbieden aan Coldplay. Die band heeft namelijk nog een charismatische frontman, en niet zo’n gebroken dweil als Bastille-zanger Dan Smith.’

Soms word ik mistroostig van de toestand in de wereld. En dan niet vanwege opkomend rechts-extremisme, de opwarming van de aarde of de zwartepietendiscussie. Ja, dat zijn allemaal ernstige zaken. Wat ik minstens zo zorgelijk vind is dat een groep als Bastille voet aan de grond krijgt. Dat een zender als 3FM de groep een podium biedt, dat zo’n band voor een uitverkochte Bijlmer Bier Hal speelt. Ieder tijdperk krijgt de band die het verdient. De jaren tachtig waren van The Smiths, de jaren negentig van Oasis, Blur en Radiohead en de jaren nul van The Libertines en Arctic Monkeys. De Britse alternatieve gitaarmuziek heeft zoveel moois voortgebracht en waar heeft het toe geleid? Tot Bastille. De apocalyps is aanstaande.

Posted in Muziek | Tagged , , | Comments Off on Bastille