Coronagestapo

Skateboarden in tijden van corona.

We worden niet geacht plezier te hebben tijdens de coronacrisis. We moeten binnen blijven en sikkeneurig naar buiten kijken, waar de zon schijnt. We dienen ons aan regels te houden die volstrekt onlogisch zijn, maar wel strikt worden gehandhaafd. Er is geen straatverbod, maar wee de Nederlander die toch naar buiten gaat om te sporten, die wordt door weinig subtiele nudging terecht gewezen dat door zijn of haar toedoen de intensive care vol ligt.

Dat laatste is het gevolg van de overheid die vanaf het begin van de coronacrisis tot doel heeft gesteld mensen zo bang mogelijk te maken. Zo zouden ze alle ingrijpende maatregelen makkelijker accepteren. Met de mededeling dat je ook als jongere op de IC terecht kan komen zou je zelfs die lastige pubers wel in het gareel krijgen. Angst is een slechte raadgever, dat had ik ze vooraf kunnen vertellen. Het enige dat je met deze door angst gedreven communicatie bereikt is dat mensen die al bang zijn nóg banger worden en, nu de scholen weer open zijn, hun kinderen niet meer naar school laten gaan. Intussen snappen jongeren donders goed dat de kans dat ze door een auto worden aangereden groter is dan dat ze overlijden aan corona. Ze durven het risico wel aan.

Om te benadrukken dat we geen plezier meer mogen hebben, heeft de gemeente direct na het afkondigen van de lockdown de skate-obstakels van het Stadhuisplein verwijderd. Ik maak me hier al lang boos over omdat het symbool staat voor het wanbeleid in deze crisis. Het is dat het te veel werk zou zijn, anders had de gemeente ongetwijfeld ook alle glijbanen, klimrekken en wipkippen uit de speeltuinen gesloopt en opgehokt.

Maar sporten in de buitenlucht is toegestaan, en skaters willen skaten dus wat gaan ze doen? Ze gaan naar andere skatespots in Eindhoven. Daarvoor moeten ze de halve stad rondcrossen et voilà: je hebt veel meer verplaatsingen, iets dat je juist níet wilde. Terwijl het Stadhuisplein groot genoeg is om afstand te kunnen houden.

Als opgejaagd wild week ik daarom uit naar het Messiaenpark, het grootste outdoor skatepark van Eindhoven. Maar toen ik daar op een zaterdagochtend kwam, stikte het van de stuntstepjes. Het merendeel klein grut, al dan niet onder begeleiding van een ouder. De regels zijn onduidelijk (mogen die kinderen nou wel of niet samen buitenspelen? Of is dit toegestaan, zolang de ouders anderhalve meter afstand houden?), maar dit leek me niet de bedoeling van de lockdown. Naast het park staan appartementencomplexen en er hoeft maar één NSB’er uit het raam te kijken en de coronagestapo te bellen en er wordt daar de komende weken helemaal niet meer geskatet of gestuntstept. Het fonkelnieuwe skatepark in Nuenen was toen al door overijverige ambtenaren met hekken afgesloten.

Ik droop af naar een kleinere skatepot, in een volksbuurt in Stratum. Die spot heeft een quarter en een rampje, met in het midden een ondefinieerbaar object dat een box wordt genoemd. Ik sprak er af met andere skaters. Dat mag, daar kwam ik later pas achter, niet. Wat wél mag, is dat je elkaar spontaan tegenkomt. Laat ik het erop houden dat ik de afgelopen maanden heel vaak bevriende skaters spontaan ben tegengekomen. Dat is niet gek: de Eindhovense skatescene is niet zo heel groot, je komt al snel een bekende tegen.

Binnen een paar minuten kwam de plaatselijke hangjeugd kijken. Met die vermaledijde stepjes, en fietsjes en inlineskates. Ze deden amper iets, maar keken nieuwsgierig wat wij aan het doen waren. Blijkbaar was een groep skateboarders iets heel bijzonders.

‘Meneer, bent u goed?,’ vroeg een meisje.
Shit, dacht ik, wat zeg je daarop? Ik weet inmiddels dat mensen het al knap vinden als je op een skateboard kunt staan, dus de lat ligt niet zo hoog. Ik zal niet snel van mezelf zeggen dat ik ergens goed in ben, en zeker niet skateboarden.
‘Ik ben het nog aan het leren,’ antwoordde ik naar waarheid.
‘Hoe lang bent u bezig?,’ ging ze verder.
‘Ruim een jaar,’ zei ik.
‘Een jaar?’, riep ze, en ik kon uit de verontwaardigde reactie niet opmaken of ze dat heel lang of juist heel kort vond.

Ik probeerde de priemende ogen te negeren, wat steeds beter lukte. Ik maakte een hoge kickturn in de quarter en hoorde tot mijn verbazing applaus. Ik draaide me om en zag acht paar ogen naar me kijken. Even dacht ik dat ze het niet serieus meenden, maar kinderen van die leeftijd kennen geen cynisme. Ze waren oprecht onder de indruk, en ik bedankte ze voor de support.

Zo ging het de afgelopen weken verder. Eindhoven blijkt verrassend veel skatespotjes te hebben. Ik speurde op Google Maps (en stelde een kaart samen die inmiddels gretig is gedeeld door andere skaters). Ik vond een kleine spot in Gestel, en een iets grotere in Vaartbroek. Ik ging vrijdagochtend in alle vroegte naar het uitgestorven skatepark in het Messiaenpark. Ik vond een mooie halfpipe aan de Bayeuxlaan of fietste naar de halfpipe achter het Pijlstaartpad in Tongelre. Als het echt niet anders kon oefende ik op het asfaltveldje voor m’n huis op manuals en ollies. Soms had ik aanspraak, soms niet. Als ik maar kon skaten. Het switchen tussen skatespotjes maakte me een betere skater, een mooie bijvangst.

Dit weekend kreeg ik een appje: wie gaat maandagavond mee naar het skatepark in Den Bosch? Een meegestuurde foto beloofde een flink skatepark, in beton, twee keer zo groot als het Messiaenpark. Ik twijfelde. De skater die het voorstelde woont twee straten bij me vandaan, dus ik zou wellicht mee kunnen rijden. Dat was geen probleem.

Maar de volgende dag keek hij de coronarichtlijnen er nog op na: ‘De basisafspraak is dat we áltijd 1,5 meter afstand houden als we niet tot 1 huishouden behoren.’ en ‘U kunt een boete krijgen als u met 3 of meer mensen bij elkaar bent en onvoldoende afstand houdt. Dat geldt ook als u met 3 of meer mensen in een auto zit.’ Alleen het betuttelende toontje al maakt me recalcitrant. We. Een intelligente lockdown gaat niet gepaard met intelligente communicatie.

Maar ik had geluk. M’n zus en zwager hebben een nieuwe auto en m’n zwager wilde dolgraag rijden: hij bood me een lift naar Den Bosch aan. M’n zus woont aan de andere kant van de stad en daarheen fietsen was toch heel wat onpraktischer dan in een auto stappen die twee straten van m’n huis stond geparkeerd (dus weer overbodige verplaatsingen, maar je maakt absurde regels of niet). Officieel was ik nu ook in overtreding maar ach, met z’n tweeën was vast geen probleem. Dan waren we collega’s, mocht de coronagestapo ons aanhouden. Ik appte naar de andere skaters dat ik toch zou komen en dat ik hen daar zou ontmoeten. Spontaan.

Bij de Oosterplas trof ik een drukte van jewelste. Vijftig skateboarders, stuntstepjes, inlineskaters, en een enkele bmx’er op een kluitje. Ik schrok en reed heen en weer door de straat naast het park. Ik wachtte tot de andere skaters zouden komen. Safety in numbers.

Ik had een heerlijke avond. Iedereen had plezier en gaf elkaar de ruimte, ondanks de drukte. Niemand maakte zich druk over anderhalve meter, laat staan corona. Er was muziek en op het veldje achter het skatepark werd gevoetbald en gefrisbeed, de ondergaande zon zorgde voor een lomezomeravondsfeer. Ik was in een oase beland, ver weg van de coronahysterie. Dat ik door de drukte niet eens veel kon skaten gaf niet. Ik keek net zo lief van een verhoging toe. Af en toe liep een skater op me af en hield een onsamenhangend verhaal over een trucje dat hem niet en z’n maat wél lukte (‘Die wacko blijft maar kickflips maken’), of complimenteerde me met m’n deck (‘Heej, Anti-Hero!’). Ik wist niet wat te zeggen en knikte een paar keer. Ook dat was goed. Alles was goed.

Na een paar uur vloog een politiehelikopter over.
‘Die zijn aan het controleren. Over een half uur komt de politie,’ zei een skater. Hij haalde z’n schouders op.

Opdat we niet vergeten: we mogen geen plezier hebben. We moeten binnenblijven en sikkeneurig naar buiten kijken.

Posted in Eindhoven, Skateboarden | Tagged , , | Leave a comment

Donor

Daar ligt bijna een half litertje Guido.

Zo’n beetje elke supermarkt of andersoortige openbare ruimte is de laatste maand veranderd in een oorlogsgebied, met niemandslanden die met lint of ducttape zijn afgezet: u dient hier en hier te lopen, en bij binnenkomst graag meteen uw handen ontsmetten met iets smerigs met alcohol erin.

De bloedbank is hierop geen uitzondering. De vorige keer dat ik er was (de 77ste keer), halverwege maart, ging het er nog redelijk ontspannen aan toe. Bij donatie nr. 78 staan de dames en heren medewerkers me met mondkapjes voor op te wachten. Ik ben altijd tegen het boerkaverbod geweest omdat het symboolpolitiek is, maar nu ik steeds meer mensen met mondkapjes zie lopen begin ik een enorme aversie tegen gezichtsbedekkende kleding te krijgen. Vanaf 1 juni zijn mondkapjes zelfs verplicht in het openbaar vervoer, wat de coronahysterie compleet maakt. De dingen werken niet, maar het geeft de reizigers blijkbaar een veilig gevoel, of anders de NS een excuus om de treinen extra vol te stouwen. Al vraag ik me nu wel af hoe het met de andere veiligheidsmaatregelen bij de NS zit. Zijn die er ook alleen voor de schijn?

Goed, ik was dus bij de bloedbank. De rest van de procedure was niet wezenlijk anders. Legitimeren, formulier invullen, bloeddruk, polsslag en ijzerwaarde meten. Nouja, ik bleek ineens een polsslag van 54 te hebben.
‘Is dat niet wat laag?,’ merkte ik ongelovig op.
‘U hoort mij niet klagen,’ mompelde de zuster van achter haar mondkapje.
‘Nouja, het is beter dan nul,’ zei ik schouderophalend.
‘Dan zou het apparaat stuk zijn,’ antwoordde ze.
Dat is het ook, dacht ik, maar ik zei niks.

Begrijp me goed, ik skateboard elke dag, doe al m’n vervoer in Eindhoven en omstreken op de fiets en ben sinds kort weer aan het hardlopen, dus die conditie is prima, maar ik heb geen sporthart. Normaal is mijn polsslag 70.

Even later mocht ik in een stoel gaan liggen en ging een zuster me prikken. Bij haar zoektocht naar een geschikte ader ging ze heel zorgvuldig te werk. Opvallend zorgvuldig. Terwijl ze het rampgebied schoonmaakte om me te prikken, kwam een andere zuster meekijken.
‘Zij kijkt even met mij mee,’ legde de zuster die de naald ging inbrengen uit.
Ah, ze is nieuw, wist ik nu, maar ik hield wijselijk m’n mond.
Na nog een keer alles schoongemaakt te hebben, prikte ze de naald in m’n arm. Het bloed begon meteen te stromen.
‘Die loopt goed door. Dat gaat niet lang duren,’ constateerde de medewerkster tevreden.
‘In de roos dus,’ zei ik.
‘U bent echt een geboren donor,’ zei ze enthousiast.

Ik dacht terug aan een eerdere donatie, jaren geleden. Toen had de zuster, nadat ze de naald had ingebracht, verrukt uitgeroepen: ‘Meneer, u heeft werkelijk prachtige aderen.’
Ik wist niet hoe ik moest reageren, maar het vervulde me toch met een zekere trots. De buitenkant is dan niet om aan te gluren, de aderen zijn prachtig.

‘Het is m’n eerste dag,’ legde ze uit, en ze knikte naar de collega die had meegekeken.
‘Dat dacht ik al,’ lachte ik. ‘Ik wilde het niet zeggen om je niet zenuwachtig te maken, maar ik ben eigenlijk helemaal niet zo goed te prikken.’

Daar is geen woord van gelogen. Toen ik nog geen topconditie had, en m’n armen meer vet dan spieren bevatten, was het zoeken naar aderen elk bezoek aan de bloedbank weer doffe ellende. Die werkelijk prachtige aderen van mij lagen heel diep of rolden weg. Het gebeurde regelmatig dat ik onverrichter zake naar huis kon: niemand had raak geprikt. Het heeft ervoor gezorgd dat nog jarenlang in het bestand bij de bloedbank stond: lastig te prikken. Die melding heb ik er een paar donaties geleden uit laten halen.

Maar dat hoeft die zuster niet te weten.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged , , | Comments Off on Donor

Vogel

Eerst dacht ik dat ik het niet goed had gezien, dus ik ging op m’n hurken zitten. Toen floepte er een zacht, maar niettemin welgemeend ‘pardon?!’ over m’n lippen.
Op de stoep lag het puntgave lijkje van een babyvogeltje.
Achter me verscheen een jonge vrouw, ze zag me kijken en had m’n gemompel opgemerkt. Ze keek over m’n schouder mee en schrok niet, maar constateerde nuchter glimlachend: ‘Ow. Dat verwacht je niet.’

De vrouw stapte in een auto en reed weg. Ik wachtte, want ik wilde een foto maken van het lijkje. Ik keek omhoog. Zou het vogeltje uit een nest zijn gevallen? Of zijn geduwd door een broertje of zusje? Van je familie moet je het hebben. Maar waar zou dat nest dan zijn? De huizenrij aan de ene kant was een paar meter verder en aan de andere kant van de stoep lag de straat met daarachter een park, waar ter hoogte van deze plek niet eens bomen stonden. En dan nog, het lijkje was puntgaaf. Je zou verwachten dat er minder van over zou zijn geweest, mocht het van grote hoogte zijn gevallen.

Dat overdenkend maakte ik een foto; ook ik ben een ramptoerist.

Thuis dacht ik na over het gebeuren. Had ik het vogeltje mee moeten nemen? Ik ben niet snel ergens vies van, maar met blote handen het lijkje oppakken had ik niet graag gedaan. Daarbij, wat had ik ermee moeten doen? Ik heb geen noemenswaardige tuin waar ik het had kunnen begraven. Hooguit had ik het in de bosjes kunnen leggen, dan was jonge kinderen de aanblik bespaard gebleven. Aan de andere kant: de dood hoort bij het leven. Laat de natuur maar z’n gang gaan.

Toch vroeg ik me af of ik het juiste had gedaan en ik postte de foto in de familie-app: wat ik nou weer ben tegengekomen.
‘Heb je het niet meegenomen?,’ vroeg iemand.
‘Nee, waarom zou ik,’ reageerde ik, en liep het gedachteproces dat ik net had doorlopen nogmaals na.
‘Bijvoederen,’ stelde iemand voor.
‘Bijvoederen? Hij is dood,’ reageerde ik bruusker dan bedoeld.

Maar even twijfelde ik. Was het vogeltje wel echt dood? Ik keek naar de foto en bedacht dat ik een paar minuten bij dat lijkje had gestaan. Al die tijd had ik niks zien bewegen.

Toen ik ’s middags naar de stad liep, nam ik een andere route. Ik wilde het lijkje niet zien. De natuur z’n gang laten gaan: soit, maar ik hoefde niet op de eerste rang te zitten. Misschien was iemand er per ongeluk op gaan staan, had een hond eraan gelikt, of waren kinderen ermee aan het spelen. Dat volmaakte lijfje, het primitieve snaveltje, de onvolgroeide vleugeltjes, de oogjes dicht en dan vies of half aangevreten, nee.

Maar de volgende dag was ik het voorval alweer vergeten. Totdat ik na het boodschappen doen de plaats delict naderde. Op de grond zag ik grote vliegen op een hoopje zitten. Toen ik dichterbij kwam, vlogen ze weg.

Van het lijkje was niks meer over.

Posted in Eindhoven | Tagged , | Comments Off on Vogel

Engel

Ik kom de laatste weken de naam Lonneke Engel veel tegen. Ze wordt in nieuwsberichten aangehaald als ‘Nederlands fotomodel, woonachtig te New York’. Vanuit haar ongetwijfeld luxueuze loft in Manhattan geeft ze haar mening over de coronacrisis. Die mening komt erop neer dat we niet zo gemeen moeten doen tegen die arme meneer Donald Trump en dat z’n ideeën over het injecteren van UV-licht of het bestralen met bleekmiddel (of andersom) helemaal niet zo gek zijn. Ik weet oprecht niet wat de nieuwswaarde is van Lonnekes mening, ik hecht nog altijd meer waarde aan de mening van virologen (al vraag ik me steeds meer af of zij nog weten waar ze mee bezig zijn), maar kranten en nieuwssites moeten gevuld worden, desnoods met de ideeën van een Nederlands fotomodel, woonachtig te New York.

Het toeval wil dat ik bij Lonneke in de klas heb gezeten. Dat was één jaar, in Groep 8 van basisschool ‘t Karregat. Ik herinner me haar niet als bovenmatig intelligent (dat waren, getuige hun Citoscores, Barbara, Jelmer en Annemarie) noch als buitengewoon achterlijk (dat was Wensely). Het enige dat ik nog van haar weet is dat ze gek was op zeehondjes (dat zijn trouwens krengen van beesten), wat dan weer een reden was voor andere klasgenoten om haar te pesten. Ik werd ook gepest en nam het een keer voor haar op, waarop ze mij afsnauwde. Het was meteen de laatste keer dat ik voor haar opkwam.

Lonneke ging naar een andere middelbare school dan ik, dus ik verloor haar uit het oog. Via-via hoorde ik dat ze aan een carrière als fotomodel werkte. Vreemd. Ik had haar nooit bijzonder knap gevonden, maar ik vind fotomodellen zelden mooi (de enige uitzondering is Elle Macpherson, maar zij heet niet voor niets The Body).

Ik zou Lonneke allang vergeten zijn, ware het niet dat een paar jaar later, aan het begin van de Engelse les in 3havo, een meisje met in haar handen een glossy op me af kwam gerend. Ze wees dwingend op een foto in het tijdschrift: ‘Hoe heet zij?!’
Amper van de schrik bekomen stamelde ik: ‘Euh… dat is Lonneke, daar heb ik bij in de klas geze…’
‘En haar achternaam?,’ onderbrak ze me.
‘Lonneke? Euh… Engel geloof ik,’ antwoordde ik.
‘Oké doei. Dat moest ik even weten,’ zei ze, waarna ze weer snel was vertrokken.

Niet lang daarna begreep ik waarom de klasgenoot zo enthousiast op me af was gestormd. Lonnekes vader had, om de modellencarrière van haar dochter een boost te geven, bedacht dat ze alleen onder haar voornaam bekend mocht worden. Dat zou haar (ik verzin dit niet) een kinderlijk, naïef imago geven. Lonnekes achternaam was een goedbewaard geheim.

Ik haalde deze herinnering op in een reactie op een nieuwsbericht op Facebook. Daarop reageerde een man verbaasd: waarom zou je uit marketingdoeleinden níet gebruikmaken van de achternaam Engel? Daar had hij een punt, al is Lonneke als fotomodel behoorlijk succesvol. Zelfs mijn premature onthulling van haar achternaam heeft die carrière niet gefnuikt.

Als ze zich nou maar niet met het coronavirus gaat bezighouden.

Posted in Eindhoven, Media | Tagged , , | Comments Off on Engel

Lockdown

Toen een paar weken terug de scholen dichtgingen, was het asfaltveldje voor m’n huis de favoriete hangplek voor zo’n beetje elke jongere uit de buurt. Zo’n twintig jongeren voetbalden daar de eerste dagen van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat. Niet de lockdown die ik voor ogen had, maar ze hadden de grootste lol, en het overgrote deel was minderjarig en toch niet te besmetten, dus wat zou het. Het zou een belediging voor het zonnige weer zijn er niet van te genieten.

Na een paar dagen werd het stil. Er hingen geen kinderen meer rond, hooguit kwam een ouder een kwartiertje met zoon of dochter voetballen. Dat bood perspectief. Omdat de skate-objecten op het Stadhuisplein zijn weggehaald, een misdaad tegen de menselijkheid van de burgemeester die z’n weerga niet kent, skate ik noodgedwongen op het veldje voor m’n huis.

Alleen een jochie van een jaar of tien hing nog elke dag op het veldje rond. Hij deed dat als hij samen met z’n moeder m’n huis voorbijliep. Hij had niks om mee te spelen, dus veel had ie niet te doen. Het deerde ‘m niet. Vrijheid is al genoeg vermaak.

Ze leken me Eritrees, Somalisch of Ethiopisch. Ik vroeg me af of de moeder besefte in welke situatie Nederland zich op dit moment bevindt. Zou ze elke dag dat kind naar school brengen, waar de docenten het jochie mee zouden nemen in de les, ook al had de moeder misschien geen vitaal beroep? Of zou ze onverrichter zake naar huis terugkeren? Zou ze goed genoeg Nederlands spreken voor thuisonderwijs?

Afgelopen week was ik voor het huis op m’n ollies en manuals aan het oefenen. Die worden niet beter, maar meer dan m’n best kan ik niet doen. De moeder en haar zoontje liepen het veldje voorbij. Zij ging op een bankje zitten, het jochie hing rond bij het veldje. Hij keek nieuwsgierig wat ik aan het doen was. Eerst probeerde ik het te negeren, die ollies zijn al moeilijk zat, maar al snel hing hij binnen een straal van anderhalve meter bij me rond.

‘Kan jij skateboarden?,’ vroeg ik.
Hij knikte bevestigend.
‘Ja?,’ antwoordde ik blij verrast. ‘Laat maar zien dan.’
Ik duwde het skateboard naar hem toe en zette een paar stappen achteruit. Aarzelend zette hij een voet op het deck, daarna volgde voorzichtig de andere voet. Het board reed schokkend een meter vooruit. Toen hij z’n evenwicht dreigde te verliezen sprong hij er snel af.
‘Het is moeilijk,’ zei hij.
‘Dat is zo. Daarom oefen ik veel,’ zei ik lachend.
‘Het is groot,’ ging hij verder.
‘Dat klopt. Het is voor mij gemaakt. En ik ben iets groter,’ legde ik uit.
Hij knikte. Daarna liep hij terug naar z’n moeder. Het gesprekje stelde me een beetje gerust. Het ventje leek me schrander genoeg om een paar weken school te kunnen missen.

Een dag later liep ik naar de Albert Heijn toen ik in het speeltuintje verderop in de straat de moeder en haar zoontje zag zitten. Hij zwaaide, ik zwaaide terug. Dat ritueel herhaalde zich toen ik tien minuten later terugkwam van de supermarkt en opnieuw de speeltuin passeerde.

Ik heb er een vriend bij. Mogen de basisscholen weer open?

Posted in Eindhoven, Skateboarden | Tagged , , | Comments Off on Lockdown

Symboolpolitiek

Ik laat de coronacrisis maar gelaten over me heen komen. Het is allemaal heel vervelend, maar het heeft niet zo’n grote impact op m’n leven. Ik kan een paar weken niet pubquizzen, maar dat doe ik nu online. Een beetje quiz detox op z’n tijd is niet zo erg. Erger vind ik dat ik niet naar de sportschool kan, wat ik, heel gedisciplineerd, drie keer in de week deed. Nu improviseer ik thuis wat met gewichten, en ik heb m’n hardlopen weer opgepakt. De skatehal is toch dicht (de verbouwing gaat gelukkig gewoon door), dus ik skateboard op het veldje voor m’n huis. Thuiswerken deed ik toch al twee dagen in de week. Het komt wel weer goed.

Als ik me al ergens druk over maak, dan is het over onze burgemeester die zich in de landelijke media heeft ontpopt als een tough on crime populist. In de strijd tegen corona is alles geoorloofd, zoals het flink inspelen op de onderbuik. Vorige week riep hij bij Op1 nog trots hoeveel jongeren een boete hadden gehad wegens samenscholen. Stoer hoor. Ik ging afgelopen weekend fietsen en zag met name de risicogroep de regels met voeten treden. Maar het klinkt toch minder stoer om te zeggen dat je zoveel zeventigplussers hebt beboet.

Om aan te geven hoe stoer en rigide hij is, waren nog geen 24 uur nadat de strengere maatregelen waren afgekondigd de skate-objecten op het Stadhuisplein weggehaald. Dat is pure symboolpolitiek, maar daar grossiert onze burgemeester in. Er waren wat skaters die daar samenklitten, maar veruit de meesten hielden netjes anderhalve meter afstand, inclusief ikzelf. Door die objecten weg te halen dupeert hij veel kinderen die het Stadhuisplein juist hadden uitgezocht om tijdens deze crisis te leren skateboarden of inlineskaten. Skaters willen skaten, hangjongeren willen hangen. Beiden zoeken een andere plek op, waar het dan weer te druk wordt, en zo gaan we nog even door.

Nee, Jorritsma is mijn sympathie kwijt en die gaat hij niet meer terugverdienen.

Er zijn trouwens nog zat mensen die het beleid van de burgemeester steunen. Die vinden het helemaal niet gek dat Jorritsma nu al roept dat er half juni niet gevoetbald mag worden in Eindhoven (‘terwijl er nog mensen op de IC liggen’; de burgemeester is niet vies van wat demagogiek). De KNVB heeft nog helemaal niks besloten en zal zich zeker goed laten informeren door het RIVM voordat ze überhaupt iets beslissen, maar Jorritsma loopt alvast voor de troepen uit. Gelukkig werd hij teruggefloten door Paul Depla, burgemeester van Breda. Een verstandige man, afkomstig uit een stad die heel wat zwaarder is getroffen dan Eindhoven.

Het ergste zijn de moraalridders op sociale media die zo bang gemaakt zijn dat ze voortdurend pleiten voor zo streng mogelijke maatregelen. Ze hebben hun profielfoto aangepast met de hashtag #blijfthuis, waarmee ze aantonen hoe keurig ze zijn. Zíj wel. Ze spreken schande van mensen die naar doe-het-zelfzaken gaan, terwijl het heel pragmatisch is om juist nu te gaan klussen. Ze sturen gretig foto’s rond met mensen die een fractie minder dan anderhalve meter van elkaar staan, daarbij vergezeld van rellerige teksten als ‘Zie je wel! Die lockdown werkt niet! Ze kunnen zich niet aan de regels houden!’

Hollandse nuchterheid? M’n reet. Dit land begint steeds meer op Dogville te lijken.

Het gaat zover dat ik overweeg om voortaan met een Venetiaans plaagmasker boodschappen te doen. Al vrees ik dat andere klanten denken dat ik het serieus meen.

Eerlijk gezegd denk ik dat de regering met de invoer van de regels rekening heeft gehouden met enige burgerlijke ongehoorzaamheid. We blijven toch Nederlanders. En wat let de mensen die graag anderen de maat nemen om zelf binnen te blijven? Als ze dan ook een paar maanden van sociale media afgaan, dan zou dat wel zo prettig zijn.

Niets illustreert die massahysterie zo goed als de roep om mondkapjes. Er is echt iets is met mensen die met mondkapjes over straat gaan zijn. Van die vieze dingen die je in grootverpakking bij de drogisterij koopt. Menig expert heeft al gezegd dat ze niet helpen, sterker, dat het averechts kan werken (dus ‘baat het niet, dan schaadt het niet’ gaat ook niet op). De enige mondkapjes die echt helpen, zijn degene die ze in het ziekenhuis dragen, en daar is nu juist een schrijnend tekort aan. Je zou dus je ogen uit je kop moeten schamen als je zo’n ding draagt. Het enige dat ze bieden is schijnveiligheid.

Net stond ik in de rij bij de bakker. De bakker heeft een strikt beleid van maximaal drie klanten tegelijkertijd in de winkel. Het was druk, dus ik stond buiten in de rij. Voor me stond een man die tot de risicogroep behoort. Hij stond, volstrekt onnodig, half op het fietspad, waardoor fietsers die erlangs wilden wel binnen een straal van anderhalve meter bij ‘m móesten komen. Toen hij bijna naar binnen mocht, ging hij pal naast de deuropening staan. Ook dat was niet nodig. Hij liet een briefje van vijf euro vallen, bukte om het op te rapen en miste daardoor dat een klant de winkel verliet. Een klant die hem noodgedwongen ook weer binnen een straal van anderhalve meter moest passeren. Toen ik even later achter hem in de winkel stond, rekende hij contant af, iets waarvan de bakker vriendelijk had verzocht het niet te doen.

Maar hij droeg wel een mondkapje.

Posted in Eindhoven, Politiek | Tagged , , , , | 2 Comments

Puck

Les 1 voor bejaarde skateboarders: don’t mingle with the kids. Je kunt jezelf wel cool vinden (nee, dat vind ik niet van mezelf), maar je zult nooit zo cool als hen zijn. Dat besef hebben veel van die jonge gastjes trouwens niet. Zo probeerde een jonge instructeur me ooit te leren met een aanloopje op m’n board te springen, want dat was veel cooler dan zoals ik het deed.
‘Gast,’ zei ik gelaten tegen de instructeur, ‘ik ben 38. Ik ben vorig jaar begonnen met skateboarden. Op mijn leeftijd geef je geen fuck meer om wat cool is.’

De meeste van die pubers zijn veel te socially awkward om iets tegen me te zeggen. Volwassenen zijn eng. Ik vind dat prima, en zie het van een afstandje aan. Er is een groepje dat ik grappend de terror youth noem omdat ze, toen de skatehal nog open was en ik in een rustig hoekje op m’n ollies stond te oefenen, met z’n allen in een rotvaart achter elkaar van ramps af skateten. Pure intimidatie, maar ik trok het me niet aan. Ik vind het vooral frustrerend om te zien dat ze zo achterlijk goed zijn. Zo goed zal ik nooit meer worden.

Af en toe ontstaan er romances. Dan zie je een nieuw meisje bij het clubje verschijnen waarbij je meteen ziet dat de interesse in skateboarden vooral is ingegeven door romantische gevoelens voor a certain special someone. Terwijl hij z’n best doet haar de basisbeginselen van het skateboarden bij te brengen, kijkt zij vooral naar z’n ogen.

Zo’n anderhalve maand geleden, de skatehal was nog open, kwam een lid van de terror youth de kantine binnengestormd. Hij riep op vol volume naar een ander lid van dit gezelschap, een jongen die verveeld onderuitgezakt op een bank op z’n telefoon zat te kijken: ‘Heeft Puck jou gepijpt?’
Ik zat aan de bar met een vriendin wat te drinken en verslikte me bijna in m’n cola light. Ik ben zulke vrijpostigheid niet gewend. Ik keek m’n medeskateboarder aan en stamelde een geschokt en geamuseerd ‘euh… oké?’.
‘Hoorde jij dat ook?,’ reageerde ze lachend.

Afgelopen week was ik in de stad voor nieuwe Vans. Skateboarden gaat gewoon door, ook in quarantaine. De skatewinkel is één van de weinige zaken in het centrum die nog wel open is. Gelukkig maar, want ik was bijna door m’n zolen heen. Terwijl ik schoenen paste, braaf op anderhalve meter afstand van een andere klant die op het punt stond te vertrekken, kwam de jongen die nog niet zo lang geleden door Puck tot een hoogtepunt was gebracht de winkel binnen.

Hij bleef in de deuropening staan en zag mij zitten. Eerst wist hij zich geen houding aan te nemen, toen draaide hij zich om en riep naar een man op straat: ‘Papa?’
De man reageerde niet.
‘Papa,’ herhaalde hij, nu een beetje beschaamd. Zichtbaar ongemak is het leukste ongemak.
Weer reageerde z’n vader niet. Hij zuchtte een keer diep en vroeg nogmaals, zo vriendelijk mogelijk: ‘Papa?’
Nu kwam z’n vader de winkel binnenlopen. Het gesprek met de verkoper dat volgde ging over nieuwe onderdelen voor z’n skateboard. Z’n vader luisterde aandachtig, al was hij louter mee voor de financiële ondersteuning.

Zo groot, maar nog zo klein.

Posted in Eindhoven, Skateboarden | Tagged , | Comments Off on Puck

Bushalte

Vanavond was ik aan het skateboarden voor m’n huis toen ik een man zoekend zag rondlopen. De meeste mensen die in de buurt aan het zoeken zijn spelen Pokémon Go (er bevindt zich een gym voor m’n huis), of zijn op weg naar de coffeeshop op de hoek (de Highlander is sinds dit weekend weer open, dus alle enthousiaste blowers hoeven niet meer naar de Sindbad, een stukje verder, in de Hobbemastraat).

De man liep op me af en liet z’n telefoon zien. Hij legde in gebrekkig Engels uit dat hij de opstapplaats voor de bus naar Polen zocht. Die zou zich in de buurt van de Van Goghstraat en de Ruysdaelbaan bevinden, bij het tankstation van de Tango. Ik ken geen Van Goghstraat, wel de Ruysdaelbaan. Ook dat tankstation ken ik, dus ik bood aan een stukje mee te lopen. Ik ben de kwaadste niet.

Onderweg vertelde hij gelaten dat hij z’n vlucht had gemist, en dat z’n vrouw en kinderen nu thuis op ‘m zaten te wachten. Hij was al twee uur in rondjes aan het lopen, wanhopig op zoek naar die bushalte. Ik knikte begripvol en zei dat het moeilijk kan zijn je te oriënteren in een vreemd land. Hij vertelde waar hij vandaan kwam in Polen, vlak bij de grens met Litouwen en Rusland, en wilde weten hoe het leven in Eindhoven was. De man zei nog nooit zo’n aardige Nederlander te zijn tegengekomen. I’ll take that. Hij was vijf jaar terug voor het laatst in Eindhoven geweest en alles was veranderd. Dat verbaasde me, net zoals het me verbaasde dat zich bij mij in de buurt een opstapplaats voor de bus naar Polen zou bevinden. Het leek me dat hij toch écht bij het busstation bij Eindhoven Centraal moest zijn maar nee, hij wist het zéker, er bevond zich een internationale bushalte in de buurt.

‘So that’s your… exercise?,’ vroeg hij, terwijl hij naar m’n skateboard knikte.
‘Yes,’ lachte ik en legde uit dat ik anderhalf jaar geleden was begonnen. ‘Actually, one of my teachers is Polish.’
Hij vertelde dat z’n zoon ook een skateboard had: ‘But it’s electric.’

De navigatie op z’n telefoon gaf aan dat we toch niet bij dat tankstation moesten zijn, dus we liepen verder de Ruysdaelbaan af. Maar toen we de doe-het-zelfzaken achter ons hadden gelaten en in een woonwijk terecht waren gekomen, begon ik wel heel erg te twijfelen aan die opstapplaats. Daarnaast dacht ik dat, als hij al twee uur aan het dwalen was, die bus toch allang vertrokken zou zijn. Ik hield wijselijk m’n mond. Hij vond het allemaal al vervelend genoeg.

Ik vroeg of ik op z’n telefoon mocht kijken. Ik zag dat we in de buurt zaten, maar dat we weer van ons einddoel aan het weglopen waren. We moesten in de Hobbemastraat zijn.
‘There are some shops there,’ zei ik schouderophalend, al kon ik me niet herinneren daar ooit een kantoor voor busreizen te hebben gezien, laat staan een halte voor internationale bussen.
We liepen door de Hobbemastraat: voorbij de Turkse groentewinkel, de avondwinkel en de coffeeshop. Maar geen bushalte. De man was inmiddels behoorlijk overstuur.
‘But I have already been here two times,’ stamelde hij.
‘What’s the name of the bus company? Flixbus?,’ vroeg ik.
‘No, Sindbad,’ reageerde hij gelaten.

Nee, de mededeling dat hij twee uur lang naar een coffeeshop in plaats van de opstapplaats voor de bus naar Polen had gezocht viel niet helemaal in goede aarde. Toch kostte het nog heel wat moeite de man te overtuigen dat hij beter de eerstvolgende bus naar Eindhoven Centraal kon nemen.

Want toen ik het op m’n telefoon opzocht, had ik binnen een minuut uitgevogeld dat de bussen van het Poolse busbedrijf Sindbad vanaf de John F. Kennedylaan vertrekken. Wel pas morgenochtend, maar dat mag iemand anders ‘m vertellen.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged , , , | Comments Off on Bushalte

Pleuriskutstuntstepjes

Er is een speciaal plekje in de diepste hel gereserveerd voor de uitvinder van het stuntstepje. Of, zoals ik het noem: het pleuriskutstuntstepje. Pleuriskutstuntstepjes zijn het afvoerputje van de jeugdcultuur. Het speeltje van veel te jonge gappen die in nepkleding van In Gold We Trust, Stone Island of Black Bananas (met heuptasje om de schouders, want dat is swag) paraderen.

Je denkt misschien dat ik als skateboarder per definitie een pesthekel aan stuntstepjes heb. Dat is niet waar. Ik wist voordat ik begon met skateboarden niet eens dat de aversie tussen skaters en stuntstepjes een dingetje is. Nee, ik kwam er simpelweg al heel snel achter dat het ondingen zijn.

Op zich kan het stuntstepje zelf daar weinig aan doen. Het probleem zit ‘m in de bestuurder van het ding. Die is nog zeer jong, zwakbegaafd, of allebei. Al snap zelfs ik de appeal van het stuntstepje: het gaat lekker snel en het is, in tegenstelling tot skateboarden, vrij makkelijk te leren. Waar het heel wat schaafwonden, blauwe plekken, ja zelfs hechtingen kost voordat je een beetje zelfverzekerd op een skateboard staat (hier spreekt een ervaringsdeskundige), is het rijden van een stuntstepje niet al te moeilijk. Niettemin dragen alle bestuurders een helm. Waarom is mij een raadsel; een hersenbeschadiging zullen ze niet oplopen.

Maar zoals de vader in Boyhood zo mooi zegt als zoonlief wil bowlen met hekjes in de goten: ‘Life doesn’t give you bumpers.’ Je kunt maar beter op jonge leeftijd leren dat het leven kut is. Daar hoort vallen (en weer opstaan) nu eenmaal bij.

In de skatehal is een duidelijk onderscheid gemaakt: er is een groot deel voor skateboarders en inlineskaters en er is een, toegegeven, veel kleiner deel voor stuntstepjes en bmx’ers. Omdat stuntstepjes mateloos populair zijn, kan het gebeuren dat dit kleine gedeelte overvol is, terwijl het grote deel een stuk leger is. Skateboarden vergt nu eenmaal wat ruimte.

Dat onderscheid is voor veel stuntstepjesrijders niet duidelijk en dus gebeurt het vrijwel dagelijks dat er ineens een koter van een jaar of acht, met verstand op nul en blik op oneindig, op z’n stuntstepje in het verkeerde deel van de hal rondrijdt. Ik rol dan met m’n ogen, verzucht ‘daar gaan we weer’ en probeer omstandig duidelijk te maken dat het joch verkeerd zit. Dat dringt pas na meerdere keren druk wijzen en roepen door, als het al niet voor allerlei vervelende discussies zorgt (wat daarbij niet helpt is dat ik, als 38-jarige, natuurlijk Heel Erg Eng ben).

Het verst ging een jochie dat eerst door mij werd weggestuurd, maar niet wilde geloven dat ie naar elders in de skatehal moest. Hij kwam, aangemoedigd door een vriendje, vijf minuten later doodleuk terug. Dit ging me te ver, dus ik haalde iemand van het personeel erbij. Die stuurde ‘m weg, maar een kwartier later was hij er weer. Zwakbegaafd.

Ook mooi, die ene zaterdag dat vijf of zes stuntstepjes (en een paar bmx’ers, voor de afwisseling) in de skatebowl rondhingen. Ik stond naast de bowl m’n ollies te oefenen en hoefde er niet bij, maar zag één jonge skater ruziën met die gasten. Ik vind dat kinderen zelf hun problemen op moeten lossen maar hier was de verhouding zoek, dus ik haalde het personeel erbij. Die stuurde ze weg. Ik ging daarna elders in de hal skateboarden, maar toen ik een uur later terug kwam, hing hetzelfde groepje weer rond in de bowl. En nu wilde ik er wél bij.

‘Jullie mogen hier niet zijn, jullie moeten daar heen,’ zei ik en wees nadrukkelijk naar het deel van de hal dat specifiek voor stepjes en bmx is bedoeld.
‘Niet waar,’ antwoordde eentje brutaal.
‘Jawel,’ zei ik en wees naar de jongen met de grootste mond, ‘en jij moet dat zeker weten, want jij bent een uur geleden al weggestuurd.’
‘Ik?,’ zei hij met gespeelde verontwaardiging, ‘echt niet.’
‘Dat was je wel, en als je het niet was, dan weet je het nu: je moet dáár heen,’ en opnieuw wees ik welke kant hij op moest.
Ik ging op de rand van de bowl zitten wachten tot ze eruit kwamen. Dat gebeurde met veel misbaar, waarbij eentje klaagde dat hij z’n stepje écht niet uit de bowl getild kreeg. Uh-uh.
‘Geef maar aan,’ verzuchtte ik en ik trok het ding met één ruk uit de bowl.

Het punt is: één stuntstepje is niet zo erg. Als het rustig is, dan vind ik het ook lullig om tegen zo’n knulletje te zeggen dat ie naar elders in de hal moet. Het kind heeft er lol in, is zich van geen kwaad bewust, ach, dan is het toch niet zo erg? Maar wat gebeurt er? Er komt een tweede kind met een stepje binnen, die ziet iemand in het verkeerde gedeelte van de hal op een stuntstepje rijden en denkt: o, het mag en voor je het weet rijden er tien van die krengen rond.

Om de stuntstepjes en bmx’ers ter wille te zijn is op maandag alles gemengd: alles en iedereen rijdt kriskras door elkaar. Ik mijd het park dan als de pest, en met mij veel andere skateboarders. Het is simpelweg te gevaarlijk om te skateboarden als de stuntstepjes in kolonne van hellinkjes af komen snellen. Ze rijden de meest vreemde lijnen (bij skateboarders kan ik meestal wel lezen hoe ze rijden) en zwiepen vervaarlijk met hun platforms.

Afgelopen kerstvakantie waagde ik toch een poging en ging op een maandag naar de skatehal. Ik stond op een verhoging, klaar om in te droppen (dat, even een skate-update tussendoor, steeds beter gaat) toen een uk op een stuntstepje me tegemoet kwam rijden. Nadat hij met het ding op de coping naast mij was geland draaide hij nog even z’n platformpje rond (dat dient geen enkel nut, maar hoort zo) en lette daarbij totaal niet op wat hij deed, waardoor het stepje rakelings m’n enkel miste. Je weet wel, die ene enkel waar ik sinds een paar maanden een prachtig litteken heb. Ik keek het joch zo vernietigend aan dat hij de rest van de dag niet meer in een straal van vijftig meter bij me in de buurt durfde te komen.

Ook op de laatste dag van het jaar was alles gemixt. Dat wist ik vooraf, toch was ik geschokt door het Armageddon dat ik in de skatehal aantrof. Het enige rustige plekje was een minibowl die zo klein is, dat ie amper skatebaar is. Maar nood breekt wet, elke dag oefenen betekent elke dag oefenen, ik hou die discipline toch al sinds januari 2019 vol, dus ik ging uit arren moede in dat ding rondrijden. Binnen twee minuten stonden twee ukken met stuntstepjes aan de rand. Eerst negeerde ik ze. Dat kon makkelijk, want ik had muziek opstaan. Na een minuut of vijf liet ik ze knarsetandend in de bowl.

Twee minuten later wilden ze er weer uit. De ene klauterde er met stepje en al in no time uit, maar de ander had meer moeite. Ik zag dat ze iets tegen me zei, dus ik zette m’n koptelefoon af.
‘Meneer, kunt u m’n stuntstepje aanpakken, ik kom er niet uit,’ vroeg ze.
Stik erin, dacht ik, blijf lekker in die bowl tot na de jaarwisseling, ik gooi er wel wat eten in.

Tussen droom en daad staan praktische bezwaren, dus ik hielp haar er toch maar uit. Maar na twee minuten op de rand van de bowl te hebben gestaan, sprong ze er weer in. In diezelfde bowl waar ze net nog per se uit wilde.

Wijsheid komt met de jaren en dus valt bij veel stuntstepjes na verloop van tijd het kwartje: stuntsteppen is een infantiele bezigheid. Als ze een beetje slim zijn, stappen ze natuurlijk over naar skateboarden, want een volwassene op een stuntstepje is pas écht sneu. Een pluspunt: die weten wel waar ze mee bezig zijn.

Vanaf maandag gaat de skatehal voor zeven maanden dicht voor een grondige verbouwing. Vanaf de heropening is alles gemengd: Area 51 wordt één grote punica-oase. Dan is het sowieso gedaan met skateboarden in het weekend, want ik voorspel: de stuntstepjes nemen overdag het hele park over. Ik zie het somber in.

Vooruit, er is één pluspunt. Stuntstepjes moeten voor het donker thuis zijn.

Posted in Skateboarden, Uncategorized | Tagged , , | Comments Off on Pleuriskutstuntstepjes

Audioronde

Op de middelbare school had ik ieder kwartaal de Krant in de Klas-nieuwsquiz. Een quiz, uiteraard, met daarin tien vragen over de actualiteit. Ik haalde standaard een tien en de toets was ook nog onderdeel van Maatschappijleer, toch al een favoriet vak van me. Daarin was ik de enige. Net zoals ik de enige in de klas was (op havo én vwo) met een beetje algemene ontwikkeling, maar de verhalen daarover bewaar ik wel voor een andere blog.

De leraar Maatschappijleer had bedongen dat áls hij de toets afnam, dit in alle klassen tegelijkertijd diende te gebeuren. Dit betekende dat een collega-docent werd gedwongen zo’n twintig minuten van diens les af te staan, iets wat de docent in kwestie knarsetandend toeliet. Misschien dat dat ertoe bijdroeg dat die docent een oogje toekneep als het op spieken of valsspelen aankwam.

Als ik m’n eigen toets had gemaakt, een klusje dat ik in enkele minuten had geklaard, keek ik naar de leerling naast me, die mij verwachtingsvol aankeek. We wisselden dan snel de toetsen, en ik maakte de toets van m’n buurman- of vrouw. Als de docent echt niet goed oplette, wat veelvuldig voorkwam, kreeg ik ook nog de toetsen van de klasgenoten voor en achter me in de rij, plus die dáárnaast en dáárvoor. Het gevolg was dat zo’n acht leerlingen tienen had maar, ik vertelde al dat de algemene ontwikkeling bij de meeste klasgenoten nihil was, de rest van de klas haalde enen en tweeën.

Misschien vond ik dat nog wel het grappigste: er was een opvallende discrepantie in de cijfers, maar de docent is dat nooit opgevallen. Of hij heeft er in elk geval nooit iets over gezegd.

Ik moest afgelopen dinsdag tijdens de pubquiz aan die toets op de middelbare school terugdenken. De audioronde van de pubquiz is voor m’n team een invuloefening. Eigenlijk scoren we daarbij standaard tien punten. Heel soms gaat het mis bij een titel of artiest (met name het wat plattere Nederlandstalige genre is een manco), maar dat zijn uitzonderingen.

Dit keer was geen uitzondering op die regel. Sick & Tired van Anastacia, The Rhythm Of The Night van Corona, China In Your Hand van T’Pau, Die Young van Sheppard, maar ook Dokter Bernhard van Bonnie St. Claire en Ron Brandsteder. (U merkt: er zat een coronavirusthema in de audioronde.)

Naast ons zat een team van vijf studenten, type corpsbal. Ze hadden niet de illusie mee te doen voor de overwinning, maar ze hadden wel de grootste lol (in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, hebben wij dat ook; goed quizzen en lol hebben sluiten elkaar niet uit). Ik kon vanuit onze tafel zien dat ze nog wat lege gaten op het antwoordformulier hadden staan. Omdat de sfeer er goed inzat, we cruiseten rechtstreeks op een makkelijke overwinning af, vroeg ik aan de teamgenoot die het dichtst bij het andere team zat of ze niet wilde helpen. Daarop gaf de speler het formulier aan m’n teamgenoot. Net op dat moment klonk Dokter Bernhard door de kroeg.

‘Ja,’ lachte de speler die het formulier aan m’n teamgenoot had gegeven hard, ‘jullie hebben nog meegemaakt dat dit een hit was, voor jullie is dit makkelijk.’
‘Pardon,’ riep ik quasi verontwaardigd, ‘dat nummer is uit 1976, toen was ik nog niet eens geboren.’
En, tegen m’n medespeler: ‘Geef dat formulier gauw terug.’
Tegen deze tijd kwam de medespeler helemaal niet meer bij van het lachen, stamelde iets van vage excuses en dat wij allicht iets ouder waren dan zij, dus ik nam het formulier van het team naast me toch maar aan. Ik vulde de lege plekken in en corrigeerde een al gegeven antwoord.
‘Hij verbetert zelfs jullie antwoorden,’ kraaide m’n teamgenoot vrolijk uit.
‘Hier,’ zei ik, terwijl ik het formulier teruggooide naar de tafel naast me, ‘tien punten.’

Zoals traditie is, las de presentator de namen van de teams voor die tien punten hadden gescoord in de audioronde. Dat waren ik, een ander team uit de top én onze buren.

Hij had niks in de gaten.

Posted in Quizzen | Tagged , | Comments Off on Audioronde