Kleuter

Het heeft een paar nichtjes en een neefje geduurd, maar nu weet ik het zeker: de kleuterleeftijd is de leukste leeftijd. Oud genoeg om een fatsoenlijk gesprek te kunnen voeren en om meegevoerd te worden in de fantasiewereld van een kind van die leeftijd (en terug te denken aan je eigen jeugd), maar te jong om wijsneuzerige praatjes te krijgen.

Ik kwam daar afgelopen paasweekend achter. Omdat m’n ouders gaan verhuizen, mogen alle vier nichtjes én het ene neefje nog één keer bij opa en oma in het grote huis logeren. De jongste drie, Lise (8), Sophie (6) en Sjors (5) komen met z’n allen, omdat het zulke goede vriendjes zijn. Ik was er ook bij, want ik zie de kinderen veel te weinig, en omdat er pannenkoeken op het menu stonden. Ik had goede gesprekken met Sjors. Ik geef ‘m een beetje extra aandacht omdat het de enige jongen én de jongste van de hele bups is; ik weet hoe klote dat is.

Daarnaast kletste ie me de oren van de kop.

Dat begon al in de speeltuin, waar een groot speeltoestel in de vorm van een schip tot de verbeelding sprak.
‘Een echt piratenschip,’ verklaarde m’n neefje verrukt.
‘Owja?,’ vroeg ik nieuwsgierig. Ik wilde, zoals een piraat betaamt, ‘ARRRRRR!!!’ roepen, maar daar kreeg ik de kans niet voor.
‘Ja, want hier was vroeger zee en toen die is verdwenen is het piratenschip vast komen te zitten,’ legde hij uit. Ter illustratie maakte hij er een sissend geluid bij, alsof het schip zich vacuüm had gezogen in het zand van de zandbak.
‘Waar de gaten zitten, zat vroeger glas. En weet je waarom ik kan zien dat dit een écht piratenschip is? Omdat het hout hier groen is,’ ging hij verder.
‘Ah,’ zei ik begrijpend, ‘dat komt natuurlijk van het zeewater. Ik snap het helemaal.’

Ik dacht aan m’n op-één-na oudste nichtje dat, toen ze zo oud was als Sjors, de iPad chronologisch vóór de televisie had geplaatst. Wat ik evolutionair gezien helemaal niet zo onlogisch vind.

‘s Avonds aten we pannenkoeken, met soep vooraf.
‘Kippenvlees komt van de kip, rundvlees komt van het rund, varkensvlees van het varken en soepvlees van de soep,’ probeerde ik.
‘Ja ja,’ zei Lise spottend.
Dat je van pannenkoeken groot en sterk wordt, gelooft ze niet meer; ondanks mijn toch niet geringe 1 meter 88 aan bewijsmateriaal. Dat de pannenkoeken van opa echt heel vies zijn, zoals ik standaard beweer, gelooft ze evenmin: ‘Daar trappen wij niet meer in hoor.’
‘Wij’ omdat Lise ook spreekt namens haar nichtje (en hartsvriendin) Sophie. Twee handen op één buik.
‘Tja, dan moet je het zelf weten,’ riep ik gespeeld verontwaardigd. ‘Maar zeg niet dat ik je niet heb gewaarschuwd.’

M’n neefje was er niet helemaal gerust op. Nadat iedereen een eerste pannenkoek met stroop (of, in het geval van Sjors, een stroop met pannenkoek) had gegeten, kwam ie op me af lopen.
‘Papa?,’ versprak ie zich eerst, tot grote hilariteit van z’n zus en nichtje. Hij herpakte zich.
‘Guido, zijn de pannenkoeken echt vies?,’ vroeg hij, z’n blik verlegen naar beneden gericht.
‘Heb je er al eentje op?,’ antwoordde ik.
Dat bleek het geval.
‘Was ie vies?,’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei hij lachend.
‘Dan zijn ze toch lekker?,’ legde ik uit.
‘Ja,’ antwoordde hij.

Opgelucht liep hij terug naar de eettafel. Op naar een volgende stroop met pannenkoek. Een lekkere.

Posted in Overig | Leave a comment

Slurvenparade

Waar het mee begon.

‘U hebt nogal veel olifantenbeeldjes,’ zei de verslaggever. Het was december 2019 en ik had een cameraploeg van Man Bijt Hond over de vloer voor een reportage over pubquizzen. De beeldjes vallen me zelf niet eens op. Ze horen bij me, net zoals quizzen, skateboarden, muziek, eilandjes, hardlopen, cola light en afgeragde Vans.
‘U weet wat ze zeggen over olifanten he?,’ probeerde de verslaggever. Ik hapte niet. Ik was op m’n hoede; het blijft toch Man Bijt Hond.

Afgelopen januari deed ik mee aan Pauls Popduel op Radio 2.
‘Verzamel je iets of heb je ooit iets verzameld?,’ kreeg ik ter introductie als vraag voorgelegd.
Ik vertelde over m’n olifantenbeeldjes. Ik haastte me erbij te zeggen dat m’n huiskamer nu ook weer niet vol staat met beeldjes. Ik ga er gedoseerd mee om.
‘O, hoe dat zo?,’ vroeg de sidekick van Paul Rabbering.

Tja, hoe is dat zo gekomen. Goede vraag.

‘Waarom schrijf je niet een keer over je olifantjes?,’ vroeg m’n moeder. Tja. Dat kan wel. Maar waar moet ik dan over schrijven? Ik weet van lang niet alle olifantjes meer hoe ik eraan ben gekomen. Aan de olifantjes die me het meest dierbaar zijn, en daarom een vaste plek hebben verdiend, zit soms een verhaal verbonden. Maar ik heb veel olifantjes en weinig plek, dus zijn er ook olifantjes die rouleren. Die mogen af en toe uitrusten in een schoenendoos om een paar maanden later weer te kunnen pronken. Ook zijn er nog een paar prints van olifanten; op batik of zijde, en op ansichtkaarten. M’n gieter heeft de vorm van een olifant. Het skateboardmerk Black Label heeft een olifant als logo, dus daar heb ik een t-shirt van gekocht.

Maar hoe is dat nou zo gekomen?

De korte uitleg is dat olifanten de liefste dieren in de wereld zijn.

Glazen olifantje, gekregen voor m’n achttiende verjaardag. Uit Praag.

Er is ook een langere uitleg.

Het begon met het mergelolifantje dat ik kreeg voor m’n tiende verjaardag. We waren op bezoek geweest in de mergelgrotten in Valkenburg; sowieso een uitje waar je me op die leeftijd heel blij mee kon maken. Na afloop kwamen we in een winkel waar ze beeldjes van mergel verkochten. Ik keek m’n ogen uit. M’n ouders hadden geld gekregen van een oudtante om een cadeautje voor me te kopen. Dat werd een olifantje van mergel.

Het olifantje is een beetje anders dan zoals het in de winkel stond. Toen had ie nog geen oogjes, inkepingen in slurf en poten en een staart. Ik vond ‘m zonder die details al heel mooi (het deed een beetje Egyptisch aan), maar de medewerker in de winkel bood aan het olifantje helemaal af te maken. Ik kon zelf beslissen of ik ‘m dan nog wilde. De verkoper pakte een boortje en begon te slijpen. Hij begon bij de slurf. Die vond ik leuk. Daarna de oogjes. Aardig. Toen maakte hij de inkepingen in de poten. Ook aardig, maar ik was nog niet om. Pas toen hij het staartje in de kont kerfde, wist ik het zeker: dit olifantje is van mij.

Daarna kocht ik af en toe olifantenbeeldjes. Goedkope dingen van de Hema of de Blokker, want het moest van m’n zakgeld. Maar je weet hoe het gaat: familie en vrienden horen van de verzameling en dus krijg je via-via nieuwe beeldjes toegestopt. Heel soms ging er iets verloren (het slurfje van m’n mergelolifantje is een keer afgebroken. M’n neefje vond ‘m ook heel mooi), maar ik ben heel zuinig op m’n spullen.

Dat geldt zeker voor het glazen olifantje dat, nadat ik uit huis was gegaan, nog jarenlang bij m’n ouders heeft gestaan. De inrichting van m’n huiskamer was nog niet naar m’n zin en ik wilde dit olifantje een ereplek geven. Ik heb het pas recent meegenomen, en daarbij ging ik uiterst voorzichtig te werk. Ook dit olifantje was een verjaardagscadeau, nu van m’n moeder. Ik was 18 geworden en net op m’n verjaardag was ze met haar koor op reis naar Praag. Ik werd er meteen verliefd op. Een paar jaar terug was ik zelf in Praag en kwam ik het olifantje in een winkel tegen, maar niet meer in de kleur groen.

Zelf kocht ik jarenlang geen olifantenbeeldjes meer. Maar ik kreeg er nog geregeld cadeau. Souvenirs van m’n ouders, gekocht op vakantie in Berlijn, Oostenrijk, Italië, Engeland, of van vrienden die nog beeldjes hadden staan en wist dat ik ze verzamelde.

Deens design: het olifantje van Kay Bojesen.

Pas drie jaar geleden kocht ik zelf weer een olifantje, ditmaal in Kopenhagen. Het is een ontwerp van Kay Bojesen (vooral bekend van dit aapje). Niet goedkoop, maar nadat ik een exemplaar had gezien in Tussen Kunst en Kitsch moest ik dit olifantje hebben. Denen hebben iets met olifanten. Op zich is dat merkwaardig; ik geloof niet dat ze daar in het wild voorkomen. Wat wel gebruikelijk is, is dat Scandinavische ontwerpers zich niet beperken tot het maken van bijvoorbeeld meubels maar, als ze een lijn ontwerpen, daar ook houten speelgoed of andere decoratieve voorwerpen in opnemen. En olifanten zijn daarbij favoriet.

De zoektocht naar een olifantje van Kay Bojesen groeide, toen ik in 2018 in Kopenhagen was, uit tot een heuse queeste. Aanvankelijk kon ik nergens een exemplaar vinden. Vreemd, want de taxateur had bij Tussen Kunst en Kitsch verteld dat ze nog steeds worden geproduceerd. De Deense hoofdstad heeft veel interieurwinkels, maar het olifantje van Bojesen bleek zeer exclusief. Uiteindelijk vond ik een winkel die producten van Deense makelij verkocht. Ik legde aan de verkoper uit dat ik speciaal voor het olifantje naar Kopenhagen was gekomen, waarop ze verbaasd opmerkte dat ik het toch ook online had kunnen bestellen. Al begreep ze dat het leuk is om er meteen een vakantie aan vast te knopen. Een olifantje met verhaal is nog leuker.

Op mijn zoektocht naar het olifantje van Bojesen was ik een ander model, van de ontwerper Gunnar Flørning, tegengekomen. Ook lief, maar ook prijzig. Ik onthield de naam voor een volgend bezoek aan Scandinavië. Dat bezoek kwam sneller dan ik dacht; een jaar later was ik een week in Malmö en bezocht ook Kopenhagen. Maar waar ik een jaar eerder over de olifantjes van Flørning was gestruikeld, waren het nu de olifantjes van Bojesen die ik overal tegenkwam. Ik vond het olifantje van Flørning uiteindelijk in dezelfde winkel waar ik een jaar eerder het andere olifantje had gekocht. De verkoopster haalde meerdere exemplaren uit het magazijn. Ik koos deze, vanwege de mooie tekening in het hout op het slurfje.

Nog meer Deens design: een ontwerp van Gunnar Flørning.

Inmiddels ben ik een derde houten olifantje van Deense makelij op het spoor gekomen, dus ik moet nog een keer die kant op; wat geen straf is.

De verzameling is nooit compleet, maar de ruimte in de huiskamer is beperkt. Daarom ben ik kritisch in m’n aankoopbeleid. Drie grotere exemplaren in de vensterbank hebben hun plekje veroverd, al is het maar omdat kinderen uit de buurt ze zo leuk vinden. Laatst nog stond een peuter minutenlang blij lachend naar mijn legpuzzelolifantje, door m’n ouders meegenomen uit het Lake District, te kijken. Op een ander olifantje, eigenlijk een presse-papier, zit een klein knuffelbeertje; een overblijfsel van de berenjacht van de eerste lockdown. M’n dierbare mergelolifantje heeft een veilige plek buiten het bereik van gretige kinderhandjes gekregen.

Maar als ik in die schoenendoos op de logeerkamer zoek en olifantjes uit het keukenpapier haal, voel ik me ook een beetje schuldig. Ik gun ze allemaal hun fifteen minutes of fame. Sommige was ik bijna vergeten (so far voor dat olifantengeheugen), andere herkende ik meteen. Er is een groot exemplaar van wassteen, er zijn verschillende andere houten olifantjes, net als een paar kleine glazen olifantjes en er zijn twee kleine olifantjes van klei die ik kocht tijdens een dagje uit naar Buren.

Een olifantje, door m’n ouders gekocht in Oostenrijk, slaapt inmiddels op twee Boskabouters.

Stiekem staan er nog best wat olifantjes in de porseleinkast.

Door m’n ouders meegebracht uit Oostenrijk.

Posted in Overig | Tagged | 1 Comment

40

De dochter van een vriendin was met haar stepje in het skatepark geweest, had daar een jongen zien skateboarden en was nieuwsgierig geworden. De vriendin deed wat elke verstandige ouder van een kind met een stepje doet: hulp inschakelen. Kon ik haar dochter niet de basisbeginselen van skateboarden bijbrengen? Met alle plezier natuurlijk, want met elk kind dat het stuntstepje verwisselt voor een skateboard komt wereldvrede een stukje dichterbij.

We spraken af in een skatepark en omdat ik m’n stuntstepjesexorcisme grondig aanpak, had ik twee skatevrienden meegenomen. Terwijl ik wat rondreed, vroeg m’n vriendin, een oud-klasgenoot die ik al ken sinds de brugklas en inmiddels is getrouwd en drie dochters heeft: ‘Hoelang skate je eigenlijk? Was je daar niet eind twintig mee begonnen?’
‘Nou, ik ben tweeëneenhalf jaar geleden begonnen en word volgende maand 40,’ antwoordde ik lachend. ‘Wij hebben bij elkaar in de klas gezeten, weet je nog?’
Ze schrok: ‘Och, ik vergeet dat wij even oud zijn.’

Tja, dacht ik. Ik ook.

Haar dochter bleek een gewillige leerling. Ze reed al beter dan ik na een maand oefenen deed, en wilde best de quarter in rijden. Ik deed het een paar keer voor, waarna ze – weliswaar met hulp – wat beter meeleunde.
‘Ik heb goed gekeken hoe jij het doet,’ zei ze.
‘Heel goed,’ complimenteerde ik haar, want je leert heel veel van naar andere skaters kijken (soms zie ik jongere skaters kijken hoe ik skateboard. Daarna proberen ze me na te doen, iets wat me vervult met enorme trots).

‘s Avonds week ik uit naar het Stadhuisplein. Lekker skaten tot Sperrzeit om de coronagestapo te stangen. Ik sprak een meisje dat ik wel eens in de area zag. Het skatepark wordt nog steeds verbouwd en ik vermoed dat ze pas opengaan als de coronamaatregelen zijn opgeheven; in 2034 ofzo. In het verbouwde park moet de ruimte straks worden gedeeld met bmx’ers, inlineskaters en stuntstepjes. De bmx’ers hebben een riant deel van de hal opgeëist, iets dat in de skatescene met argusogen wordt bekeken.

‘Wat vind je van de nieuwe area?,’ vroeg ze.
‘Wel oké,’ zei ik schouderophalend.
‘Nee man,’ het is een bmx-park geworden,’ lachte ze.
‘Tja, zij hebben het overgenomen he,’ legde ik uit. ‘Nouja, figuurlijk dan.’
Ik ben oud genoeg om te weten dat vechten tegen windmolens geen zin heeft. Alles wat mooi is moet kapot.
‘Ach, zoveel zal ik er niet meer heengaan,’ zei ik. ‘Zeker niet als het straks zomer is. Buiten is veel leuker.’
Ze moest lachen, omdat ik het eerste jaar bijna alleen maar indoor had geskatet.
‘Ja heej,’ verdedigde ik me, ‘als je op mijn leeftijd gaat skateboarden, ben je voorzichtig. Je wilt niet dat iedereen je ziet stuntelen. Ik word volgende maand 40 he.’

Ze keek me verbaasd aan. Even was ze stil.
‘Ik zou willen dat ik 40 was,’ zei ze.
‘Ownee, dat wil je echt niet,’ antwoordde ik. ‘Het is verschrikkelijk. Het besef dat de helft van je leven er al op zit, dat je beste jaren achter je liggen. Dat je helemaal niks nuttigs met die tijd hebt gedaan, dat het alleen maar minder wordt. Ik kan niet eens olliën.’
‘Je hebt nog een maand,’ zei ze.
‘Hoe oud ben jij?,’ vroeg ik.
’16,’ lachte ze.
’16? Djiezus,’ zei ik.

Ik wilde zeggen dat ik jaloers was, maar dacht aan problemen waar jongeren anno 2021 mee kampen: studieschulden, woningnood, baanonzekerheid, klimaatproblemen – en een overheid die daar geen fuck om geeft. Ik wist niet of ik nu nog 16 zou willen zijn.

’16 zijn heeft ook z’n voordelen,’ besloot ik. ‘Al mag je nog niet stemmen.’

Maar skateboarden gaat een stuk makkelijker als je jong bent.

Posted in Skateboarden | Tagged , | 1 Comment

Funbox

In haar oneindige wijsheid, en dit meen ik zonder enige ironie, heeft de gemeente besloten deze tweede lockdown de skate-objecten wél op het Stadhuisplein te laten staan. Misschien hebben de boze doch beleefde e-mails die ik vorig voorjaar naar de gemeente stuurde geholpen. Althans, dat denk ik dan maar. Helemaal gerust ben ik er niet op, en daarom benader ik het Stadhuisplein telkens met grote behoedzaamheid. Er is niks treuriger dan onverhoeds geconfronteerd te worden met een paar oneerbiedig op elkaar gegooide skate-objecten in het Anne Frankplantsoen, afgezet met een hekwerk.

Vooralsnog kan ik op het Stadhuisplein skaten. Iets dat de afgelopen weken, toen de temperatuur de twintig graden enkele keren zorgwekkend dicht naderde, dan ook in groten getale gebeurde. Misschien was de drukte iets te groot, dus af en toe kwam de politie kijken. Ik weet vrij zeker dat hier en daar een coronaregel wordt overtreden, maar de gemeente is verstandig genoeg dit oogluikend toe te staan. Wijsheid komt met de coronajaren.

Als ik op het Stadhuisplein ben, zoek ik een rustig plekje aan de zijkant van het plein op, waar ik dan op m’n manuals oefen. Of ik werk aan m’n ollies. Ik heb niet de illusie dat ik beide trucjes komende tijd nog onder de knie krijg. Althans, niet voordat de skatehal weer open is, of ik onder het Strijps Bultje weer lessen kan volgen. Ik heb die lessen nodig om me een schop onder de kont te geven. Daarom heb ik voor m’n veertigste verjaardag een privéles olliën gevraagd. Wordt het toch nog een beetje een leuke dag.

Tijdens één van die sessies zag ik onder het oorlogsmonument op een hoek van het plein iemand zitten. Met lange haren, woeste baard en dito snor, en gekleed in een oude jas van de legerdump oogde hij als een zwerver. We maakten oogcontact en groetten elkaar. Terwijl ik verder skatete drong het tot me door dat het m’n eerste skateleraar was, door Henk van Straten in Berichten uit het Tussenhuisje treffend omschreven als ‘zesentwintig, lang haar, muts, vaak stoned’. Toen ik die passage eens in de groepsapp van bejaarde skaters deelde, wist iedereen over wie het ging. Dat ie me groette vond ik al heel wat. Toen ik een paar weken aan het skaten was, vertrouwden twee andere oudere skaters me toe dat hij al die oudjes die zo nodig ook moeten maar niks vind. Sindsdien weet ik zeker dat ik me de minachting van m’n skateleraar niet inbeeld, die is écht. Ik bungel in de skatewereld onderaan de voedselketen.

Even later stond hij naast me.

‘Waarom rij je niet tegen die funbox op? Dat kan jij makkelijk,’ zei hij.
Ik wilde uitleggen dat het geen onwil was, maar dat ik bezig was m’n manuals te oefenen. Toch had ik geen zin om me te verantwoorden, dus ik haalde m’n schouders op en vroeg hoe het met ‘m ging. Voor ik het wist was ik in een geanimeerd gesprek beland. Eigenlijk was het meer eenrichtingsverkeer. Over de skatehal waar straks marshalls staan om de verkeersstromen in goede banen te leiden (‘wat is daar nou aan? Skaten is juist géén regels’), over het maffe idee skatediploma’s in te voeren (iets dat mij ook zorgen baart; ik heb niet eens een veterstrikdiploma), over de nieuwe pumptrack in Strijp (‘nog niet open, maar je moet gewoon over het hek klimmen’) en over z’n knie-operatie, waardoor hij nog geen trucjes mocht doen. Een beetje cruisen en manuals maken kon wel. In een kwartier tijd zei hij meer dan in de twee jaar skateles die ik van ‘m heb gehad.

Een dag later trof ik ‘m weer terwijl hij manuals aan het doen was. Moeiteloos, natuurlijk. Hij reed bijna tegen een groepje jongeren op dat provocerend met hun fietsen midden op het plein was gaan staan.
‘Eej,’ riep hij verontwaardigd.
Een van de jongeren herkende ‘m en riep iets naar ‘m.
‘Je staat in de weg,’ zei hij.
De jongen gebaarde dat ie ‘m niet kon horen.
Daarop ging de skateleraar verder: ‘Je moet niet fietsen, maar skaten.’
Opnieuw gebaarde de jongen dat ie het niet kon horen.
‘Dat je moet skaten, niet fietsen,’ herhaalde hij, zachter in plaats van harder.
Weer kreeg hij geen reactie.
‘Laat maar,’ zei hij met een wegwuifgebaar.
‘Dat je doof wordt van al dat fietsen,’ riep ik.
‘Wat?,’ zei m’n skateleraar, nu tegen mij.
Hij zag de humor van z’n eigen opmerking niet in.

Verderop stopte een auto met als opdruk ‘handhaving’. Er stapte een medewerker uit. Hij maakte een foto van een deel van het plein en wilde weer instappen.
‘Waar maak je die foto voor?,’ vroeg een skater.
De medewerker van de gemeente haalde lachend z’n schouders op en vertelde dat het van z’n leidinggevende moest.

Terwijl de medewerker van het plein af reed, besefte ik wat hij had gedaan. Hij had inderdaad een foto van het Stadhuisplein gemaakt, maar net dat gedeelte gefotografeerd waar op dat moment vrijwel geen enkele skater rondreed.

Waarom rij ik niet tegen die funbox op?

Posted in Eindhoven, Skateboarden | Tagged , , , | Comments Off on Funbox

Bier

Als over een tijdje een verkiezing van ‘meest absurde coronamaatregel’ wordt gehouden, dan is die avondklok natuurlijk een goede kanshebber voor de hoofdprijs. Je zorgt er gewoon voor dat je huisfeestje voor 21.00 uur begint en tot 4.30 uur doorgaat. Een beetje student haalt langer door. Trouwens, het uitnodigen van maximaal één gast is een dwingend advies en geen wettelijke maatregel, iets dat de Rijksoverheid handig verzwijgt.

In de tussentijd probeer ik er het beste van te maken en skate elke avond tot exact 21.00 uur op het veldje voor m’n huis. Normaal zou ik eerder stoppen, omdat het nogal een herrie maakt en er kinderen in de buurt wonen. Nu geef ik er niks meer om. Daarbij, het lijkt me wel leuk om een keer om 20.59 uur door een overijverige wout te worden aangesproken en dan triomfantelijk m’n telefoon te laten zien: nananananaaaa.

Toen ik gisteren door de supermarkt liep, bedacht ik dat er nog een idiotere regel is: het verbod op verkoop van alcohol na 20.00 uur. Die maatregel was al ridicuul en dat is er niet minder op geworden met de invoering van de avondklok. Het liep tegen achten, maar het gangpad met de schappen met wijn was nog niet afgezet. Ik dacht aan de RIVM-medewerker die had berekend dat met deze maatregel de R 0,003% onder de 1 zou komen. Spreadsheetbeleid. Daarna dacht ik aan de studenten die ik regelmatig vlak voor achten bij de supermarkt kratjes bier zie hamsteren. Daar zit je dan als ambtenaar, met je 0,003%.

Bij de zelfscankassa trof ik een expat die ik ken van de internationale pubquiz. Er is al bijna een jaar geen internationale pubquiz geweest. Ook kwamen we elkaar regelmatig tegen bij de sportschool, maar die is alweer twee maanden dicht. U weet het inmiddels, deze regering wil niet dat we gezond blijven. Nu kwam ik ‘m tegen bij de supermarkt, en we glimlachten naar elkaar van achter onze mondkapjes. Terwijl we geroutineerd naast elkaar onze boodschappen scanden, vertelde ik over de nieuwste editie van The Global Online Quiz.

Bij de expat verscheen een rood vlak op het scherm. Hij ging rustig door met scannen, maar vanuit het niets verscheen een medewerkster van de Albert Heijn die zonder iets te zeggen een flesje bier uit z’n boodschappenwagentje griste: het was net 20.00 uur geweest.
‘Come on,’ zei ik verbouwereerd tegen de caissière.
‘Well, of course,’ stamelde de expat. Hij keek me verbaasd aan.
‘That’s ridiculous,’ riep ik de medewerkster na.
De expat zuchtte een keer diep, voelde zich als gast in een vreemd land niet in een positie om zich boos te maken. Ik dacht aan politici die zouden oreren dat ze er echt niet aan konden beginnen deze expat z’n flesje bier te gunnen: hellend vlak meneer, regels zijn regels.
‘Do you want beer? I have some,’ bood ik aan. Ik voelde me een drugsdealer, maar het hoefde al niet meer.

Daarna haastte ik me naar huis om tot klokslag 21.00 uur te skaten. Af en toe fietste een student voorbij met op het bagagerek een krat Hertog Jan.

Alleen samen krijgen we corona onder controle.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged , | 2 Comments

Tien eilandjes

Toen de coronacrisis maart 2020 losbarstte, begon ik op Twitter een draadje. Elke dag postte ik een eiland om naartoe te vluchten wegens alle ellende. Dat leverde veel positieve reacties op, dus toen minister Grapperhaus aankondigde dat de meeste maatregelen verlengd zouden worden ‘tot 1 juno’, besloot ik m’n draadje te verlengen tot die datum. Toen zich half december een tweede lockdown voordeed, begon ik op verzoek van enkele volgers weer met een eilandendraadje. Eerlijk gezegd met tegenzin, omdat ik wel dacht door m’n eilandjes heen te zijn. Dat viel mee; ik had snel een aardige groslijst bij elkaar en ging daarmee door tot 9 februari. Nee, toen was de lockdown nog niet voorbij, maar met het wanbeleid van deze regering zitten we nog tot 2034 in lockdown. Zoveel eilandjes heb ik nou ook weer niet.

Wat me tijdens beide lockdowns opviel was dat koude, regenachtige eilandjes meer likes kregen dan die eilandjes met wuivende palmenstranden. Vreemd. Ik droom liever weg bij een eilandje uit die laatste categorie, want ik acht de kans nog altijd groter dat ik ooit op Fair Isle, Lítla Dímun of Bornholm terecht kom dan op Palmerston, Nialukita of Teraina. Maar goed, 2 Unlimited zong niet voor niets ‘no one can resist the desire to escape to paradise, but it seems like there’s nothing else to do but to dream and fantasize.’

Maui, eilandje in de Pacific.

De liefde voor afgelegen eilandjes zit diep. Als kind verslond ik de programma’s van Boudewijn Büch, die naar Kiribati of Micronesië reisde (of later, de geweldige parodie in Studio Spaan). Zelf ben ik de afgelopen jaren twee keer in de Pacific geweest. Dat zijn niet toevallig die delen van de Stille Oceaan die betrekkelijk makkelijk te bereiken zijn: Nieuw-Zeeland en Hawaï. Ik bezocht de gebieden respectievelijk na het winnen van een televisiequiz en het opsouperen van een verlofurenstuwmeer en ik zou niets liever doen dan de boel de boel laten en weer die kant op gaan, maar er staat geen deelname aan een tv-quiz in het verschiet en het verlofurenstuwmeer staat ook droog, bovendien verwacht ik dat er de komende tijd sowieso bitter weinig gereisd gaat worden. Maar goed, dromen mag.

Mocht iemand in het bezit zijn van een zeiljacht en me mee willen nemen, ik heb interesse. Ik kan niks en ben niet het meest inspirerende gezelschap om de wereld mee rond te varen, maar ik heb wel veel volstrekt nutteloze weetjes over eilandjes paraat. Als we dan tijdens die reis bij één of meer van onderstaande eilandjes aanmeren, dan ben ik dolgelukkig.

Hiva Oa (Marquesaseilanden, Frankrijk)

De Fransen springen niet bepaald netjes met hun koloniën om. Denk alleen al aan de kernproeven op Mururoa, in de Tuamotu-archipel. Dat is nog maar één voorbeeld; lees Paul Theroux’ The Happy Isles of Oceania en de schellen vallen je van de ogen. Maar ook de Amerikaanse schrijver kon er niet omheen dat de Marquesaseilanden wonderschoon zijn. Hij verbleef op Hiva Oa, en verwonderde zich over de ongerepte natuur op het eiland. De schoonheid van het eiland was al bekend bij Paul Gauguin, die zich net als Theroux wild ergerde aan het Franse kolonialisme. Niet dat de schilder zich zo voorbeeldig gedroeg; hij neukte in de rondte, en keek daarbij niet te nauw als het op leeftijd aankwam. De relatie tussen Jacques Brel en de Marquesianen in de jaren zeventig was harmonieus. Hij leefde er de laatste jaren van z’n leven en vloog regelmatig tussen Tahiti en Hiva Oa met hulpmiddelen voor de lokale bevolking. Brel betuigde z’n liefde voor de eilanden in het prachtige chanson Les Marquises (‘et par manque de brise le temps s’immobilise aux Marquises’). Het staat op z’n laatste album. Zowel Gauguin als Brel liggen op Hiva Oa begraven.

Niulakita (Tuvalu)

Tuvalu telt zes atollen en drie eilanden, met een totaal landoppervlak van 26 vierkante kilometer: ongeveer tweederde van het oppervlak van Schiermonnikoog. Op dat minuscule stukje land wonen ruim tienduizend inwoners met als belangrijkste inkomstenbron de domeinnaam .tv. Geef ze eens ongelijk. Het staatje ligt echter zo laag dat het door de stijgende zeespiegel onbewoonbaar zal worden. Meer dan de helft van de Tuvaluanen woont op het atol Funafuti, maar het hoogste punt van Tuvalu, een luttele 4,6 meter boven zeeniveau, bevindt zich op het piepkleine (0,4 vierkante kilometer) Niulakita. Door internet en sociale media is de wereld piepklein geworden. Via Google Maps kan ik kijken hoe het op Pitcairn is en op Instagram vind ik zowaar wat foto’s van Palmerston Island. Van Niulakita (het eiland telt 27 zielen) is niks te vinden. Er is nog iets te ontdekken. Is dat niet geweldig?

Nukutepipi (Frans-Polynesië)

Frans-Polynesië telt enkele van de meest luxueuze resorts ter wereld. Op het eiland Onetahi ligt The Brando Resort, inderdaad, een project van de nabestaanden van Marlon Brando, die het atol Tetiaroa (waar Onetahi deel van uitmaakt) leasen. Een verblijf is onvergetelijk, helaas is het ook onbetaalbaar. Nóg weirder, en een stuk onbekender, is Nukutepipi. Dit atol maakt deel uit van de Duke of Gloucestereilanden, een geïsoleerd gelegen subgroep van de Tuamotu-archipel (die van zichzelf al heel afgelegen ligt). Van de vier atols die de Duke of Gloucestereilanden opmaken (de Spaanse naam is, I kid you not, ‘cuatro coronas’) is alleen Hereheretue bewoond, maar op Nukutepipi ligt een resort dat in handen is van Guy Laliberté, één van de oprichters van Cirque du Soleil. Het eiland is te huur, voor gezelschappen tot vijftig man. Het is betrekkelijk makkelijk te bereiken, want het heeft een eigen vliegveld (wat het eiland er niet mooier op heeft gemaakt). De website belooft veel moois, maar het is net zo onbetaalbaar (en onbereikbaar) als The Brando.

Palmerston (Cookeilanden)

Halverwege de negentiende eeuw vestigde de Engelsman William Marsters zich op Palmerston Island in de Cookeilanden. Z’n baan was de coördinatie van de handel van kopra, gedroogd kokosvlees. Hij wist dat hij nog wel een tijdje zou blijven, dus Marsters pakte het groots aan: hij nam z’n vrouw én drie maîtresses mee. Daar bleef het niet bij; hij verwekte bij al die vrouwen kinderen en zie: anderhalve eeuw later telt Palmerston ruim zestig bewoners, waarvan er drie níet van Marsters afstammen. De handel van kopra is allang ingestort en Palmerston is één van de meest afgelegen eilanden ter wereld, dus om er te komen is een heidens karwei. De afstanden zijn zo groot dat toen één van de oudste bewoners voor een gebitsbehandeling naar Rarotonga, het hoofdeiland van de Cookeilanden, moest, ze zes maanden weg was; eerder ging er niet een schip terug. Ook Floortje Dessing lukte het, met veel moeite, om er te geraken voor haar reisprogramma Floortje naar het Einde van de Wereld.

Pentecost Island (Vanuatu)

‘Een collega van me gaat naar een land en jij gaat heel jaloers zijn.’
‘Waar gaat je collega naartoe?’
‘Vanuatu.’
‘Ik ben jaloers.’ M’n liefde voor gekke eilandjes is welbekend bij veel vrienden. Vanuatu is in dat genre een persoonlijke favoriet. De eilanden van Vanuatu zijn geen gewezen vulkanen (oftewel: koraaleilanden), in plaats daarvan zijn ze bergachtig. Die eilanden herbergen een bevolking die nog traditioneel leeft. Zo leven op Tanna stammen die de cargocult aanhangen: een geloof waarbij ze John Frum aanbidden. Deze Frum zou ergens halverwege de twintigste eeuw zijn verschenen. Hij beloofde de bevolking dat als ze de westerse geloven zouden afzweren, ze hier rijkelijk voor beloond zouden worden. Een ander eiland met typische tradities is Pentecost Island. Hier is het bungeejumpen ontstaan als ontgroeningsritueel, waarna het via allerlei omzwervingen als extreme sport werd geïntroduceerd in Nieuw-Zeeland.

Pingelap (Micronesië)

Eind achttiende eeuw werd het eiland Pingelap getroffen door een tyfoon. Twintig bewoners overleden deze natuurramp, waaronder één man die volledig kleurenblind was. Dit genetisch defect werd de generaties erna doorgegeven en terwijl het bevolkingsaantal inmiddels is opgelopen tot 250, is 10% van dit aantal kleurenblind. Dat is procentueel een idioot hoog aantal, omdat volledige kleurenblindheid een zeer zeldzame aandoening is (in Amerika is het percentage 0,003%). Oliver Sacks publiceerde in 1997 een boek over Pingelap, The Island of the Colorblind. Fotograaf Sanne de Wilde maakte foto’s van het eiland, maar dan zoals de 10% van de bevolking het eiland ervaart.

Pitcairn (Verenigd Koninkrijk)

De muiters van de Bounty wisten één ding zeker: bij ontdekking zouden ze aan de strop eindigen. Ze besloten, na eerst vrouwen van Tahiti geroofd te hebben, zich op Pitcairn te vestigen. De reden? Het stond verkeerd op zeekaarten aangegeven. Ze bleven inderdaad voor enkele decennia onopgemerkt. Maar in de isolatie van het piepkleine Pitcairn, een gevangenis op zich, draaiden de muiters één voor één door. Moord, suïcide, seksueel misbruik, mishandeling, drankmisbruik: het vond hier allemaal plaats. Maar de bevolking hield stand en tegen de tijd dat de Britten Pitcairn hadden ontdekt, waren de muiters overleden. De afstammelingen van de muiters wonen nog steeds op Pitcairn, met slechts vier familienamen: Adams, Brown, Warren en Young. Ook nu nog is het eiland moeilijk te bereiken; je kunt op de Tuamotu-archipel vliegen en van daaruit is het nog enkele dagen varen. Het eenvoudigste is om aan te monsteren op een cruiseschip, al ligt ook voor hen Pitcairn uit de route.

Suwarrow (Cookeilanden)

Wie wil er geen eiland voor zichzelf? Een eigen paradijsje, vrij van zorgen. De Nieuw-Zeelander Tom Neale vond dat in elk geval wel. Hij verbleef, verdeeld over drie periodes, in totaal zestien jaar op het atol Suwarrow in de Cookeilanden. Het was geen dag-in dag-uit luieren voor Neale. Hij leefde gedisciplineerd, werkte overdag in z’n moestuin en dekte elke avond de tafel voor het eten. Een eerste verblijf werd danig ingekort toen hij met rugklachten terug naar Rarotonga moest en een tweede keer had hij er zelf genoeg van toen hij te vaak parelvissers in de buurt van z’n atol zag. Hij kwam er toch voor de rust. Maar de laatste tien jaar van z’n leven waren rustig. Eenzaam voelde hij zich niet. Hooguit vond hij het jammer dat hij het natuurschoon niet met iemand anders kon delen. Neale schreef z’n autobiografie An Island To Oneself en overleed in 1977, op 75-jarige leeftijd.

Taongi (Marshalleilanden)

In de ochtend van 11 februari 1979 vertrok een groepje van vijf mannen vanuit Maui, Hawaï voor een vaartochtje met hun boot de Sarah Joe. Tegen de middag stak er een harde wind op en tegen het einde van de dag was er storm uitgebroken. De boot kwam niet terug. Wekenlang werd naar de opvarenden gezocht, maar van boot noch bemanning werd iets vernomen. Negen jaar later nam de verdwijning een bizarre wending. Op het onbewoonde atol Taongi in de Marshalleilanden, 3500 kilometer ten westen van Hawaï, vond een onderzoeker het wrak van de Sarah Joe. Twintig meter van het wrak vond hij een geïmproviseerd graf met, zo bleek uit later onderzoek, de stoffelijke resten van één van de vijf mannen op de boot. Experts zijn het er over eens dat de boot de 3500 kilometer van Maui naar Taongi in drie maanden tijd kan hebben afgelegd. Maar het atol was al in 1985 bezocht en toen was er geen wrak. En wie heeft dan het graf gedolven?

Je kunt op Taongi uitgebreid filosoferen over alle spannende hypothesen. Er is namelijk helemaal niks te doen. Het is er leeg, kaal en droog. En coronavrij, dat ook.

Teraina (Kiribati)

De Amerikaanse schrijver J. Maarten Troost (ja, hij heeft deels Nederlandse wortels) bracht in de jaren negentig een paar jaar door in Kiribati. Hij schreef daar een hilarisch boek over, The Sex Lives of Cannibals (dat niet zo spannend en opwindend is als de titel doet vermoeden). Hij legt in dat boek uit dat de bewoners van de verschillende eilanden speciale eigenschappen toe worden gedicht. Zo zouden de bewoners van Butaritari extreem lui zijn, wat in Kiribati dan Extreem Lui is.

Een van de meest afgelegen eilanden van Kiribati is Teraina. Het is een anomalie: het atol bestaat niet uit langgerekte, supersmalle stukjes land om een diepblauwe lagune maar het is gewoon, een eiland. Maar wat voor eiland. Aan de ene kant ligt een groot zoetwatermeer, het enige in Kiribati. Aan de andere kant ligt een moerasgebied. Daar tussendoor liggen verspreid negen dorpjes, die met elkaar zijn verbonden met kanalen. Doordat het zo afgelegen ligt (er is een landingsbaan, maar de makkelijkste verbinding is met het eiland Tabuaeran, ruim 150 kilometer verder), zijn er amper beelden van te vinden, maar dit filmpje maakt nieuwsgierig. Ik wil zo graag naar Teraina.

Posted in Aardrijkskunde, Lijstjes | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Tien eilandjes

Rellen

‘Als ze een avondklok invoeren, breekt de pleuris uit,’ zei ik tegen een vriendin.

Ze had haar twijfels, maar natuurlijk kreeg ik gelijk. Zoals ik altijd gelijk krijg. Er is een grens aan wat mensen accepteren. Wat mij betreft is die grens allang bereikt, omdat de overheid geen idee heeft waar het mee bezig is (waar blijven die vaccins?) en nul rekening houdt met mensen die de maatregelen het zwaarste treft. Als jongere kan je niet naar school, je kunt niet sporten, je mag niet uitgaan, bij elke nieuwe corona-uitbraak wordt met een beschuldigende vinger naar jou gewezen en dan mag je tot slot ook niet meer ‘s avonds met vrienden afspreken. Me dunkt dat je het dan een keertje spuug- en spuugzat bent. Ik ben verbaasd dat er politici zijn die verbaasd zijn over de rellen. Werkelijk? Onder welke steen heb je dan het afgelopen jaar geleefd?

‘Maar veel relschoppers waren geen jongeren,’ hoor ik u tegenwerpen. Zeker. Maar het gaat bij zo’n demonstratie om de combinatie; een giftige cocktail van hooligans, neonazi’s, viruswappies, gele hesjes en andere bezorgde burgers, anarchisten, gediplomeerde relschoppers en, vooruit, ook wat boze jongeren.

De premier wil niet luisteren naar sociologische verklaringen, maar met wat meer begrip voor de moeilijke situatie van veel Nederlanders kan hij voorkomen dat het uit de hand blijft lopen. Al is er een heel cynisch stemmetje in mij dat zegt dat Rutte vooral voor een avondklok is omdat het met name jongeren treft. Die mogen toch niet stemmen op 17 maart. Een thuiswerkplicht zou veel meer effect hebben (twee derde van de werknemers werkt weer op kantoor), maar dan dupeert de VVD de eigen achterban. Wat dat betreft past de maatregel perfect in het bekende VVD-beleid: trappen naar die mensen die zich toch al amper kunnen verweren.

Twee dagen na de rellen was ik met een paar vrienden aan het skateboarden op het Stadhuisplein. Een van de weinige dingen die nog wel mag. (De skate-objecten staan er zelfs nog; misschien hebben de boze e-mails die ik tijdens de eerste lockdown naar de gemeente heb gestuurd nut gehad.) We stonden aan de bovenkant van het plein bij de fietsenstalling een beetje te klooien op manuals en ollies (die nog steeds niet lukken). Af en toe kwam iemand uit het gemeentehuis lopen, waarbij we netjes anderhalve meter afstand hielden.

Ik vertelde net aan een vriend over m’n jeugdtrauma over spruitjes, toen een man aan kwam lopen om z’n fiets te pakken. Ik deed snel een stap naar achteren.
‘Ja,’ lachte hij, ‘kijk maar uit, ik val hier ter plekke dood neer.’
Ik glimlachte.
‘Gaan jullie nog rellen vanavond?,’ vroeg hij quasi-serieus.
Ik taxeerde de man en riposteerde: ‘Nah, dat hebben we zondag al gedaan.’

M’n vriend lachte ongemakkelijk, maar ik haalde m’n schouders op: ‘Vandaag is trouwens Tilburg aan de beurt.’

Posted in Eindhoven, Politiek | Tagged , , | 1 Comment

Avondklok

Even over die avondklok.

Ik ben niet eenzaam. Ik ben geen oudere die in een verzorgingshuis zit en geen bezoek mag ontvangen. Ik ben niet chronisch ziek, bang om besmet te raken. Ook heb ik geen kinderen, dus de last van thuisonderwijs geven draag ik niet. Ik ben vrijgezel, en heb een fijne baan bij de Rijksoverheid. Ik heb een uitgebreid netwerk van vrienden. Vanwege mijn baan bij de overheid word ik geacht het goede voorbeeld te geven en daarom werk ik al sinds maart thuis. Vrienden spreek ik vrijwel niet meer. Sommige heb ik al meer dan een half jaar niet meer gezien. We houden contact per e-mail, of videochatten. Het is voor een goede zaak.

Ik ben deze zomer bewust in Nederland op vakantie gegaan. Ik wilde niet het risico lopen corona op te lopen, eventueel andere mensen te besmetten. Prima. Nederland is mooi genoeg. Dezelfde overheid die nu een avondklok overweegt, vond het in de zomer niet nodig mensen te verbieden naar andere Europese landen te reizen. Veel van deze vakantievierders kwamen besmet met corona terug en verspreidden het virus. Ze hielden zich niet aan de quarantaineregels en de overheid zag hier niet op toe. Een tweede golf als gevolg.

Ik ga amper naar de stad om te winkelen. Ik hou niet van drukte. Als ik al naar de stad ging, koos ik bewust een rustig moment. Ik ging naar de kleinere, zelfstandige winkeltjes aan de rand van het centrum. Winkels die in de lockdown in het voorjaar wel open moesten blijven, omdat het voor hen financieel niet op te brengen was om dicht te gaan. Zij zijn nu alweer weken dicht. Terwijl ze zich aan alle regels hielden; het was er nooit te druk. Als ik naar de supermarkt ga, doe ik dat niet rond etenstijd. Alles voor de goede zaak.

Ik ging een paar keer in de week naar de sportschool. Niet om aan een killerbody te werken, ik ken m’n beperkingen, wel om mentaal gezond te blijven. Om vanwege de stress niet ten onder te gaan aan een burnout, wat de maatschappij geld zou kosten. In mijn sportschool komen veel sporters die willen afvallen, of revalideren van een blessure. Er komen ouderen die fit willen blijven. Niemand mag nog naar de sportschool. Toen de sportschool dichtging, probeerde ik het eerst nog positief te zien. Een mooie kans om het hardlopen weer fanatieker op te pakken. 19 Januari kon ik wel weer verder trainen. Nu wordt dat 9 februari en ik hoor beleidsmakers al fluisteren dat het ‘begin maart’ wordt. Denk eens na over de maatschappelijke kosten die dat met zich meebrengt. De overheid wil niet dat we gezond blijven.

Ik heb een pubquizteam, maar ik kan al maanden niet meer pubquizzen. De laatste keer dat het nog kon, was sowieso lachwekkend. De muziek moest om 21.00 uur uit, de bar mocht geen drinken meer schenken. We moesten anderhalve meter afstand houden, wat lastig overleggen is. Ik ging nog om de sociale contacten te onderhouden, maar pubquizzen was verworden tot een surreële ervaring. Toen een medespeler een keer in huilen uitbarstte, kon niemand haar troosten, want: anderhalve meter.

Ik had in september en oktober met een paar vrienden skateles. De skatehal waar die lessen doorgaans worden gegeven, wordt verbouwd. De lessen vonden dus buiten plaats. Maar buitensporten in teamverband werd verboden en dus werden de lessen gestaakt. Teamverband klinkt wat gek bij skatenboarden, maar soit. Sowieso vreemd, want de kans op besmetting in de buitenlucht is nul. Dat is al maanden bekend. In de tussentijd konden de lessen die indoor werden gegeven, in andere skateparken in het land, wél doorgaan (nouja, tot half december dan). Een kromme redenering.

Het enige sociale contact dat ik nu nog ‘in real life’ heb, is een bezoek aan m’n ouders. Ze wonen een paar straten bij me vandaan. We hebben alle drie al in maart corona gehad, zijn daar zonder kleerscheuren doorheen gekomen, en hebben zo onze eigen bubbel. Een keer in de week komen twee vrienden bij me op bezoek voor een online pubquiz. Eentje heeft niet de mogelijkheid om thuis de online pubquiz te spelen. We houden daarbij uiteraard netjes anderhalve meter afstand. Ik ga nog steeds skateboarden, soms ’s avonds. Meestal in m’n eentje, maar af en toe spreek ik met een vriend af. Meer mag niet: want corona.

Ik wil me niet boos maken. Ik ben m’n uitlaatklep in het sporten al kwijt. Maar toch. De overheid is indirect verantwoordelijk voor deze tweede coronagolf. Er zijn vaccins, maar waar sommige landen al miljoenen inwoners hebben gevaccineerd, wil Hugo de Jonge alles vooral zorgvuldig doen. Er is geen thuiswerkplicht, terwijl veel van m’n vrienden op kantoor moeten werken. In al die gevallen kunnen ze prima thuiswerken, maar het mag niet van de baas. Waarom durft de overheid niet de werkgevers aan te spreken? Waarom overweegt de overheid überhaupt een avondklok terwijl Schiphol nog open is?

Nogmaals, ik denk dat ik het nog relatief goed heb. Maar met een avondklok ontneemt de overheid de laatste sociale contacten die ik nog heb. Diezelfde overheid die, als ik het even plat mag zeggen, al maanden een rotzooi van het coronabeleid heeft gemaakt. Ik acht ze dan ook nu weer uitstekend in staat de verkeerde beslissing te nemen.

Ik kan geen minister meer horen die met een zucht in z’n stem zegt dat hij begrijpt dat het écht écht écht heel zwaar is, maar dat we er ‘even’ doorheen moeten.

Posted in Overig, Politiek | Tagged | Comments Off on Avondklok

Song Top 20 2020

Ik zal niet zeggen dat 2020 een raar jaar was, want dat kunt u overal al lezen. Wel was 2020 muzikaal gezien het meest exotische jaar ooit. Kijkt u even naar de nr. 1 hits van dit jaar: artiesten uit Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland, Australië, Canada, Guyana, Kazachstan.

Is dat een gevolg van corona? Dat denk ik niet. Wel is het een gevolg van de wereld die steeds kleiner wordt (met een pandemie als gevolg). Nieuwe muziek hoor je steeds minder bij het uitgaan (dat kon nauwelijks in 2020), maar in apps als TikTok of Instagram. Je kunt uit een sloppenwijk in Zuid-Afrika of een voorstad van Auckland komen en een wereldhit scoren. Radio is steeds minder een machtsfactor. Het holt achter de feiten aan; pas als een plaat een hit is op Spotify of Deezer gaan radiozenders dezelfde muziek draaien.

Afgezien van dat 2020 een exotisch (en vooruit, raar) jaar was, was dit het jaar van de comeback: Shaggy scoorde z’n eerste top-40-hit sinds 2014, terwijl hij in 1992 voor het eerst in de hitlijsten stond, Di-Rect stond voor het eerst sinds 2013 weer in de Top 40 en Alicia Keys scoorde haar eerste hit in acht jaar tijd. En dat zijn dan nog de acts die m’n Song Top 20 hebben gehaald. Wat te denken van Ilse DeLange (eerste top-40-hit sinds 2013) of Black Eyed Peas (eerste hit sinds 2011). Of acts die voor het eerst in jaren de Tipparade haalden: AC/DC met Shot in the Dark (voor het eerst sinds 1995), Rolling Stones met Living in a Ghost Town (voor het eerst sinds 2012) en Todd Rundgren met Flappie (voor het eerst sinds 1972). De oudjes moesten binnenblijven, maar deden het beter dan ooit tevoren.

Ik had een longlist van 24 liedjes, dus ik moest wat nummers schrappen. Suzan & Freek en Snelle stonden apart in de lijst, dus die kon ik nog mooi bundelen in hun duet (triët) De Overkant, maar helaas vielen Level of Concern van Twenty One Pilots en Impossible van Nothing But Thieves toch nog uit de lijst. De laatste track die het niet redde was Symphony van Sheppard, de altijd vrolijke Aussies die het zelfs aandurfden een Millennial Whoop in hun liedje te stoppen. Maar Banners staat erin; dat is een Sheppard rip-off. Nog een geluk dat één van de mooiste liedjes van het jaar, Cardigan van Taylor Swift, op een haar na de Top 40 miste.

Net als vorig jaar kan je de Song Top 20 terugluisteren op Spotify.

20. Banners – Someone To You

Sheppard valt dit jaar dus net buiten de top-20, maar we hebben Banners. Dat is de artiestennaam van de Engelse producer Michael Joseph Nelson. Hij bracht Someone To You al in 2017 uit, maar dankzij gebruik in een reclame voor T-Mobile groeide het dit jaar alsnog uit tot een knijter van een hit. Wat ook hielp was dat het een hype was op TikTok (we komen de app nog vaak tegen). Someone To You is ultracatchy vrolijkheid in drieëenhalve minuut. Escapisme, maar daar is helemaal niks mis mee. Net Sheppard.

19. Goldkimono – To Tomorrow

In de zomer, ja, toen was alles goed. Toen ik chillend op m’n skateboard de skateparkjes van de stad onveilig maakte. Die zorgeloze zwoele zomerzotheid zit in To Tomorrow. Een ijl gitaartje, een licht beatje en een zanger die rapt over dat ie eindeloos kan blijven pushen op z’n skateboard. Achter de naam Goldkimono gaat producer en songschrijver Martijn Konijnenburg schuil die ooit begon in de band Leaf (hit: Wonderwoman), over wie Arjen Lubach suggereerde dat hij ‘m had belazerd bij het schrijven van een wereldhit (Firestone van Kygo).

18. Suzan & Freek & Snelle – De Overkant

Je kunt 2020 (en 2019) best de wraak van het platteland noemen. Of beter, van de Achterhoek. De grootste Nederlandstalige hits van het jaar zijn van Suzan & Freek (toch de Saskia & Serge van nu) en Snelle. Ze scoorden allebei op eigen kracht hits (Suzan & Freek met Deze Is Voor Mij en Weg Van Jou, Snelle met Smoorverliefd, Kleur en In De Schuur), maar deden een triootje op De Overkant. Een ode aan de eigen landstreek ‘waar je fiets gewoon nog open langs de weg kan blijven staan’. Zelfs de grachtengordel (Thomas Acda) neemt tegenwoordig duetten op met Snelle.

17. Nona – Forever Yours

Ineens was ze daar: Nona. Achternaam: van der Wansem. Bouwjaar: 1993. Afkomstig uit Uden. Dat ze Nederlandse is hoor je niet af aan Forever Yours. Dat bedoel ik als compliment. Haar liedje is perfecte radiopop, een tijdloze song waarvan ik eerst vermoedde dat ie uit de jaren negentig afkomstig was en ingezongen door een Amerikaanse soulzangeres. Best knap (je zingt het na één keer horen mee), maar een beetje anoniem; het glijdt het ene oor in en het andere oor uit. Je kunt niet alles hebben.

16. Ariana Grande & Justin Bieber – Stuck with U

Misschien wel het ergste aan die coronacrisis zijn sterren die ook iets goeds willen doen. Artiesten die vanuit hun luxueuze villa in Beverly Hills Imagine zingen of BN’ers die een coronalied schrijven. Alsof de crisis nog niet erg genoeg is. Nee, dan Ariana Grande, die nam tenminste nog de moeite om een nieuw liedje te schrijven. Dat liedje werd Stuck with U en de opbrengst gaat naar het goede doel. Hoe het kan dat Bieber (al jaren gelukkig samen met Hailey Baldwin) in deze song met Grande zit opgescheept vertelt het verhaal helaas niet. Het artwork is van Liana Finck (volg haar op Instagram, ze is geweldig).

15. BTS – Dynamite

Eén van de beste boeken over popmuziek die ik ooit heb gelezen is The Song Machine van John Seabrook. Hij schetst daarin een beeld van de muziekindustrie van de vroege jaren negentig tot halverwege jaren tien. In één van de hoofdstukken legt Seabrook uit hoe K-pop de wereld zal overnemen. Ik lachte dat hoofdstuk weg. Alsof Amerikanen en Europeanen massaal zouden vallen voor overgeproduceerde, aalgladde producties uit Gangnam. Boy, was I wrong. PSY was nog een gimmick, maar acts als Blackpink, G-Dragon en BTS verkopen (zonder noemenswaardige airplay, maar welke jongere luistert nog radio?) stadions uit. En Dynamite is een tijdloos goed funkpopplaatje.

14. Tiësto – The Business

Alle hoogste posities van Tiësto sinds 2001 in de top-10 in chronologische volgorde: 8, 7, 6, 2, 3, 3, 5, 3, 2, 5, 9, 2 en 5. Wat ontbreekt er? Een 1 (en een 4 en een 10). Tot dit jaar, want The Business is de eerste nr. 1 hit voor de Bredase dj die volgende maand z’n 52ste verjaardag viert. Dat Tiësto, een veteraan op het dj-gebied, juist nu z’n eerste nr. 1 hit scoort is niet gek. EDM is mainstream geworden en The Business is voor Tiësto-begrippen meer pop dan trance. Al heet dat dan deep house. Tekstueel kijken we in The Business terug op 2020 (‘back and forth with the bullshit’) en vooruit naar 2021 (‘let’s get back to business’).

13. Jawsh 685 ft. Jason Derülo – Savage Love (Laxed – Siren Beat)

U weet het inmiddels: de wereld is een global village geworden. Of je nu neusfluiter uit Papoea-Nieuw-Guinea bent of ocarinaspeler uit Peru: ook dan kan je een wereldster worden. Een rapper, of beter, zanger (rapper vind ik wat veel eer voor Jason Derülo) kan een beat oppikken van een jongen uit Nieuw-Zeeland (half Samoaans en half tja, Cookeilands geloof ik dat je schrijft) en daar een hit mee scoren (waar Jawsh 685 overigens helemaal niet gelukkig mee was, dus daar is nog wat juridisch getouwtrek aan te pas gekomen). Het leverde wel een fijne mash-up op: poppy Derülo over een beat die is bedoeld als eerbetoon aan de Samoaanse straatcultuur. Goed weetje: 685 is de internationale toegangscode voor Samoa. Mocht je Apia willen bellen.

12. Conkarah ft. Shaggy – Banana

Je kunt veel van TikTok zeggen, maar veel van de hitjes die via de app tot ons zijn gekomen, zijn ultravrolijke songs. Neem Banana, dat godbetert The Banana Boat Song (bekend van Harry Belafonte, 93 jaar oud en still going strong) samplet. Zou die oude Belafonte weten wat voor een schunnigheid Conkarah heeft uitgehaald met z’n klassieker? Weinig subtiele toespelingen op z’n banaan (‘girls from near and far ah request mi banana’) en gepoch dat vrouwen uit Spanje, Zweden, Ghana en Japan geïnteresseerd zijn? Twee vrouwen uit Frankrijk die ‘m zelfs willen delen? Het werd een grote hit (althans, in Nederland) dankzij de remix én met hulp van Shaggy, die bij hetzelfde management als Conkarah zit. De reggaeveteraan wilde dolgraag meedoen toen hij hoorde waar Banana over gaat. De viespeuk.

11. Sofi Tukker & Gorgon City – House Arrest

Eigenlijk lag House Arrest op de plank. Sophie Hawley-Weld schreef het nadat ze bij een concert haar been had gebroken en noodgedwongen thuis moest blijven. Maar zie hier, 2020 brak uit, er was iets met een pandemie, heel veel mensen zaten ineens thuis en een hit was geboren. Promotie vond plaats vanuit de thuisstudio in Miami, en zo kon het gebeuren dat ik tijdens een live stream naar een vreemd uitgedost duo, omringd door planten en palmbomen, zat te kijken. De muziek gaat niet veel verder dan ‘this is house arrest, la da di da di da dum’, maar het klonk nog best gezellig.

10. Dua Lipa – Physical

Ik kan in 2020 niet om Dua Lipa heen. De zangeres liet niet afschrikken door corona en bracht tijdens de eerste coronagolf haar nieuwe album Future Nostalgia uit, omdat mensen juist in deze tijd behoefte hebben aan afleiding. Ze kreeg gelijk want ze was niet uit de hitlijsten weg te slaan. Lipa stond dit jaar met zeven verschillende songs in de Top 40, al kwam de oudste daarvan, Don’t Start Now, eind 2019 uit. Daarmee kannibaliseerde ze haar eigen succes; waar de eerste singles nog braaf de top-10 haalden (naast Don’t Start Now verder nog Physical en Break My Heart), bleef de rest daar ver onder steken. Overkill? Misschien. Muzikaal was Future Nostalgia niet haar sterkste plaat (er gaat niks boven Be The One en New Rules), maar Physical blijft lekker, dankzij overduidelijke knipoog naar Olivia ‘let’s get physical’ Newton John.

9. Billie Eilish – No Time To Die

Arme Billie. Arme ik ook, en arme Esmee, m’n oudste nichtje. Ik zou met haar naar het concert van Billie Eilish in de Ziggo Dome gaan, juli dit jaar. Dat concert werd eerst uitgesteld, eerder deze maand ging er definitief een streep door: afgelast. No Time To Die was begin dit jaar al een hit, in het blijde vooruitzicht dat de release van de nieuwe film van James Bond aanstaande was. Die release is al zo vaak naar achter geschoven dat tegen de tijd dat No Time To Die in de bioscoop draait de technische snufjes van Q allang zijn achterhaald, maar gelukkig hebben we Eilish nog. No Time To Die is prachtig, met die voor jamesbondtunes zo herkenbare strijkers, maar zo aan het einde van 2020 klinkt No Time To Die vooral als hoe mooi het had kunnen zijn.

8. David Guetta ft. Sia – Let’s Love

‘Wat The Weeknd kan, kan ik ook,’ dacht David Guetta en dus maakte hij Let’s Love. Verrassend is dat niet, want de Franse dj maakt al jaren muziek onder het motto ‘beter goed gejat, dan slecht bedacht’. Daarom alleen al is het geheel terecht dat Guetta ook met z’n 48ste hit in de Nederlandse Top 40 niet de eerste plaats haalde. Goed gejat hoeft niet per se slecht te zijn. Want waar Blinding Lights een schaamteloze rip-off is van Take On Me, haalt Guetta de mosterd bij een andere knijter uit de eighties: Love Is A Battlefield. Maar neem twee Nederlandse songschrijvers (Giorgio Tuinfort en Marcus van Wattum) in de arm voor compositorische hulp, vraag hitkanon Sia (Titanium, She Wolf) voor de vocalen, stop er leuke retro visuals bij en het komt goed. Nouja, bijna. Want Guetta, we zijn dit niet vergeten.

7. DaBaby ft. Roddy Ricch – Rockstar

Er zijn wel wat coronahitjes geweest, maar Black Lives Matter was weinig in de hitlijsten terug te vinden. Terwijl in het verleden de burgerrechtenbeweging veel mooie muziek heeft opgeleverd. Een enkele single haalde de Nederlandse hitlijsten, zoals Rockstar. Dat gaat over politiegeweld, maar DaBaby voegde daar later nog een expliciet couplet over Black Lives Matter aan toe. Rockstar is trap, een genre dat als voorloper van drill wordt beschouwd. De song wegzetten als nodeloos wapengekletter zou de boodschap geweld aan doen. De rapper draagt op de oorspronkelijke hoes een mondkapje en dat zegt genoeg. Het is niet bedoeld om z’n omgeving tegen z’n woorden te beschermen, of omdat hij zich zogen maakt over corona, maar omdat hij zich gemuilkorfd voelt.

6. Celeste – Stop This Flame

BBC zal je maar uitroepen tot ‘Sound of 2020’. En dat je dan vervolgens het grootste deel van wat een jubeljaar had moeten worden werkeloos thuiszit. Dat overkwam Celeste. De Britse zangeres heeft een prachtige stem; lichthees en zwoel, waarmee ze elk genre aan kan. Voordat de pleuris losbarstte, verzorgde Celeste nog een optreden op Eurosonic en lanceerde ze haar single Stop This Flame, een track die door Stereogum werd omschreven als ‘a catchy and vaguely jazz-indebted uptempo R&B song’. Ik proef ook een vleugje drum ‘n bass, waarmee die aanstaande ninetiesrevival steeds navranter wordt. De tweede naam van Celeste is Epiphany. De zangeres is met recht een openbaring. In 2021 dan maar in de herkansing.

5. Alicia Keys – Underdog

Het eerste waar ik aan denk als ik de naam Alicia Keys hoor, is Bob Dylan. Hij zong ooit bewonderend over de zangeres en vermeldde dat ze is geboren in Hell’s Kitchen. Voor de rest is de carrière van Keys altijd een beetje langs me heen gegaan. Fallin’, A Woman’s Worth, Girl On Fire: mooie liedjes, maar ook wat gladde radio R&B. Vooral ballads, terwijl ik Keys het leukste vind als ze meer uptempo songs doet, zoals Empire State Of Mind. Underdog is een opgewekt liedje, met een positieve boodschap: ‘they say I would never make it but I was built to break the mold’. Ze schreef het met Mr. Positivo Ed Sheeran. Underdog werd alleen in Nederland een behoorlijke hit en dat verbaasde me. In een rampjaar als 2020 kan iedereen wel wat positiviteit gebruiken. Bovendien hoorde ik er wel een anthem voor Black Lives Matter in: ‘this goes out to the underdog, you will rise up, rise up.’

4. Ava Max – Kings & Queens

Dat de jarentachtigrevival inmiddels al veel langer duurt dan de jaren tachtig ooit duurden, is bekend. Ook Ava Max grasduint graag door het decennium van schoudervullingen, kniewarmers en tuinbroeken. Dat deed ze al met doorbraaksingle Sweet But Psycho en dat trucje herhaalt ze met Kings & Queens. Het refrein is zelfs rechtstreeks overgenomen uit Bonnie Tylers If You Were a Woman (And I Was a Man), wat Desmond Child, schrijver van die Tylerhit, nog een fijne songwriting credit opleverde. Tekstueel gaat Kings & Queen over ‘women’s empowerment’, waarmee Max uit hetzelfde vaatje tapt als Dua Lipa (New Rules) en Lady Gaga (die zich voor de empowerment van zo’n beetje de hele mensheid inzet). Ik voorspel een glanzende carrière voor de zangeres als homo-icoon.

3. Master KG ft. Nomcebo Zikode – Jerusalema

De eerste keer dat ik Jerusalema hoorde, was ‘s ochtends op Radio 2. Het was een liedje in een Afrikaanse taal, maar aan de productie te horen was het van recente datum. Vreemd, dacht ik, ik ken geen hedendaagse hits uit Afrika. De dienstdoende dj’s kondigden het wat lacherig af als ‘Jerusalema, dat TikTok-liedje’. Toen vielen er twee kwartjes: 1. Dit is Jerusalema, dat al een aantal weken hoog in de Top 40 staat. 2. Het is een hit geworden dankzij TikTok. Nu heb ik altijd al een zwak gehad voor wereldmuziek (mijn eerste single was Burbujas de Amor van Juan Luis Guerra), ook als die stevig verdund is voor westerse consumptie. Jerusalema is in feite een gospel, gezongen in het Zulu, en gaat over de stad die de bakermat van zoveel verschillende religies is. Een oproep tot vrede. Dat kan nooit kwaad.

2. Benee ft. Gus Dapperton – Supalonely

Supalonely is een break-up song. En een verdomd vrolijke. Want waarom zou je een treurig liedje schrijven als je bij je vriendje weg bent? Op Supalonely drijft Benee de spot met haar eigen liefdesverdriet. Een briljante omkering, die de twintigjarige zangeres een wereldhit opleverde. Dat Supalonely ook betrekking had op het gevoel dat veel mensen hadden tijdens de eerste lockdown, droeg wellicht ook bij aan het succes. Er hoort een dansje bij (ja, ook Supalonely werd een hit dankzij TikTok), wat mijn nichtjes me tijdens de eerste lockdown hebben geprobeerd te leren. Mijn moves schijnen hilarisch te zijn geweest en zijn godzijdank niet vastgelegd. Tweede Nieuw-Zeelandse act in deze lijst en de leukste. Wel jammer van die auto-tune.

1. Di-Rect – Soldier On

Soldier On is helemaal geen coronasong. Dat kan niet eens, want het kwam op 21 februari uit, vlak voordat de pandemie losbarstte. Soldier On gaat ook niet over lockdowns of coronabesmettingen. Het gaat over jezelf staande proberen te houden in de maatschappij terwijl je anders bent. Over blijven strijden waar je voor staat, ondanks de tegenstand die je krijgt: ‘ain’t nobody out there as brave as you’. Maar het groeide wel uit tot een coronasong. Die gedragen melodie, de live uitvoering in één van de laatste afleveringen van De Wereld Draait Door in een bijna lege studio, regels als ‘you’re holding your own’ en de titel, die symbool staat voor waar zoveel mensen dit jaar mee bezig waren: doorploegen. Hopende op betere tijden, op een mooier 2021. Geen wonder dat Soldier On dit jaar op nr. 12 binnenkwam in de Top 2000. Dat is niet alleen dik verdiend, maar Di-Rect, dat stiekem al jarenlang prachtsongs uitbrengt, ook nog eens van harte gegund.

Posted in Lijstjes, Muziek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Song Top 20 2020

Fans

Meerhoven tijdens zonsondergang.

Ik was in het skateparkje in Meerhoven. Marc was er ook. Hij had z’n skatesurf (of surfskate) meegenomen. Dat is een skateboard waarbij je de voorste trucks, dus dat metalen geval waar je wieltjes aan hangen, kunt draaien. Het is scary shit waar ik één keer op heb gereden en toen snel weer vanaf ben gestapt. Ik was veel te bang dat ik pardoes niet meer zou weten hoe ik op m’n skateboard moet staan. Marc durft alles. Hij gaat belachelijk vaak onderuit, maar dat deert ‘m niet. Ik zou willen dat ik die mentaliteit had. Hij reed op z’n skatesurf van een ramp af en met enkel inleunen raakte hij de coping, de bovenste rand, van de quarter.
Nice,’ knikte ik, terwijl ik oefende op m’n manuals en m’n ollies.

Op de verhoging keek vanuit een hoekje een jochie van een jaar of tien nieuwsgierig toe. Een expatkind, zo vermoedde ik, want Meerhoven barst van de expats en de voertaal in het parkje is geregeld Engels, Turks, iets Slavisch of een Indiase taal waarvan ik de naam niet eens weet. Ik meende ‘m eerder Engels te hebben horen praten. Hij oefende op een trucje waarbij je je board op de zijkant zet. Eerst ga je met het voorste deel van je voeten op de wieltjes staan en dan geef je het board een wip terwijl je springt. Het board valt op z’n wieltjes en jij landt op de bovenkant van het deck. Ik heb het geleerd toen ik een paar maanden bezig was, maar heb het sindsdien niet meer gedaan. Het is een vrij nutteloos trucje en ook nog es doodeng.

Marc riep iets naar ‘m en ik zei tegen Marc dat het jochie Engels is.
‘Ik spreek Nederlands,’ zei het jongetje, een beetje verontwaardigd.
‘O sorry,’ zei ik, en ik gaf ‘m tips voor het trucje. Ik heb het zelf dan niet meer geoefend, ik weet wel hóe het moet. Hij ging een paar keer hard onderuit en toen ik daarvan schrok, zei hij schouderophalend: ‘Geeft niet, ik val heel vaak.’
Een prima houding.

Marc ging naar huis en ik reed nog wat rond. Het is fijn om tot zonsondergang door te gaan. Het is lekker rustig, met weinig stepjes die in de weg rijden. Trucjes boeien me niet. Veel liever rij ik rond, hard vooral. Ik wil snelheid maken, hoog in de quarters komen, als het even kan de coping aantikken, voor de lol een manual tussendoor (toch een trucje). Alleen de ollie wil na een jaar dag-in dag-uit oefenen nog steeds niet lukken. Het maakt me wanhopig. Twee jaar bezig en nog steeds kan ik niet fatsoenlijk olliën. Prutser.

Als ik m’n rondje door het park in Meerhoven rij, neem ik ook aan de zijkant een stukje van een bank mee. Dat ziet er spectaculairder uit dan het is. Je rijdt erin, leunt op je tenen en daardoor rij je weer makkelijk van de bank af.

Het jongetje dat ik eerder wat tips had gegeven keek nieuwsgierig toe hoe ik het deed. Ik zag dat hij het ook wilde proberen maar niet echt durfde.
‘Dat kan jij ook,’ zei ik. Ik deed voor hoe je je board in de bank stuurt, en hoe je die er daarna weer vanaf rijdt. Hij probeerde het, maar had niet voldoende snelheid.
‘Het lukt beter als je eerst van die hoge ramp af rijdt. Je hebt snelheid nodig,’ legde ik uit.

‘Kijk nou wie we daar hebben, Guido!,’ klonk het ineens. Terwijl ik het jochie uitleg gaf, waren een oud-collega en haar dochter het park in komen rijden. Ow help, bekenden.
‘Dat is Guido, een collega van me,’ zei ze tegen haar dochter van een jaar of acht. ‘Die kan heel goed skaten.’
No pressure, dacht ik.
‘Laat ‘m maar es zien wat je kan,’ zei ze tegen haar dochter, en ze haalde een skateboard tevoorschijn. Het meisje sputterde tegen en vertelde dat ze liever op haar pennyboard reed. Ik keek naar haar skateboard dat er nogal gehavend uitzag, en begreep haar wel. Het meisje keek begeerlijk naar m’n board.
‘Wil je op die van mij rijden?,’ vroeg ik.
Ze knikte: ‘Mag dat?’
‘Natuurlijk mag dat,’ antwoordde ik.
Ik doe niet zo moeilijk als anderen op m’n board willen rijden. Krassen en deuken komen er toch wel in. Had ie maar geen skateboard moeten worden.

Ze reed rond op m’n board en snelde zonder angst van de hoogste ramp af. Ondertussen praatte ik met m’n collega bij over het werk. Ze was m’n leidinggevende toen ik weer eens in een persoonlijke crisis zat, dus ik vond het fijn te kunnen vertellen dat het nu beter met me gaat, ondanks alle coronashit. Af en toe kwam haar dochter met het board onder haar arm terug om er een minuut later weer verlekkerd naar te kijken en verlegen te vragen of ze nog een keertje mocht. Ik ging op mijn beurt een keer op het board van het meisje staan. Het deck was niet hol, maar stond bol. Uit de tail was een stuk hout verdwenen. Het was niet het worst board on the internet, dit exemplaar had tenminste nog een nose en een tail, maar het scheelde niet veel.

‘Mja,’ zei ik weifelend en ik zocht naar diplomatieke woorden. ‘Het is een bijzonder board.’
‘O ja,’ beaamde m’n collega, ‘het is niks.’
Haar dochter reed nog een laatste keer rond op m’n board.
‘Weet je, je bent echt cool als je je board bij de truck vastpakt,’ zei ik toen ze het board aan me teruggaf.
Daarna vertrokken ze.

Terwijl het langzaam donker begon te worden, reed ik nog een paar rondjes. Het ging best lekker, ondanks de snijdende kou die zich van het parkje meester had gemaakt. Ik kan niet wachten tot Area 51 weer opengaat, corona en weder dienende in januari.

Toen ik op de verhoging stond, zag ik dat het jochie het trucje met de bank onder de knie had gekregen. Hij riep me vanuit de andere kant van het skatepark trots toe: ‘Ik kan het!’
‘Goed man,’ riep ik terug en stak in de avondschemering een duim op.

Toen ik een uur later thuis was, kreeg ik een berichtje van m’n oud-collega: ‘Je hebt er een fan bij. Ze heeft het nergens anders meer over gehad dan over jou.’

Posted in Eindhoven, Skateboarden | Tagged , , , | Comments Off on Fans