Achterbuurman

In mijn deel van de wijk ben ik zowat de enige met een ‘normale’ woning. Ik heb een oudere man als buurman, de andere huizen zijn bestemd voor studenten en expats. Daarnaast wordt hier en daar nog wat ge-airbnb’d. Dat is prima, ik hoef de deur niet plat te lopen bij de buren, al kan er bij de studenten geen boe of ba af. Alleen de Indiase expat kan als op commando een glimlach tevoorschijn toveren als ie weer een pakketje op komt halen dat voor hem is bestemd.

De huizen staan hier in de buurt in een scherpe hoek. Dat betekent dat ik vanaf het platdak achter m’n badkamer vrij makkelijk naar binnen kan kijken bij de andere woningen, die aan de achterkant ook een platdak hebben. Tussendoor loopt een gangetje dat zó smal is, dat je met een flinke stap zo bij de achterburen op het dak staat. Niet iedereen heeft in de gaten dat je best dicht op elkaar woont, en zo kon het gebeuren dat ik vorig jaar tijdens de hittegolf werd geconfronteerd met de aanblik van m’n poedelnaakte (en obese) Chinese achterbuurman.

Met warm weer zet ik ‘s avonds de badkamerdeur en de ramen aan de voorkant van het huis open. Dan koelt het nog een beetje af in de sauna die mijn slaapkamer ‘s zomers is. Om die deur open te houden, gebruik ik een groot patioblok als deurstop. Als ik die steen verschuif, maakt dat nogal een lawaai. Als het echt heel heet is, laat ik de deur de hele nacht openstaan, in het goede vertrouwen dat ‘s nachts niemand op het platdak stapt en binnenloopt. In de loop van de ochtend, als de temperatuur weer oploopt, doe ik de deur dicht.

Midden in de hittegolf van augustus kreeg ik een nieuwe achterbuurman. Een student, al dacht ik eerst dat het z’n vriendin was die er kwam wonen. Ze waren samen de kamer aan het inrichten.

Ik kon dat goed volgen, omdat ik soms ‘s avonds op het platdak zit. Dan luister ik muziek, kijk op m’n telefoon of staar naar de sterren. Een keer zag ik de achterbuurman op een bierkratje op z’n platdak zitten. Hij speelde met z’n telefoon. Polar t-shirt, RipNDip sokken. Een dag later droeg hij een Thrasher hoodie. Ik herken een medeskater van meters afstand. Misschien kan hij me tegen betaling van een krat bier (24 flesjes Schultenbräu, ik ben niet te flauw) eindelijk eens goed leren olliën.

Alhoewel.

Tijdens de hittegolf van vorige maand wilde ik op een ochtend de badkamerdeur dichtdoen, toen ik zag dat ook bij m’n nieuwe achterbuurman de deur openstond. Dat niet alleen, ik kon naar binnen kijken en zag ledematen uit bed hangen. En die bewogen. Kut. Wat nu? Elk geluid dat ik maakte zou me verraden, waarmee ik onder de studentenpopulatie in de buurt voortaan als pervert bekend zou staan. Maar ik wilde wel die deur dichtmaken. Ik twijfelde een paar minuten. Toen besloot ik de steen heel snel te verschuiven en de deur meteen dicht te doen.

Terwijl ik de steen verschoof, hield ik angstvallig het bed van m’n achterbuurman in de gaten.

Toen de deur in het slot viel, zag ik nog net een snelle en geschrokken beweging.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged , | Leave a comment

Tourtoto

Ik kan niet zeggen dat ik een groot wielerliefhebber ben. Maar nu de Tour de France bezig is, zet ik toch de TV aan, al is het maar voor leuke weetjes over kasteelruïnes, bergmassieven en oude kerkjes. Of Tom Dumoulin of Bauke Mollema gaat winnen: leuk, maar het boeit me niet zo.

Dat is wel eens anders geweest. M’n moeder werkte jarenlang op de administratie bij DELA. Ze organiseerden daar elk jaar een Tourtoto en ik wilde meedoen. Ik had allicht meer succes dan met de voetbaltoto. Daar had ik één keer aan meegedaan, bij het EK van 1996. Ik vulde bloedserieus in dat Duitsland laatste zou worden in de poolfase, dus toen m’n moeder het formulier bij de organisatie inleverde, kreeg ze als reactie ‘of ik meedeed voor de poedelprijs’. Duitsland werd dat jaar Europees Kampioen, waarmee m’n carrière als gevierd voetbaltotodeelnemer al in de knop was gebroken.

Misschien lag de Tourtoto me beter. Het format was simpel: je geeft vijftien renners op. Eindigt één van je renners in een etappe in de top-10, dan krijg je daar punten voor. Daarnaast krijg je nog wat (verwaarloosbare) punten voor elke dag dat een renner uit je team in de top-3 van het algemeen klassement staat.

Het kostte een paar jaar voor ik de ideale samenstelling van m’n team doorhad: zo’n acht à negen sprinters, plus nog zes klassementsrenners voor in de bergen. Maar toen ik de code had gekraakt, deed ik serieus mee voor de dagprijs. Die was tien gulden en aangezien deelname tien gulden kostte, was m’n doel één keer de dagprijs te winnen, zodat ik financieel quitte zou spelen. Dat lukte, al moest ik regelmatig de dagprijs delen. M’n team Il Elefantino bestond voor een groot deel uit dezelfde obligate lijst sprinters die andere deelnemers ook instuurden: Cipollini, Zabel, McEwen, O’Grady, Steels, Cooke, Blijlevens.

Ik wist natuurlijk amper iets van wielrennen. Wel las ik alle voorbeschouwingen, en vlak voordat ik m’n lijstje renners moest inleveren, spelde ik ook nog de tv-gids uit. Daar stond bij elke etappe een korte toelichting van Mart Smeets of Jean Nelissen. Zij noemden daarin namen van kanshebbers voor etappewinst. Ook zij kwamen vaak niet verder dan de clichés, maar één keer noemden ze een naam die me niks zei: Jimmy Casper. Een sprinter, zo maakte ik op uit de context. Ik nam ‘m, naast de usual suspects, op in m’n team.

De eerste week van de Tour de France hield ik nauwlettend de uitslagen in de gaten. Ik verwerkte alle gegevens minutieus op een A4’tje ruitjespapier. M’n sprinters haalden netjes de top-10, zelfs die Casper pikte puntjes mee door een paar keer als negende of tiende te eindigen.

Na een paar dagen kwam m’n moeder thuis met goed nieuws: ‘Je hebt de dagprijs gewonnen.’
Ik was trots. Die trots werd nog groter toen ze een dag later opnieuw goed nieuws had: ‘Je hebt weer de dagprijs gewonnen.’
Dit ging lekker. Ik voerde zelfs het algemeen klassement aan. Het goede nieuws bleef komen, want een paar dagen later had m’n moeder weer tien gulden voor me. En geen enkele keer hoefde ik die dagprijs te delen.
‘Maar waarom win ik toch steeds?,’ vroeg ik m’n moeder. Ik hield m’n eigen score bij, maar had geen idee wat de andere deelnemers scoorden. Kon ze geen uitdraai maken van het spreadsheet met de puntenaantallen?

Ze vroeg het na bij de organisatie: ‘Ja, zeiden ze, Guido heeft alle grote sprinters. Maar hij heeft als enige die Jimmy Casper. Daar wint hij elke keer op.’

De overall titel in de Tourtoto heb ik niet gewonnen. Dat is me ook de jaren erna niet gelukt. Maar dankzij Jimmy Casper heb ik m’n inleg dubbel en dwars terugverdiend. Ik ben z’n naam nooit vergeten. Wat zou hij tegenwoordig doen?

Posted in Overig | Tagged , , | Comments Off on Tourtoto

Ganzen

Wie naar een skateparkje fietst, leeft tussen hoop en vrees. De hoop dat je het parkje helemaal voor jezelf hebt, de vrees dat je er hangjeugd aantreft die nog nooit een skateboard heeft aangeraakt of, nog erger, een wirwar van stuntstepjes die de gevaarlijke sport die je beoefent nog net iets gevaarlijker maakt. Deze avond hadden we geluk: er was niemand. Misschien was het met ruim 33 graden ook veel te heet om te skaten.

Het skateparkje in Meerhoven ligt een beetje verstopt. Aan de ene kant liggen voetbalvelden, waar deze hete zomeravond tientallen ganzen waren neergestreken. Aan de andere kanten ligt een soort omwalling, met daarachter aan twee kanten een doorgaand fietspad. Om aan te geven hoe beschut het ligt: ik wilde er vorig weekend gaan skateboarden en reed er eerst een paar keer voorbij.

Het bleef rustig in het skateparkje. We reden wat, tussendoor dronk ik uit een bidon die ik eerder die dag in de vriezer had gelegd en nu in no time ontdooide. Uit de bluetooth speaker klonk dubstep. Een groep jongeren fietste heen en weer op het pad naast het parkje. Na een tijdje kregen we gezelschap van een jochie met een stuntstepje. Hij reed een paar rondjes en ging toen verveeld in het gras met z’n telefoon liggen spelen. Lome zomeravond in fuckin’ Meerhoven. mid90s. Maar het skaten ging lekker.

Een jongen kwam via een smalle strook gras langs het voetbalveld op een scooter het skateparkje op rijden. Hij droeg een integraalhelm met donker glas. Hij zei niks, bleef op een verhoging staan en reed toen via het normale toegangspad het parkje weer uit. We keken ‘m zwijgend na. Hmf, dacht ik.

Op het voetbalveld naast het parkje verschenen twee jongens van een jaar of 18. Ze waren melig, eentje joeg de ganzen op, terwijl de ander het met z’n telefoon filmde. De ganzen renden weg. De ene jongen probeerde er eentje te vangen en toen dat niet lukte, spuugde hij op één van de vogels. Hij had de grootste pret, de ganzen niet.
‘Pak er eentje vast,’ gilde de jongen die het filmde.

Ik keek vanuit het skateparkje, achter een metershoog hek toe. Ik wilde de blik van één van de jongens vangen. Misschien komt het door die jarenlange training in de sportschool, wellicht is het gewoon m’n leeftijd, maar ik wist dat alleen m’n blik al voldoende zou zijn. Dat klopte, want toen eentje me zag kijken viel hij stil en stootte z’n kompaan aan. Hij wees naar me. Als het niet had geholpen, had ik m’n skateboard wel laten zien. Die dingen komen verdomd hard aan.

Ineens kwam de jongen op de scooter weer het parkje binnen rijden. Hij zag de jongens op het voetbalveld, stopte z’n scooter en stapte af. Z’n helm hield hij op.
‘Eej, kappen nou. Laat die ganzen met rust man,’ riep hij met een accent dat een Noord-Afrikaanse afkomst verried.
‘En wie ben jij?,’ lachte eentje zenuwachtig.
‘Laat die ganzen met rust man,’ herhaalde hij bozig.
Even viel er een ongemakkelijke stilte. Daarna stapte de jongen weer op z’n scooter en maakte aanstalten van het veldje af te rijden. De jongens op het voetbalveldje zagen dit als een bedreiging. Ze dropen af.
‘Ze gaan al weg,’ zei ik rustig.

Terwijl de jongen op de scooter wegreed, liepen de jongens verder richting de rand van het voetbalveld. Eentje liet wel nog even z’n blote kont aan me zien. Ik beantwoordde de geste door m’n middelvinger op te steken.

Ik ben gemoond in Meerhoven. Voor alles moet een eerste keer zijn.

Posted in Eindhoven, Skateboarden | Tagged , | Comments Off on Ganzen

Jeetje

Plaats delict.

Toen ik een jaar of 7 of 8 was, wilde ik een keer een vriendje bij me laten spelen. Ik moest aan m’n moeder vragen of dat mocht. Een formaliteit, maar om haar gunstig te stemmen vroeg ik vooraf aan m’n vriendje hoe oud hij m’n moeder schatte. Hij zat er zo’n zeven jaar naast, in het voordeel van m’n moeder. Dat beviel haar wel.

Als je je ego wilt laten strelen, laat kinderen dan je leeftijd schatten. In hun ogen is er weinig verschil tussen 20, 30 of 40 jaar. In mijn ogen trouwens ook; totdat ik in de spiegel kijk.

Zo dacht de middelste dochter van m’n oudste zus tot voor kort dat de man van m’n jongste zus (volgt u het nog?) ouder is dan ik. Dat is niet zo, ik ben een kleine anderhalf jaar ouder dan hij, maar vanuit m’n nichtje beredeneerd is het niet gek: m’n zwager is getrouwd, heeft twee kinderen en rijdt auto, die zit in een andere levensfase dan ik. Ik ben vrijgezel, heb geen kinderen en doe godbetert ook nog aan skateboarden. Met name dat laatste is in de ogen van m’n nichtje heel vreemd. Het hóórt niet (en laat dat het nu net zo leuk maken).

Deze ochtend was ik in het skateparkje in Middelburg aan het rijden. Ik had het park voor mezelf, tot ik gezelschap kreeg van een jochie van een jaar of 6 (ook ik ben slecht in leeftijden schatten, hij kan best een paar jaar ouder zijn geweest). Een nieuwsgierig ventje, dat me allerhande vragen stelde. Of ik al lang skate (anderhalf jaar, ik rond het naar beneden af), waarom ik met een koptelefoon op rijd (zo kan ik me beter concentreren), of ik skaten leuk vind (heel leuk).

De ongemakkelijke vraag ‘of ik goed ben’ bleef gelukkig achterwege.

‘Ik vind het niet leuk als er niemand anders is,’ merkte hij op.
‘Je hebt wel het hele park voor jezelf,’ wierp ik tegen. Dat leek me een enorm privilege. Eerder in de week had ik nog gezien hoe het parkje uit z’n voegen barstte van de stuntstepjes.
‘Met m’n vriendjes is het gezelliger,’ vond hij.
‘Misschien komen ze nog. Het is nog vroeg. Jullie hebben toch vakantie?,’ informeerde ik.

Dat bleek het geval. Die opmerking bracht hem op een idee.

‘Moet jij nog naar school?,’ wilde hij weten.
‘Nee, dat hoef ik niet meer,’ antwoordde ik.
‘Hoe oud ben jij?,’ vroeg hij.
Ah, dacht ik, nu kunnen we lachen.
‘Hoe oud dénk je dat ik ben?,’ vroeg ik.
Hij dacht kort na en zei, volledig overtuigd van z’n gelijk: ’22.’
‘Daar doe ik het voor,’ lachte ik.
‘Maar hoe oud ben je dan écht?,’ vroeg hij.
‘Ik ben 39,’ zei ik.
Het bleef even stil. Toen zei hij, met een zucht: ‘Jeetje, 39.’
Of die zucht van bewondering of ontzag was weet ik niet.
‘Jeetje. Zeg dat wel,’ beaamde ik.

Ik ben waarschijnlijk ouder dan z’n vader.

Posted in Skateboarden | Tagged , | Comments Off on Jeetje

Flixbus

Het liefst reis ik binnen Europa met bus of trein. Toen ik twee jaar geleden naar Kopenhagen wilde, checkte ik daarom eerst of ik over de grond in de Deense hoofdstad kon komen. Dat kon, maar was zo omslachtig (treinen, bussen, boten) dat het alternatief vliegen toch echt makkelijker was. Belachelijk, maar zo is het openbaar vervoer in Europa geregeld.

We wilden met ons clubje skatevrienden een paar dagen naar Luxemburg. Daar ligt een heel gaaf skatepark en in coronatijden is het raadzaam niet al te ver van huis te gaan. Om die reden had ik al een midweek in Zeeland geboekt (ik overweeg nog een surfvakantie in november in Portugal, maar grote kans dat het niet doorgaat), een lang weekend Luxemburg kon daar nog prima bij. Het eerste voorstel was dat we een auto zouden huren. Dat klonk goed, want dat betekende voor mij lekker lui achterin zitten; ik heb immers geen rijbewijs. Binnen een paar uur tijd was dit veranderd in een retour met Flixbus.

Flixbus is een Duits busbedrijf dat een paar jaar geleden de concurrentie is aangegaan met het openbaar vervoer in Nederland. Dat is prima, want het is met de trein nog best lastig om van Eindhoven in bijvoorbeeld Antwerpen te komen, terwijl dat met Flixbus een fluitje van een cent is. Nouja, in theorie dan, want ik heb nog nooit met Flixbus gereisd. Wel heb ik in Amerika en Ierland lange afstanden met de bus gereisd en in beide landen is dat uitstekend bevallen.

Mijn ervaringen met Flixbus zijn iets minder.

Het boekingsproces was vrij eenvoudig. Ik koos datum en tijdstip voor de heenreis, daarna voor de terugreis. Kosten: zo’n dertig euro. Dat is geen geld en misschien had er op dat moment een alarm bij me af moeten gaan.

Mijn kaartjes zouden een half uur vastgehouden worden, ruim voldoende om de betaling door te voeren. Maar een eerste poging om te betalen met iDeal lukte niet. Ik kreeg een foutmelding. Daarna deed ik een tweede poging. Opnieuw kreeg ik een foutmelding. Vreemd, dacht ik. Maar ik had geen bevestiging van m’n ticket gekregen, dus ik probeerde het nog een keer, dit keer met een creditcardbetaling. Ook die mislukte. Daarna probeerde ik het opnieuw tevergeefs met m’n creditcard. De laatst overgebleven optie was PayPal. Dat heb ik al jaren niet meer gebruikt, maar ik deed een poging. Hoera, ik kreeg een bevestiging van m’n betaling in m’n mailbox.

Maar geen kaartjes van Flixbus.

Nouja, ik had tenminste een betaalbewijs. Ik besloot contact op te nemen met de klantenservice. Ze zouden daar vast mijn bestelling in het systeem terug kunnen vinden en die met een druk op de knop door kunnen zetten. Ik zocht op de website, maar vond contactformulier, noch telefoonnummer. Het enige dat ze hadden was een FAQ waar – zoals bij alle FAQ’s – m’n vraag niet bij stond. Ik googlede Flixbus en vond een telefoonnummer. Een Duits nummer, und mein Deutsch ist leider sehr schlecht, maar ik had weinig keus.

Eerst kreeg ik een keuzemenu waarin me werd verordonneerd een 1 te toetsen om in het Engels geholpen te worden. Vervolgens kreeg ik een jongen aan de lijn die me in het Duits begroette. Ik vroeg enigszins verbaasd of hij Engels sprak. Er kwam een aarzelend ‘a little bit’ om vervolgens z’n chef aan de lijn te krijgen. Nee, ik moest nogmaals bellen en op 1 drukken. Ik wilde uitleggen dat ik dat had gedaan en hij kon me toch best doorverbinden, maar voordat ik m’n zin af had gemaakt, was de verbinding al verbroken.

Intussen had ik een mailtje van PayPal binnen dat m’n betaling was geretourneerd. Ik checkte m’n bankrekening en warempel, het bedrag was inderdaad gestorneerd. Maar ook waren er twee betalingen van iDeal afgeschreven, plus één betaling met m’n creditcard. Drie betalingen dus, maar geen buskaartjes.

Ik belde opnieuw, en koos weer 1 in het keuzemenu. Nu kreeg ik een ander keuzemenu, in het Engels. Ik diende 1 te kiezen als ik een boekingsnummer had, 2 als ik geen boekingsnummer had. Ik koos om mij ook niet even duidelijke redenen 1, om vervolgens te horen te krijgen dat ik m’n boekingsnummer moest intoetsen. Het boekingsnummer dat ik niet had. Het bandje van het callcenter bleef dwingend herhalen dat ik het nummer moest intoetsen, anders konden ze me niet helpen. Ik besloot op te hangen en nogmaals te bellen. Nu koos ik in het keuzemenu 2. Ik zou nu vast een medewerker aan de lijn krijgen. Deze persoon zou mijn boeking in de computer kunnen zien, deze bevestigen en het te veel betaalde bedrag terugstorten. De praktijk bleek weerbarstiger. Opnieuw kreeg ik een bandje, dat me dit keer droogjes liet weten me niet te kunnen helpen zonder boekingsnummer. Daarna werd de verbinding verbroken. Kafka in het kwadraat.

Dan maar naar de webcare, bedacht ik, en ik stuurde een tweetje naar het Nederlandse account van Flixbus. Gezien hun tijdlijn reageren die wel, dus ik had gehoopt binnen een half uurtje via DM uitleg te krijgen. Opnieuw was ik te optimistisch. Ik kreeg geen reactie. Ten einde raad mentionde ik ook maar meteen het algemene account van Flixbus én dat van Flixbus Duitsland. Ook die reageerden niet. Wel kreeg ik bijval van wat volgers. Zij hadden zonder uitzondering allemaal zeer slechte ervaringen met Flixbus.

Aangezien de website van Flixbus geen contactformulier heeft, moest ik op zoek naar een e-mailadres. Google is your best friend, want die gaven me het – niet onlogische – contact@flixbus.nl. In m’n e-mail legde ik uit hoe ik was gevaren. Of ze twee van de drie betalingen wilden storneren, en me die kaartjes voor de bus alsnog konden mailen. Ik kreeg een standaardmailtje terug dat ik binnen twee weken een reactie zou krijgen. Twee. Fuckin’. Weken. Ik snap dat ik het in coronatijd langer duurt voor je een reactie krijgt, maar dit sloeg alles.

Een vriendin van me wist nog een optie. Als je een ticket kwijt bent, kun je op de website je e-mailadres invullen. Dan krijg je het kaartje opnieuw toegestuurd. Slim. Ik voerde m’n e-mailadres in en wachtte geduldig af. Ik zou binnen een half uur reactie krijgen. Natuurlijk hoorde ik niks.

Komt tijd, komt raad. Ik ging een uurtje sporten. Bij thuiskomst had ik het helemaal gehad met Flixbus. Ik nam veel liever de trein. Was ik duurder uit, maar reisde ik veel comfortabeler. En bij de NS doen ze wél aan klantenservice. Ik stuurde een tweede mailtje aan Flixbus, want die eerste hadden ze toch nog niet gelezen. Ik liet weten geen gebruik meer te willen maken van hun service en m’n geld terug te willen. Ik ga geen bedrijf sponsoren dat zo’n waardeloze klantenservice heeft.

Ik dacht aan Editors, die ik ooit op Lowlands zag. Ze waren met easyjet naar Nederland gevlogen en waren hun instrumenten kwijtgeraakt.
‘Never fly easyjet,’ grapte zanger Tom Smith grimmig, waarna ze met de instrumenten van Bonnie Prince Billy en Nick Cave een ingekorte set improviseerden.

Boek nooit, maar dan ook nooit bij Flixbus, mopperde ik, Editors indachtig. Ik bestelde probleemloos m’n treinkaartjes bij NS Internationaal. Ik moet een paar keer overstappen, maar dat heeft ook zo z’n charme.

Nu nog dat geld van Flixbus terug zien te krijgen.

Posted in Overig | Tagged , , , | Comments Off on Flixbus

Hittegolf

Grote kans dat Eindhoven deze week een hittegolf krijgt. Als zich een hittegolf voordoet, denk ik terug aan wiskunde op de middelbare school. Het is modieus om te zeggen dat je niet goed bent in wiskunde, maar ik was écht niet goed in wiskunde. Om Journalistiek te studeren was wiskunde a (vanwege statistiek) echter wel gewenst. De vriend van m’n oudste zus studeerde technische scheikunde en was gaarne bereid om bijles te komen geven. Dat had effect, want dankzij zijn hulp kon ik trots vertellen dat ik een 4 voor een proefwerk had gehaald. Hij keek daar bedenkelijk bij, maar zonder z’n uitleg was het ongetwijfeld een 2 geweest. U merkt: ik ben een perfecte exponent van de zesjescultuur.

M’n wiskundekennis was zo abominabel dat ik me de twee keren dat ik het wél goed deed nog goed kan herinneren. De eerste keer was in de brugklas. In ons lesboek stond een opgave met gondels in een reuzenrad. Het ging erom dat je moest bepalen of wagonnetje b naar boven of beneden zou bewegen als wagonnetje a zich op een bepaalde positie in het reuzenrad bevond. Toen de docent vroeg wie dacht dat het omhoog zou gaan, stak ik enthousiast m’n vinger op, om vervolgens te beseffen dat ik de enige was. O, dat heb ik dus fout, dacht ik. Maar de docent merkte verbaasd op dat ik de enige was die het góed had. Het was één van de schaarse momenten in de brugklas dat ik gelukkig was.

Die andere keer ging het over de definitie van hittegolven. Hoeveel dagen duurt een hittegolf minimaal als de temperatuur volgens de definitie van het KNMI vijf dagen boven de 25 graden moet komen, waarvan drie dagen boven de 30 graden? Vijf, antwoordde ik. Acht, zei de wiskundeleraar. Ik was verbouwereerd. Dit was geen wiskunde, maar tekstverklaren. En laat ik daar nou wél goed in zijn. De crux zat ‘m overduidelijk in het woordje ‘waarvan’. Immers, als de temperatuur 32 graden is, is het niet alleen warmer dan 30 graden, maar óók warmer dan 25 graden. Het leverde een verhitte discussie op (pun intended), maar de docent wilde me geen gelijk geven. Ik ben daar nog steeds boos over.

Ik ben uiteindelijk met een 5 voor wiskunde geslaagd. Dat kon toen nog. Het toenmalige vriendje van m’n oudste zus is al jaren m’n zwager en hun oudste dochter zit inmiddels op dezelfde middelbare school als ik indertijd. Zelfs die wiskundedocent geeft er nog les.

Ik ga toch nog eens m’n beklag doen.

Posted in Overig | Tagged , , , | Comments Off on Hittegolf

Beste vriend

De politie is je beste vriend, al ben ik tijdens de coronacrisis ernstig aan die slogan gaan twijfelen. De coronalockdown liep op z’n einde, maar ik bleef berichten lezen over overenthousiaste boa’s die mensen beboetten die te dicht bij elkaar zouden staan, of met te veel vrienden hadden afgesproken. Je zou denken dat je als politie met het oog op de aanstaande versoepeling iets relaxter omgaat met de regels, maar nee. Goed, boa’s kunnen er niks aan doen dat ze regels moeten handhaven die stupide zijn, maar dan had je misschien een ander beroep moeten kiezen.

Ik had afgesproken om met twee vrienden te gaan skaten. Dat mag niet (althans, dat denk ik, niemand weet precies wat de regels zijn, ook de boa’s niet). Wat wel mag is elkaar spontaan tegenkomen, wat de afgelopen maanden dan ook heel vaak is gebeurd. Ook deze avond had ik m’n vrienden spontaan ontmoet op ons nieuwe favoriete skatespotje in Stratum. Het was druk, vooral met jong grut op stuntstepjes. Stepjes zijn de slechtste uitvinding ooit omdat de berijders van het ding altijd in de weg rijden. Altijd. En daarom is een speciaal plekje in de hel ingeruimd voor de bedenker van het stepje.

Aan de zijkant van het grote asfaltveld stopte een politieauto. Shiiit, dacht ik, daar heb je het gedonder al. Wouten. Ik stond aan de ene kant van het grote veld, m’n vrienden stonden aan de andere kant. Ruim voldoende afstand, dus er was op zich niks aan de hand, maar zouden m’n vrienden weten dat ze tegen de politie moesten zeggen dat ze mij niet kennen? Ik was er niet helemaal gerust op.

De agente liep op m’n vrienden af. Ze sprak m’n vriend aan. Ik keek met argusogen toe. Ik kon niet horen waar het gesprek over ging, maar het leek allemaal mee te vallen. De agente liep verder en sprak met een paar kinderen. M’n vriend kwam op me af geskatet. Nog steeds half acterend alsof ik ‘m niet kende, mompelde ik: ‘Wat moest die nou?’
‘Er hangen hier de laatste tijd wat oudere jongeren rond die blowen en voor overlast zorgen. Ze wil weten of wij die kennen,’ zei hij. ‘Ik heb gezegd dat ik ze niet ken. Ze geloofde ook wel dat wij geen rotzooi maken.’
‘Ha,’ lachte ik, ‘grappig dat ze die vraag net aan jou stelt.’

Wat meer gerust skatete ik richting de agente. Ik was de afgelopen weken vaker op dat skatespotje geweest en misschien wilde ze mij iets vragen. Maar de agente had inmiddels een grote groep nieuwsgierige kinderen met stuntstepjes om zich heen verzameld. Die kinderen belaagden haar met een spervuur aan vragen: ‘Heeft u een stok?’ ‘Heeft u een wapen?’ ‘Is dat wapen geladen?’ ‘Heeft u een kogelvrij vest?’ ‘Heeft u een sirene?’ ‘En handboeien?’ Geduldig gaf ze antwoord op alle vragen. Ze besloot met: ‘Willen jullie de auto zien? Kom maar mee.’

De kinderen bleven een slordige drie kwartier rond de politieauto hangen terwijl de agente enthousiast vertelde over haar werk. Ondertussen konden wij heerlijk skaten, zonder enige frustratie over stuntstepjes.

De politie is je beste vriend.

Posted in Eindhoven, Skateboarden | Tagged , , , | 2 Comments

Coronagestapo

Skateboarden in tijden van corona.

We worden niet geacht plezier te hebben tijdens de coronacrisis. We moeten binnen blijven en sikkeneurig naar buiten kijken, waar de zon schijnt. We dienen ons aan regels te houden die volstrekt onlogisch zijn, maar wel strikt worden gehandhaafd. Er is geen straatverbod, maar wee de Nederlander die toch naar buiten gaat om te sporten, die wordt door weinig subtiele nudging terecht gewezen dat door zijn of haar toedoen de intensive care vol ligt.

Dat laatste is het gevolg van de overheid die vanaf het begin van de coronacrisis tot doel heeft gesteld mensen zo bang mogelijk te maken. Zo zouden ze alle ingrijpende maatregelen makkelijker accepteren. Met de mededeling dat je ook als jongere op de IC terecht kan komen zou je zelfs die lastige pubers wel in het gareel krijgen. Angst is een slechte raadgever, dat had ik ze vooraf kunnen vertellen. Het enige dat je met deze door angst gedreven communicatie bereikt is dat mensen die al bang zijn nóg banger worden en, nu de scholen weer open zijn, hun kinderen niet meer naar school laten gaan. Intussen snappen jongeren donders goed dat de kans dat ze door een auto worden aangereden groter is dan dat ze overlijden aan corona. Ze durven het risico wel aan.

Om te benadrukken dat we geen plezier meer mogen hebben, heeft de gemeente direct na het afkondigen van de lockdown de skate-obstakels van het Stadhuisplein verwijderd. Ik maak me hier al lang boos over omdat het symbool staat voor het wanbeleid in deze crisis. Het is dat het te veel werk zou zijn, anders had de gemeente ongetwijfeld ook alle glijbanen, klimrekken en wipkippen uit de speeltuinen gesloopt en opgehokt.

Maar sporten in de buitenlucht is toegestaan, en skaters willen skaten dus wat gaan ze doen? Ze gaan naar andere skatespots in Eindhoven. Daarvoor moeten ze de halve stad rondcrossen et voilà: je hebt veel meer verplaatsingen, iets dat je juist níet wilde. Terwijl het Stadhuisplein groot genoeg is om afstand te kunnen houden.

Als opgejaagd wild week ik daarom uit naar het Messiaenpark, het grootste outdoor skatepark van Eindhoven. Maar toen ik daar op een zaterdagochtend kwam, stikte het van de stuntstepjes. Het merendeel klein grut, al dan niet onder begeleiding van een ouder. De regels zijn onduidelijk (mogen die kinderen nou wel of niet samen buitenspelen? Of is dit toegestaan, zolang de ouders anderhalve meter afstand houden?), maar dit leek me niet de bedoeling van de lockdown. Naast het park staan appartementencomplexen en er hoeft maar één NSB’er uit het raam te kijken en de coronagestapo te bellen en er wordt daar de komende weken helemaal niet meer geskatet of gestuntstept. Het fonkelnieuwe skatepark in Nuenen was toen al door overijverige ambtenaren met hekken afgesloten.

Ik droop af naar een kleinere skatepot, in een volksbuurt in Stratum. Die spot heeft een quarter en een rampje, met in het midden een ondefinieerbaar object dat een box wordt genoemd. Ik sprak er af met andere skaters. Dat mag, daar kwam ik later pas achter, niet. Wat wél mag, is dat je elkaar spontaan tegenkomt. Laat ik het erop houden dat ik de afgelopen maanden heel vaak bevriende skaters spontaan ben tegengekomen. Dat is niet gek: de Eindhovense skatescene is niet zo heel groot, je komt al snel een bekende tegen.

Binnen een paar minuten kwam de plaatselijke hangjeugd kijken. Met die vermaledijde stepjes, en fietsjes en inlineskates. Ze deden amper iets, maar keken nieuwsgierig wat wij aan het doen waren. Blijkbaar was een groep skateboarders iets heel bijzonders.

‘Meneer, bent u goed?,’ vroeg een meisje.
Shit, dacht ik, wat zeg je daarop? Ik weet inmiddels dat mensen het al knap vinden als je op een skateboard kunt staan, dus de lat ligt niet zo hoog. Ik zal niet snel van mezelf zeggen dat ik ergens goed in ben, en zeker niet skateboarden.
‘Ik ben het nog aan het leren,’ antwoordde ik naar waarheid.
‘Hoe lang bent u bezig?,’ ging ze verder.
‘Ruim een jaar,’ zei ik.
‘Een jaar?’, riep ze, en ik kon uit de verontwaardigde reactie niet opmaken of ze dat heel lang of juist heel kort vond.

Ik probeerde de priemende ogen te negeren, wat steeds beter lukte. Ik maakte een hoge kickturn in de quarter en hoorde tot mijn verbazing applaus. Ik draaide me om en zag acht paar ogen naar me kijken. Even dacht ik dat ze het niet serieus meenden, maar kinderen van die leeftijd kennen geen cynisme. Ze waren oprecht onder de indruk, en ik bedankte ze voor de support.

Zo ging het de afgelopen weken verder. Eindhoven blijkt verrassend veel skatespotjes te hebben. Ik speurde op Google Maps (en stelde een kaart samen die inmiddels gretig is gedeeld door andere skaters). Ik vond een kleine spot in Gestel, en een iets grotere in Vaartbroek. Ik ging vrijdagochtend in alle vroegte naar het uitgestorven skatepark in het Messiaenpark. Ik vond een mooie halfpipe aan de Bayeuxlaan of fietste naar de halfpipe achter het Pijlstaartpad in Tongelre. Als het echt niet anders kon oefende ik op het asfaltveldje voor m’n huis op manuals en ollies. Soms had ik aanspraak, soms niet. Als ik maar kon skaten. Het switchen tussen skatespotjes maakte me een betere skater, een mooie bijvangst.

Dit weekend kreeg ik een appje: wie gaat maandagavond mee naar het skatepark in Den Bosch? Een meegestuurde foto beloofde een flink skatepark, in beton, twee keer zo groot als het Messiaenpark. Ik twijfelde. De skater die het voorstelde woont twee straten bij me vandaan, dus ik zou wellicht mee kunnen rijden. Dat was geen probleem.

Maar de volgende dag keek hij de coronarichtlijnen er nog op na: ‘De basisafspraak is dat we áltijd 1,5 meter afstand houden als we niet tot 1 huishouden behoren.’ en ‘U kunt een boete krijgen als u met 3 of meer mensen bij elkaar bent en onvoldoende afstand houdt. Dat geldt ook als u met 3 of meer mensen in een auto zit.’ Alleen het betuttelende toontje al maakt me recalcitrant. We. Een intelligente lockdown gaat niet gepaard met intelligente communicatie.

Maar ik had geluk. M’n zus en zwager hebben een nieuwe auto en m’n zwager wilde dolgraag rijden: hij bood me een lift naar Den Bosch aan. M’n zus woont aan de andere kant van de stad en daarheen fietsen was toch heel wat onpraktischer dan in een auto stappen die twee straten van m’n huis stond geparkeerd (dus weer overbodige verplaatsingen, maar je maakt absurde regels of niet). Officieel was ik nu ook in overtreding maar ach, met z’n tweeën was vast geen probleem. Dan waren we collega’s, mocht de coronagestapo ons aanhouden. Ik appte naar de andere skaters dat ik toch zou komen en dat ik hen daar zou ontmoeten. Spontaan.

Bij de Oosterplas trof ik een drukte van jewelste. Vijftig skateboarders, stuntstepjes, inlineskaters, en een enkele bmx’er op een kluitje. Ik schrok en reed heen en weer door de straat naast het park. Ik wachtte tot de andere skaters zouden komen. Safety in numbers.

Ik had een heerlijke avond. Iedereen had plezier en gaf elkaar de ruimte, ondanks de drukte. Niemand maakte zich druk over anderhalve meter, laat staan corona. Er was muziek en op het veldje achter het skatepark werd gevoetbald en gefrisbeed, de ondergaande zon zorgde voor een lomezomeravondsfeer. Ik was in een oase beland, ver weg van de coronahysterie. Dat ik door de drukte niet eens veel kon skaten gaf niet. Ik keek net zo lief van een verhoging toe. Af en toe liep een skater op me af en hield een onsamenhangend verhaal over een trucje dat hem niet en z’n maat wél lukte (‘Die wacko blijft maar kickflips maken’), of complimenteerde me met m’n deck (‘Heej, Anti-Hero!’). Ik wist niet wat te zeggen en knikte een paar keer. Ook dat was goed. Alles was goed.

Na een paar uur vloog een politiehelikopter over.
‘Die zijn aan het controleren. Over een half uur komt de politie,’ zei een skater. Hij haalde z’n schouders op.

Opdat we niet vergeten: we mogen geen plezier hebben. We moeten binnenblijven en sikkeneurig naar buiten kijken.

Posted in Eindhoven, Skateboarden | Tagged , , | Comments Off on Coronagestapo

Donor

Daar ligt bijna een half litertje Guido.

Zo’n beetje elke supermarkt of andersoortige openbare ruimte is de laatste maand veranderd in een oorlogsgebied, met niemandslanden die met lint of ducttape zijn afgezet: u dient hier en hier te lopen, en bij binnenkomst graag meteen uw handen ontsmetten met iets smerigs met alcohol erin.

De bloedbank is hierop geen uitzondering. De vorige keer dat ik er was (de 77ste keer), halverwege maart, ging het er nog redelijk ontspannen aan toe. Bij donatie nr. 78 staan de dames en heren medewerkers me met mondkapjes voor op te wachten. Ik ben altijd tegen het boerkaverbod geweest omdat het symboolpolitiek is, maar nu ik steeds meer mensen met mondkapjes zie lopen begin ik een enorme aversie tegen gezichtsbedekkende kleding te krijgen. Vanaf 1 juni zijn mondkapjes zelfs verplicht in het openbaar vervoer, wat de coronahysterie compleet maakt. De dingen werken niet, maar het geeft de reizigers blijkbaar een veilig gevoel, of anders de NS een excuus om de treinen extra vol te stouwen. Al vraag ik me nu wel af hoe het met de andere veiligheidsmaatregelen bij de NS zit. Zijn die er ook alleen voor de schijn?

Goed, ik was dus bij de bloedbank. De rest van de procedure was niet wezenlijk anders. Legitimeren, formulier invullen, bloeddruk, polsslag en ijzerwaarde meten. Nouja, ik bleek ineens een polsslag van 54 te hebben.
‘Is dat niet wat laag?,’ merkte ik ongelovig op.
‘U hoort mij niet klagen,’ mompelde de zuster van achter haar mondkapje.
‘Nouja, het is beter dan nul,’ zei ik schouderophalend.
‘Dan zou het apparaat stuk zijn,’ antwoordde ze.
Dat is het ook, dacht ik, maar ik zei niks.

Begrijp me goed, ik skateboard elke dag, doe al m’n vervoer in Eindhoven en omstreken op de fiets en ben sinds kort weer aan het hardlopen, dus die conditie is prima, maar ik heb geen sporthart. Normaal is mijn polsslag 70.

Even later mocht ik in een stoel gaan liggen en ging een zuster me prikken. Bij haar zoektocht naar een geschikte ader ging ze heel zorgvuldig te werk. Opvallend zorgvuldig. Terwijl ze het rampgebied schoonmaakte om me te prikken, kwam een andere zuster meekijken.
‘Zij kijkt even met mij mee,’ legde de zuster die de naald ging inbrengen uit.
Ah, ze is nieuw, wist ik nu, maar ik hield wijselijk m’n mond.
Na nog een keer alles schoongemaakt te hebben, prikte ze de naald in m’n arm. Het bloed begon meteen te stromen.
‘Die loopt goed door. Dat gaat niet lang duren,’ constateerde de medewerkster tevreden.
‘In de roos dus,’ zei ik.
‘U bent echt een geboren donor,’ zei ze enthousiast.

Ik dacht terug aan een eerdere donatie, jaren geleden. Toen had de zuster, nadat ze de naald had ingebracht, verrukt uitgeroepen: ‘Meneer, u heeft werkelijk prachtige aderen.’
Ik wist niet hoe ik moest reageren, maar het vervulde me toch met een zekere trots. De buitenkant is dan niet om aan te gluren, de aderen zijn prachtig.

‘Het is m’n eerste dag,’ legde ze uit, en ze knikte naar de collega die had meegekeken.
‘Dat dacht ik al,’ lachte ik. ‘Ik wilde het niet zeggen om je niet zenuwachtig te maken, maar ik ben eigenlijk helemaal niet zo goed te prikken.’

Daar is geen woord van gelogen. Toen ik nog geen topconditie had, en m’n armen meer vet dan spieren bevatten, was het zoeken naar aderen elk bezoek aan de bloedbank weer doffe ellende. Die werkelijk prachtige aderen van mij lagen heel diep of rolden weg. Het gebeurde regelmatig dat ik onverrichter zake naar huis kon: niemand had raak geprikt. Het heeft ervoor gezorgd dat nog jarenlang in het bestand bij de bloedbank stond: lastig te prikken. Die melding heb ik er een paar donaties geleden uit laten halen.

Maar dat hoeft die zuster niet te weten.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged , , | Comments Off on Donor

Vogel

Eerst dacht ik dat ik het niet goed had gezien, dus ik ging op m’n hurken zitten. Toen floepte er een zacht, maar niettemin welgemeend ‘pardon?!’ over m’n lippen.
Op de stoep lag het puntgave lijkje van een babyvogeltje.
Achter me verscheen een jonge vrouw, ze zag me kijken en had m’n gemompel opgemerkt. Ze keek over m’n schouder mee en schrok niet, maar constateerde nuchter glimlachend: ‘Ow. Dat verwacht je niet.’

De vrouw stapte in een auto en reed weg. Ik wachtte, want ik wilde een foto maken van het lijkje. Ik keek omhoog. Zou het vogeltje uit een nest zijn gevallen? Of zijn geduwd door een broertje of zusje? Van je familie moet je het hebben. Maar waar zou dat nest dan zijn? De huizenrij aan de ene kant was een paar meter verder en aan de andere kant van de stoep lag de straat met daarachter een park, waar ter hoogte van deze plek niet eens bomen stonden. En dan nog, het lijkje was puntgaaf. Je zou verwachten dat er minder van over zou zijn geweest, mocht het van grote hoogte zijn gevallen.

Dat overdenkend maakte ik een foto; ook ik ben een ramptoerist.

Thuis dacht ik na over het gebeuren. Had ik het vogeltje mee moeten nemen? Ik ben niet snel ergens vies van, maar met blote handen het lijkje oppakken had ik niet graag gedaan. Daarbij, wat had ik ermee moeten doen? Ik heb geen noemenswaardige tuin waar ik het had kunnen begraven. Hooguit had ik het in de bosjes kunnen leggen, dan was jonge kinderen de aanblik bespaard gebleven. Aan de andere kant: de dood hoort bij het leven. Laat de natuur maar z’n gang gaan.

Toch vroeg ik me af of ik het juiste had gedaan en ik postte de foto in de familie-app: wat ik nou weer ben tegengekomen.
‘Heb je het niet meegenomen?,’ vroeg iemand.
‘Nee, waarom zou ik,’ reageerde ik, en liep het gedachteproces dat ik net had doorlopen nogmaals na.
‘Bijvoederen,’ stelde iemand voor.
‘Bijvoederen? Hij is dood,’ reageerde ik bruusker dan bedoeld.

Maar even twijfelde ik. Was het vogeltje wel echt dood? Ik keek naar de foto en bedacht dat ik een paar minuten bij dat lijkje had gestaan. Al die tijd had ik niks zien bewegen.

Toen ik ’s middags naar de stad liep, nam ik een andere route. Ik wilde het lijkje niet zien. De natuur z’n gang laten gaan: soit, maar ik hoefde niet op de eerste rang te zitten. Misschien was iemand er per ongeluk op gaan staan, had een hond eraan gelikt, of waren kinderen ermee aan het spelen. Dat volmaakte lijfje, het primitieve snaveltje, de onvolgroeide vleugeltjes, de oogjes dicht en dan vies of half aangevreten, nee.

Maar de volgende dag was ik het voorval alweer vergeten. Totdat ik na het boodschappen doen de plaats delict naderde. Op de grond zag ik grote vliegen op een hoopje zitten. Toen ik dichterbij kwam, vlogen ze weg.

Van het lijkje was niks meer over.

Posted in Eindhoven | Tagged , | Comments Off on Vogel