Litteken

Het stoere verhaal zou zijn dat ik in een vert ramp ben ingedropt, of dat ik een kickflip wilde maken en dat het een beetje misging. Het minder stoere, maar iets meer realistische verhaal is dat ik een ramp in de skatehal op wilde lopen, of meer, springen, dat daarbij de neus van m’n schoen weggleed en ik hard met m’n onderbeen op een stenen rand landde. Het zag er ongetwijfeld klungelig uit maar het deed niet eens heel erg pijn, dus ik wuifde de bezorgde ‘gaat hets?’ van vrienden in eerste instantie weg.

Toen ik een halve minuut later naar m’n broek keek, bleek daar een gat in te zitten. Shit, dacht ik, ik heb al zo weinig broeken. Er liep bloed in m’n sokken.
‘Ik zou dat maar even gaan uitspoelen,’ zei een vriend. ‘Ik neem je board wel mee.’

Even later stond ik achter de bar in de skatehal met m’n broek omlaag terwijl een medewerker goedbedoeld met servetjes aan kwam lopen. Een andere medewerker wees ‘m terecht: ‘Dat gaat toch niet helpen man, het bloed loopt eruit.’

Dat het bloed eruit liep was overdreven, het bloeden stopte snel genoeg. Wel zat halverwege m’n rechteronderbeen een gapend gat van drie centimeter lang en zeker een centimeter diep. De medewerker kon naar binnen kijken in m’n lijf.
‘Je kan je bot zien man,’ riep ze geschokt.
‘Echt? Gaaf,’ zei ik, nog steeds niet onder de indruk. ‘Maak eens een foto.’
‘Ik zou maar even langs de huisartsenpost gaan,’ zei de medewerker.
‘Nee he, dat is toch niet nodig?,’ antwoordde ik. Ik zag m’n plannen voor de rest van de avond al in de soep lopen. Kon ik in dat koude kloteweer naar het ziekenhuis fietsen.
‘Nou, het is best een diepe wond,’ zei ze.
Ze legde een verband aan en ik liep een beetje rond. Ik had eigenlijk nergens last van. Ik kon lopen, springen, nouja, alles. Maar dan met een gapend gat in m’n onderbeen.

Gelaten belde ik de huisartsenpost. Lekker tegen het einde van het jaar nog even dat eigen risico er doorheen jassen. Eerst kreeg ik een keuzemenu: ‘bevindt u zich in een levensbedreigende situatie? Toets dan 1.’
‘Ik bevind me niet in een levensbedreigende situatie he?,’ grapte ik tegen de medewerker van de skatehal.

Het keuzemenu verordonneerde dat ik 2 moest kiezen en ik kreeg, nadat ik m’n burgerservicenummer had ingetoetst, een medewerker aan de lijn. Wie m’n huisarts is? Euh… even denken. Ik heb die man al jaren niet gezien. Van der Wouden? Woudstra? Wouma? Ownee, Wouda. Omstandig legde ik uit dat ik was gevallen in de skatehal en dat ik nu een wond in m’n onderbeen had. Ja, het zat aan de voorkant van m’n onderbeen. Het scheenbeen? Owja, dat heet zo. Nee, het bloedde niet meer. Nee, ik was niet duizelig, ik kon m’n voet goed bewegen. Ik kan zeker geen foto sturen? Is m’n rechtervoet witter dan m’n linkervoet? Geen idee. Dan moet ik m’n schoenen uittrekken. Heeft u een momentje? Nee, de voeten zien er hetzelfde uit. U overlegt met de huisarts? Oké, ik wacht. Ow, ik moet toch langskomen op de huisartsenpost?

Ik kon pas later op de avond bij de huisartsenpost terecht, dus terwijl ik zat te wachten, bekeek ik eens rustig de foto. Ik had nog nooit m’n lijf van de binnenkant gezien. Ik zag iets lopen dat op een spiertje of pees leek. Best cool eigenlijk.

Later die avond zat ik bij de huisartsenpost. Nadat ik de vragen die de medewerker aan de telefoon had gesteld nogmaals had beantwoord belandde ik, met ontbloot rechterbeen, op een bed. Ze bekeek de wond aandachtig. ‘Dat moet zeker gehecht worden.’
Ze keek bedenkelijk en zei: ‘Het is wel een brede wond.’ Ze kneep er een beetje in.
Ik keek mee. ‘Het is een beetje een V-vorm he?,’ zei ik.
‘Beweeg je voet eens?,’ vroeg ze.
Ik bewoog m’n voet een paar keer heen en weer. Ik zag iets bewegen in m’n onderbeen.
‘En je tenen?’
Ik bewoog m’n tenen en weer spande iets in m’n onderbeen zich aan. Grappig om te zien hoe je eigen lijf werkt.
‘Je kunt wat peesjes zien lopen. En hier zit een beetje vet,’ wees ze.
‘Daar ook al?,’ lachte ik.
‘Maar alleen het kapseltje is geraakt,’ zei ze. ‘Je bot kan je niet zien.’
Geen idee wat een kapseltje is, maar het klonk niet al te ernstig.

Nu ging ze ontsmetten (au) en de wond verdoven. De wond hechten was geen probleem, ze had het snel gedicht. Daarna kreeg ik een drukverband, met nog een verband eromheen. Ondertussen praatten we over m’n longboard, en dat ik sinds een jaar skateboardde. En dat ik, omdat ik geen auto heb (en ook niet wil), op de fiets was gekomen.
‘Je houdt er wel een litteken aan over,’ zei ze toen ze klaar was.
‘Dat is m’n eerste. Nouja, dat moet dan maar,’ antwoordde ik.
‘Ik heb een brede draad gebruikt, dus je kunt er gewoon mee fietsen,’ zei ze. ‘Maar niet te hard.’

Eenmaal aan het bureau praatten we verder.
‘Over tien dagen mogen de hechtingen eruit. Dus morgen even een afspraak maken bij de huisarts voor volgende week maandag. En je moet nog een tetanusprik halen. Antibiotica lijkt me niet nodig. Laat het lijf het zelf maar oplossen,’ zei ze.
Dat laatste leek me een goed plan.
Ik pakte m’n rugtas, ze knikte naar m’n board.
‘Dus dit is je longboard?,’ zei ze.
‘Nee, dit is m’n skateboard,’ antwoordde ik en legde uit dat een longboard ruim een meter lang is.

Ik bedankte haar voor haar hulp.
‘Doe het de komende dagen rustig aan,’ besloot ze.

Terwijl ik met een slakkentempo van twintig kilometer per uur naar huis fietste, schoten de woorden van de arts door m’n hoofd. Het rustig aan doen. Ik?

Posted in Skateboarden | Tagged , , , , | Comments Off on Litteken

Tien keer niet op Spotify

Ik vroeg me af of op Spotify liedjes zouden ontbreken die ooit op nr. 1 van de Top 40 hebben gestaan. De eerste naam die me te binnen schoot was Busje Komt Zo van Höllenboer en inderdaad, dat liedje ontbreekt. Toen ik verder zocht waren er nog wat meer nr. 1 hits die ontbreken: No Limit van Irene Moors & De Smurfen (ik zei niet dat het ook góede muziek moest zijn), een benefietsingle voor de tsunami in Azië en – het wekt geen verbazing – One Day Fly van de gelegenheidsformatie uit Kopspijkers.

Het lijken me geen liedjes waar nog veel vraag naar is. Dat iemand op een vrije zondagmiddag denkt: gut, laat ik Als Je Iets Kan Doen van Artiesten voor Azië weer es opzetten.

Natuurlijk. Spotify is geweldig. Het werkt prettig en het aanbod is eindeloos. Ik heb menig liedje gevonden waar ik al tijden naar op zoek was, maar dat niet (meer) op cd verkrijgbaar is. Of, die artiesten die één heel gaaf liedje hebben, maar waar ik echt geen heel album van uit ga zitten.

Waarom zou je als artiest níet op Spotify gaan zitten? Je verdient weliswaar geen drol aan het aantal plays, maar het is wel publiciteit. Anders gezegd: wil je de hitlijsten halen dan moet je op Spotify zitten, want de leeftijdscategorie die vroeger nog singles kocht, en daarmee bepaalde wat in de hitlijsten stond, streamt nu alle audio. Needless to say, naast bovengenoemde voorbeelden ontbreekt op Spotify vooral de oudere meuk, songs die jaren geleden in de hitlijsten stonden en waarvan het onduidelijk is wie de rechten bezit, of waarvan de artiest in kwestie het niet nodig vindt om op Spotify te zitten omdat de fans de muziek toch wel kopen.

Heel soms mis ik wel eens iets op Spotify. Zo’n omissie wordt dan soms alsnog goed gemaakt, zo was ik met dit blogje bezig en had ik Cattle and Cane van The Go-Betweens vermeld, maar verscheen die track alsnog op Spotify. Om maar te zeggen: het kan zijn dat dit blogje morgen al achterhaald is. Maar zoals het er nu voor staat ontbreekt al dit moois op Spotify. Het is vaak spul dat ik wel op m’n iPod had staan en dat ik, omdat ik ze niet naar Spotify gedownload krijg, nu moet missen. Vaak zijn dat liedjes, maar soms gaat het om complete albums, waarbij vooral de folk er bekaaid afkomt. Andere muziekfans hebben andere favorieten, maar dat hoor ik dan wel.

White Soxx – Versailles (1981)

Jarenlang was Versailles van White Soxx de enige track in de Top 2000 die nooit op cd was verschenen. Dat krijg je als een single nooit een hit is geworden (het bleef steken in de Tipparade), maar wel een cultstatus heeft gekregen omdat fans dachten dat achter de naam van componist Frédéric Mercier Queenzanger Freddie Mercury schuilging. Een reportage in Top 2000 à Gogo bracht aan het licht dat White Soxx toch echt een Frans duo was. Door het succes in de Top 2000 verscheen de track alsnog op cd: een Top 2000-compilatie. Inmiddels is Versailles uit de Top 2000 verdwenen, maar als het er nog in had gestaan, was het met recht één van zeer weinig tracks in die lijst geweest die niet op Spotify staat. Om het in goed Nederlands te zeggen: l’histoire se répète.

Everly Brothers – On The Wings Of A Nightingale (1984)

Het was 1984 en de Everly Brothers, jaren gebrouilleerd, maakten een comeback. Voor de lp werden niet de minste songschrijvers opgetrommeld; zo schreef Jeff Lynne The Story of Me en tekende Paul McCartney voor On The Wings Of A Nightingale. Met name dat laatste liedje is een juweeltje. De ex-Beatle componeerde een eerbetoon aan het duo dat hem als klein jongetje muzikaal had geïnspireerd. Hij maakte daarbij slim gebruik van de sterkste punten van het duo: het ritmische gitaarspel en de samenzang. Probeer maar eens niet heel gelukkig te worden als de broers tegen het einde herhaaldelijk ‘oh, I can feel something happening’ zingen. On The Wings Of A Nightingale is tweeëneenhalve minuut puur muzikaal genot.

Waarom het niet op Spotify staat is een raadsel, al zal meespelen dat het alleen in Nederland een grote hit werd; het haalde een vierde plaats in de Top 40. Het stond in 2001 zelfs op nr. 187 in de Top 2000, al ontbreekt het sinds 2014 in de Lijst der Lijsten. Spotify-adepten weten niet wat ze missen.

Malcolm McLaren presents The World Famous Supreme Team Show – Operaa House: Aria on Air (1990)

Malcolm McLaren is de grootste subversief van de popmuziek. Hij begon als manager van The Sex Pistols, blies die band op om Bow Wow Wow te beginnen (Do You Wanna Hold Me? blijft een guilty pleasure) en ging vervolgens zelf met hiphop aan de slag; Buffalo Gals is een pioniersplaat. Daarna liet McLaren z’n oog/oor vallen op operamuziek en mixte klassieke muziek met pop, rock en dance (Madam Butterfly, Waltz Darling). Smaakvol? Mwa. Succesvol? Dat wel. Z’n fijnste creatie is Aria on Air, oftewel: het Bloemenduet uit Lakmé van Léo Delibes on steroids, uitgebracht onder de naam Malcolm McLaren presents The World Famous Supreme Team Show. Het kwam tot een 15de plaats in de Nederlandse Top 40 maar bij de meeste mensen is het bekend door het gebruik in een reclame voor British Airways. Op Spotify staat de originele versie van Yanni, maar die haalt het nét niet bij die van McLaren.

Garland Jeffreys – Hail Hail Rock ‘n Roll (1991)

Garland Jeffreys is de grote onbekende uit de Amerikaanse muziek. Hij stond één keer in de Billboard Hot 100, met een cover van 96 Tears, maar in Europa had hij meer succes. Matador was eind jaren zeventig een hit in diverse Europese landen (waaronder een vierde plek in de Nederlandse Top 40), succes dat hij in 1991 dunnetjes overdeed met Hail Hail Rock ‘n Roll. Een song waarin Jeffreys racisme aankaart (‘big yellow taxi passed me by, stopped on the corner to pick up a white guy’) en er fijntjes op wijst dat rock ‘n roll zwarte wortels (Little Richard, Chuck Berry, Bo Diddley, Fats Domino) heeft, maar gepopulariseerd werd door mensen als Elvis, Gene Vincent, Buddy Holly en Jerry Lee. Of zingt hij juist dat rock ‘n roll mensen verbindt – ondanks je afkomst?

The KLF ft. Tammy Wynette – Justified & Ancient (1991)

Dat The KLF niet op Spotify staat verbaast niet (dat 3AM Eternal er wél op staat dan weer wel). The KLF waren altijd al grote weirdos, een duo dat popmuziek als conceptueel kunstwerk beschouwde en, toen ze hun carrière zat waren, hun volledige back catalogue deleteten. Het hoogtepunt in dat, wel ijzersterke, oeuvre is Justified & Ancient. Voor die song benaderden Bill Drummond en Jimmy Cauty, het duo achter The KLF, Tammy Wynette, in de geruststellende overtuiging dat de oude, kwetsbare grande dame van de countrymuziek nooit ja zou zeggen. Dat deed ze wel en daar ben ik Wynette eeuwig dankbaar voor. Hoe geweldig om haar bloedserieus teksten te horen zingen als ‘they’re justified and ancient, and they drive an ice cream van’. Wynette maakte een comeback en elke has been wilde met The KLF samenwerken. The KLF gaf er, de popmuziek prachtig misvormd achterlatend, de brui aan.

Attwenger – Wama Liaba (2000)

Het is de vreemdste act die ik ooit op Folkwoods op zag treden (en dat zegt wat). Maar eigenlijk maakt Attwenger geen folk. Wat dit Oostenrijkse duo dan wel maakt? Een soort triphop, maar dan op mondharp, accordeon en met drumloops. Ik vroeg een vriend die voor z’n studie naar Oostenrijk moest of ie een cd kon scoren. Voor die plaat moest ie naar een obscuur zaakje in een buitenwijk van Graz (ik stuur ‘m graag op pad met onmogelijke opdrachten), maar het was de moeite waard. Het album Song is geweldig, en dan met name het vijftien minuten durende Wama Liaba. Het begint met een mondharp, daar komt een drumloop overheen, dan volgt de accordeon en tot slot komt de zang. Nouja, het is meer een soort gepraat in een onverstaanbaar Oostenrijks dialect. Het is vervreemdend, verslavend en catchy. Song staat trouwens op Spotify, maar slechts gedeeltelijk. Wama Liaba ontbreekt.

Sinéad O’Connor – Sean-Nós Sua (2002)

Niet zozeer één liedje, maar een compleet album uit het oeuvre van Sinéad O’Connor. En wat voor een album. In 2002 nam de zangeres, op dat moment volgens mij ingetreden in het klooster (het is bij de Ierse zangeres soms lastig te volgen), een plaat met Ierse traditionals op. Niet zo verrassend; eerder coverde O’Connor He Moved Through The Fair, The Foggy Dew (met The Chieftains) en I Am Stretched on Your Grave. Het album zorgde echter voor weinig roering en verdween snel uit de publiciteit. Toen ik nog als muziekbibliothecaris werkte, leende ik de cd eens en ik vond het mooi.

Tegenwoordig duiken sommige tracks nog op compilaties op. Zo trof ik Paddy’s Lament aan op een cd-box over Ierse folk en vond ik Her Mantle So Green op de Putumayo-verzamelaar Celtic Crossroads. Maar op Spotify vind ik een gapend gat tussen Faith and Courage en Throw Down Your Arms. We moeten het doen met twee tracks op verzamelaars: Paddy’s Lament en I’ll Tell Me Ma.

Linda Thompson – Fashionably Late (2002)

Linda Thompson had jarenlang met echtgenoot Richard platen gemaakt, maar het huwelijk was op de klippen gelopen en Linda maakte slechts één solo-lp in de jaren tachtig. Ze raakte van de spanning jarenlang haar stem kwijt, maar rond de eeuwwisseling begon ze weer sporadisch te zingen en nam af en toe een track op voor een comebackplaat die de pijnlijk ironische titel Fashionably Late zou krijgen. Het is één van de mooiste folkplaten van de jaren nul, omdat in de tien liedjes alle facetten van folk terugkomen. Klein en akoestisch in Dear Old Man Of Mine (tevens een afrekening met ex Richard), traditioneel Brits (Paint & Powder Beauty, Nine Stone Rig), los en swingend (Weary Life) en melancholiek poppy (All I See). Een meesterwerk, maar ontbrekend op Spotify.

Anika Moa – In Swings The Tide (2007)

Tijdens een roadtrip door Nieuw-Zeeland moet er ook muziek klinken, dus toen ik in 2008 met een vriend door het land reisde, hoopte ik veel muziek te kunnen draaien. Helaas, de huurauto had alleen een cassettedeck. Maar Kiwi’s hebben overal een ad hoc-oplossing voor: een donorbandje. Je discman (op zich ook al best old school) sluit je aan op een cassettebandje dat je in het deck stopt. I kid you not. Ik had cd’s meegenomen, maar onderweg schafte m’n vriend, die een half jaar in Wellington had doorgebracht en de lokale muziekscene een beetje kende, In Swings The Tide van Anika Moa aan. Beetje folk, beetje country, leuke plaat. Met Nederlandse connecties, want de videoclip voor My Old Man nam ze op in Amsterdam. Die cd was van m’n vriend, maar een tijdje terug hield hij grote opruiming. Inmiddels heb ik In Swings The Tide in mijn collectie. Op Spotify ontbreekt de cd, net als sommige muziek van Nieuw-Zeelandse grootheden als Split Enz en Mi-Sex.

Kanye West & Jay-Z – Niggas in Paris (2011)

M’n eerste playlist op Spotify was een hiphopplaylist. Hiphop is voor mijn gevoel meer track based dan rock en pop, dus hele albums luister ik zelden; een playlist biedt uitkomst. Door de jaren heen heb ik zat favorieten verzameld: HoedenPlank van Opgezwolle (‘voer voor je hoedenplank, tast toe, proef die woofer’), Deliverance van Bubba Sparxxx (dat ik ooit op Radio 2 gedraaid heb gekregen), Kick, Push van Lupe Fiasco (skate-anthem) – een playlist maken was een eitje. Daarin was ook ruimte voor Jay-Z. 99 Problems staat op Spotify, maar Niggas in Paris was onvindbaar. Eerst dacht ik nog dat het de schrijfwijze was die voor verwarring zorgde, maar navraag bij een vriend leerde mij dat Jay-Z veel van z’n muziek van Spotify heeft gehaald om z’n eigen streamingdienst Tidal te promoten. Ik weet niet hoe het met Tidal gaat, maar Jay-Z werd eerder dit jaar door Forbes uitgeroepen tot eerste hiphopmiljardair. Gelukkig heb ik 99 Problems nog.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , , , , , , , , | Comments Off on Tien keer niet op Spotify

Puzzelstukjes

Actiefoto.

Toen ik vorig jaar net was begonnen met skateboarden, ging ik vaak op zondagmiddagen extra oefenen in Area 51. De lessen liepen nog niet bepaald voorspoedig en een medeleerling had me aangeraden om op zondag wat trucjes uit te proberen. Het was immers rustig. De dienstdoend medewerker, ongetwijfeld op de hoogte van m’n moeizame vorderingen, liet me dan stiekem gratis binnen en stak me een hart onder de riem: ‘We moeten het stimuleren dat mensen komen oefenen.’
‘Thanks,’ zei ik dan. ‘En euh… ik heb wel een board nodig.’

Nu wil het geval dat op zondagochtend vaak kinderfeestjes in de skatehal zijn. Die feestjes zijn afgelopen als de hal voor het grote publiek open gaat, maar de kinderen hangen nog even rond op het balkon. Zo kon het gebeuren dat ik eens op een zondagmiddag als eerste in de hal stond, me af te vragen wat ik daar stond te doen én wat ik zou gaan doen. Heel veel keus had ik niet. Terwijl ik in gedachten verzonken was, hoorde ik een paar jongetjes op het balkon. Eentje, iets luidruchtiger dan de rest, kon ik verstaan: ‘Heej, een skateboarder. Eens kijken wat ie kan.’
Ga weg, dacht ik, ga ranja drinken ofzo. Ineens wist ik wat ik wilde oefenen: ik pakte m’n skateboard en ging onder het balkon, uit het zicht van de kinderen, staan poppen.

Een paar maanden later maakte ik iets soortgelijks mee. Ik kon al iets meer, maar het was nog steeds behelpen. Weer was er een kinderfeestje geweest en weer stond een groepje jochies van een jaar of tien op het balkon te kijken. Ik kon wel voorspellen welke kant het op zou gaan.
‘Heej, een skateboarder,’ riep er eentje.
‘He ja,’ antwoordde een ander, ‘een oude. Die zal wel heel goed zijn.’
Nee he, dacht ik, daar had ik dus geen zin in. Ik pakte m’n skateboard en ging uit het zicht wat staan oefenen.
‘He jammer, hij gaat weer weg,’ sprak eentje teleurgesteld.

Na een maand kocht ik een eigen skateboard. Nee, het liep nog niet echt soepel, maar het zou allicht helpen als ik m’n eigen board zou hebben, in plaats van die leengevalletjes van de area. Maar ik moest dat ding ook mee naar de les nemen. Ongemakkelijk, zeker toen bleek dat ik net die keer de enige leerling was.

Eerst probeerde ik het nog een beetje uit het zicht van de instructeurs te houden, wat best lastig is met een stuk hout van 84 centimeter. Het vocabulaire van de instructeurs beperkt zich voornamelijk tot Engelstalig slang van woorden van één lettergreep: chill, nice, sick, maar toen ik m’n board tegen de coping zette en het écht niet meer te ontkennen viel, kwam er bij één van de twee ineens een spraakwaterval uit.
‘Ho ho, wacht even,’ zei hij, ‘wat hebben we hier?’
‘Janieuwboardikdachtdatwordtweltijdmooidinghezallikdanmaargaanindroppen?,’ mompelde ik.
‘Heej kijk, een nieuw board,’ riep hij, nu tegen z’n collega aan de andere kant van de instructieruimte. Hij kwam kijken. Ik voelde m’n hoofd steeds roder worden.
Sick,’ oordeelde hij.

Niet lang daarna zat ik bij de kapper. Het duurde een paar minuten voordat hij het onderwerp te berde durfde te brengen, maar toen kwam toch de vraag, of meer opmerking: ‘Ik zag u vorige week met een skateboard door de stad fietsen.’

Elke dag oefenen is elke dag oefenen. Desnoods fiets ik naar een halfpipe aan de rand van Eindhoven.

Na een tijdje besloot ik dat twee keer in de week rijden niet voldoende was. Eigenlijk moest ik, wilde ik het skateboarden goed onder de knie krijgen, elke dag rijden. Om dagelijks naar Strijp-S te fietsen ging wat ver, dus ik moest de straat op. Het liefst ‘s avonds, als het donker was; dan valt het net wat minder op als je op je muil gaat. Tijdens zo’n avondsessie ging ik streetskaten bij het havenhoofd. Dat viel niet mee, zeker voor iemand die alleen het hout van de skatehal gewend is. Toen ik van een bescheiden hellinkje af reed bleef ik met m’n wieltjes achter een stoeptegel haken. M’n board schoot naar achter, ik viel hard voorover op m’n knieën, maar het eerste dat ik deed toen ik weer was opgestaan was checken of niemand m’n val had gezien. Keeping up appearances.

Als ik echt weinig tijd heb, dan rijd ik een half uurtje rond op het asfaltveldje voor m’n huis, of pak een stukje straat mee. Dan zet ik muziek en een capuchon op en skate wat rond. Op die manier sluit ik me af voor eventuele opmerkingen die me af kunnen leiden. Ik heb mijn buurt het afgelopen jaar goed leren kennen. Ik weet nu dat bezoekers van de coffeeshop hun auto het liefst een paar straten verder parkeren, dat de buren van een paar deuren verder wel eens een escortdame laten komen, en dat bezoekers van die (inmiddels op last van de gemeente tijdelijk gesloten) coffeeshop de gekochte waar het liefst op een bankje, verderop in het park nuttigen.

Andersom heeft de buurt mij ook leren kennen. Een keertje reed ik, in een lekker tempo, door de straat. Een oude dame liet haar hondje uit en omdat ik zag dat ze iets wilde zeggen hield ik stil en zette m’n koptelefoon af.
‘Je doet het goed hoor,’ sprak ze bewonderend.
‘Dank u wel mevrouw,’ zei ik, niet zonder trots.
Ha, dacht ik, ik heb de granny approval. Nu de jongere generatie dames nog.

Een andere keer reed ik ‘s middags rond op het asfaltveldje toen ineens twee jochies voor m’n neus stonden. Ik ken ze, omdat ze regelmatig voor m’n huis voetballen.
‘Meneer, wilt u met ons voetballen?,’ vroeg eentje.
‘Best,’ antwoordde ik.
Een kwartiertje later zei ik dat ik weg moest, waarop eentje zei: ‘Wanneer gaat u weer skateboarden? We zien u hier vaak rijden.’
Kut, dacht ik, betrapt.

Maar de oudere dame en jochies uit de buurt zagen me wel als skateboarder. Dat stemde hoopvol. Want als ik iets geleerd heb, is het wel dat veel mensen (tienjarige snotjong uitgezonderd), vermoedelijk bij gebrek aan geschikt vergelijkingsmateriaal, al snel onder de indruk zijn. Ik vind mezelf dan nog niet zo goed, het publiek denkt daar anders over.

Stadhuisplein. Favoriete hangout van skaters, jong én oud.

Een paar maanden geleden was ik op een maandagavond in de skatehal. Ik had twee meisjes van hoogstens een jaar of zestien bezig gezien met een skateboard. Duidelijke beginners. Ik stond naast ze op een verhoging, reed eraf, maakte een hoge kickturn in de quarter en reed terug naar de verhoging. Ook ik heb geldingsdrang. Ze keken naar me en fluisterden met elkaar.

‘Meneer,’ riep eentje naar me, ‘kunt u ons dat leren?’
‘Wat?,’ vroeg ik gespeeld nuchter.
‘Nou, die draai die u net maakte, die willen wij ook kunnen,’ vervolgde ze.
Ik vertelde dat ik lessen volgde en dat het makkelijker zou zijn om vanuit het vlakke deel de wand in te rijden en dan de draai proberen te maken. Dat leek haar te hoog gegrepen.
‘Kan je inleunen?,’ probeerde ik.
Het meisje dat het woord voerde keek me vragend aan.
‘Dat je inleunt in de wand, je knieën lichtgebogen, en achterstevoren terug rijdt?’, ging ik verder. ‘Wacht, ik doe het voor.’
Ik reed van de verhoging af, reed de quarter in, leunde in, ging hoger dan ik had gedacht en reed terug. Op het vlakke deel maakte ik een 180 Fakie – het eerste trucje dat ik ooit had geleerd.
Ze keek met grote ogen.
‘Wilt u pro worden?,’ vroeg ze.
‘Daar ben ik echt te oud voor,’ lachte ik.
‘Nou, u doet het heel goed,’ zei ze.
Ik straalde.
‘Zeker vergeleken met ons,’ vervolgde ze.

Die laatste zin vond ik dan jammer.

Ik heb het afgelopen jaar vaak gedacht dat ik aan cognitieve dissonantie lijd. Dat ik het me allemaal maar inbeeld dat ik beter word, dat ik wat af stuntel, en nouja, blijf stuntelen. Dat me ooit de schellen van de ogen vallen en dat ik inzie dat ik eigenlijk niks kan. Dan hou ik mezelf voor dat ik zeker beter ben dan een jaar geleden, dat ik beter ben dan een maand geleden en zeer waarschijnlijk ook beter ben dan de week ervoor. Dat ooit alle puzzelstukjes in elkaar vallen.

Maar eigenlijk gaat het daar niet om. Het gaat erom dat je plezier hebt – en dat heb ik. Dat niet alleen; ik ben verslaafd.

Messiaenpark, andere skatershangout.

Een paar weken geleden reed ik een rondje in de minibowl in het skatepark. Terwijl ik nog uitreed, kwam een meisje van een jaar of vijftien, ik zie haar geregeld in de area maar we zeggen nooit iets tegen elkaar, op me afgereden. Ze maakte een high five, daarna een boks en zei toen enthousiast: ‘Wow, jij gaat vooruit!’
Ik glunderde van oor tot oor en stamelde: ‘Thanks, man.’
De rest van de dag zweefde ik een paar centimeter boven de grond.

Het zelfvertrouwen groeide. Stond ik de eerste keren als we op het Stadhuisplein gingen skaten een beetje te dralen aan de rand van het plein en me geïntimideerd te voelen door al die veel betere skaters, waarbij m’n vrienden me inprentten dat ze zich echt niks van me aantrokken (eentje heeft voorgesteld om ‘nobody cares’ op m’n griptape te kalken), later nam ik wat meer initiatief en oefende ik dingetjes waarvoor het plein heel geschikt is.

Ik ben zelfs al een paar keer op m’n skateboard naar de bioscoop geweest. De eerste keer koos ik daarbij net een verkeerde route, wat ertoe bijdroeg dat ik de helft van de weg toch nog moest lopen, ook omdat ik langs een drukke weg reed en veel te veel bekijks trok. Eenmaal in de bioscoop voelde ik me, terwijl ik in de gang zat te wachten tot de film zou beginnen, redelijk opgelaten. Toen kwam een groepje jongeren voorbijlopen. Eentje riep verbaasd naar z’n vrienden: ‘Die man heeft een skateboard bij.’
Ik keek ‘m onverschillig na en mompelde: ‘Bij me.’

Vlak daarna ging ik een dagje naar Groningen. M’n voornemen om elke dag te rijden moest ook nu standhouden, dus ik nam m’n skateboard mee en bezocht Colosseum, het plaatselijke skatepark. Het is, en dat is wel zo historisch verantwoord, gevestigd in een voormalig zwembad. Terwijl ik aan het skateboarden was, kwam een vader binnen met twee kinderen, een jongetje en een meisje, beiden een jaar of zeven. Hij leidde ze rond en vertelde dat hij hier vroeger zwemles had gehad. Na een tijdje liep het jongetje naar de rand van het zwembad.
‘Wow,’ riep hij naar me, ‘jij bent écht goed.’
‘Dank je,’ zei ik enthousiast. ‘Kan jij skateboarden?’
Hij schudde nee. ‘Maar ik kan wel heel goed voetballen.’
‘Daar ben ik heel slecht in,’ antwoordde ik.
‘Echt?,’ zei hij verbaasd.
Nu kwam z’n zusje erbij staan.
‘Ik ben heel goed in dansen,’ zei ze.
‘Daar ben ik ook heel slecht in,’ lachte ik.
Daarna maakte ik een praatje met de vader, en bood de kinderen aan om een stukje op m’n skateboard te rijden. Ik moest toch iets terug doen voor hun aardige compliment. Dat durfden ze, schoorvoetend, en na enig aandringen van vaders.

Een skatepark in een voormalig zwembad is volstrekt logisch.

Onlangs stond ik weer eens op een verhoging in de skatehal en wilde de quarter in rijden. Er stond een jongen van een jaar of veertien naast me. Hij wilde een kickturn maken in de wand, maar elke poging mislukte. Ik voelde met ‘m mee, omdat ik er zelf weken over heb gedaan om het trucje te leren, maar ook omdat in de deuropening twee volwassenen, vermoedelijk z’n vader en een vriend, ‘m op zaten te jutten. Ik zag hoe hij met een kleine aanpassing het trucje zou flikken. Niet mee bemoeien, dacht ik eerst, maar toen hij even later naast me stond kon ik het toch niet laten. Het hoort bij skaters dat je elkaar helpt.
‘Je zit er heel dicht bij,’ zei ik, ‘je draai is goed, maar je moet meer op je voorste voet leunen. Dan heb je ‘m.’
Hij reed van de ramp af, deed een halfslachtige poging om meer op z’n voorste voet te leunen en landde ‘m bijna.
‘Nu met iets meer overtuiging,’ zei ik toen hij de verhoging op liep.
Hij probeerde het opnieuw en het lukte. Hij was trots en de mannen in de deuropening juichten. Ook ik straalde.
‘Easy, toch?,’ lachte ik naar ‘m.
‘Ja, nu is ie makkelijk,’ antwoordde hij gelaten, bijna teleurgesteld.
Vanuit m’n ooghoek zag ik één van de volwassenen een duim naar me opsteken.

Vlak daarna ging ik naar de film in het Natlab. Ik besloot van tevoren nog een uurtje te gaan skateboarden. Ik kwam binnen in de hal en zag een hoop beginners.
‘Veel nieuw volk?,’ vroeg ik aan de medewerker.
‘Ja, dus als je iemand ziet rijden die het niet goed kan: help dan alsjeblieft even,’ lachte ze.

Toch, kinderfeestjes blijven een crime. Als ik weer een kolonne koters over het balkon zie denderen denk ik als eerste: pleuriskinderfeestje. Ik deed daar quasi verontwaardigd m’n beklag over bij één van de medewerkers.
‘Ah joh,’ zei ie met een wegwuifgebaar, ‘niks van aantrekken.’
Dat probeerde ik de eerstvolgende zondag. Weer was er een kinderfeestje geweest. Weer stond het balkon vol met jochies van een jaar of tien. Ik pakte m’n IDGAF-mentaliteit uit m’n rugtas, reed van een ramp af, maakte aan het einde een kickturn en skateboardde vervolgens naar een plek elders in de hal. Dat zal ze leren. Op het balkon hoorde ik een jochie onverschillig zeggen: ‘Dat kan ik ook.’

Ik ben nu een jaar verder. Toen ik begon stelde ik mezelf als doel dat ik de skatebowl wilde masteren. Ik schatte in dat ik een paar jaar nodig zou hebben om dat doel te bereiken. Maar de laatste weken doe ik voorzichtig een klein deel van de bowl. Het stelt niet heel veel voor, maar ik kan zonder problemen een rondje door het diepste deel rijden. Het is een klein onderdeel van het grotere plan, een plan dat onder andere ook indroppen behelst, iets dat tot op de dag van vandaag een heikel punt blijft.

Maar de laatste weken heb ik rust in m’n hoofd gevonden. Stond ik bij ieder nieuw trucje eerst mezelf tien dingen tegelijkertijd af te vragen, sinds kort kan ik me veel beter concentreren op wat ik doe. Ik denk er niet meer bij na, ik ga gewoon. Dat is de mindset die je nodig hebt. De puzzelstukjes vallen in elkaar.

M’n medeskateboarders valt het ook op. Die verbazen zich over de progressie die ik de laatste maanden heb geboekt. Het gemak waarmee ik nieuwe trucjes probeer en, misschien nog wel het vreemdste, ze onder de knie krijg.
‘Je kunt wel merken dat je elke dag rijdt,’ sprak een medeleerling bewonderend.

Afgelopen week kocht ik een nieuw deck. Immers, ik had toen ik m’n eerst skateboard kocht met mezelf afgesproken dat ik na een jaar een nieuw deck mocht. Terwijl de medewerker van de skatewinkel de griptape op m’n splinternieuwe deck plakte en de trucks van m’n vorige board overzette, praatten we honderduit over skateboarden. Dat ik meer park dan street ben, dat ik bowlskaten het leukste vind en dat ik in de zomer in Malmö had geskatet. Vroeger haastte ik me dan erbij te zeggen dat ik nog niet zo lang bezig ben en dat ik nog veel moet leren, maar dat hou ik tegenwoordig voor me. Ik ben een skateboarder. Eentje die nog steeds veel moet leren, maar dat geeft niet. We zijn ons leven lang leerling.

Later die dag kwam ik met m’n nieuwe deck in de area. Ik zag één van m’n instructeurs skaten.
‘Kijk,’ riep ik enthousiast naar ‘m, ‘nieuw deck.’
Nice,’ knikte hij.

Een nieuw jaar, een nieuw deck.

Posted in Skateboarden | Tagged , , | Comments Off on Puzzelstukjes

Boskabouter

Voor zolang ik me kan herinneren ben ik gefascineerd geweest door landkaarten. Ik heb als kind uren met m’n neus in de atlas doorgebracht, wegdromend over verre oorden als Australië of Nieuw-Zeeland. De wereld bleek veel groter dan de stad waarin ik opgroeide, en die wereld kon ik rustig thuis op de bank bekijken; de grote boze buitenwereld hoefde ik er niet voor in.

Ik stond dan ook te watertanden toen ik m’n aardrijkskundedocent door een Boskabouter, een miniatuuruitgave van de Bosatlas, zag bladeren. ‘De kleinste Bosatlas’ stond er ter verduidelijking als ondertitel bij. Een jaloersmakend ding dat ik dolgraag wilde hebben. Ik snelde naar de boekwinkel, maar er was niet aan te komen. De Boskabouter was een relatiegeschenk.

Ik had als kind nogal een hoge stem. Dat heb ik nog lang gehad, tot halverwege m’n tienerjaren. Ik zat daar nooit zo mee, omdat m’n moeder me geruststelde dat jongens met een hoge stem later een diepe bas zouden krijgen. Die belofte is niet helemaal uitgekomen, ik heb geen stem als een bronstige stier, maar het kan er tegenwoordig mee door.

M’n vader werkte als adjunct-directeur op een basisschool. We hebben het hier over de vroege jaren negentig en mobieltjes waren nog geen gemeengoed. Dus als een leverancier buiten schooltijd een vraag had over een bestelling, belde hij de vaste lijn bij ons thuis. Ik nam vaak de telefoon aan, wat voor verwarring zorgde. Dan kreeg ik iemand aan de lijn die dacht dat ie één van m’n zussen sprak, of vroeg: ‘Is uw man ook thuis?’ Ik liet dit gelaten over me heen komen, of merkte weinig subtiel op ‘dat ik m’n vader wel ging halen.’

Toen de leverancier van de schoolboekhandel een keer belde was ik het zat. Daar gingen we weer: ‘Is uw man thuis?’
‘Ja,’ verzuchtte ik ditmaal geïrriteerd, ‘ik ga ‘m wel halen. En u spreekt trouwens met de zoon hoor.’
Ik heb de hoorn neergelegd en m’n vader geroepen, het voorval snel vergetend.

Een paar dagen later sprak de leverancier m’n vader op school.
‘Ik voel me een beetje schuldig over wat er is gebeurd,’ zei hij tegen m’n vader, ‘kan ik het goedmaken met je zoon?’
‘Nou,’ zei m’n vader, ‘ik weet wel iets waar je ‘m heel blij mee kunt maken.’

Een paar weken later had m’n vader een exemplaar van de Boskabouter voor me. En hoewel de landsgrenzen inmiddels meerdere malen zijn verschoven, staat het ding nog altijd te pronken in m’n boekenkast.

‘Goedgemaakt?,’ vroeg de leverancier later.
‘Helemaal goedgemaakt,’ stelde m’n vader ‘m gerust.

Posted in Aardrijkskunde | Tagged , | 3 Comments

Landerig

Ik lag bij m’n ouders in de tuin achterover in een stoel en droomde weg. De najaarszon scheen in m’n gezicht. Het was de herfst van 2018 en ik zat al maanden op een high. Er leek geen einde aan de zomer te komen, ik had een mooie vakantie achter de rug, had niet één maar drie fijne banen en was voor het eerst in jaren weer verliefd geworden (dat het met die liefde niks was geworden boeide me niet eens. Voor je het weet heb je een relatie). Ik had zelfs de moed gevonden om, op m’n 37ste, skateboardlessen te nemen. Niet dat ik ook maar enig talent had, maar ondanks een ronduit slecht verlopen proefles was ik geobsedeerd geraakt door die plank met vier wieltjes. Hooked. Ik neem het leven vaak zwaarder dan strikt noodzakelijk, nu stonden de sterren eindelijk goed.

Kurt Vile en ik gaan terug sinds het album Smoke Ring for My Halo. Die plaat was aanvankelijk langs me heengegaan, maar toen ik voor KindaMuzik wat eindejaarsinterviews verzorgde, noemde menig artiest dat album van Vile als beste plaat van 2011. Met name de productie werd geroemd. Dat album was mooi, maar het album dat erna kwam, Wakin on a Pretty Daze, was nog beter. Een rijkgevulde snoepdoos met pakkende liedjes, waarbij een heerlijk rockertje als Snowflakes Are Dancing (‘Discman is pumping’) achteloos stond weggestopt op het tweede deel van de plaat. Live viel Vile tegen, en de plaat erna (b’lieve i’m goin’ down…) deed me minder, maar je zet een muzikant niet bij het grof vuil na één minder album. Trouwens, die meest recente samenwerking met Courtney Barnett was weer heel prima.

Ik hoorde Loading Zones, de eerste, vooruitgesnelde single van het nieuwe album Bottle It In. Een vrolijk rockertje, bijna net zo fijn als Snowflakes Are Dancing. Het klonk net zo onbezorgd en laidback als ik me voelde. Vile zingt daarin hoe hij ‘all from zone to loading zone of my town’ rijdt en telkens net kort genoeg parkeert om een parkeerbon te voorkomen (‘I park for free!’). En dan die videoclip, waarin Vile in een Amerikaanse bak door z’n thuisstad crosst. Hij draagt een t-shirt met een print van de Highwaymen. Ik ben zeven jaar geleden in Philadelphia geweest, maar dat is een andere stad dan het geromantiseerde Philly uit de clip van Loading Zones. Die ademt in alles de lome, landerige sfeer van een relaxte najaarsdag (wat vreemd is, want de clip is half augustus gepresenteerd). Zo’n zomerse dag die, in de wetenschap dat een lange koude winter voor de deur staat, als een cadeautje voelt. Tegen het einde van de clip speelt Vile onder een viaduct een gitaarsolo. Op de achtergrond rijdt een skater z’n rondjes.

Op deze zonnige zondagmiddag in oktober doezelde ik langzaam weg. Bottle It In draaide on repeat op m’n iPod. Ik voelde me rozig. Met m’n ogen dicht en een glimlach op m’n gezicht speelde ik luchtgitaar. Intussen rolde ik met m’n rechtervoet langzaam m’n nieuw aangeschafte skateboard onder de tuinstoel heen en weer. Nee, nu viel ik nog om als ik naar m’n skateboard keek. Maar ooit, als de sterren goed zouden blijven staan, zou ik die skatebowl masteren.

Posted in Muziek | Tagged , | Comments Off on Landerig

Fietstreinen

Het kan niet anders of de NS heeft een bloedhekel aan passagiers die hun fiets in de trein meenemen. Zoals ik. Ik weet het, op zowat ieder groot station staan tegenwoordig honderden OV-fietsen (als ze niet in de fietsenkelder van de Belastingdienst staan, that is), maar m’n oude vertrouwde hybride (en daarmee bedoel ik niet zo’n ouwelullenfiets met trapondersteuning, door Claudia de Breij ooit treffend omschreven als anitawitziersolex) rijdt toch het beste. Fijn lichtgewicht carbongevalletje dat ik ooit kocht van het prijzengeld van Met het Mes op Tafel, makkelijk mee te nemen in de trein. Ding rijdt nog altijd prima, ook al is alleen het frame nog origineel.

Dat de NS het niet zo heeft op treinfietsers, of fietstreiners, daar kwam ik afgelopen week weer achter. Ik had, om m’n vakantie een beetje gezellig door te komen, wat goedkope treinkaartjes bij het Kruidvat gekocht. Om de hittegolf voor te zijn wilde ik een dagje naar zee: de trein naar Vlissingen nemen en dan door de duinen naar Domburg fietsen voor een frisse duik. De fiets mee in de trein mag pas na 9.00 uur, met als gevolg dat iedereen die z’n fiets mee in de trein wil nemen wacht tot na 9.00 uur en dan massaal de trein pakt.

Er was een tijd dat je in de zomermaanden heel de dag door de fiets mee in de trein mocht nemen, net zoals er een tijd was (nu voel ik me echt opa) dat de NS zelfs een speciale wagon voor fietsen had. Het zijn lang vervlogen tijden. Tegenwoordig mag je van geluk spreken als een trein twee balkons heeft waar je je brik kwijt kan. Is er geen plek? Pech gehad, volgende trein beter.

De fiets mee in de trein ging goed tot Tilburg, waar ik moest overstappen. Op het balkon van de trein naar Roosendaal stonden al twee fietsen, die van mij erbij maakte drie. Dat paste net. Maar toen kwamen er nog twee fietsen bij: van die zware gevallen ‘met trapondersteuning’ (en fietstassen, daar kom ik later nog op). De dames in kwestie, al van een zekere leeftijd, zetten die fietsen er gewoon bij.

‘Dat gaan ze nooit goed vinden,’ mompelde ik.
‘Nouja, dat zal wel goed komen,’ zei eentje joviaal.
Ik wilde net antwoorden dat ik daar anders over dacht toen twee conducteurs instapten. In niet mis te verstane woorden werden de dames van het balkon gebonjourd: ‘Ownee, dat dacht ik toch niet. Eruit jullie. Zet jullie fietsen maar verderop in de trein.’
Uiteindelijk gingen één van oudere dames én een wielrenster die al in de trein zat naar het andere balkon van de trein. De trein vertrok met lichte vertraging, wat me zorgen baarde. De overstaptijd in Roosendaal voor de trein naar Vlissingen is drie minuten.

De trein arriveerde op tijd in Roosendaal. Terwijl de trein naar Vlissingen aan het andere kant van het perron staat, moet je nog ettelijke honderden meters teruglopen. Met zo weinig overstaptijd is dat altijd haasten. Dat is het al jaren, maar om de een of andere reden is het de NS nog niet gelukt daar enkele minuten overstaptijd aan toe te voegen.

Om de trein te halen, fietste ik een klein stukje over het perron. Dag mag niet, en dat weet ik, maar nood breekt wet.
‘Wilt u de volgende keer wel lopen,’ riep de conducteur van de trein naar me.
‘Als jullie voortaan wat meer overstaptijd uittrekken wel,’ mompelde ik knarsetandend.

Op het balkon van de trein trof ik een oudere man met een fiets.
‘Waar gaat u heen?,’ vroeg ik.
‘Bergen op Zoom,’ antwoordde hij.
‘Dan zet ik m’n fiets achter die van u, want ik moet tot Vlissingen,’ zei ik.

Ik had de fiets net geplaatst toen de twee oudere dames er ook bij kwamen. Ik had al opgevangen dat zij er in Middelburg uit moesten, dus ik raadde ze, nadat ik ze de trein in had geholpen, aan ook hun fietsen achter die van de man te zetten. Daardoor was het balkon weer overvol.

‘Dat staat wel goed,’ zei een van de dames.
‘Dat denk ik niet,’ antwoordde ik.
‘Ze kunnen toch niet omvallen?,’ zei ze.
‘Nee, dat niet, maar er staan er te veel naast elkaar,’ zei ik.
‘Daar kan nog best iemand langs hoor,’ vond de dame.
Ik voelde de bui al hangen.

De trein reed verder, en ik stond op het balkon met de man te praten over z’n plannen in Bergen op Zoom. Ik vertelde over m’n fietstochtje op Walcheren. De dames zaten op de stoelen rustig met elkaar te keuvelen, waarbij ik ernstig de indruk kreeg dat één van de twee met me zat te flirten. Dat was me een paar weken terug ook al overkomen, toen ik op een terugreis in de trein van Den Bosch op een groep oudere dames stuitte die naar Toppers in Concert waren geweest. Eentje zat me verlekkerd aan te kijken. Ik snap dat ik woest aantrekkelijk ben, toch vraag ik me op zo’n moment af waar ik het aan heb verdiend.

De conducteurs kwamen langs.
‘Dit kan niet,’ zei eentje resoluut, ‘van wie zijn die fietsen met fietstassen?’
‘Van ons,’ zei één van de dames nietsvermoedend.
‘Die moeten eraf,’ zei de conducteur.
‘Hoezo moeten die eraf?,’ zei de vrouw verbaasd.
Ik keek naar de richtlijnen die op een wand van het balkon stonden. Daar stond, voor zover ik het al niet wist, inderdaad dat reizigers hun fietstassen van de fietsen moeten halen.
‘Dat staat in de regels mevrouw,’ zei de conducteur.
‘Maar ik weet niet hoe die eraf moeten,’ antwoordde de vrouw.
Ik keek naar de fietstassen. Die waren er makkelijk af te halen, maar ik ging dat niet aanbieden. Voor ik het wist kon ik ze er in Middelburg ook weer opzetten.
‘Toch moeten ze eraf,’ hield de conducteur vol.
‘Maar. Hoe. Dan,’ herhaalde de vrouw, nu lichtelijk geïrriteerd.
De conducteur verzuchtte nog eens dat het niet volgens de regels was en wees op de voorschriften op de wand. ‘Voor nu zie ik het door de vingers, maar als er in Bergen op Zoom nog een fiets bij komt dan kom ik terug,’ zei hij omineus.
De man die in Bergen op Zoom zou uitstappen sloeg het tafereel gade. ‘Daar stapt niemand in,’ zei hij rustig.

Waar die man de wijsheid vandaan haalde weet ik niet, maar er stapte inderdaad niemand met een fiets in Bergen op Zoom in. Wel een jonge vrouw met een kinderwagen. Ik zocht, veiligheidshalve, een plek elders in de treinwagon. In Middelburg hielp ik de dames met het uitstappen met hun fietsen. Zo’n anitawitziersolex is loeizwaar. In Vlissingen hielp ik de vrouw met de kinderwagen en stapte ik zelf uit.

Over de terugreis zal ik het niet hebben. Dat was een aaneenschakeling van uitgevallen treinen en een passagier die aan de noodrem trok nadat haar zoontje per ongeluk op het perron stond terwijl ze zelf nog moest uitstappen. Later in de week had ik, op andere reizen, te maken met een stroomstoring en een station dat ontruimd moest worden.

Ik heb nog twee treinkaartjes van het Kruidvat over en heb reisjes naar Rotterdam en Groningen gepland staan. Ik neem m’n fiets voorlopig niet mee in de trein, wel m’n skateboard.

Hopelijk heeft de NS daar minder moeite mee.

Posted in Reizen | Tagged , , , | 3 Comments

In Stapelbäddsparken

Stapelbäddsparken, met op de achtergrond m’n hotel.

Net zoals ik vroeger voor bezoek aan een stad eerst checkte of er een leuke platenzaak zat, zo kijk ik tegenwoordig eerst even of een stad een gaaf skatepark (of skatewinkel) heeft. Niet dat ik met m’n skateboard op m’n rug heel Nederland door cross, maar als je toch op vakantie gaat naar Malmö, en je een hotel hebt dat uitkijkt op een ontzettend gaaf skatepark, tja, dan ben je wel gek als je níet je board meeneemt.

Het hield wel in dat ik moest uitzoeken of de pitstop onderweg (ik reed met m’n ouders mee en ze wilden op de heenweg overnachten in Hamburg) ook een leuk skatepark bezat. Elke dag oefenen is elke dag oefenen.

Hamburg heeft inderdaad een indoor skatepark, maar doordat de Duitse Autobahn tegenwoordig een aaneenschakeling van wegwerkzaamheden is kwam ik pas tegen 21.00 uur aan bij dat park. Waar ik ook nog eens niet bleek te kunnen pinnen (in Zweden en Denemarken pin je eigenlijk alleen nog maar, maar Duitsers zweren bij cash, zeker in zo’n shabby toko als een skatehal), waardoor m’n sessie nog meer vertraging opliep.

Of het door mijn neiging kwam om met een betaalpas te willen betalen weet ik niet, maar de medewerkers namen voetstoots aan dat ik Amerikaans ben. Dat vond ik niet zo’n probleem. Beter voor een crappy Amerikaanse skateboarder te worden aangezien dan voor een crappy Nederlandse skateboarder, zo redeneerde ik. Ik heb toch iets van nationale trots.

Die skatehal bleek een stuk kleiner dan Area 51. Daarnaast was de indeling onhandig, dus ‘lijnen’ rijden zoals ik gewend ben was daar eigenlijk onmogelijk. Er was een grote halfpipe waarvan het me niet duidelijk was of die open was. Er was ook een kleine halfpipe, maar die bleek bezet. Toen die uiteindelijk toch vrij was duurde het even voor ik op gang kwam. De man die de halfpipe voor me had gebruikt kwam kijken en bood aan te helpen: ‘Zusammen? Together?’ Ik bedankte vriendelijk. Dat was me de eer te na. Pompen in een halfpipe kan ik (heel goed zelfs), maar ik moet wel even warm worden. Dat bleek; even later kwam hij kijken en zag hij dat het goed was.

Nee, dan het skatepark van Malmö. Het heet Stapelbäddsparken (goede naam) en blijkt wereldberoemd te zijn. Dat wist ik niet, ook niet de vorige keer dat ik in Malmö was geweest. Ik heb dat hele skatepark toen zelfs gemist, en dat terwijl ik de wijk waarin het ligt, Västra Hamnen, wel degelijk had bezocht. Nee, het enige skategerelateerde dat ik toen ben tegengekomen was een groep jongeren op het busstation, waarvan eentje een gebroken deck droeg. Goh, dacht ik, die dingen kunnen dus stuk?

Dit jaar had ik voor m’n bezoek aan Malmö naar een leuk hotel gezocht en was ik stomtoevallig op een hotel gestuit dat uitkeek op een gigantisch skatepark. Het was meteen duidelijk waar ik deze week ging slapen – en skaten.

Op de zaterdag van aankomst was in het skatepark een feestje gaande. Organisatie was in handen van Bryggeriet, de plaatselijke skateschool. Uit de speakers schalde hiphopmuziek. Het was te druk om me nu hier te vertonen. Ik vind buiten skateboarden ongemakkelijk; niet alleen vanwege m’n leeftijd, maar ik voel me ook snel geïntimideerd door andere – veel betere – skateboarders. En dan is er nog dat beton waar ik nog nooit op had gereden.

‘s Avonds ging ik terug. Ik reed een stukje over het grote plein dat achter het skatepark ligt. Dat beton bleek supersmooth te rijden. Nouja, als er geen kiezeltjes liggen. Tot twee keer toe blokkeerde m’n board en werd ik bijna gelanceerd vanwege zo’n stom pokkesteentje: te harde wieltjes, die meer geschikt zijn voor skaten op hout. Het gevolg was dat ik de rest van de week lichtelijk neurotisch het park checkte op kiezeltjes die me een retourtje Universitetssjukhus Malmö op zouden leveren.

De tweede dag ging beter. Ik probeerde wat ramps, reed van heuveltjes af en ging verder het skatepark in. Het viel me op hoe razend slim dat is opgebouwd: alles loopt op of af, zo genereer je makkelijk snelheid. Het beton was eerst nog best eng; het leek me harder te vallen dan hout, al wilde ik dat niet uitproberen. ‘Als je door je knieën gaat, kan er niks gebeuren,’ zeggen de instructeurs in Eindhoven altijd, al vermoed ik dat ze dat sinds mijn komst hebben veranderd in ‘als je door je knieën gaat, kan er bíjna niks gebeuren.’ Ik knoopte dat in m’n oren; als je bang bent te vallen raak je verkrampt en durf je niks meer.

Actiefoto. Om 8.15 uur ‘s morgens. Ja, dat is veel te vroeg.

De avond erop zaten op de rand van het park vier jochies. Ze riepen naar een volwassen man die met z’n skateboard een ollie probeerde te maken en gooiden kiezeltjes naar ‘m. Hij trok zich er niks van aan.

De man riep iets naar me in het Zweeds.
‘Sorry, I’m not Swedish,’ zei ik. In Malmö zijn ze niet zo aan toeristen gewend.
Hij verontschuldigde zich en vroeg waar ik vandaan kwam.
‘Eindhoven? I was there last year for a music festival. Woo-Hah,’ vertelde hij.
Ha, zei ik, dan ben je op je reis van Eindhoven Airport naar de stad langs het gaafste skatepark van Nederland gereden.

Hij bleek Anton te heten en pas naar de buurt te zijn verhuisd. Hij had het skatepark gezien en herinnerde zich ooit een board van een vriend cadeau te hebben gekregen dus hij besloot te leren skateboarden. Ik keek bedenkelijk naar dat board dat me, hij was ongeveer even lang als ik, veel te klein leek. Ik vertelde dat ik vorig jaar was begonnen en zei lachend hoe oud ik ben. Hij schrok toen hij m’n leeftijd hoorde. Of dat was omdat hij het een hoge leeftijd vond om nog te leren skateboarden of omdat ik er zo goed uitzie voor m’n leeftijd heb ik maar niet gevraagd. Ik vermoed het laatste.

Ik stelde voor dat hij verderop in het skatepark de halfpipe kon proberen. Nouja, het is het diepste punt in het park; met een beetje fantasie kan je er een halfpipe in zien. Niet heel moeilijk, maar het geeft een kick als je het kunt. Het zou ‘m een beter gevoel geven dan die mislukte ollies. We stonden nog geen vijf minuten te oefenen toen een andere jonge man erbij kwam. Hij riep iets in het Zweeds en uit de reactie van Anton kon ik opmaken dat hij duidelijk maakte dat ik niet Zweeds ben. Hij stelde zich voor als Marko, had ooit geskateboard en wilde ons wel lesgeven.

‘What’s your name?,’ vroeg hij kordaat. ‘Guido? Kiedo? Really? Wow, that’s a fucking cool name, Kiedo.’
Ik heb met name in Amerika veel lol met m’n naam, maar ‘fucking cool’ wil ik m’n naam niet noemen. Maar al snel bleek dat Marko in elke zin minstens twee keer het woord ‘fucking’ nodig had om z’n boodschap kracht bij te zetten.

Marko wist nog wel een trucje dat we konden doen. Van het bultje af en dan tegen de wand omhoog, achteruitrijden en dan het bultje op. Dan moest ik van m’n board en Anton erop springen. Ik had een paar weken eerder een jochie iets soortgelijks zien doen in de skatehal en het zag er enorm stoer uit. Het leek me moeilijk, maar ook m’n medeskateboarders wilden zich er niet aan wagen.

Ik legde uit dat het trucje voor mij nog iets te hoog gegrepen was. Marko reageerde teleurgesteld.
‘I want to try it, but I’m a bit scared,’ bekende ik en ik deed voor hoe ik vlak voor de wand waar ik in wilde rijden blokkeerde en m’n board afremde.
Hij zuchtte.
‘But you need to break those fucking barriers. Because if you break those barriers, it will help you break barriers in your life as well,’ zei hij.
‘That’s true,’ erkende ik.

Nu richtte hij zich tot Anton: ‘If I can give you some advice, get rid of that fucking crappy board.’
Anton keek wat beteuterd naar z’n board. Ik liet ‘m even op mijn board rijden. Dat beviel ‘m wel. Marko keek naar m’n board.
‘That’s a fucking good board,’ zei hij.

Duh, dacht ik.

Marko ging weg en ook Anton nam afscheid. Ik heb hem later die week niet meer gezien. Misschien voelde ie zich wat beschaamd met z’n fucking crappy board.

Later in de week bleef ik rampjes oefenen en ook de halfpipe in het park kreeg ik snel onder de knie. Wel wachtte ik altijd tot het rustig was. Op de laatste avond vroeg ik m’n vader om een actiefoto te maken, maar net toen hing het in het park met de benen buiten. Geen nood, vond hij, dan zouden we foto’s op vrijdagochtend maken, als hij me toch moest oppikken voor de terugreis.

Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ik moet even opwarmen, zeker als ik net wakker ben en m’n spieren nog stijf en stram zijn. Ik ben ook al 38.

De volgende ochtend stond ik om 7.00 uur weer in de halfpipe. Ik oefende een half uurtje, wat voor geen meter ging, ontbeet in het eettentje op de hoek van de straat waar ik een praatje maakte met een buurtbewoner, en ging vervolgens weer verder met oefenen. Toen m’n vader rond 8.15 uur de halfpipe in kwam lopen was ik zowaar opgewarmd, maar zo hoog als ik eerder in de week in de halfpipe was gekomen kwam ik niet meer. Jammer, al maakt de blauwe lucht op de achtergrond veel goed. En ik kon terug in Eindhoven trots een coole actiefoto aan de andere skaters laten zien.

Inmiddels ben ik ruim twee weken terug uit Malmö. Dat ene trucje, waarbij ik van het rampje af in de wand rij, oefen ik sinds een week; hout valt minder hard dan beton. Althans, dat denk ik. Moeilijk is het niet, het is meer een kwestie van durven. Ik heb zelfs al bijna de rand van de skatebowl gehaald.

You need to break those fucking barriers.

Posted in Reizen, Skateboarden, Uncategorized | Tagged , , , , | Comments Off on In Stapelbäddsparken

Vooruitgang

Eerste foto met m’n nieuwe telefoon.

Vooruitgang gaat met horten en stoten.

Ik wil niet zeggen dat ik in een sociaal isolement terecht was gekomen, maar dan toch zeker een socialemedia-isolement: zo’n beetje de halve wereld zat op Instagram, streaming audio kende ik vrijwel alleen van naam want ik had enkel een gratis Spotify-account (voor muziek viel ik terug op m’n oude vertrouwde iPod Classic) en als iemand me een Tikkie wilde sturen, stelde ik voor het rekeningnummer te mailen of appen, dan zou ik het bedrag overschrijven.

Het was dus hoog tijd om m’n Samsung Galaxy S2 naar het museum te sturen en een nieuwe smartphone te kopen. Dat was het al langer, maar tussen droom en daad staan praktische bezwaren, zoals een weinig coöperatief banksaldo.

Omdat de wereld van smartphones voor mij terra incognita is, een wereld die me bovendien niet eens zo boeit, informeerde ik bij een kenner. Ik moest de OnePlus 6T hebben, zo vertrouwde deze informant me toe. Top of the bill, betaalbaar en, bijkomend voordeel, andere smartphonegebruikers zouden aan de telefoon meteen zien dat ik een kenner was. Dat laatste leek me twijfelachtig.

Een week voordat ik quizvragen verloond zou krijgen en ik eindelijk m’n nieuwe telefoon kon kopen, stond ik bij de ingang van de skatehal met m’n iPod te klooien.
‘Wacht, even dit ding uit zetten,’ zei ik tegen de jongen achter de balie terwijl hij m’n toegangspasje wilde checken.
‘Wow, een iPod,’ zei hij verrukt.
‘Ja,’ verzuchtte ik, ‘nog een week en dan stap ik over op Spotify.’
‘Oh, mag ik ‘m dan van je overnemen?,’ vroeg hij.

Gut, dacht ik, daar had ik helemaal niet aan gedacht. Dat iemand dat ding nog zou willen hebben. De jeugd doet tegenwoordig toch alleen nog maar aan streaming? Tegelijkertijd zag ik geen bezwaar. Er zat alleen maar sentimentele waarde aan. Kom op Guido, een beetje streng voor jezelf zijn. Als je ‘m niet weggeeft, ligt ie toch maar onder te stoffen op de rommelkamer, voorheen de logeerkamer.

Vorige week woensdag was het zover. Ik kon niet langer wachten, wilde dat ding niet online bestellen en liep dus een winkel binnen, waar zich het volgende gesprek ontspon:
‘Waarmee kan ik u helpen?’
‘Ik zoek de OnePlus 6T.’
‘Dat is deze hier.’
‘Doe die maar. In het zwart en met 256 GB.’
‘Wilt u ‘m niet uitproberen?’
‘Nee, dat geloof ik wel. Kan ik eindelijk m’n Samsung Galaxy S2 uit het raam gooien.’
‘Dat die het nog doet.’
‘Ja, daar ben ik zelf ook verbaasd over.’

Vijf minuten later stond ik weer buiten.

Thuis pakte ik m’n telefoon uit. Alleen het uit de verpakking halen was al een belevenis. Volgens de bijgevoegde documenten maakte ik nu deel uit van een ‘community’. Daar zou ik mee uitkijken, dacht ik, Groucho Marx’ befaamde uitspraak (en mijn credo) ‘I don’t want to belong to any club that will accept people like me as a member’ indachtig.

Het zag er allemaal sjiekdefriemel uit, al was het even puzzelen hoe ik de simkaart in het apparaat kreeg. Niet gek, na het checken van een tutorial op YouTube (ik ben zo’n millennial) bleek dat ding veel te groot te zijn. Een nieuwe kaart aanvragen kostte twee dagen, want het was niet in me opgekomen om de volgende dag een nieuwe simkaart in de KPN-winkel op te halen. M’n geduld werd danig op de proef gesteld.

Een dag later trof ik de jongen die de iPod van me over wilde nemen in de skatehal.
‘Wil je de muziek er ook bij hebben?,’ vroeg ik.
‘Wat jij wil,’ antwoordde hij.
‘Er zijn quizzers die een moord doen voor wat hier op staat,’ lachte ik, terwijl ik het ding omhoog hield. ‘Die snappen niet hoe ik elk jaar de Popquiz Marathon win.’

Het leek me niet dat hij heel erg geïnteresseerd zou zijn in de muziek op m’n iPod. De enige echt hedendaagse muziek die er op staat is de Best of 2018 compilatie van Hitzone. Wel vormde het de aanleiding voor een bijzonder geanimeerd gesprek over popmuziek, hiphop en Afrobeat, zodat ik nog heel snel naar huis moest fietsen om niet het begin van de halve finale van het Songfestival te missen.

Afgelopen weekend zette ik de nieuwe simkaart in de telefoon en werd ik ineens heel ver de 21ste eeuw ingekatapulteerd. Bye bye Samsung Galaxy S2, hallo veel te hippe telefoon waar ik waarschijnlijk geen snars van snap.

Dat laatste bleek reuze mee te vallen. Die dingen zijn zo intuïtief gemaakt dat je geen moment vastloopt. Ik maakte een account aan voor Instagram en downloadde de Twitterapp. Er zit een uitstekende camera in, dus Insta gaat wel een dingetje worden (nee, geen selfies). Daarna ging ik skateboardfilmpjes bingewatchen op Joetjoep, waarbij de accu amper leeg bleek te lopen. En toen ie écht bijna leeg was, had ik ‘m binnen een uur weer opgeladen. Bizar.

Leuk allemaal, maar sinds ik m’n Spotify Premium-account heb geactiveerd, ben ik pas helemaal in het walhalla terechtgekomen. Er is een wereld voor me opengegaan. Heel Veel Muziek. Onbeperkt. Het voelt een beetje als Napster twintig jaar eerder, maar legaal – en tegen betaling, dat dan wel. Alles is on demand, dus niet eindeloos staren naar groene, gele en rode stipjes, op zoek naar de optimale downloadsnelheid. Daarbij, het werkt lekker smooth. Als ik op m’n telefoon luister en Spotify op m’n laptop open, geeft ie netjes aan dat ik op een ander apparaat aan het luisteren ben. Playlistjes maken is een feest. Eindelijk al die liedjes luisteren die moeilijk op cd verkrijgbaar zijn, of snel de hits checken waar in de pubquiz naar wordt gevraagd. Die investering van negen euro in de maand verdien ik makkelijk terug, want waarom zou ik nog cd’s kopen?

‘Nu nog een bluetoothspeaker,’ zei m’n vader enthousiast.
‘Rustig aan he,’ zei ik, want dat moet wel een bluetoothspeaker zijn mét aansluiting voor m’n platenspeler. Het moet toch een beetje retro blijven.

M’n iPod Classic (met muziek, want ik was te lam om die eraf te gooien) heeft afgelopen week een tweede huis gekregen. Daar gingen nog keiharde onderhandelingen aan vooraf, want de knul in de skatehal wilde me zelfs iets geven voor dat ding. Ik wees ‘m er op dat de plug ieder jaar moet worden vervangen, iets dat ‘m al zo’n vijftig euro zou kosten, en dat het aansluiten op de laptop ook een speciale werkwijze behoeft. Toch, hij wilde per se iets terug doen voor die iPod. Bier drink ik niet, dus hij mocht ‘m hebben voor een t-shirt (waarmee ik m’n street cred weer een boost geef).

Eerst voelde ik een knoop in m’n maag toen ik na de overdracht wegfietste. Wat had ik gedaan?! Ik had m’n oude, dierbare iPod weggegeven. M’n steun en toeverlaat in bange dagen, die me vergezelde op reizen naar New York, IJsland en Hawaï en boordevol stond met steengoede muziek (en vooruit, ook de nodige bagger).

Toen keek ik op Spotify naar de enorme stortvloed aan muziek waar ik nu toegang tot had. Pet Shop Boys, Jane Wiedlin, Deftones, Opgezwolle, Lupe Fiasco, Brockhampton, blink-182, The Chills, Kodaline, Taylor Swift, Ben Howard, Damien Jurado, zelfs die oude Ome Neil Young: alles staat er op. Nouja, niet alles. Niggas in Paris van Kanye West en Jay-Z niet, zo bleek toen ik een hiphopplaylist (nog meer street cred) wilde samenstellen. Daar valt mee te leven.

Vooruitgang gaat met horten en stoten. En doet soms een beetje pijn. Wat moet ik nu met die 1500 cd’s op de rommelkamer?

Posted in Muziek | Tagged , , | 2 Comments

Tien keer Songfestival 2019

Begin vorige maand ging ik naar Eurovision in Concert. Dat was voor mij de tweede keer en net als het jaar ervoor een bijzonder leuke ervaring. Het format is simpel: zo’n tweederde van de deelnemende acts voert tijdens deze avond alvast hun kunstje op. Zonder show of act eromheen, dus volledig opsmukvrij. Van sommige acts zie je al meteen dat het land dat ze vertegenwoordigen écht niet wil winnen (standaard het meest venijnige commentaar), andere landen maken meer indruk. En dan zijn er nog goede deelnemers die verstek laten gaan. Ik heb de afgelopen maanden menig inzending, al dan niet live, gehoord. De tien liedjes die ik hier uitlicht zijn kanshebbers, of zijn om andere redenen opvallend. Al is dat soms niet meer dan het feit dat het van een buurland is.

Duncan Laurence mensen. Hij gaat het doen.

België (Eliot – Wake Up)

België had twee jaar geleden goud in handen. City Lights was een geweldige electropophit die niet zou misstaan in een hipsterhitlijst. Helaas bleek zangeres Blanche zo stijf van de zenuwen te staan dat ze tijdens haar optreden drie minuten lang als een bang konijntje starend in de koplampen op het podium stond. Toch: vierde plek.

Eliot, de Belgische inzending van dit jaar is net als Blanche afkomstig uit Wallonië. Waar het met de Vlamingen de afgelopen jaren hit (Laura Tesoro) or miss (eigenlijk alle andere inzendingen) was, hebben de Walen het goed begrepen. De songschrijver van City Lights, Pierre Dumoulin, mocht de nieuwste bijdrage schrijven. Opnieuw is het een electrotrack, maar een stuk ingetogener dan die killertrack van twee jaar geleden. Dat is dan ook het grootste euvel. Wake Up is een mooie, stemmige track, met een boodschap over het klimaat. Ik ben een sucker voor dit soort electropop, maar twijfel of dit potten gaat breken. Electropop is zo 2010.

Italië (Mahmood – Soldi)

Hij ontbrak tijdens Eurovision in Concert en pas toen ik later het clipje bij Soldi zag begreep ik wat we daar gemist hebben. Natuurlijk, Duncan Laurence móet winnen, maar mag Italië dan tweede worden? Soldi is zo’n geweldige track, een song die ook buiten het Songfestival pal overeind blijft. Een mix tussen pop, hiphop en trap, in het Italiaans, met ook wat Arabisch tussendoor (Mahmood heeft deels Egyptische wortels). Soldi gaat over een moeilijke jeugd: gebroken gezinnen, een moeder die niet kan rondkomen en een vader die alles bij elkaar liegt voor geld. Die boodschap haal ik uit de vertaling, maar de woede waarmee Mahmood z’n gal spuwt spreekt ook boekdelen. Het is weer eens wat anders dan het zoveelste songfestivalniemendalletje. Mahmood. Onthou die naam.

Nederland (Duncan Laurence – Arcade)

Zou het dan eindelijk? Pays-Bas: douze points? Ahoy 2020?

Het kan snel gaan. Een half jaar geleden had nog maar een handjevol mensen gehoord van Duncan Laurence. Ondergetekende incluis: ‘Duncan wie?,’ was mijn eerste reactie bij het horen van de naam. Toegegeven, daar zat enige scepsis bij. Artiesten als Anouk, Ilse DeLange en Douwe Bob zijn amper bekend over de landsgrenzen, het zijn wel podiumbeesten die hun hand niet omdraaien voor een goed optreden. Dat moest deze Duncan nog maar bewijzen.

De eerste positieve verrassing was de song. Arcade bleek een mooi, klein gehouden en eigentijds liedje te zijn dat de drie minuten goed benut en nergens gehaast klinkt. De tweede positieve verrassing was dat het liedje niet speciaal voor het Songfestival is geschreven, maar gewoon, een goed liedje, dat het ook goed op de hedendaagse radio zou kunnen doen. De derde positieve verrassing kwam tijdens Eurovision in Concert waar Duncan Laurence bewees Arcade ook live perfect uit te kunnen voeren. Aan het oorverdovende applaus voor Laurence tijdens die avond leek het alsof de Messias zelve was neergedaald. Mag het een keertje? Voor het eerst in decennia doen ‘we’ mee voor de eindoverwinning.

Noorwegen (KEiiNO – Spirit In The Sky)

Zweden heeft Melodifestivalen, een nationaal songfestival waar alle Europese landen vanwege de steevast geweldige inzendingen stikjaloers naar kijken. Sinds jaar en dag is één van de deelnemers de Lapse zanger Jon Henrik Fjällgren. Winnen doet ie niet, wel komt ie al jaren heel dichtbij (z’n inzending in 2017, En värld full av strider, was écht heel goed). Noorwegen heeft goed naar de prestaties van Fjällgren gekeken en vaardigt dit jaar een gelegenheidssupertrio af, met daarin joik-zanger/rapper Fred Buljo. Spirit In The Sky is eurohouse die met z’n etnische invloeden wat doet denken aan Power of American Natives van Dance 2 Trance. Misschien is het door dancemangel halen van die mooie Lapse muziek keiharde heiligschennis, maar toegegeven, dit is goed gemaakt; niet voor niets ging tijdens Eurovision in Concert het dak eraf. Een van m’n favoriete inzendingen van dit jaar, al is het een guilty pleasure.

Portugal (Conan Osiris – Telemóveis)

Op IJsland, met afstand de opvallendste act van deze editie, kom ik straks nog. Maar in de categorie ‘vreemd, maar toch wel lekker’ is Portugal goede tweede. Ik hoorde deze inzending een paar maanden terug al op Radio 2. De dienstdoende dj posteerde dat de Portugezen gek waren geworden dit in te sturen. Toegegeven, Telemóveis is bizar. En de act is nog bizarder. Twee mannen die in semi-antieke Romeinse outfit een mix tussen dans en pantomime brengen. Soms lijkt het slapstick, maar dan op z’n Portugees. Ik checkte voor de zekerheid bij een Braziliaanse waar Telemóveis eigenlijk over gaat. Dat blijkt, heel obligaat, de liefde te zijn (al lijkt hij niet echt geïnteresseerd in de dame waar hij over zingt). Zij omschreef het geheel als ‘nogal conceptueel’. Het moge conceptueel zijn, draai het een paar keer en je bent verkocht. En verknocht. Dit verdient een finaleplek.

Rusland (Sergej Lazarev – Scream)

Weet u nog hoe het ging in 2016? Måns Zelmerlöw won in 2015 met een act met een geanimeerd poppetje en half Europa dacht: heej, dát is leuk, laten we volgend jaar ook uitpakken met allerlei stoere special effects. Van die landen ging Rusland het verste met een volstrekt idiote act die helemaal niks toevoegde aan het liedje (dat best goed was). Die zanger, Sergej Lazarev, is nu terug en, zoals altijd, of we het leuk vinden of niet, Rusland is in it to win it. Ik denk dat de Europese homogemeenschap niet bang hoeft te zijn dat Moskou volgend jaar gastheer is van het Songfestival. Scream haalt het niet bij You Are The Only One, zo heeft de ballad een iets te hoog musicalgehalte. Ook blijft het niet zo goed hangen als die vorige bijdrage. De presentatie is weer – verrassend – volledig over the top: met spiegels waardoor niet één maar negen Lazarevs op het podium staan. Je moet er van houden. Kan iemand de Russen het principe less is more uitleggen?

Spanje (Miki – La Venda)

Ik licht hier negen liedjes uit die tot de kanshebbers behoren, of op een andere manier opvallen. Spanje is de uitzondering. Het land eindigt steevast in de onderste regionen, maar ik ben tijdens Eurovision in Concert gevallen voor dit vrolijke niemendalletje. Wellicht komt dat door het totale gebrek aan decorum: gewoon een jonge gast in t-shirt en spijkerbroek, met een baseballpetje achterstevoren op z’n hoofd. Fijn dat iemand tijdens het kitschfestijn dat het Songfestival is zonder enige opsmuk een vrolijk moppie komt zingen. En dan flirt de videoclip handig met urban sports als freerunning. Ja, dan heb je me. La Venda is het soort liedje dat Spanje al jaren afvaardigt en de prestaties van de afgelopen jaren geven Miki weinig kans: de laatste vier jaar kwam het land nooit hoger dan een 21ste plaats.

De eerste beelden van de repetities beloven weinig goeds: iets met een robot die door songfestivalwatchers zo hartgrondig wordt gehaat dat hij nu al is uitgegroeid tot de Jar Jar Binks van dit Songfestival. Dat is op zich best een knappe prestatie.

IJsland (Hatari – Hatrið mun sigra)

De WTF?!-inzending van dit jaar komt op naam van IJsland. De groep heet Hatari (iets met haters), de bijdrage heet Hatrið mun sigra (iets met haat zal zegevieren) en muzikaal is het een mix van My Chemical Romance en Depeche Mode. Qua presentatie is het nouja, een BDSM-act. Compleet met leren tuigjes, latex en maskers. Whatever turns you on, maar IJsland vaardigde ooit Pál Oscar (in 1997 al) én Euroband af, dus het land heeft een reputatie hoog te houden. Grappig feitje: de ouders van de bandleden vervullen allemaal hoge regeringsfuncties in IJsland. Stel je voor dat de kinderen van – ik noem maar wat – Stef Blok en Paul Blokhuis in Nederland in een BDSM/dance-act zouden zitten. Goed, het liedje dan. Dat is best grappig én goed. Het zwakke punt binnen Hatari is de falsetzang van Klemens. Die kwam tijdens Eurovision in Concert niet echt uit de verf. Blijft de vraag of dat in Tel Aviv goed komt.

Elk jaar is er wel een land dat uit het Lordivaatje wil tappen. Doorgaans doet zo’n act het goed, dus IJsland haalt zeker de finale. Of de Europese BDSM-scene groot genoeg is dat het ook wint, betwijfel ik. Wat voor IJsland pleit is dat ze zich uitspreken tegen schurkenstaat Israël, wat ze nog meer gehaat zal maken. Mijn sympathie hebben ze.

Zweden (John Lundvik – Too Late For Love)

Het is een zekerheidje dat Zweden altijd met goede inzendingen komt, het zijn de Grote Vernieuwers die met een opvallende act (Måns Zelmerlöw, Robin Bengtsson) of eigentijdse productie (Loreen, Benjamin Ingrosso) de rest van Europa de weg wijzen. Het heeft het land zes songfestivaloverwinningen opgeleverd, slechts eentje minder dan recordhouder Ierland, en ik zie de Scandinaviërs hen op de lange termijn met gemak inhalen. Maar Too Late For Love klinkt niet alleen als een vroege ninetiesarrenbiegospelproductie, het is ook nog eens afgekeken van de Oostenrijkse inzending van vorig jaar. Nu eindigde de Oostenrijkse Cesár Sampson verrassend als derde (Zweden viel vooral bij de televoters genadeloos door de mand en werd zevende), dus waarschijnlijk dacht de Zweedse omroep dit jaar: beter goed gejat dan slecht bedacht. Maar toch, van het Beloofde Popland verwacht je net wat meer.

Zwitserland (Luca Hänni – She Got Me)

Als Nederland de topfavoriet is, dan is Zwitserland de grootste concurrent. Dat snap ik deels; de Zwitsers hebben heel goed naar Cyprus geluisterd, dat het vorig jaar boven verwachting goed deed met Fuego (en natuurlijk had moeten winnen). Leg She Got Me daar naast en je hoort het trucje: langzaam opbouwen naar dat refrein, dat vervolgens plagerig nog een klein beetje uitstellen, en daarna het dak eraf spelen met dat lekker dreinerige refrein met een etnische sound. Kortom: goed gemaakt. Wat in het nadeel van Zwitserland werkt is dat het met een blauwdruk komt van een niet-winnend liedje van een jaar eerder. Toen was het idee nieuw en niet genoeg voor winst, wie zegt dat een mindere kopie een jaar later meer succes heeft?

En verder…

– doet ook Malta met Chameleon vrolijk mee met Fuego imiteren. Maar zoals altijd: minder dan het origineel.
– is de inzending van Ierland, 22 van Sarah McTernan, geschreven door de hoofdrolspeler van de film Pluk van de Petteflet. Echt waar.
– vaardigt San Marino andermaal cultheld Serhat af, die zich dit keer door het ultracatchy niemendalletje Say Na Na Na heen kreunt.
– komt Finland met Look Away van Darude. Jeweetwel, de dj die begin deze eeuw een wereldhit had met Sandstorm. Aardig, doch niet memorabel.
– heeft Tsjechië met Friend Of A Friend gewoon een leuk gitaarliedje ingestuurd, wel van een band met de ietwat gekke naam Lake Malawi.
– heet de inzending van Cyprus Replay en die klinkt verdacht veel als de inzending van dat land van vorig jaar.
– komt Australië met Zero Gravity, een Papageno-duet op anabolen. Aussies love it. Maar ja, André Rieu is daar ook mateloos populair.

Posted in Lijstjes, Muziek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Tien keer Songfestival 2019

Indroppen

M’n skateboardmaatje (en personal coach) en ik besloten dat we dit keer echt echt echt gingen indroppen. We hadden het al eerder tegen elkaar gezegd, wetende dat we allebei nogal tegen het trucje opzagen. Nouja, trucje. Moeilijk is het niet, het is meer een kwestie van durven. Het is eerder dat je met board over de rand gaat hangen, je ene voet op je tail, je voorste voet op de nose en dan met die voorste voet een flinke stamp op je board geeft. Het fijne is dat je daarmee veel snelheid genereert en dat is leuk. Het vervelende is dat je daarmee veel snelheid genereert en dat moet je wel euh… aankunnen.

Dat indroppen is al vanaf de eerste les een spannende exercitie. Ik zie mezelf nog de eerste keer op de rand staan in de instructieruimte, mezelf afvragend wat ik daar in godsnaam stond te doen. Het heeft nog weken geduurd voordat ik alleen in durfde te droppen in de instructieruimte, en dat is dan een rand van amper een halve meter hoog.

Vorige week reed ik rond in de skatehal terwijl de instructeur die me de eerste weken onder z’n hoede had gehad vanaf het balkon toekeek. Toen ik onder het balkon langs reed, riep ie naar me.
‘Gaat lekker he?,’ riep hij.
‘Jazeker,’ antwoordde ik, trots om een compliment te krijgen.
‘Ik zit zo te kijken, maar je gaat heel lekker,’ vervolgde hij.

Even later zat ie beneden nog een keer te kijken en liep ik op ‘m af om ‘m te bedanken. Dat het zo goed ging kwam grotendeels door een balansoefening die hij me een paar maanden terug had aangeleerd: op je board rijden en daarbij op je voorste voet leunen.
‘Als je dat goed kunt, dan scheelt dat zoveel,’ had hij gezegd, nadat ik voor de zoveelste keer een les met veel gestuntel was doorgekomen.

De weken erna was ik elke avond op het asfaltveldje voor m’n huis heen en weer aan het rijden, steeds sneller en altijd balancerend op m’n voorste voet. Aan het begin zette ik nog geregeld m’n andere voet aan de grond, maar gaandeweg merkte ik dat het niet nodig was. Ik ging inderdaad veel lekkerder, meer ontspannen, rijden. Ik had m’n balans gevonden.

‘Het gaat wel lekker, alleen dat indroppen wil nog niet zo,’ zei ik en vertelde dat m’n skateboardmaatje er net zo tegenop zag.
‘Dat kunnen jullie,’ antwoordde hij.
‘Dat weet ik,’ zei ik en tikte een paar keer op m’n skateboardhelm, ‘maar hierboven wil dat er niet zo in.’
‘Niet bij nadenken, gewoon doen,’ was het antwoord.

Twee dagen later zag een andere instructeur me van een rampje af rijden en aan de andere kant van de zaal een kickturn maken. Het was dezelfde instructeur die me twee maanden terug de geheime tip had gegeven waardoor ik nu überhaupt die draai kon maken, dus toen hij vlak bij me stond, sprak hij me aan.
‘Gaat lekker man,’ zei hij.
‘Ja he?,’ antwoordde ik, ‘elke keer als ik hier ben doe ik nu kickturns.’
‘Je gaat ze ook leuk vinden als ze lukken,’ zei hij.
‘Nu het indroppen nog,’ verzuchtte ik en wees op een opstaande rand achter hem.
‘Dat kan jij,’ zei hij.

Dit weekend moest het gebeuren. Ik was m’n uitstelgedrag spuugzat. Wilde ik verder met skateboarden, dan moest ik kunnen indroppen, period. Daarnaast, over anderhalve maand staat een weekje Malmö op het programma en het hotel dat ik daar op het oog heb ligt pal voor een enorm gaaf skatepark. Toeval bestaat niet. Ik moest kunnen indroppen. Daarbij, ik zag het de meeste jonge gastjes in de hal probleemloos doen: zo moeilijk kon het toch niet zijn?

Thuis sprak ik mezelf moed in. Je kunt dit. Ik kan dit. Ik. Kan. Dit.

‘Wat doen we eerst?,’ vroeg ik aan m’n personal coach terwijl we samen in de hal stonden, want ik vond het logischer om eerst op een lagere rand te beginnen, verderop in de zaal en van daaruit naar dit hogere punt toe te werken.

M’n skateboardmaatje dacht daar anders over. Terwijl ik voor het eerst m’n board over de rand hing en in de afgrond voor me keek, dropte hij in, reed van het rampje een paar meter verder af en was een paar seconden later terug.
‘Ja, zo snel gaat dat bij mij niet he,’ zei ik.
‘Niet bij nadenken,’ was z’n antwoord, ‘en chill.’
‘Ik ben nu zeker niet chill,’ zei ik en voelde het zweet in m’n handen staan.

Verderop in de hal waren twee vrouwen bezig met een photoshoot.
‘Ze staan een beetje in de weg,’ zei ik tegen m’n personal coach.
‘Smoesjes,’ zei hij.
‘Ja oké,’ gaf ik toe.
‘Tien punten als ik haar omver rij?,’ vroeg ik en wees op de vrouw die het meest in de weg stond.
‘Vijftig als je ook de fotograaf omver kegelt,’ antwoordde hij.

Ik bleef een paar minuten naar m’n board staren. De afgelopen weken had ik vaker op die rand gestaan. Gewoon. Om aan het idee te wennen. En elke keer had ik me vooraf ingebeeld dat het echt niet zo moeilijk was, maar eenmaal met m’n board over de rand hangend begon ik daar toch ernstig aan te twijfelen. Nee, die rand was echt niet zoveel hoger als die in de instructieruimte. Maar toch: ik zag mezelf al op de grond liggen.

Een jongen van een jaar of vijftien kwam naast me staan.
‘Eerste keer?,’ vroeg hij.
‘Ja,’ antwoordde ik, ‘wel al vaak in de instructieruimte gedaan, maar de eerste keer hier.’
Hij knikte.
‘Ik zie het iedereen hier doen, jou zie ik het ook doen. Het kan niet moeilijk zijn, maar het blijft een uitdaging,’ zei ik nerveus lachend.
‘Het wordt niet makkelijker als je minutenlang met je board boven de rand blijft hangen,’ zei hij goedbedoeld.

Eigenlijk wilde ik even naar de halfpipe om te pompen. Als ik dat deed, dan werd ik vanzelf losser en leek die rand wat minder hoog. Het is allemaal mentaal, maar dat is zo vaak met skateboarden. De halfpipe was bezet en in plaats daarvan ging ik elders in de zaal kickturns doen. Altijd eerst dingen doen die je goed kunt, dan krijg je zelfvertrouwen en kan je je mentaal voorbereiden op dat ene moeilijke trucje waar je tegenaan hikt.

Een kwartier later ging ik terug. Opnieuw hing ik m’n board over de rand. Ik zette m’n achterste voet op de tail. Zover was ik daarnet ook gekomen. Nu zette ik ook voorzichtig, trillend, m’n voorste voet op de nose, m’n knie naar voren gebogen. Het board boog een beetje door, dat was me nooit eerder opgevallen. Het enige dat ik nu moest doen was stampen, maar dat deed ik niet. Weer stond ik minutenlang te dubben. Soms haalde ik m’n voet eraf, dan zette ik die weer terug.

M’n skateboardmaatje kwam naast me staan.
‘Wat is het probleem? De snelheid?,’ vroeg hij.
‘Nee, het is het idee dat ik hier onderuit ga,’ antwoordde ik.
‘Maar je gaat alleen onderuit als je ook denkt dat je onderuit gaat. Je moet denken dat je het kunt,’ zei hij in z’n rol als personal coach. ‘En je kunt het.’
Dat klonk logisch.

Nog steeds stond ik met m’n board op de rand. Ik gebaarde naar een jongen aan de andere kant van de zaal dat ie kon komen.
‘Als je met je board over de rand hangt, denken ze dat je gaat,’ zei hij.
‘Dat snap ik,’ antwoordde ik geïrriteerder dan bedoeld.
‘Ik wijs je alleen maar op de etiquette,’ antwoordde hij.
‘Maar ik denk dat ze wel zien dat het me niet makkelijk afgaat,’ zei ik.

Een oudere man die we al maanden alleen hadden zien skateboarden gebaarde nu ook dat ik wat hem betreft kon gaan. Ik wuifde terug dat hij voor mocht gaan. In al die maanden had ik ‘m nog nooit tegen iemand iets horen zeggen, maar nu reed ie bij me voor langs, kwam naast me staan en zei: ‘Niet nadenken. Gewoon doen.’
Ik knikte.

Ik stond nog een minuut naar m’n board te kijken. In m’n hoofd speelde zich de volgende dialoog af:
‘Kom op Guido, wat is het ergste dat kan gebeuren?’
‘Nou, dat ik iets breek.’
‘Dat heelt wel weer.’
‘Ja, maar ik moet zo nog naar de verjaardag van m’n nichtje.’
‘Je gaat zo boos op jezelf zijn als je het niet doet.’
‘Dat wel.’
‘Nou dan. Doe niet zo moeilijk en stamp op dat ding.’

Ik slikte een keer en zette opnieuw m’n voorste voet op de nose. Daarna stampte ik. Ik stampte hard. Ik stampte met alle overtuiging. Toen landde ik ‘m. Vervolgens schoot m’n board met een rotvaart de zaal in. Ik lag op de grond.

‘Je hebt het gedaan,’ riep m’n personal coach enthousiast. ‘Wacht, ik ga je board halen.’
Ik keek verdwaasd de zaal in, niet wetend waar m’n board ergens was geëindigd.
‘Nog een keer,’ zei ik toen hij terug was en me m’n board gaf.

Ik klom op de rand. Weer stond ik een paar minuten te twijfelen. Net was ik onderuit gegaan, dat zou me niet nog een keer overkomen. Maar net was het me ook gelukt om me over de drempel heen te zetten. Dus dat moest een tweede keer ook lukken. Opnieuw gaf ik een flinke stamp op de nose. Dit keer bleef ik staan, maar terwijl ik met een noodvaart op het rampje af reed besefte ik dat ik volledig verkrampt en in een verkeerde houding op m’n board stond. Ik reed van het rampje af en wist precies wat ging gebeuren: ik werd gelanceerd. Ik vloog voorover en gleed een paar meter over de grond. Instinctief voelde ik meteen of ik niks had gebroken. Dat was niet het geval. Wel had ik een grote schaafwond op m’n onderarm.

Ik stond op, trillend op m’n benen.
‘Het indroppen ging goed,’ zei m’n skateboardmaatje enthousiast.
Ik grijnsde. ‘Ja, nu de rest nog.’

M’n personal coach ging naar huis om naar de Grand Prix van Azerbeidzjan te kijken.
‘Dinsdag weer?,’ vroeg ik, want nu moest ik doorzetten.
Hij antwoordde dat ‘m dat een goed idee leek.
‘Wel met elleboogbeschermers,’ zei ik en keek naar de schaafwond op de rand van m’n onderarm en m’n elleboog.

In de kantine bestelde ik een worstenbroodje. Ik liet de schaafwond aan de jongen achter bar zien.
‘Eerste keer in de hal ingedropt,’ zei ik, niet zonder trots.
Hij keek met een pijnlijk gezicht naar de wond.
‘Het indroppen ging goed. Nu de rest nog,’ lachte ik.

De oudere man die ik voor het eerst iets had horen zeggen kwam naast me zitten. Hij bestelde een biertje en dronk het zwijgend op.

Toen ik even later naar huis fietste voelde ik de schaafwond op m’n arm. Die deed best veel pijn. Maar ik was apetrots.

I did it.

No pain, no gain.

Posted in Skateboarden | Tagged , | Comments Off on Indroppen