Inhammen

Ik noem het inhammen. En nogal grote ook, dus misschien is afritten een betere benaming. Engelsen noemen zoiets een ‘widow’s peak,’ een term die op wikipedia wordt omschreven als ‘a distinct point in the hairline in the center of the forehead.’

Zo lust ik er nog wel een paar. Het gaat me niet om die punt, het gaat om die grote lege plekken links en rechts van dit ‘distinct point’ op het voorhoofd (niet dat het in andere talen beter is, Duitsers hebben het over ‘spitzer Haaransatz’). De verklaring is wel weer mooi; de vorm van de haargroei zou gelijkenissen vertonen met een biquoquet, een hoofddeksel dat in vroeger eeuwen door weduwen werd gedragen tijdens de rouwperiode. En vrouwen bij wie het haar in deze vorm groeide en die nog wel een man hadden, zouden vast snel weduwe worden, zo ging de mare.

Als ik de foto’s van mijn beide grootouders erbij pak, kan ik niet anders concluderen dan dat ik erfelijk ben belast; ook zij hadden geen haar op hun slapen, al heb ik beide mannen enkel gekend toen ze al aardig op leeftijd waren; dan mag het ook. Mijn vader houdt het bij een egaal grijze haardos (die overigens ook langzaam maar zeker dunner wordt), wat mij doet vermoeden dat het inhammengen een generatie overslaat. Ik heb er ook zelf om gevraagd. Zo’n vijftien jaar geleden grapte ik er vaak over als ik bij iets oudere mannen inhammen zag ontstaan. ‘Haha, je wordt al kaal!’ ‘Het valt best mee met mijn inhammen.’ ‘Inhammen? Noem het gerust afritten.’ (Ja, ik ben nu eenmaal erg complimenteus ingesteld.) Natuurlijk hadden ze gelijk toen ze me wezen op m’n eigen uitdunnende haardos, dat zag ik zelf ook wel. Niet dat ik er problemen mee heb, al beginnen de inhammen nu dermate diep te worden dat er een soort eilandje op m’n voorhoofd dreigt te ontstaan. Dat hoeft nu ook weer niet.

Een paar jaar geleden kwam ik op een feestje waar veel fietskoeriers waren. Ik keek eens rond en toen viel het me pas op: allemaal inhammen. Het was op dat moment dat ik mijn theorie bedacht: wie veel fietst, doet dat geregeld tegen de wind in, die wind gaat langs je hoofd af langs je slapen en het kan niet anders of dat moet effect hebben op je haargroei. Ik legde de theorie eens voor aan mijn kapper en die was resoluut: ‘ik denk dat je uit je nek kletst.’

Zin of onzin, keer op keer wordt mijn theorie onderschreven. Zo riep enkele weken geleden een vrouwelijke collega me, terwijl ze het mobieltje van haar buurman omhoog hield en zei dat ze het ‘een vrouwentelefoon’ vond. Ik zei niet te twijfelen aan de mannelijkheid van de desbetreffende collega, niet vanwege het mobieltje, maar vanwege z’n haren. ‘Echte mannen hebben inhammen,’ was mijn slogan. En verrek als het niet waar was; deze collega (die overigens bedenkelijk keek bij mijn opmerking) was tot een paar jaar terug nog professioneel wielrenner.

Het schijnt dat voetballer Wayne Rooney een tijdje terug haar vanuit de ‘lagere regionen’ naar z’n hoofd heeft laten transplanteren, bang dat ie is om vroeg kaal te worden. Watje. Geen wonder dat de Britse media krom van het lachen lagen om zoveel ijdelheid. Rooney zou wat vaker om zich heen moeten kijken op de voetbalvelden want ook daar geldt de regel: echte mannen hebben inhammen. Kijk alleen al naar de Nederlandse toppers: Wesley Sneijder, Arjen Robben, André Ooijer, Anthony Lurling, Rafael van der Vaart. Ze hebben allemaal flinke inhammen, soms zelfs afritten. En wat te denken van Erben Wennemars? Die voetbalt dan niet, maar staat zowat dagelijks op de schaats.

En dat schaatsen doet ie met veel tegenwind. Daar twijfel ik niet aan.

Posted in Mode | Tagged , | 2 Comments

Van oude mensen

‘Eigenlijk zou ik jou een tijdje hier te logeren moeten hebben,’ zei tante Nelly terwijl ze naar me glimlachte. ‘Gewoon, om me wat op te vrolijken.’ Het was 1991, ome Wim was net overleden. Ze woonde in een klein huisje aan de Paul Krügerlaan, maar niet lang daarna vertrok ze naar een aanleunwoning in een verzorgingshuis.

Vanaf die tijd dunde de naaste familie langzaam uit; tante Lisa, tante Tonny, tante Rikie, oma Toos, bij elk overlijden van een Dingen zag ik bij de uitvaart de rij zussen korter worden, totdat enkel tante Tiny en tante Nelly overbleven. Dat was tien jaar geleden.

April 2004 ging de telefoon. Tante Nelly had haar heup gebroken en was direct in het ziekenhuis geopereerd. Mijn ouders waren op vakantie en toen ik mijn vader door de telefoon het nieuws vertelde, schrok hij. ‘Heup gebroken? Dan is het meestal voorbij.’ Dat bleek mee te vallen. Samen met m’n jongste zus ging ik op ziekenbezoek. Het toeval wilde dat tante Toos, een tante aan mijn vaders kant, tevens onze overbuurvrouw, ook in het ziekenhuis was opgenomen; ze was plotseling onwel geworden. We gingen bij beiden op bezoek: tante Toos zat in een stoel naast haar bed een beetje om haar heen te kijken. ‘Nee hoor, ik maak het goed,’ straalde ze uit. Een paar verdiepingen hoger lag tante Nelly in bed nog wat beduusd om zich heen te kijken. ‘Was u er zo bijna tussenuit geknepen,’ zei een kennis.

Enkele dagen later overleed tante Toos. Tante Nelly keerde terug naar het verzorgingshuis.

Ze was toen 90. ‘Die kan nog wel tien jaar mee,’ zei ik. En inderdaad, iedere 25ste juli kwam er een jaartje bij. En elke verjaardag werd ze wat minder: het gehoor ging achteruit, lopen ging steeds moeilijker en ze was wel erg vaak verstrooid. Maar aan de andere kant: aan een slecht gehoor, moeilijke knieën en verstrooidheid is nog nooit iemand overleden. En, ook niet onbelangrijk, tante Nelly bleef een opgeruimde persoonlijkheid met wie je op momenten goed kon lachen. Toen ze eens een kijkje ging nemen naar het verbouwde huis van een nichtje, het huis nogal minimalistisch bleek ingericht en m’n moeder na afloop aan ‘r vroeg wat ze er van vond, antwoordde ze ‘wel mooi, maar wanneer komen de meubels?’  en als ze een nieuwe buurman of buurvrouw in het verzorgingshuis kreeg waarvan ze niet dacht dat die een lang leven was beschoren, sprak ze misprijzend ‘nee, dat is geen blijvertje.’

Toch begon ik steeds meer te twijfelen of ze die 100 zou halen. Het was natuurlijk een onzinnige uitspraak geweest maar de familie die ze had – haar enige (stief)dochter woonde al decennialang in Amerika en kwam elke paar jaar over – butste haar elke verjaardag op: ‘je moet wel de honderd halen he?’ Toen ze 97 werd en tegen mijn moeder zei ‘dat het toch wat is om 90 te worden’ zei mijn moeder ‘maar tante Nelly, u bent al 97, u gaat richting de 100.’ ’100? Nee, dat hoop ik toch niet.’

Twee jaar geleden overleed tante Tiny, haar laatst overgebleven zus. Na de uitvaart stond ik voor de kerk afscheid te nemen van tante Tiny’s zoon en zijn vrouw. Toen ik haar drie zoenen gaf, keek tante Nelly van achter haar rollator verontwaardigd toe en riep ze naar me. ‘Heej, en ik dan?’ ‘O, maar u krijgt ook drie zoenen hoor tante Nelly.’ En op haar 98ste verjaardag, vorig jaar, had ze haar advocaatje zo snel achterover gewerkt dat het op was voordat er getoost kon worden. Het enige wat ze nog had staan, was een glas water. Onbespreekbaar voor tante Nelly. ‘Toosten met water, dat kan toch niet?’

Vrijdag 13 januari brak ze opnieuw haar heup en werd ze allengs in het ziekenhuis geopereerd. Een paar dagen later stond ik naast haar ziekenhuisbed. Ze sliep. Naast het bed stond een foto van ‘r die ik een paar maanden eerder had gemaakt. Ze was geïnterviewd voor het jubileumboek van DELA, omdat ze in 1937 één van de eerste leden was geweest. Er was een fotografe langs geweest en omdat ze zo knap was opgemaakt, had ook ik enkele foto’s gemaakt. Mijn moeder had de foto er neer gezet. ‘Dan zien de mensen tenminste hoe ze er eigenlijk uit moet zien,’ vond ze, want zo in het bed zonder bril en met haar mond half open leek het niet veel. De naaste familie ((achter)neven- en nichten) overlegde over hoe het verder zou moeten. Ze moest naar een verzorgingshuis, zoveel was duidelijk.

Begin deze week verhuisde tante Nelly naar Peppelrode. Een dag later ging de telefoon. Het ging niet goed met ‘r. Ze had dinsdag nog wat pap gegeten, maar was daarna in een diepe slaap gegleden. Sindsdien werd er dag en nacht bij haar gewaakt.

Gisteravond ging ik kijken naar tante Nelly. Ze lag op haar zij en ademde regelmatig. Haar mond hing open. ‘Kijk eens naar dat adertje in haar nek. Dat blijft zo mooi regelmatig doorkloppen,’ zei mijn moeder. ‘Ik vind het ongelofelijk,’ vervolgde ze. Alles bleef het inderdaad doen, ondanks dat ze vier dagen niets meer had gegeten of gedronken. Maar als je 98 wordt, dan ben je van goede komaf; de organen hebben het al die jaren volgehouden, die geven het nu ook niet zomaar op. Als ze die stomme heup niet had gebroken, had ze vermoedelijk nog jaren meegekund. Mijn moeder vroeg zich hardop af of tante Nelly niet het vrouwtje zou worden ‘dat maar niet doodging’ en er moest overlegd worden wie komende week bij haar zouden waken. Bij het afscheid nemen gaf ik tante Nelly een kusje op de slaap, omdat ze er zo op gesteld was geweest.

Vanmorgen belde mijn moeder naar het verzorgingshuis. Tante Nelly was onrustig gaan ademhalen. Een kwartier later was ze overleden.

Posted in Overig | Tagged | 3 Comments

Woeste hoogten

Ooit las ik voor mijn boekenlijst Emily Brontë’s Wuthering Heights. Een kluif van een boek, maar indrukwekkend, al kan ik me tegenwoordig niet veel meer herinneren dan dat het ging over Catherine en Heathcliff, dat het zich afspeelt op de Moors in het noorden van Engeland en dat het een kil en rauw boek is (misschien komt deze beperkte kennis ook door de Top 2000 klassieker van Kate Bush met dezelfde titel). Blijkbaar zijn er door de jaren heen nogal wat verfilmingen geweest waarin dat laatste aspect naar de achtergrond is verdwenen, zo bleek uit de Big Talk die voorafging aan de vertoning in het Luxor Theater. Toen de interviewer regisseur Andrea Arnold vroeg waar de grote, statige landhuizen waren, moest ze hem teleurstellen; dit moet de perceptie van de lezer zijn geweest, want in heel het boek komen geen grote landhuizen voor. Wuthering Heights is de naam van een kleine boerderij, gelegen bovenop een heuvel in een kaal landschap waar het altijd lijkt te regenen en waar een stormachtige relatie ontstaat tussen dochter des huizes Catherine en de door de familie in het gezin opgenomen zwerversjongen Heathcliff.

Vandaar ook dat bij de verfilming de wind, modder, regen en alle andere ontberingen in eerste instantie een verrassing zijn. Het is een rauw boek en dus krijg je een rauwe verfilming, zo moet Arnold gedacht hebben (dat de halve zaal regelmatig aan het hoesten of kuchen was, werkte ook sfeerverhogend). Ik heb de andere adaptaties van Wuthering Heights nooit gezien, maar deze versie komt wel het dichtst bij hoe ik mij het boek herinner: barstensvol lust, passie, gekmakend verlangen, geweld en sm (nu, dat laatste herinner ik me niet, maar dat vindt Arnold. Misschien beschouwt ze de afranselingen die de jonge Heathcliff geregeld moet ondergaan als sadomasochistisch). Nee, Wuthering Heights is geen übertruttige film als Pride and Prejudice of Middlemarch.

De regisseur vertelde voorafgaand aan de film dat ze ooit had gezworen nooit een boek te verfilmen en een vriend had haar voor gek verklaard: ‘dan ga je een boek verfilmen en dan ook nog eens Wuthering Heights.’ Maar Arnold is rigoureus te werk gegaan met haar versie met veel sfeerbeelden en weinig dialoog; de tweede helft van het boek heeft ze zelfs volledig weggelaten. Dat lijkt wat cru maar het werkt wel, omdat de tweede helft handelt over de ontwikkelingen tussen de kinderen van Catherine en Heathcliff. Niettemin liet Arnold weten de film ‘te haten,’ om er vlug aan toe te voegen al haar films te haten. ‘Maar deze het meest.’

Van de vier films die ik gisteren op het Internationaal Filmfestival Rotterdam zag, zal Wuthering Heights me door die rauwheid het meeste bijblijven, al maakte de film Weekend eveneens veel indruk. Het verhaal gaat over Russell die in een homoclub Glen ontmoet en ook al is het idee dat het een one night stand zou moeten blijven, er begint iets te groeien tussen de twee. Het zijn elkaars tegenpolen; Russell is een verlegen jongen en Glen is een flapuit; als hij ‘s morgens iets in het park voor het sfeerloze flatgebouw ziet gebeuren, roept ie dat ze daar mee moeten kappen: ‘anders ga ik je in de kont nemen.’ Russell reageert geschokt: ‘wat als hier straks een baksteen door de ruit vliegt?’ ‘Kom op, je woont op de veertiende verdieping.’

Met dat soort terzijdes is Weekend een komische maar ook ontroerende film. Met nogal wat seksscènes waarbij het sperma soms (letterlijk) in het rond vliegt. Als argeloze toeschouwer valt je dat nogal rauw op het dak, maar het zou jammer zijn dat hierdoor de indruk ontstaat dat het een typische homofilm is, omdat de gevoelens van de hoofdpersonen universeel zijn; zo zit er een rake dialoog in de film over de discrepantie tussen wie je bent en wie je zou willen zijn. Dat leek ook de consensus bij de bezoekers te zijn, want ik heb niemand zien weglopen die het allemaal te ver vond gaan en de film staat hoog in de lijst van publieksfavorieten. Overigens zouden juist bezoekers die geschokt zouden zijn door het zien van twee vrijende mannen Weekend moeten zien; zo spectaculair is het nu ook weer niet.

Ik zag dit jaar niet echt slechte films. Ja, The Day He Arrives is de zoveelste overschatte Aziatische film met een aardig verhaal (een soort Zuid-Koreaanse Groundhog Day) maar een matige regie en niet al te best acteerwerk. Maar zo wanstaltig slecht als de Sri Lankaanse snikkelafsnijdersfilm Flying Fish die ik vorig jaar zag werd het nergens.

De eerste film van de dag was zelfs heel aardig. The Great Northwest is een mooie documentaire waarin regisseur Matt McCormick de reis reconstrueert die vier dames in 1958 door het noordwesten van de Verenigde Staten maakten. Met als basis het plakboek van de reis dat ie vond in een kringloopwinkel maakt hij dezelfde reis en ziet hoezeer de regio is veranderd. Dat is een aardig uitgangspunt, de film heeft een goed ritme en er zitten enkele mooie scènes in (die met Boris the Moose is geestig en ook het filmen van de toeschouwers bij Old Faithful, de geiser in Yellowstone National Park, is een klassieker), maar echt duidelijke keuzes maakt McCormick niet. Is de film bedoeld als reisverslag? Als documentaire? Als pamflet? Als trip down memory lane? Het geeft niet, omdat het mooie plaatjes oplevert, maar was ik tijdens mijn studie met een soortgelijke radiodocumentaire aan komen zetten, dan had mijn mentor me terug naar de montageruimte gestuurd.

Posted in Film | Tagged , , , , | Comments Off

Pop Media Prijs

De DWDD Recordings heeft de Pop Media Prijs 2011 gewonnen. Toegegeven, ik was in eerste instantie nogal verbaasd toen ik dit nieuws las. Ik wist niet dat een serie programma-items, aangevuld met een concert en een dubbel-cd voldoende zou zijn om de prestigieuze Pop Media Prijs te winnen, maar soit (ik was zelfs nog in de veronderstelling dat de prijs de Pop Pers Prijs heette, maar die naam is al in 2007 gewijzigd naar de huidige naam). Ik heb wel wat problemen met de DWDD Recordings. Omdat het volstrekt niet origineel is om liedjes volledig uit te kleden tot hun kale essentie; Johnny Cash deed het, en hij deed het bovendien veel beter. Bij De Wereld Draait Door zijn ze zelf de eerste om het toe te geven (‘nee, we weten dat we niet origineel zijn’) maar waarom haal je dan bij iedere nieuwe artiest die aanschuift een fragment van de Man In Black van stal? Inmiddels is de status van de DWDD Recordings dermate groot dat iedere zichzelf respecterende Nederlandse artiest toch al een keer is aangeschoven; van Elle Bandita tot Saskia & Serge en van GEM tot Jan Smit. Met wisselend succes (afgelopen week zag ik Maurits Westerik van GEM die een weergaloze cover deed van Guns Of Brixton, zijn buurman Guus Meeuwis’ Springsteen-cover No Surrender kwam minder goed uit de verf), maar dat maakt het ook wel weer leuk.

Volgens NRC Handelsblad was de DWDD Recordings een outsider naast de twee andere genomineerden: Atze de Vrieze (3voor12) en Willem Bemboom (OOR). Over De Vrieze zal ik niet al te flauw doen. De man schrijft voor 3voor12, met gemak de meest gebruiksonvriendelijke website van Nederland (vermoedelijk wereldwijd), daar kan zelfs een recente restyling niets aan veranderen (maar het is van de VPRO, dus wel weer heel artistiek verantwoord) en hij moet ook nog werken terwijl hij uitkijkt op de lelijkste plek van Hilversum en omstreken: het Mediapark. Als je dan nog in staat bent tot het schrijven van aardige achtergrondverhalen, interviews en recensies, ben je een grote jongen en verdien je een aanmoedigingsprijs. Tegelijkertijd ben ik bij De Vrieze nog geen schokkende vergezichten of ongekend originele nieuwe invalshoeken tegengekomen. Gedegen muziekjournalistiek, al is dat vandaag de dag al heel wat.

Komen we bij Willem Bemboom. Ik denk dat negentig procent van muziekminnend Nederland zal denken: Willem wie? En dat kan ik mij voorstellen. Bemboom schrijft namelijk voor OOR. U weet wel, dat blad dat jarenlang gold als het enige redelijke muziekblad van Nederland en dat zichzelf ‘toonaangevend’ vond; een term die ze al lang geleden van hun cover hebben verwijderd en dat is dan wel weer ‘veelzeggend’. Tegenwoordig leidt het blad een zieltogend bestaan en is het aan alle kanten ingehaald door nieuwe media. En het ergste is: het blad lijdt aan het oude jenever syndroom. En dat is een ernstige ziekte voor een blad. Zoals het Meisje van de Slijterij me ooit vertelde ‘bij elke rouwadvertentie die ik lees van een vaste klant die oude jenever bij me kocht, weet ik ‘ik kan weer een fles minder inkopen.” Met andere woorden: er komen geen nieuwe abonnees bij. De mensen die het blad nog wel lezen gaan vanzelf wel dood of vergeten hun abonnement op te zeggen (zie ondergetekende).

Ooit heb ik Bemboom gezien. Dat was in 2008, toen ik Kaiser Chiefs interviewde. Het was in een cafeetje achter de Melkweg in Amsterdam. Ik schreef toen op mijn blog dat ik vond dat hij zich wel erg inlikte bij de dame van de platenmaatschappij door keer op keer te herhalen hoe goed hij de nieuwe cd Off With Their Heads vond:

“De journalist van de Oor is sowieso nogal een slijmbal. Die roept tegen de persdame dingen als ‘oh, het is zó’n goede cd! Ik heb ‘m heel het weekend wel tachtig keer gedraaid!’ Guidje zit daar aan de bar verbaasd te kijken: ‘yeah right. Dat kan niet eens, want die cd duurt 37 minuten en dan moet jij niet geslapen hebben dit weekend.’”

Het mooie is dat ik achteraf nog wat gezeik heb gehad met dat blogje. De dame van Universal was not amused en trok aan de bel bij een medewerker van KindaMuzik. Hoe ze op mijn blog terecht zijn gekomen (drie lezers, en dan rond ik nog naar boven af) is mij een raadsel en waarom ze dan direct naar de leiding van KindaMuzik stappen en mij niet rechtstreeks benaderen als ze bezwaren hebben tegen iets dat ik op mijn eigen blog heb geschreven een nog groter vraagstuk, maar ze vond het nodig om het voor Bemboom op te nemen. Dat is dan nog de allergrootste vraag, al weet de vaste lezer van OOR wel ongeveer hoe het zit. Kort samengevat komt het erop neer dat het blad al jaren geen enkel kritisch woord meer durft te schrijven over welk bandje dan ook, omdat ze bang zijn dat de grote platenmaatschappijen dan geen promo cd’tjes meer sturen en geen interviews voor ze regelen. En laat ik Bemboom al jaren als de meest prominente vertegenwoordiger van dit kritiekloze geschrijf zien (het was al een verrassing dat ie echt bestaat. Af en toe spookte de gedachte door mijn hoofd dat het een pseudoniem was van de Gezamenlijke Nederlandse Platenmaatschappijen). Hem nomineren voor de Pop Media Prijs is dus een gotspe.

Het probleem is: Nederland stelt op muziekjournalistiek vlak geen ruk voor. Het is hobbyisme. Goed bedoeld hobbyisme, van liefhebbers die gek zijn op een bepaalde muzieksoort of dat ene bandje en dat dolgraag met hun lieve lezertjes willen delen, maar we kennen in Nederland geen schrijvers die ook maar in de buurt van de status van Simon Reynolds of Nick Hornby komen. In België heb je nog Serge Simonart, maar die man heeft een dermate groot ego dat ie niet eens door de ingang van de Oosterpoort zou passen. Je kan er in Nederland ook niet van leven, tenzij je Leo Blokhuis of Leon Verdonschot heet. Een bijkomend probleem is dat je de Pop Media Prijs maar één keer kan winnen. Dan kan je als organisatie nog wel zo behendig zijn door in plaats van 3voor12 (de site heeft de prijs al in 2002 gewonnen) nu een prominent schrijver van die site te nomineren, het blijft behelpen.

Ter illustratie: toen een paar jaar terug KindaMuzik op de longlist stond, heb ik daar uiteraard even op gestemd. Als eigen keus voegde ik toen David Kleijwegt (Vrij Nederland) toe, die ik toch beschouw als een van de beste popjournalisten die we in Nederland hebben. Wist ik veel dat ie de prijs al in 1996 had gewonnen.

Posted in Media, Muziek | Tagged , , | 2 Comments

Twitterjournalistiek

Maandagavond photoshopte Sander van de Pavert, de man achter Lucky TV, koningin Beatrix tot een blote dame (met hangtieten) die tussen de Papoea’s stond, daarmee de non-discussie over het al dan niet dragen van hoofdbedekking door koningin Beatrix in Oman nog onzinniger makend. Dat is altijd goed. Een discussie die nergens over gaat kan je het beste in het ridicule trekken, dan ben je er zo snel mogelijk vanaf. Dat de Grote Geblondeerde Leider weer es schitterde door afwezigheid, maar wel een stinkbom tussen het vaderlandse journaille gooide door zijn collega-bruinhemden op pad te sturen met de zoveelste kulkamervragen, dit keer dan over die o zo stoute vorstin die niet alleen lid is geworden van GroenLinks maar godbetert ook nog tolerant is tegenover andersgelovigen – Het Moet Toch Niet Gekker Worden. Enfin, we zullen dat dit keer maar buiten beschouwing laten, want Nederlandse journalisten geilen nu eenmaal op hypes.

Het mooie is dat bij het altijd zo correcte De Wereld Draait Door, waar ze een maand geleden nog verontwaardigd waren over een hek dat wel enige gelijkenissen met het hek van een niet nader te noemen Duits concentratiekamp zou kunnen vertonen, nu wordt gegniffeld om alle reacties die het korte filmpje teweeg heeft gebracht. Althans, er is weer een ander onzinnig relletje waar achteraan kan worden gerend. Nouja, gerénd. Het komt er eigenlijk op neer dat op Twitter wat enthousiaste en verontwaardigde reacties bij elkaar worden geharkt (dat is niet meer dan zoeken op de hashtag van De Wereld Draait Door (#DWDD)) en je een stukje typt over de ‘hevige discussie’ die op Twitter is losgebarsten en klaar ben je. Weer een artikel af. En het mooie is: al die tweets zijn maximaal 160 tekens, dus je hoeft ook niet bang te zijn voor lange citaten of genuanceerde meningen; daar leent zo’n kort stukje tekst zich toch niet voor.

Een paar jaar geleden kon ik me ergeren aan journalisten die op een doordeweekse dag naar de Dappermarkt gaan om daar aan Gewone Nederlanders te vragen wat zij nu vinden van de eurocrisis. Of de islamitische medemens. Of de hypotheekrenteaftrek. Niks geen geleerde mensen meer, dat zijn toch maar irritante en elitaire talking heads, maar Gewoone Menschen. Hoe gewoon mensen zijn die op een doordeweekse dag ‘s morgens op een markt rondstruinen, die vraag wordt niet gesteld; het gaat erom dat je weer een mooi voxpopje hebt. Eigenlijk is dit soort Twitterjournalistiek nog een graadje erger. Met die straatinterviews had je tenminste nog de illusie dat de journalist in kwestie door weer en wind de straat op was gegaan om wat citaten te verzamelen. Nu komt ie niet eens z’n luie stoel meer uit en zoekt op Twitter wat fijne oneliners bij elkaar.

Journalistiek. Wat een vak. Waar hebben we het aan verdiend.

Posted in Media | Tagged , | Comments Off

Mart

Mart is dood.

Toen ik jaren geleden bij het huidige Studio 040 begon als vrijwilliger, had ik mijn vaste stek op de zondagmiddag. Jacky, de presentatrice van het programma waar ik aan meewerkte, kende Mart van een studentenprogramma dat ze samen op donderdagavond presenteerden. Ik schreef toen voor de PopEye, een lokaal muziekblaadje en Mart presenteerde op vrijdagavond een muziekprogramma met veel muziek van lokale bandjes. Ik moest eens langskomen tijdens de uitzending, zo vond Jacky. Of Mart, daar wil ik vanaf zijn.

Een tijdlang ging ik na de maandelijkse redactievergadering van PopEye steevast langs bij 10 PM FM, Marts programma. En elke keer stonden er twee gigantische boodschappentassen van Albert Heijn op de vensterbank, vol met demo’s en cd’s van lokale bandjes. ‘Mag ik eens kijken?’ vroeg ik dan en vervolgens haalde ik de stapels ondersteboven, af en toe een hoesje omhoog houdend, vragend wat het was of om te horen wat hij er nu precies van vond. Muzikaal hadden we veel raakvlakken, al scheelden we bijna twintig jaar.

Een keer bekende ik dat Roxette mijn jeugdliefde was geweest en dat ik, als ik dat iemand vertelde, standaard als wedervraag kreeg ‘dan hou je zeker ook van Toto?’ Ik vertelde Mart dat ik die vraag niet begreep, omdat ik weliswaar gek op Roxette was, maar Toto niet uit kon staan. ‘Maar de muziek van Roxette is niet af,’ vertelde Mart. ‘Toto is wel af.’ Misschien kon ik ze daarom niet velen; het was me te glad. Een andere keer kwam Oasis ter sprake, omdat ik gek op Britpop was. ‘Oasis verbergt z’n muzikaliteit onder een dikke laag van gitaren,’ zo vond Mart. Als hij had gehoopt er een discussie van te maken dan waren we snel klaar, want ik was het met ‘m eens. Niet dat ik Oasis daarom heel slecht vond, want ik heb het nog jarenlang een prima bandje gevonden.

Het leukste was het om anekdotes uit te wisselen. Over die ene keer dat hij Smalltown Romeos, een lokaal roots duo te gast had gehad en ze live een liedje hadden gespeeld. De platenmaatschappij had verzocht om de opname als b-kantje voor een single te gebruiken, of dat mocht? Mart vertelde over de zijns inziens schier oneindige reeks paperassen die hij diende te tekenen voor het allemaal was geregeld. Of die ene keer dat Armand te gast was geweest en de ene na de andere joint was opgestoken; de lucht had nog dagenlang in de studio gehangen. En we tipten bandjes; ik zag wel eens iemand optreden in Pop-Ei, hij hoorde wel eens iets. Zo kwam hij aan leuke live optredens op de radio en leerde ik goede bands kennen die ik kon interviewen voor de PopEye.

Eind 2003 was er een door de omroep georganiseerd etentje. Ik praatte een tijdje met Mart. Ik werd indertijd per post met de dood bedreigd en recentelijk was er ook een dreigbrief naar een van mijn zussen gestuurd. Omdat we een vermoeden hadden wie de dader was, had mijn zus een val gezet. Het was haar opgevallen dat de bedreiger een stomme fout in de postcode op de envelop had gemaakt en ze besloot onze eerste verdachte een kerstkaart te sturen. Hij zou een kaart terug moeten sturen en dat zou hij dan vermoedelijk met dezelfde foute postcode doen. Het lukte. Ik vertelde Mart het verhaal en hij lachte. Om de geslepenheid van mijn zus om de val uit te zetten en om de domheid van de dader; die was hierna snel opgepakt.

Het was de laatste keer dat ik Mart heb gesproken. Niet lang daarna werd ik ‘s morgens gebeld door Jacky. ‘Mart heeft een hersenbloeding gehad.’ Haar stem brak. ‘Ze weten niet of hij het gaat redden.’

Mart overleefde het, maar daar was alles mee gezegd. Jacky was echter hoopvol, ze vond dat ik eens mee moest gaan naar Dommelhoef, waar hij werd verzorgd. Als ik maar tegen Mart over Eindhovense bandjes praatte, dat zou ‘m vast goed doen. Ik zat naast de elektrische rolstoel en zag Mart liggen. Hij kon niet communiceren en schudde enkel spastisch met z’n hoofd, terwijl een buisje vocht weg zoog uit de hoek van z’n mond. Ik denk dat hij kwijlde. Ik dacht na over wat ik tegen ‘m moest zeggen. Over de cd van Gifkip? Of het recente optreden van Gazpacho? Over Emotional Elvis, een band waarvan de zanger had aangeboden een benefietconcert voor Mart te organiseren? De moed zakte me in de schoenen. Al het nieuws van het Eindhovense muziekfront leek me triviaal. Als het al tot ‘m doordrong, zou hij er dan wel mee geconfronteerd willen worden?

Het is bij dat ene bezoek gebleven.

Jacky wilde graag dat ik Marts programma overnam. Desnoods stopte ik met haar programma op zondagmiddag, zodat ik al mijn tijd in 10 PM FM kon steken. Ik paste ervoor. Mijn studie wilde niet vlotten en ik zag het niet zitten de verantwoordelijkheid te dragen om elke week een programma samen te stellen. Maar een tijdje als invaller presenteren, dat kon ik wel opbrengen. Af en toe vertelde Jacky over Mart. Dat het langzaam beter ging en dat ze het idee had dat als hij op deze weg door zou gaan, hij misschien wel iets voor ons programma kon doen. Hij kon iets over een nieuwe cd vertellen. Hoe, daar had ze niet over nagedacht. Misschien kon Mart iets typen of dicteren en dat ik het kon voorlezen? Ik zei dat ik er graag aan mee zou helpen, als de tijd daar was.

Eind vorig jaar is Mart overleden. Waaraan weet ik niet, dat wist Jacky ook niet te melden. Ze stuurde me enkel een sms’je met de mededeling.

Waarom moet iemand na een hersenbloeding nog acht jaar als een kasplantje doorleven? Welk nut heeft het gehad dat Mart al die tijd in een rolstoel heeft gezeten, niet in staat om iets te doen, terwijl z’n ouders er alles aan deden z’n leven nog een beetje draaglijk te maken? Waarom moet iemand jarenlang revalideren, elke dag een minuscuul klein stukje vooruit, om na acht jaar alsnog te overlijden?

Posted in Overig | Comments Off

Film 2011

Dit jaar verscheen Simon Reynolds’ boek Retromania, over de obsessie van muzikanten, muziekcritici en andere ‘experts’ uit de bizniz met het eigen verleden en het recyclen en uitmelken van eerdere successen. Iets soortgelijks is in de filmwereld al jaren aan de gang: Pirates of the Caribbean: On Stranger Tides, Kung Fu Panda 2, New Kids Nitro, Cars 2, Scream 4, The Hangover Part II, Paranormal Activity 3, Fast Five, Transformers: Dark of the Moon, Final Destination 5, et cetera. Natuurlijk, sequels zijn al jaren de levensader van de filmindustrie (in de Top 10 van films die in 2011 wereldwijd het meeste geld hebben opgebracht staan zeven sequels), je weet als geldschieter immers dat er sowieso publiek naar toe gaat, maar het wordt inmiddels wel wat veel, zeker als je de ‘waargebeurde verhalen’, boekverfilmingen, spin-offs en remakes (Tinker Tailor Soldier Spy, True Grit, 127 Hours, Puss In Boots) er bij optelt.

Juist bij die remakes zaten dit jaar overigens wel mooie exemplaren. Tinker Tailor Soldier Spy was uiterst stijlvol én sfeervol en een mooi voorbeeld van een spannende film waarin niet elk verhaallijntje nadrukkelijk wordt uitgelegd. Het is wel prettig om als kijker eens niet als infantiel te worden behandeld. Een andere remake, die een onverwachte blockbuster bleek te zijn, was de gebroeders Coens adaptatie van True Grit. Een film die me aanvankelijk wat tegenviel omdat ze niet bol stond van de typische droogkomische humor waar de broers patent op lijken te hebben, maar een tweede draaibeurt op dvd beviel wel degelijk, al was het maar vanwege de meegeleverde ‘making of’. Daaruit bleken enkele medewerkers van de crew dagenlang bezig te zijn geweest om blaadjes handmatig van de bomen te verwijderen om het stadje in de film een winterse aanblik te geven. Tot slot had Woody Allen een onverwachte hit met Midnight In Paris, al was de film typisch Allen: enkel wordt het jonge, miskende genie vol zelfbeklag en met allerlei relationele problemen niet langer door Allen zelf gespeeld, maar Owen Wilson kan er prima mee door. Toch had ik het idee dat de regisseur niet alles uit het script heeft gehaald; terwijl ik in de bioscoopzaal zat, kon ik zo nog wel een paar leuke grappen bedenken.

Tussen alle remakes, sequels en boekverfilmingen zaten zowaar nog enkele persoonlijke favorieten. Hieronder mijn top-5 van filmjaar 2011.

5. 127 Hours (Danny Boyle)

Slumdog Millionaire was een kleurrijke en spetterende onderneming, een feest voor oog en oor van bijna twee uur die ook nog eens legio prijzen in de wacht wist te slepen. Dat succes overtreffen is schier onmogelijk, zo moet regisseur Danny Boyle hebben gedacht, en dus is 127 Hours een stuk bescheidener. Zo lijkt het tenminste, omdat het verhaal van een man die met z’n hand klem komt te zitten onder een rotsblok midden in een canyon en om te overleven uiteindelijk is gedwongen z’n hand af te zagen niet klinkt als een feestje. Feestelijk is 127 Hours niet, wel heeft Boyle alle registers open getrokken met geweldige natuurshots, pompende muziek, (toegegeven, iets te zoetsappige) flashbacks en splitscreens. En dan heeft de regisseur ook nog eens besloten om de climax te ondersteunen door muziek van Sigur Rós. De film, die net meer dan anderhalf uur duurt, raast voorbij in een moordend tempo. De medewerker van Plaza Futura had het ook al beloofd toen hij de film aankondigde. ‘U gaat zo kijken naar de film 127 Hours. Hij duurt wat korter, de film is rond 23.25 uur afgelopen.’

4. The Artist (Michel Hazanavicius)

Vooraf is het een weinig aanlokkelijke premisse: een stomme zwart-wit film van bijna honderd minuten. Ooit zag ik Nosferatu, een klassieker uit 1922 van F.W. Murnau en hoe sfeervol en bewonderenswaardig de film ook moge zijn, het was ook een lange zit. Gelukkig is The Artist een typische feel good movie met veel humor die slim genoeg is gemaakt om vrijwel de volledige honderd minuten te boeien. Het verhaaltje is simpel: George Valentin, een acteur uit stomme films, wil niet meewerken aan de nieuwste hype van de ‘talkies’ en raakt aan lager wal. De tussentitels, zo bekend uit de tijd van de stomme film, komen slechts sporadisch in beeld; Hazanavicius heeft haarfijn aangevoeld wanneer deze iets toevoegen, vaker zijn de gezichtsuitdrukkingen van hoofdrolspelers Jean Dujardin en Bérénice Bejo meer dan genoeg. Misschien is wel de mooiste rol weggelegd voor het hondje van Valentin, een olijk ogende Jack Russell terriër die boven alles hondstrouw is aan z’n baasje. In het echt heet hij Uggie en op het filmfestival van Cannes won The Artist dankzij zijn optreden de ludieke Palm Dog Award. Inmiddels is er een campagne opgezet om Uggie een Oscarnominatie te bezorgen: Consider Uggie.

3. Somewhere (Sofia Coppola)

Ik geloof dat Somewhere bij het IFFR van vorig jaar buiten de top-100 van publieksfavorieten is geëindigd. Onbegrijpelijk, want ik vind Somewhere één van de meest ontroerende films die ik dit jaar zag. Hoofdpersoon Johnny Marco is een verveelde acteur die zich van feest naar feest sleept, vrouwen, pillen en drank verslindt en ineens een tijdje op z’n dochtertje moet passen. Dat klinkt als een obligaat verhaal maar niemand kan oppervlakkigheid, leegheid, decadentie en narcisme zo mooi verbeelden als Coppola. Ze doet dit met extreem lange shots, zoals in de opening, als een auto minutenlang het beeld in en uit rijdt, en weinig dialoog: er wordt pas na dertien minuten voor het eerst gesproken. Maar áls er iets wordt gezegd, is het wel meteen raak: ‘wil je iets drinken?’ “Ik hoef niets te drinken.” ‘Koffie of water?’ Misschien is het probleem dat Coppola nog meer dan in voorganger Marie Antoinette een verzameling tableaus heeft gecreëerd waarin het verhaal van ondergeschikt belang is. Dat vergt aandacht en inlevingsvermogen van de kijker en Marco is niet de meest sympathieke figuur. Maar juist daarom heb ik een zwak voor ‘m.

2. Black Swan (Darren Aronofsky)

Het is mijn overtuiging dat films waarvan je vooraf het minste verwacht, je soms het meest kunnen verrassen. Eind maart was ik in Londen en ik wilde naar de bioscoop. Het liefste was ik naar de horrorfilm Wake Wood gegaan, de comeback van de Britse filmmakers van Hammer Horror, maar die draaide op een onmogelijk tijdstip. Over Black Swan had ik veel gehoord en het verhaal trok me niet. De film leek me pretentieus (ik heb Aronofsky’s Requiem For A Dream ondanks meerdere pogingen nog niet uit kunnen zitten) en ballet houdt me niet bepaald bezig. Natuurlijk had ik het fout. Black Swan is een ronduit akelige film over de balletdanseres Nina Sayers die ten koste van alles de ultieme balletrol van zwarte zwaan wil krijgen. Een film waarbij ik geregeld op het puntje van m’n stoel zat en het van schrik uitriep; het overige publiek in de vrij lege zaal moet af en toe opgekeken hebben. Een film als een akelige droom of, misschien toepasselijker, een psychose. Ik heb Wake Wood nog niet gezien, maar de film kan nooit zo eng zijn als Black Swan.

1. Drive (Nicolas Winding Refn)

Drive is de coolste film van 2011. Een film die genres als actie, drama en film noir overstijgt door alles ogenschijnlijk klakkeloos door elkaar te mixen, iets dat wonderwel werkt. Met de beste openingsscène: een minutenlange, bloedstollende achtervolging door de nachtelijke straten van Los Angeles én met de beste soundtrack: ultrahippe electro die meer eighties klinkt dan de muziek die in dat decennium is gemaakt. Daarmee is Drive uiterst sfeervol maar de film is ook extreem gewelddadig. Het is die tegenstelling tussen de rustgevende synthesizerklanken die je hoort als de naamloze hoofdpersoon achter het stuur zit en de absoluut niet fijnzinnige geweldsexplosies die je als een mokerslag in het gezicht slaan die beangstigt. Het verhaal van een stuntman en automonteur die ‘s nachts bijbeunt door bij overvallen de vluchtauto te besturen en (al dan niet tegen z’n wil) in allerlei maffiose praktijken terecht komt is van ondergeschikt belang. Nee, het meest enge is de door Ryan Gosling gespeelde en weinig spraakzame hoofdpersoon. Je weet dat ie deugt en het hart op de juiste plaats heeft, maar hoe kan ie dan het ene moment zo liefdevol naar z’n buurvrouw en haar zoontje staren en het andere moment iemand volledig verrot schoppen?

Posted in Film, Lijstjes | Tagged , , , , , | Comments Off

Looking at things

Bij het heengaan van de Geliefde Leider, vorige week, werd er in een necrologie aan gerefereerd: Kim Jong-Il zou een fotoblog hebben gehad, eenvoudigweg getiteld Kim Jong-Il Looking At Things. Een paar dagen terug kreeg ik de link via Feesboek toegestuurd en inmiddels ben ik hogelijk gefascineerd door deze pagina op tumblr. Een eindeloze reeks pagina’s met daarop foto’s van Kim Jong-Il die naar dingen kijkt (de naam gaf het eigenlijk al weg). De Engelse toelichting is in z’n klungeligheid al erg geestig: ‘the dear leader liked to look at things. Updated every other day and sometimes on the weekends too.’ Kim Jong-Il kijkt naar bergen. Naar een ei. Naar rollen toiletpapier. Naar een pilaar. Naar een vis. Naar een deur (een persoonlijke favoriet). Zien is geloven, maar dat is bij wel meer dictaturen zo.

De belangrijkste vraag is: is het echt of een parodie? Tumblr is natuurlijk reuze hip en dat had ik niet achter Kim Jong-Il gezocht; aan de man is toch elke vorm van mode sinds de jaren zeventig voorbij gegaan (zelfs mijn quizgenoten gaan hipper gekleed). Een voordeel van Tumblr is wel dat je enkel foto’s kan sharen of liken (disliken kan niet, iets dat de vader aller Koreanen ongetwijfeld moet hebben bevallen). Een bijkomend voordeel hiervan is dat je per foto kan zien wat populair is. Kim Jong-Il die naar een assemblagelijn kijkt: 194 ‘notes’, de verzamelnaam voor ‘likes’ en ‘shares.’ Een matige score. Kim Jong-Il die naar eten kijkt: 772 notes. Beter, maar het houdt niet over. Kim Jong-Il die naar worsten kijkt: 2788 notes. Kijk, dat lijkt er al meer op. Hoogste score haalt op dit moment (er worden na het heengaan van de zon van het socialisme nog altijd foto’s online gezet) Kim Jong-Il die naar komkommers kijkt. 4045 notes. And counting, zoals ze dan zeggen.

Als het propaganda is, dan is het bedoeld voor het buitenland. In Noord-Korea heeft niemand internet. Maar als je aan propaganda doet en je wilt dat je aartsvijanden sidderen en beven bij elk nieuwtje van de Geliefde Leider, waarom laat je je dan fotograferen terwijl je naar een komkommer kijkt? Of jurken? Of een urn? Maar als het een parodie is, hoe kom je dan als maker aan die foto’s?

Posted in Overig | Tagged | Comments Off

Wipneus

Om te zeggen dat ik heb leren lezen met Wipneus en Pim is een understatement. Geen idee hoe ik er ooit bij gekomen ben, maar ik vermoed dat het de schuld van mijn ouders is geweest. Ze zullen hebben gedacht ‘krek, hij vindt Paulus de Boskabouter leuk, dan kunnen deze twee kaboutertjes er ook wel bij’ (ik vond bij Paulus de Boskabouter vooral de tekeningen mooi, maar soit). Bovendien: wat kan er nu mis zijn met twee onschuldig ogende kaboutertjes met van die olijke puntmutsjes? Vanaf mijn zesde verslond ik vrijwel alle boekjes en als ik me niet vergis moeten dat er een stuk of veertig zijn geweest; in de kelder bij de lokale Vroom & Dreesmann stond een kast vol met die exemplaren. Ze kostten 4 gulden 95 (later 5 gulden 95), dus ik kreeg er regelmatig eentje cadeau of kocht zelf een exemplaar. Nooit heb ik me afgevraagd wie die BG (of B, BJ, BA of BW) van Wijckmade was die de boekjes schreef; het was me niet eens opgevallen dat de initialen per boekje nogal verschilden.

Sterker nog, ik was de naam Van Wijckmade allang vergeten, totdat ik dit weekend een interview met schrijver A.H.J. Dautzenberg in de boekenbijlage van NRC Handelsblad las. Ook hij is met de boekjes opgegroeid en koos Wipneus en Pim helpen Dokter Knippeling als het boek dat hem als kind heeft gevormd. Dautzenberg herinnert zich dat de boekjes wel erg gruwelijk waren, maar daar is me nooit iets van bijgebleven. Sprookjes als Hans en Grietje en Sneeuwwitje zijn misschien nog wel gruwelijker. Ook het wereldvreemde en racistische karakter van sommige verhalen, zo zijn de slechte kaboutertjes vaak ‘pikzwart’ met ‘kleine, gemene oogjes’: ik was het vergeten, maar het was me ook indertijd niet bijzonder opgevallen. Of, anders geformuleerd, ik heb er geen levenslange vreemdelingenhaat aan overgehouden. Maar misschien nog wel het meest verrassend is dat de boekjes zijn geschreven door verschillende leden van de Maastrichtse Congregatie van de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd. Schok 1: er was niet één schrijver, er waren er meerdere. Schok 2: het ging dus om kloosterlingen? Dat verklaart in elk geval die verschillende initialen: B is Broeder Bruno, BJ is Broeder Jozefus, BW is Broeder Wichard, BA is Broeder Alfried en BG is Broeder Gregorio.

Vooral die laatste schijnt succesvol met de boekjes van Wipneus en Pim door het Nederlandse taalgebied te zijn getrokken waarbij hij zich geregeld liet fotograferen met tientallen jonge jongetjes en meisjes. Pikant, zo blijkt nu. Dautzenberg memoreert er aan in het interview. ‘Nu blijkt volgens de commissie-Deetman dat Broeder Gregorio meerdere jongens heeft misbruikt. Dat verbaast mij niks. In de boekjes wemelt het van de ontvoerde prinsjes.’ De geestelijke werkte indertijd aan de Aloysiusschool in Maastricht en misbruikte jongetjes zelfs ‘in een volle klas achter de lessenaar,’ aldus een slachtoffer. Hij werd er indertijd tot acht maanden cel voor veroordeeld en mocht niet meer lesgeven; in plaats daarvan ging hij de boekjes schrijven. En ineens snap je die gekke naam van Prins Wipneus. En zou het toeval zijn dat het juist deze Broeder Gregorio is geweest die de meest moralistische van de Wipneus en Pim boekjes heeft geschreven?

Die stapel Wipneus en Pim boekjes ligt inmiddels veilig op zolder opgeborgen. Nu ik de kaften via internet opsnor schiet me te binnen dat vooral Wipneus en Pim op speurtocht en Wipneus en Pim op reis favoriet waren. Ze werden geschreven door respectievelijk BJ van Wijckmade en B van Wijckmade. Ik zou bijna zeggen: gelukkig maar.

Posted in Boeken | Tagged , | 3 Comments

Honderdplussers round-up 2011

Potjandosie. Het jaar is bijna om en daar sneeft dan toch nog een beroemde honderdplusser uit mijn wiki lijstje. En nog wel een pronkstuk: Johannes Heesters, met z’n 108 jaar de oudste op de lijst. En het leek nog wel zo de goede kant op te gaan. Zo kwamen er dit jaar drie verse honderdplussers bij: allereerst (letterlijk en figuurlijk; hij was in januari jarig) oud-politicus en schaker Johan van Hulst, hij kwam het afgelopen jaar enkele keren in de publiciteit. Bij De Wereld Draait Door vertelde hij begin mei hoe hij tijdens de Tweede Wereldoorlog honderden baby’s en kinderen heeft gered en vorige maand figureerde hij in een reportage over de toegenomen levensverwachting in Nederland. Toen hem in die reportage werd gevraagd naar zijn mening over zijn oude partij, het CDA, merkte hij gevat op dat hij zich op zijn leeftijd niet meer met de politiek wil bemoeien, ‘maar dat iedereen recht heeft op het maken van fouten en dat zijn oud-collega’s daar dankbaar gebruik van maken.’

Engelandvaarder Marien de Jonge opereert in de luwte, er is zelfs geen nieuwsbericht over zijn honderdste verjaardag op internet te vinden. Omroeper en hoorspel- en televisieregeisseur Léon Povel werd gisteren 100 en werd ter gelegenheid daarvan nog geïnterviewd door onder andere Radio 1, Theater van het Sentiment en de VPRO Gids. Ook de wat oudere namen in mijn lijstje kwamen in de publiciteit: Frits Thors (102) gaf net als Povel een interview aan het radioprogramma Theater van het Sentiment en Gerard Helders (106) stond in NRC Handelsblad. Voor beide heren een zeldzaamheid, zowel Thors als Helders houden zich op de vlakte en komen niet eens in het nieuws als ze hun ‘zoveelste’ verjaardag vieren. Alleen Wally Bomans lijkt van de aardbodem te zijn verdwenen; het is zelfs onduidelijk of zij haar 102de verjaardag wel heeft gevierd.

Dan de alleroudste inwoners van Nederland. Groot leed in augustus: op één dag overleden de oudste inwoner en de op dat moment op zes na oudste inwoner van Nederland. Als ik had gedacht dat Nederland vanaf 25 februari 2012 voor het eerst sinds 2008 weer een supercentenarian in de gelederen zou hebben, kwam ik bedrogen uit. Niettemin heeft de top-5 verder verrassend goed stand gehouden. Nederland telt op dit moment vier 109-jarigen, waarbij de oudste op dit moment zelfs een man is. Uniek, de laatste keer dat dit gebeurde was in 1990. Cor Geurtz is ambitieus en wil nog één keer een landskampioenschap van Feyenoord meemaken. De huidige nrs. 2, 3 en 4 hebben er ook zin in. Vooral de geboren Zeeuws-Vlaamse Fien van de Leur-Luteijn is nog goed bij de pinken. Ik zag een paar jaar terug een filmpje van de toen 107-jarige Soesterse en ze maakte een zeer vitale indruk, maar ook op haar 109de is ze bij de tijd en gaat ze nog dagelijks zelf haar boodschappen doen. Echter: in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst; Geertruida Draaisma, in augustus op 109-jarige leeftijd overleden, wilde ook heel graag 110 worden.

Internationaal was het meest droeve nieuws het overlijden van de Amerikaan Walter Breuning, op 114-jarige leeftijd. Droevig, omdat de man tot zijn dood zo helder was en vorig jaar nog aan een journalist kon vertellen dat hij zich wist te herinneren dat William McKinley werd doodgeschoten. Ook dit jaar overleden twee van de drie laatste officieel erkende veteranen die in de Eerste Wereldoorlog hebben gevochten: Frank Buckles, die tot vlak voor z’n dood aan journalisten vertelde over zijn oorlogservaringen en Claude Choules die al jaren bijna doof en blind door het leven ging. De laatste nog levende oorlogsveteraan uit de Eerste Wereldoorlog is nu Florence Green, een Britse dame die in 1918 enkele maanden op de mess in East-Anglia werkte.

Wat betreft de beroemde honderdplussers wereldwijd zat er een zeer merkwaardig verhaal achter het overlijden van Huguette Clark, de steenrijke erfgename van oud-senator en ondernemer William A. Clark. Haar wiki lemma en de nieuwsberichten die na het overlijden verschenen lezen als een thriller: ze leeft decennialang als kluizenaar, wantrouwt iedereen omdat ze toch enkel achter haar geld aan zitten, woont eerst in een luxueus appartement in Manhattan (algemeen beschouwd als het duurste appartement aan Fifth Avenue) en later onder verschillende pseudoniemen in een ziekenhuis terwijl haar huizen elders in Amerika piekfijn worden bijgehouden door beheerders die ook niet weten of Mrs. Clark nu wel of niet nog in leven is, bij leven wordt er al gevochten om de honderden miljoenen dollars op haar bankrekening (een ruzie die tot vandaag de dag rustig doorgaat, haar wantrouwen is dus terecht) en ze wordt na haar overlijden op bijna 105-jarige leeftijd voor dag en dauw bijgezet in het mausoleum van de familie.

Als mensen vragen wat er nu zo leuk is aan honderdplussers, dan zeg ik dat er bijna altijd goede verhalen en anekdotes in zitten. Maar zo’n bizar verhaal als met Huguette Clark verzin je niet. Wie in Hollywood koopt de filmrechten?

Posted in Honderdplussers | Tagged , , | 2 Comments