Song Top 20 2018

Dit jaar ontdekte ik dat ik ook YouTube op TV kan kijken. Een geweldige uitvinding. Ik ben gek op videoclips en op die manier kan ik zelf MTV spelen – zonder alle realitymeuk (al heb ik een zwak voor pulp als Ex On The Beach). Veel mensen vinden clips afleiden van de muziek, maar ik vind de videoclip een kunstvorm (zoals ik begin deze maand nog in NRC vertelde), die de boodschap van een song juist weet te versterken. Het is niet voor niets dat veel befaamde filmregisseurs zijn begonnen als makers van videoclips: Michel Gondry, Spike Jonze, Jonathan Glazer. Kijk naar het prachtige Nica Libres at Dusk van Ben Howard, of de energie die bij New Orleans van Brockhampton van het scherm spat. Twee tracks die de hitlijsten niet hebben gehaald – in beide gevallen heel erg jammer.

Tijdens de feestdagen vroeg ik aan m’n oudste nichtje wat ze op haar Spotifyplaylist heeft staan. Daar stond veel leuke hedendaagse pop in, zo’n beetje alle hitjes uit de Top 40 kwamen voorbij. Ze bleek vooral hard te gaan op Huts van The Blockparty wat ik, als muzikale puritein, toch een beetje een afknapper vond. Toen ik haar wat goede platen van dit jaar liet horen viel me pas goed op hoe jongeren tegenwoordig muziek beoordelen. Is na vijftien of twintig seconden niks gebeurd (een harde drum, een beat, een vervormde stem) dat de aandacht van de luisteraar trekt, dan gaat het resoluut af: de aandachtsspanne van een pantoffeldiertje. Producers spelen daar op in door liedjes kort te houden, waarbij zo snel mogelijk de botte bijl erin gaat.

Toch ben ik ervan overtuigd dat een goed liedje ook zonder overproductie kan. Echt, hits als Leave a Light On van Tom Walker, We Can Do Better van Matt Simons en Natural van Imagine Dragons blijven ook wel overeind zonder al die lompe productionele opsmuk. Sowieso zijn het duistere tijden als de succesvolste rockgroep van het jaar naar de naam Imagine Dragons luistert. Maar goed. We leven in een tijd dat niet alleen Kensington tien keer in de Top 2000 staat, zelfs Bastille weet de Lijst der Lijsten met vier tracks te veroveren. Duistere tijden indeed.

En toch, toen ik deze Top 20 samenstelde, waren er nog altijd liedjes die net buiten de boot vielen. Beautiful Trauma van Pink bijvoorbeeld, of Nicotine van Chef’Special. Zelfs Niall Horan had dit jaar weer een paar hitjes (On The Loose, Flicker) die, in al hun bescheidenheid, hogere posities in de Top 40 hadden verdiend. Kortom, als dat soort mooie hits buiten de boot vallen, dan is het simpelweg een prima popjaar. Toch ontbreekt net als voorgaande jaren die ene onontkoombare pophit, zoals Get Lucky van Daft Punk, of Shake It Off van Taylor Swift. Misschien komt het doordat de échte poppareltjes onder in de Top 40 blijven steken en pas jaren later uitgroeien tot klassiekers. Zie hoe Chandelier van Sia en Try van Pink steevast bij de bovenste duizend van de Top 2000 staan.

De regels zijn hetzelfde als in voorgaande jaren. Een liedje moet in 2018 in de Top 40 binnen zijn gekomen. Of het ook een grote hit is geweest doet er niet toe. Maximaal één liedje per artiest, maar voor de rest komt alles in aanmerking voor m’n lijst favoriete hits van dit jaar die tegelijkertijd een representatieve staalkaart van de popmuziek anno 2018 poogt te zijn. Of zoiets.

20. The Revivalists – All My Friends

De Tipparade wordt al enige tijd op basis van stemmen samengesteld. Dat zal ongetwijfeld eerlijk gaan, toch ben ik verbaasd als schijnbaar uit het niets een rockgroep als The Revivalists Alarmschijf wordt én de Top 40 binnen schuifelt. Het wordt nog vreemder als die track vervolgens amper iets (of beter: niks) doet in de Mega Top 50. All My Friends was snel uit die ene hitlijst verdwenen, maar de paar weken fijne retrorock (uit New Orleans) met net voldoende pop- en hiphopinvloeden waren niettemin prettige. Al klinkt het als een oude rocker die op een urban feestje is verdwaald.

19. Dean Lewis – Be Alright

Singer-songwriters die met kleine liedjes de Top 40 halen. Je moet ze zoeken met een zaklampje, maar zo hier en daar glipt er eentje de hitlijsten binnen. Straks komen we nog een Duitser tegen die het lukte, op nr. 17 alvast de Aussie Dean Lewis die met het simpele pianoliedje Be Alright zonder noemenswaardige airplay zowaar de bovenste tien in de Nederlandse Top 40 binnen wist te sneaken. Dat Lewis (al net zo’n krullenbol als de oosterbuur op nr. 13) uit down under komt, is helemaal niet te horen, mate.

18. Nielson – IJskoud

Nielson zong ooit met Miss Montreal het duet Hoe. Een nummer dat zo’n hoge irritatiefactor had dat een collega me ooit vroeg alle exemplaren van de promo bij de lokale omroep op te halen en ritueel te verbranden. Sexy Als Ik Dans was niet veel beter, maar wel heel aanstekelijk. Dit jaar maakte Nielson met IJskoud de beste track van z’n carrière. De productie is wat dun, maar de tekst maakt veel goed. Alleen die openingszin al: ‘Het is ijskoud en je woorden maken wolkjes in de lucht.’ Het is bijna poëzie. Bijna.

M’n collega die niet zoveel op had met Hoe zal het vermoedelijk niet meer horen. Hij emigreerde dit jaar naar Nieuw-Zeeland.

17. Maroon 5 ft. Cardi B – Girls Like You

Ik weet niet hoe jullie jaar was, maar 2018 was voor mij een topjaar. Ik ben gelukkiger dan ik in jaren ben geweest: ik doe dingen waarvan ik een jaar geleden niet had gedacht ze te kunnen/durven, heb niet één, maar twee leuke bijbaantjes en had een fijne stedentrip naar Kopenhagen en Malmö. What Lovers Do van Maroon 5 was de soundtrack die bij de vakantie (en de rest van die eindeloze zomer) hoorde. Die single stamde al uit 2017. Pas later ontdekte ik de hit van Adam Levine en consorten van dit jaar: Girls Like You. Die was misschien toepasselijker geweest dan What Lovers Do, maar net zo catchy. Maroon 5 is een band you love to hate, met muzikaal volstrekt oninteressante hitjes, maar dit soort liedjes maakt het wel moeilijk een hekel aan ze te hebben.

16. John Mayer – New Light

Ik was nooit echt een grote fan van John Mayer. Z’n album Battle Studies vind ik sterk, omdat het z’n meest westcoastachtige pop bevat, maar oudere liedjes vond ik vaak wat flauw. U begrijpt: ik ben een ouwe lul aan het worden en ben sinds dit jaar om. Dat gebeurde al met het geweldige In My Blood (dat vorig jaar – o schande – niet eens de Top 40 haalde), dit jaar ontdekte ik het al uit 2006 stammende Stop This Train (en stemde het tot nr. 1998 in de Top 2000). Met New Light haalde Mayer dit jaar weer eens de Top 40. Niet eens zo geweldig (al heb ik een zwak voor regels als ‘pushing forty in the friend zone’), maar de Amerikaanse zanger weet met die amateuristische clip precies hoe hij de aandacht weet te trekken.

15. Davina Michelle – Duurt Te Lang

Ik geloof niet dat ik ooit een seconde van Beste Zangers heb gezien. Ook van Davina Michelle had ik tot een maand of twee geleden nog nooit gehoord. De naam Glen Faria kende ik evenmin. En ziehier: we zitten eind december, Davina Michelle staat voor de negende week op nr. 1 in de Top 40 met haar cover van Duurt Te Lang (die ironisch genoeg veel te kort duurt) en het liedje komt op nr. 477 binnen in de Top 2000. Om het helemaal af te maken: m’n vader vroeg vorige week aan mij wie Davina Michelle is. Als zelfs m’n vader naar je informeert, dan ben je een Heel Grote aan het worden.

14. Kraantje Pappie – Lil Craney

Sinds deze zomer bedenk ik vragen voor Met het Mes op Tafel. Dat is leuk, maar ook lastig. Je wilt geen vraag maken die al is gesteld en om eerlijk te zijn, alles is al eens geweest. Zelfs naar Kraantje Pappie is eerder gevraagd. Maar ja. Ik laat de kans Klaas van Dijk en Mylou Frencken een Nederhopvertolking te laten horen niet aan me voorbijgaan. Dat gebeurde dan ook en ik zal de uitzending waarin Klaas ”k heb je al een poos niet gezien in de stad, mien jong’ en Mylou ‘baby gooi je dough omhoog’ hoorde zingen niet licht vergeten. Een dag later pakte ik het origineel er nog eens bij. Verrek, als je door de overdaad aan autotune heen luistert is dat Lil Craney nog best een puik nummer. Zeker goed genoeg voor een plekje in m’n Song Top 20.

13. Michael Schulte – You Let Me Walk Alone

Ik heb het ook wel eens mis. Ik vond Michael Schultes inzending voor het Songfestival maar een drakerige, sentimentele ballad. Duitsers noemden het een Jammerlap, wat ik dan weer een geestige omschrijving vind. Maar waar winnaar Netta de hitlijsten niet eens wist te halen (het was ook niks meer dan een gimmick) en Waylons Outlaw in ‘Em niet verder kwam dan een 37ste plek in de Top 40, had Schulte wel een grote hit. De hitpotentie van You Let Me Walk Alone zit ‘m in dat slimme refrein: ‘I was born from one love of two hearts, we were three kids and a loving mum’. Het kan niet anders of deze ode van Schulte aan z’n overleden vader is een nieuwe uitvaartfavoriet.

12. Sheppard – Coming Home

Een paar jaar terug stond Sheppard op Pinkpop. Als een band met één album en slechts één hit op een popfestival staat is dat behelpen: hoe hou je de aandacht van het publiek een uur lang vast? Nou, niet. Het enige dat een beetje hielp was een cover van Teenage Dirtbag van Wheatus. Ik had Sheppard afgeschreven na monsterhit Geronimo al was de single die daarna kwam, Let Me Down Easy, eigenlijk veel leuker. 2018 is een vergevingsgezind jaar. Acts die ik geen glansrijke carrière had toegedicht mochten in 2018 weer aan het hitsucces ruiken. Dat is met Coming Home niet meer dan terecht. Zulke vrolijke ongedwongen pop (uiteraard afkomstig uit Australië) verdient het om veel op de radio gedraaid te worden.

11. Aya Nakamura – Djadja

Vroeger gebeurde het elke zomer wel dat vakantiegangers een plaatselijke hit uit Frankrijk mee terug naar Nederland namen. Denk aan Zebda met Tomber La Chemise, Moi… Lolita van Alizée, of Manau met La Tribu De Dana. Dit tot grote vreugde van docenten Frans die hun leerlingen dan de songtekst konden laten tekstverklaren. Aya Nakamura daarentegen heeft haar succes vooral te danken aan YouTubers die Djadja, een afrekening met een ex-vriendje, flink plugden. Terecht, het is een knappe track waar de hitpotentie niet eens zo vanaf spat. Maar ja, die boodschap he. Nakamura is gedoemd om, net als Zebda, Alizée en Manau een one hit wonder te worden. Jammer dat de in Mali geboren zangeres Française is. Hoe leuk zou het zijn geweest als de zangeres als eerste Malinese ooit nr. 1 in de Nederlandse Top 40 had gestaan?

10. Justin Timberlake ft. Chris Stapleton – Say Something

Kent iemand Deliverance van Bubba Sparxxx nog? Die unieke mix van hiphop en country stond voorjaar 2004 een paar weken in de Nederlandse Top 40. Ik moest aan die track denken toen ik Say Something voor het eerst hoorde. Ik stuurde Deliverance als ‘lang niet gehoord request’ naar Rob Stenders op Radio 2 die de plaat pardoes draaide, met de opmerking dat het waarschijnlijk de eerste keer was dat Deliverance op Radio 2 was gedraaid. Dat vermoeden heb ik ook. Het grappige is dat ik niet de enige ben die de gelijkenis was opgevallen; andere radio-dj’s (en luisteraars) merkten het ook op.

Say Something is vergeleken met ander werk uit de back catalogue van Timberlake (Sexyback, Can’t Stop The Feeling!, Cry Me A River en, mijn persoonlijke favoriet, Mirrors) geen meesterwerk. Het roept wel één van de leukste hiphoptracks van de zeroes in herinnering. Dat alleen is een vermelding waard.

9. 5SOS – Youngblood

You look so perfect standing there in my American Apparel underwear
And I know now, that I’m so down

Die fijne tekstregels uit She Looks So Perfect maken me instant vrolijk. 5 Seconds of Summer, fijn punkpopgroepje uit immer zonnig Sydney. Het is me dus een raadsel wat ze met die vijf seconden bedoelen. Misschien vonden ze dat zelf ook en kortten ze de bandnaam daarom af tot 5SOS. Met die afkorting is ook het laatste restje zomerse gitaarrock uit de muziek verdwenen. Daarvoor in de plaats is met Youngblood een soort inwisselbare grootstegemenedelerpop gekomen, compleet met auto-tune en harde drums. Imagine Dragons Light zeg maar. Het leverde een track op die maandenlang in de Top 40 bivakkeerde en het viertal zelfs een eerste top-10-notering in de Billboard Hot 100 opleverde. Wie maalt er dan om dat de muziek niet meer om aan te horen is? Nouja, ik. Wie redt 5SOS uit de klauwen van die gruwelijke A&R-manager?

Owja, Youngblood is gecoverd door landgenoten Angus & Julia Stone. Zij wisten er zowaar nog een acceptabele deun van te maken.

8. David Guetta ft. Sia – Flames

Omdat ik op m’n 37ste ben begonnen met skateboarden ben ik wellicht niet de juiste persoon om iets over leeftijden te zeggen, maar het verbaast me dat David Guetta al 51 is. Z’n eerste top-40-hit scoorde hij op z’n 33ste. Inmiddels staat de teller op 45 hits, al zit daar merkwaardig genoeg geen enkele nr. 1 hit bij. Ook Flames strandde, net als Titanium en When Love Takes Over (om maar es een paar ultieme floorfillers te noemen), op de tweede plek. Ik weet niet wat het is waarom het ook met Flames nét niet lukte om die eerste plaats te veroveren. Het is een lekkere track, goed ingezongen door Sia. Misschien is dat wel het probleem. Voor dat hoogste plekje op het erepodium moet je beter voor de dag komen dan met een lekkere track, met zang van de alomtegenwoordige mediaschuwe Australische.

7. Álvaro Soler – La Cintura

Het is een opmerkelijk hitjaar met veel artiesten die een langere levensduur hebben dan ik had gedacht. We zagen al Sheppard, een andere gedoodverfde one hit wonder komen we verderop nog tegen. Ook van Álvaro Soler had ik niet veel meer verwacht. El Mismo Sol was een leuke zomerhit in 2015, dat trucje deed hij een jaar later nog eens dunnetjes over met Sofia, al stond die track nog op hetzelfde album als El Mismo Sol. In 2018 is Soler terug met z’n grootste hit tot nu toe: La Cintura, wat zoveel betekent als De Taille. Daar hoort natuurlijk een dansje bij, wat ik afdoe als een gimmick. La Cintura is een vrolijk, zomers Spaans deuntje, slim geproduceerd door RedOne, de man achter hits van J.Lo, Nicki Minaj, Michael Jackson, U2, Enrique Iglesias – need I say more? Nee, we zijn voorlopig nog niet van Soler af.

6. Liam Payne & Rita Ora – For You

Met het tweede deel van de Fifty Shades-filmtrilogie was het muzikaal behelpen (I Don’t Wanna Live Forever van Zayn en Taylor Swift), maar het afsluitende For You is weer een schot in de roos. Opnieuw is het een ex-lid van One Direction, de verder in de luwte opererende Liam Payne die z’n wilde haren heeft verloren, dat het duet/duel aangaat met een zangeres, in dit geval Rita Ora. Van de valse, loeiende sirenes die het nummer openen tot de subtiele drum ‘n bassbeat en van de harde drums tot het smachtende refrein ‘wasn’t looking for love til I found you, o-nye-nye’: alles klopt aan dit perfecte poppareltje (uiteraard van Zweedse makelij) dat niet van de radio was weg te slaan maar vreemd genoeg niet hoger kwam dan een 21ste plaats in de Top 40. Parels voor de zwijnen noemen we dat.

5. Mr. Probz – Space For Two

Mr. Probz probeert al jaren een carrière op te bouwen als credible hiphopartiest, maar z’n grootste hits scoort hij met ballads: Waves, Nothing Really Matters en Space For Two. Daar is niks mis mee; het zijn stuk voor stuk prachtige songs. Zo is Space For Two met gemak één van de beste radiohitjes van dit jaar, een met veel gevoel gezongen R&B-track met regels als ‘she could be my cocaine, she could be my rehab’ of ‘if crazy is a place, then I hope they’ve got space for two.’ Ik ben ongetwijfeld een sentimentele dweil aan het worden, maar ik val als een blok voor dit soort regels. En dan is er nog die mildly disturbing maar oergeestige videoclip van een man die er met een paspop vandoor gaat. Ter afsluiting nog één regel? Vooruit dan: ‘she’s the pain and the medicine, the problem and my solution.’ Zucht.

4. Kendrick Lamar & SZA – All The Stars

2018 was een goed jaar voor Kendrick Lamar. Hij won de Pullitzer Prijs voor Muziek voor z’n album DAMN. Een primeur; de prijs ging tot dit jaar alleen naar albums met jazz of klassieke muziek. Daarnaast verzorgde hij de muziek voor superheldenfilm Black Panther. Die soundtrack was grotendeels langs me heengegaan, totdat ik voor deze lijst nog eens wat hits van dit jaar terugluisterde. Wat een goede tracks zijn dat. Pray For Me, de samenwerking met The Weeknd, is al fijn maar All The Stars, in een samenwerking met zangeres SZA, is nog veel fijner. Een heerlijk galopperende synthesizerbeat, met Lamars rap eroverheen. De beste hiphop haalt de Top 40 niet. All The Stars is een uitzondering op die regel.

3. Ariana Grande – Thank U, Next

Ik ben nooit groot fan van Ariana Grande geweest, maar ik heb de afgelopen jaren diep respect voor de zangeres gekregen. Knap hoe ze na de aanslag na haar concert in Manchester opkrabbelde en een prachtig, oprecht benefietconcert verzorgde. Dit jaar kreeg ze weer een tegenslag te verduren toen haar ex-vriendje Mac Miller zelfmoord pleegde. Haar beste liedje van 2018 was het door – heej, daar is ie weer – Max Martin geproduceerde No Tears Left To Cry, maar ik kan niet om Thank U, Next heen. Dat is Grandes afscheidsbriefje aan een aantal ex-vriendjes: Big Sean, Ricky Alvarez, Mac Miller en Pete Davidson. En die krijgen niet eens op z’n Taylor Swifts een trap na, maar een paar vriendelijke woordjes. Het zijn de regels die ze aan Mac Miller richt die het meest bijblijven: ‘Wish I could say ‘Thank you’ to Malcolm, ’cause he was an angel.’ Echt, groots van Grande.

2. Ava Max – Sweet But Psycho

Hoort u de hittrucjes? De stotterende tekst (‘On my m-m-m-m-mind’)? De eightiessynthesizerbeat? De afwisseling tussen de langzame coupletten en het snelle refrein? Het stukje trap in de bridge? Allemaal schaamteloos afgekeken van Popmeister Max Martin. Sweet But Psycho is de (ietwat zwakzinnige) liefdesbaby van I Really Like You (Carly Rae Jepsen) en Love Me Like You Do (Ellie Goulding) en net als papa en mama is Ava Max’ hit een (deels) Scandinavische productie. Noors, om precies te zijn. Dat zal de reden zijn dat Max op dit moment in Europa een monsterhit scoort met haar poppy song terwijl ze in de States nog aan het slapen zijn. Jammer voor hen, fijn voor ons. Sweet But Psycho voelt anno 2018 als een anachronisme maar is één van de leukste pophits van het jaar. Na het draaien direct op repeat. De natte droom van iedere rechtgeaarde poptimist.

1. George Ezra – Shotgun

De leukste uitdrukking in de Engelse taal is going commando. Riding shotgun, een coole bijnaam voor de passagier op de bijrijdersstoel in de auto, is een goede tweede. Uit de tijd dat de koetsier was voorzien van een bijrijder die als taak had met een geweer bandieten, schavuiten en andere schobbejakken te verjagen.

De term werd deze zomer ineens weer heel bekend, met dank aan singer-songwriter George Ezra die na Budapest met Shotgun een onwaarschijnlijke tweede wereldhit op z’n conto schreef. Onwaarschijnlijk, omdat ik Ezra eigenlijk al had afgeschreven. Alle singles na Budapest (Cassy O’, Blame It On Me, Barcelona, Don’t Matter Now) waren, hoe leuk ook, in de Tipparade gestrand. Ook over Shotgun was ik aanvankelijk niet eens zo enthousiast, luister maar eens naar de compleet onzinnige tekst, maar het deuntje is zo aanstekelijk dat je het na twee keer luisteren niet meer uit je hoofd krijgt (sinds Life van Des’Ree nr. 1 stond in Nederland weet ik dat niemand een biet om slechte teksten geeft). Shotgun is de beste track van het jaar, een zomers niemendalletje. Dat is in het warmste jaar sinds de oerknal ook wat waard.

Going commando is slang voor kleding dragen zonder ondergoed. Weet u dat ook weer.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Song Top 20 2018

Top 2000 Trivia 2018

Vorig jaar schreef ik voor de eerste keer een blog met allerlei triviafeitjes over de Top 2000. Dan ging het niet om de langste of kortste plaat uit de Top 2000, of welke plaat het hoogste binnen is gekomen, dat kan Radio 2 zelf veel beter dan ik. Ik vond het leuker om op zoek te gaan naar maffe feitjes die net iets verder gaan. Ik kreeg er veel leuke reacties op, vandaar dat ik dit jaar een tweede editie heb samengesteld. Sommige rubrieken heb ik overgenomen van vorig jaar, andere zijn verdwenen en er zijn (soms op speciaal verzoek) ook wat nieuwe hoofdstukjes verschenen.

Drie liedjes stonden in alle edities van de Top 2000, maar altijd bij de onderste duizend

Vorig jaar stonden nog vijf platen in de Lijst der Lijsten die in alle edities van de Top 2000 waren vertegenwoordigd, maar altijd bij de onderste duizend. Dat was al een paar jaar hetzelfde selecte gezelschap, maar daar is dit jaar verandering in gekomen. Zowel Steely Dans Reelin’ In The Years als Oye Como Va van Santana zijn in 2018 uit de lijst verdwenen. Dat maakt dit groepje laatste der Mohikanen nog exclusiever.

1055. Gladys Knight & The Pips – Midnight Train To Georgia
1601. Reindhard Mey – Gute Nacht, Freunde
1687. Spider Murphy Gang – Skandal Im Sperrbezirk

Midnight Train To Georgia stond niet eerder zo hoog. Gladys Knight en haar Pips moeten uitkijken niet per ongeluk bij de bovenste duizend te belanden.

Gemaakt voor de onderste regionen

Vorig jaar schreef ik al dat Joan Armatrading absoluut recordhouder is als het gaat om het aantal keren dat Rosie bij de onderste honderd stond: zeven keer. Dat record blijft nog wel even staan, ook al ontbreekt haar plaat dit jaar. Als het gaat om platen die het langst onafgebroken bij de onderste honderd staan, gaat de titel naar The Monkees. Daydream Believer staat voor het vierde achtereenvolgende jaar bij de onderste honderd: dit jaar op nr. 1968.

De tweede plaats in dit klassement wordt gedeeld: You Make Loving Fun van Fleetwood Mac (nr. 1931), All Apologies van Nirvana (nr. 1939), Lovesong van The Cure (nr. 1969) en Diesels Sausolito Summernight (nr. 1984) bivakkeren allemaal al drie jaar achtereen onder plaats 1900.

Top 5 Platen waarvan de titel níet in de songtekst voorkomt

De vraag werd mij een paar weken terug op Twitter gesteld: wat zijn de hoogst genoteerde platen in de Top 2000 waarvan de titel niet in de songtekst voorkomt? Dat had ik mezelf natuurlijk ook al eens afgevraagd, maar nooit uitgezocht. Uit het hoofd kon ik wel op The Last Resort van de Eagles komen, of Space Oddity van David Bowie en als je wat langer nadenkt kom je op nog veel meer titels (Pastorale van Ramses Shaffy & Liesbeth List, Jimmy van Boudewijn de Groot). Dit is de Top 5 (waarbij de nr. 1 niemand zal verbazen).

1. Queen – Bohemian Rhapsody
10. Boudewijn de Groot – Avond
32. Nirvana – Smells Like Teen Spirit
36. Coldplay – Viva La Vida
45. Coldplay – The Scientist

Top 5 Hoogste noteringen van ná 2000

Er zijn mensen die klagen dat de Top 2000 elk jaar hetzelfde is (een tip: mijd deze mensen). De Lijst der Lijsten is altijd wel in beweging, al gaat het soms om kleine verschuivingen. Maar pak de eerste lijst uit 1999 erbij en leg dan die van dit jaar ernaast. Je zult zien dat het aantal platen uit de sixties drastisch is gedaald en dat de jaren tachtig en negentig amper waren vertegenwoordigd. En dan heb ik het nog niet over alle platen van ná 2000 die nu een plekje in de lijst hebben verdiend. Hieronder vind je de vijf hoogstgenoteerde.

9. Coldplay – Fix You (2005)
22. Johnny Cash – Hurt (2002)
24. Claudia de Breij – Mag Ik Dan Bij Jou (2011)
28. Racoon – Oceaan (2012)
31. Bløf ft. Geike Arnaert – Zoutelande (2017)

Days of the week

Die track van Stone Temple Pilots staat níet in de Top 2000 (zelfs niet in de Snob 2000). Maar vrijwel alle dagen van de week zijn wel eens bezongen en zijn in de Lijst der Lijsten vertegenwoordigd. Daarbij zijn vreemd genoeg maandagen en dinsdagen het meest geliefd, terwijl woensdag en donderdag er juist bekaaid vanaf komen.

69. U2 – Sunday Bloody Sunday
175. Herman Brood & His Wild Romance – Saturday Night
354. New Order – Blue Monday
1095. The Cure – Friday I’m In Love
1128. Rolling Stones – Ruby Tuesday
1363. Moody Blues – Tuesday Afternoon
1820. The Mamas & The Papas – Monday Monday

Het is slechts één van die platen gelukt om gedraaid te worden op de dag uit de titel: Friday I’m In Love van The Cure staat voor vrijdag 28 december op het programma. Je moet er wel vroeg voor uit de veren; de song wordt iets voor 5.00 uur ‘s ochtends gedraaid.

Top 40 hit

Vorig jaar viel me op dat de Top 10 van de Top 2000 volledig bestond uit songs die óf nog nooit, óf twee keer in de Top 40 hadden gestaan. Daar is dit jaar verandering in gekomen. Met dank aan Africa van Toto is de ban gebroken. Toch, als ik Nothing Else Matters van Metallica (nr. 13) buiten beschouwing laat, ook die plaat is twee keer een hit geweest al was het de tweede keer in een live versie, dan is pas de eerstvolgende plaat in de lijst die exact één keer in de Top 40 heeft gestaan Heroes van David Bowie. Die track staat op nr. 17.

Vijf bands of artiesten staan ook als songtitel in de Top 2000

Vorig jaar stonden nog zes artiesten of bands als songtitel in de Top 2000, maar Air van Ekseption is uit de lijst verdwenen. Ook Hero van Family Of The Year is eruit gekukeld, maar Enrique Iglesias’ Hero staat er nog wel in. Omdat er geen andere bandnaam/songtitel-combinaties bij zijn gekomen, zijn dit de enige vijf koppels.

7. Pearl Jam – Black
1721. Black – Wonderful Life

86. The Animals – The House Of The Rising Sun
977. Martin Garrix – Animals

312. Kiss – I Was Made For Loving You
998. Prince – Kiss

541. Madness – One Step Beyond
927. Muse – Madness

562. Hero – Toen Ik Je Zag
1816. Enrique Iglesias – Hero

Vijf one hit wonders

Als je het doet, dan doe je het goed: sommige artiesten staan met maar één liedje in de Top 2000. Maar met dat ene liedje staan ze heel hoog in de lijst. En hoewel de artiesten in kwestie misschien vele Top 40-hits hebben gehad, zijn het vanuit de Top 2000 gezien one hit wonders. Dit zijn de vijf hoogst genoteerde. Met name de kleinkunst en het ruige werk zijn goed vertegenwoordigd.

24. Claudia de Breij – Mag Ik Dan Bij Jou
39. Disturbed – The Sound Of Silence
60. Klein Orkest – Over De Muur
62. Rage Against The Machine – Killing In The Name
64. Wim Sonneveld – Het Dorp

Acht keer Max Martin

Ik ben een groot fan van Max Martin. En al durf ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te stellen dat niet Max, maar George Martin de best vertegenwoordigde producer in de Top 2000 is, is er niemand die zo z’n stempel heeft gedrukt op de popmuziek van de laatste twintig jaar als de Zweedse Popmeister. Ooit maak ik daarom een lijst met m’n tien favoriete Max Martinproducties, maar dat is lastiger dan gedacht: de man maakt alleen maar meesterwerken. Toch, Max (geen familie van George) maakt pure pop van het soort dat je niet vaak in de Lijst der Lijsten aantreft. Al kom je ‘m toch nog acht keer tegen.

469. Bon Jovi – It’s My Life
475. Justin Timberlake – Can’t Stop The Feeling!
901. Backstreet Boys – I Want It That Way
1276. Pink – Raise Your Glass
1549. Backstreet Boys – Everybody (Backstreet’s Back)
1720. Katy Perry – Roar
1895. Taylor Swift – Shake It Off
1907. Adele – Send My Love (To Your New Lover)

Dubbele bandnamen

Vorig jaar deelden Duran Duran en Talk Talk in de strijd van de dubbele bandnamen nog de eerste plek met ieder drie noteringen, maar dit jaar verslaat Talk Talk Simon Le Bon en consorten. Van Talk Talk komt dit jaar Living In Another World binnen op nr. 1940, terwijl Such A Shame, It’s My Life en Life’s What You Make It in de lijst blijven. Duran Duran blijft op drie tracks (Ordinary World, Save A Prayer, The Reflex) steken. De derde (en laatste) plek in dit bescheiden klassement gaat net als vorig jaar naar The The.

Populairste albums in de Top 2000

Vorig jaar waren drie albums met ieder zes tracks in de Top 2000 vertegenwoordigd. Michael Jackson met Thriller en Bad, en Fleetwood Mac met Rumours. Dit jaar zijn dat twee albums met ieder zeven tracks. Van Bad komt dit jaar Liberian Girl binnen, maar Coldplay’s A Rush Of Blood To The Head levert zelfs twee nieuwe binnenkomers: Green Eyes en Amsterdam. Al staan van Coldplay’s album wel vier van die tracks bij de onderste vierhonderd.

Michael Jackson – Bad
135. Man In The Mirror
292. Smooth Criminal
392. Dirty Diana
748. The Way You Make Me Feel
968. Bad
1847. I Just Can’t Stop Loving You
1942. Liberian Girl

Coldplay – A Rush Of Blood To The Head
45. The Scientist
57. Clocks
1233. In My Place
1656. Amsterdam
1662. God Put A Smile Upon Your Face
1670. Politik
1704. Green Eyes

Thriller van Michael Jackson en Rumours van Fleetwood Mac blijven beiden dit jaar op ‘slechts’ zes tracks steken, maar krijgen gezelschap van Dire Straits’ Brothers In Arms (Your Latest Trick is erbij gekomen). Albums die met vijf tracks in de Top 2000 zijn vertegenwoordigd zijn (onder andere) Nevermind van Nirvana, Back To Black van Amy Winehouse, The Joshua Tree van U2, 21 én 25 van Adele, Automatic For The People van R.E.M, Rivals van Kensington en Born In The USA van Bruce Springsteen.

Top 5 Bezongen hemellichamen

Het meest bezongen hemellichaam is zonder twijfel de zon. Zoek op ‘sun’ en je krijgt al twintig hits (al is dat in combinaties als sunday, sunny of sunrise, en daar kan je twee Nederlandstalige (Het Regent Zonnestralen, Lopen Tot De Zon Komt) én zelfs een Duitstalige hit (Sonne) bij optellen. Als ik een Top 5 zou maken van de hoogstgenoteerde hemellichamen zou deze dan ook volledig uit zonplaatjes bestaan. Daarom heb ik bij deze Top 5 alleen de hoogste notering van een bepaald hemellichaam meegenomen. U2’s Sunday Bloody Sunday telt niet mee, dat gaat écht over Bloody Sunday.

86. Animals – The House Of The Rising Sun
146. Coldplay – A Sky Full Of Stars
244. Creedence Clearwater Revival – Bad Moon Rising
351. David Bowie – Life On Mars
442. Muse – Supermassive Black Hole

Ik ben er nog niet uit of je de aarde als hemellichaam mag beschouwen. Ik bedoel, je kunt de aarde niet zien vanaf de aarde. Als je die meetelt, dan zou Earth Song van Michael Jackson (nr. 109) er zeker bij mogen. Hetzelfde geldt voor Sterrenstof. Dat is te klein om met het blote oog waargenomen te worden, maar De Jeugd van Tegenwoordig staat er wel mooi mee op nr. 145 in de Top 2000. Andere hemellichamen die net buiten de boot zijn gevallen: Drops Of Jupiter van Train (nr. 874) en Venus van Shocking Blue (nr. 959).

Het zijn trouwens niet eens alleen hemellichamen die zijn bezongen, want ook Across The Universe en Rocket Man zijn bijvoorbeeld nog te horen in de Top 2000. Muse zingt over de ridders van Cydonia, waarbij Cydonia verwijst naar een streek op de planeet Mars. En wat te denken van ’39, vermoedelijk de enige song in de lijst over de relativiteitstheorie. Maar zo’n onderwerp kan je dan ook gerust aan Brian May overlaten.

Top 5 Plaatsen die het verst van Hilversum liggen

Ik ben er nog niet uit waar Paradise By The Dashboard Light ligt en van exacte locatie van de Stairway To Heaven ben ik ook niet zeker, maar er zijn zat steden, streken en zelfs rivieren bezongen. Welke van de bezongen locaties (de buitenaardsen van het vorige hoofdstuk uitgezonderd) zou het verst van Hilversum liggen? Wel, Google is your best friend.

142. Kim Wilde – Cambodia (9555 kilometer)
1784. Deep Purple – Woman From Tokyo (9285 kilometer)
1330. Beth Hart – L.A. Song (8958 kilometer)
1488. Scott McKenzie – San Francisco (Be Sure To Wear Flowers In Your Hair) (8791 kilometer)
396. Johnny Cash – Folsom Prison Blues (8650 kilometer)

Los Angeles is meerdere malen bezongen, zo liggen Lompoc (waar Ventura Highway van America aan is gewijd) en MacArthur Park, in de versies van Donna Summer én Richard Harris in de Top 2000 vertegenwoordigd, ook in de City of Angels. Hetzelfde geldt voor San Francisco, waarvan Sausalito (van Diesels Sausolito Summernight) maar ook San Quentin (die van Johnn Cash) voorsteden zijn.

Het dichtst bij Hilversum ligt Amsterdam (althans, in de Top 2000), bezongen door zowel Nothing But Thieves en Coldplay: 26 kilometer. Ook het Land van Maas en Waal, en Ameland (Boudewijn de Groot), Brabant (Guus Meeuwis), De Peel (Rowwen Hèze), Kronenburg Park (Frank Boeijen Groep) en Zoutelande (Bløf) liggen om de hoek van de studio van Radio 2.

Tijdverschil

In een flink deel van de wereld is het al 2019 als de Top 2000 met de laatste uren van de uitzending bezig is. Dit betekent dat op het moment dat Whole Lotta Rosie, Highway To Hell en Thunderstruck van AC/DC worden gedraaid het in Australië, land van herkomst van de rockgroep, al 2019 is. Omdat alle andere artiesten in de bovenste regionen van de Top 2000 afkomstig zijn uit dezelfde tijdzone als Nederland, óf afkomstig zijn uit landen die na Nederland nog de jaarwisseling moeten vieren, kan niemand dat de Australische rockers nazeggen.

De Australiërs zijn trouwens niet de artiesten die het verste moeten reizen om in de Top 2000 op te treden. Twee Nieuw-Zeelandse acts, Split Enz en Lorde, moeten nog net wat langer vliegen. Maar die staan dan weer niet zo hoog dat ze hun hit in hun thuisland pas in het nieuwe jaar in de Top 2000 op de radio kunnen horen.

Top 5 Bezongen dieren

Hoe zit het eigenlijk met de diertjes? Komen die nog aan hun trekken in de Top 2000? Als het op bandnamen aankomt zeker: Eagles, The Animals, Fish, The Scorpions. Maar in songtitels is het wat langer zoeken naar diertjes. Als je de Top 5 bekijkt, blijkt dat met name vliegende dieren tot de verbeelding spreken. Al is er ook plek ingeruimd voor een wit konijntje.

102. Beatles – Blackbird
214. Editors – Papillon
238. Bob Marley & The Wailers – Three Little Birds
318. Jefferson Airplane – White Rabbit
335. Lynyrd Skynyrd – Free Bird

Ik kan nr. 154, The Boxer, niet onvermeld laten. Al gaat die single echt over een bokser en niet over de hond.

Vragen vragen vragen

Where Do You Go To My Lovely? How Can We Hang On To A Dream? Should I Stay Or Should I Go? Papa Can You Hear Me? Kan Ik Iets Voor Je Doen? How You Gonna See Me Now? Do I Wanna Know? Wat Zou Je Doen? What About Us? Can You Feel The Love Tonight? What Is Love? Is She Really Going Out With Him? Where Did You Sleep Last Night? Where Is The Love? Waarom Nou Jij?

Ja, er wordt wat afgevraagd in de Top 2000.

Maar er is maar één band die in een vraag wordt genoemd en ook zelf nog in de Top 2000 is vertegenwoordigd. Iron Maiden vraagt op nr. 373 Can I Play With Madness? Voor zover ik weet heeft Madness die vraag van Bruce Dickinson en consorten nooit beantwoord.

Zeven bezongen historische figuren

De naam van een historisch figuur die het vaakst genoemd wordt in de Top 2000 is Jezus: Jesus To A Child (nr. 349), Jesus He Knows Me (nr. 861) en Personal Jesus (nr. 1146). Maar daarnaast komen zo hier en daar nog wel wat andere historische figuren voorbij die bij naam worden genoemd in de titel. Ze moeten wel echt hebben bestaan (dus geen Charlie Brown), en bijnamen (Angel Of Harlem, Malle Babbe) en samentrekkingen (Baba O’Riley) tellen niet mee. Dan kom ik, naast eerdergenoemde jesus freaks, tot de volgende zeven historische figuren.

185. Volbeat – Lola Montez
414. Don McLean – Vincent
574. Gorillaz – Clint Eastwood
582. Orchestral Manoeuvres In The Dark – Maid Of Orleans (The Waltz Joan Of Arc)
1344. Peter Gabriel – Biko
1629. Nits – Nescio
1880. Bløf – Hemingway

Eeuwige zakker

Geen feitje uit m’n eerste editie van Top 2000 Trivia maakte zoveel los als het feit dat Nine Million Bicycles van Katie Melua in alle edities van de lijst verder is gezakt. Reacties varieerden van ‘kan niet snel genoeg zakken’ tot ‘staat die er nog in dan?’ Ik kan alle Meluafans geruststellen. Ja, ook dit jaar is Nine Million Bicycles verder gezakt. De track kwam in 2005 nog binnen op nr. 23, vorig jaar was ze weggezakt naar nr. 845, anno 2018 staat ze op nr. 966. In dit tempo is ze volgend jaar sowieso bij de bovenste duizend verdwenen.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged | 1 Comment

Mojobeleid

Als ik tegenwoordig nog naar concerten ga, is dit meestal in de kleinere zalen: Effenaar, Paradiso, Melkweg, Tivoli. Maar door de populariteit van The War On Drugs zag ik mij genoodzaakt af te reizen naar de Ziggo Dome. De groep is in vijf jaar tijd van een half gevuld Doornroosje doorgegroeid naar de arena’s en bijlmerbierhallen van deze wereld. Dat is ze overigens van harte gegund.

De Ziggo Dome is het speeltje van Mojo, omdat dit in feite de enige grote concertorganisator van Nederland is. Dus is het zo: zeg je Mojo, dan zeg je moloch. Een moloch die vrijwel het monopolie van het live circuit heeft. Sinds enige jaren heeft het concurrentie van Friendly Fire, onder andere bekend van Best Kept Secret, maar het is nog altijd een soort alleenheerser en gedraagt zich als zodanig.

Dat is niet de enige alleenheerser in de concertbranche, want Ticketmaster is net zo erg. Die krijgen het nog altijd voor elkaar exorbitant hoge servicekosten in rekening te brengen als ik een kaartje koop. Ik ging een slordige twintig jaar geleden voor het eerst naar een concert en al die tijd hoor ik al rumoer over de servicekosten. Waarom worden die in rekening gebracht? Ik maak standaard de vergelijking met een bakker: als ik daar een brood koop brengen ze toch ook geen servicekosten in rekening? De verklaring van Ticketmaster zelf is dat het computersysteem dat de kaartverkoop regelt ook in stand moet worden gehouden en dat dit nu eenmaal geld kost. Dat is dan een verrekte duur computersysteem, als per kaartje 3 euro 90 aan servicekosten in rekening wordt gebracht. Rekent u rustig even uit wat Ticketmaster aan extra inkomsten genereert als je bedenkt dat er jaarlijks miljoenen kaartjes voor concerten over de virtuele toonbank gaan.

Ik ben dan ook nog zo’n romanticus dat ik een fysiek kaartje wil. Dat kan, maar ook daar betaal je een paar euro extra voor. Iemand moet toch dat kaartje uitprinten en in een envelop doen en aan mij opsturen (wat ik schrijf: ik ben een romanticus. Dit zal in werkelijkheid ongetwijfeld allemaal geautomatiseerd gebeuren. Met dat dure computersysteem van ze). Ook de portokosten brengt Ticketmaster grif in rekening.

Misschien had ik tóch beter voor een geprinte versie van dat kaartje kunnen kiezen. Daar kwam ik achter toen ik in de rij voor de Ziggo Dome stond. Ik had er een dagje uit van gemaakt en gewinkeld waardoor ik, naast m’n rugzak, een grote tas bij me had. Geen probleem leek me, die kon ik wel achterlaten in de garderobe. Alhoewel? M’n oog viel op het geprinte kaartje van de bezoeker voor me in de rij en ik zag hoe daar op stond aangegeven dat grote tassen niet waren toegestaan. Hmm, dacht ik, daar is mij niks over gezegd.

Toch, het meisje bij de ingang zei niks, scande zonder morren m’n kaartje en ik kon doorlopen. Meteen daarna strandde mijn missie.
‘Grote tassen mogen niet naar binnen,’ zei de man van de beveiliging resoluut.
‘Kan ik die grote tas niet in m’n rugzak proppen? Dan kan ik die toch in de garderobe achterlaten?’, vroeg ik. Ik zag achter de man van de beveiliging aan beide kanten van de ontvangsthal brede balies van garderobes.
‘Nee meneer, dit is mojobeleid: geen grote tassen. Die rugtas mag trouwens ook niet,’ antwoordde hij.
‘Maar waar kan ik dan m’n spullen achterlaten?’ vroeg ik.
‘Bij de Afas Live staan kluisjes,’ zei hij.
‘En kan ik dan straks nog binnen?,’ vroeg ik.
‘Ze kunnen uw kaartje bij de deur uitscannen,’ legde de beveiliger uit.

M’n kaartje werd bij de deur uitgescand en ik begon aan m’n weg terug over de ArenA Boulevard. Al vind ik boulevard wat veel eer voor dit troosteloze tochtgat, met als ultiem dieptepunt die treurige betonnen vliegende schotel waar Ajax z’n thuiswedstrijden afwerkt.

Bij de Afas Live stonden wat zeecontainers ingericht met kluisjes. Die stonden er ook al toen ik eerder dit jaar in de Afas Live naar Eurovision in Concert ging. Of dit tijdelijk is of een permanente inrichting, geen idee. De belachelijke huurprijs van vijf euro was in de tussentijd niet veranderd. Dat is niet erg als je met een groep bent, dan deel je een kluisje, maar ik was alleen.

Waar ik niet alleen in was, was de verontwaardiging over de afzetterij van deze gedwongen winkelnering.
‘Vijf euro? Stelletje afzetters,’ riep een andere bezoeker geschokt.
Ik haalde gelaten m’n schouders op en liep weer terug naar de Ziggo Dome.

Dit keer kwam ik zonder problemen door de beveiliging. De volgende hindernis was m’n jas achterlaten. In de ontvangsthal zag ik een oase van ruimte die met een lint was afgezet, met daarachter de garderobe waar medewerkers vriendelijk lachend stonden te wachten. Bij een doorgang stond een medewerkster te wachten. Ik wilde doorlopen.
‘Waarmee kan ik u helpen?,’ riep de vrouw terwijl ze me nog net niet de weg versperde.
‘Euh… ik wilde naar de garderobe,’ antwoordde ik, dat leek me nogal wiedes.
‘Dan moet u dáár langs,’ waarbij de dame wees op een route die langs Heel Veel Kluisjes leidde. Kluisjes waar ik m’n tassen, net nog à la raison van vijf euro gedumpt bij de Afas Live, prima in achter had kunnen laten. Maar dat past niet in het beleid van Mojo.
‘Oké dan,’ antwoordde ik en liep weer weg.

In die kluisjes kon je dus ook best je jas kwijt. Handig, dacht ik, dan kan ik straks na afloop snel m’n spullen pakken en naar huis. Betaal je dan weer wel extra voor: twee euro. (Pas later begreep ik dat de garderobe gratis is en werd me duidelijk waarom de leiding van de Ziggo Dome me zo graag langs de kluisjes stuurt. Altijd wel naïeve sukkels die in deze extra geldklopperij trappen.)

Nu was het tijd voor de volgende hindernis: muntjes. Sommige zalen zijn hier weer mee gestopt, maar voor de Ziggo Dome is het nog steeds de ideale melkkoe. Muntjes kopen kan alleen als je ze per vijf koopt. Nogmaals, ik was alleen, dus dat betekende dat ik deze avond een litertje cola light achterover kon keilen. Maar, zo stond op borden aangegeven, ik kon na afloop niet gebruikte muntjes bij de servicebalie inleveren. Het liefst was ik na het kopen van vijf muntjes meteen naar de servicebalie gelopen, maar tussen mij en de servicebalie strekte zich een met een lint afgezet niemandsland uit waarvan het me veiliger leek er geen voet te zetten. Bovendien stond er uitdrukkelijk dat ik pas NA het concert niet gebruikte muntjes in kon wisselen. Don’t you dare toch een poging te wagen, Guido.

Op Twitter deed ik m’n beklag: Nu al een hekel aan de Ziggo Dome. Ik kreeg een reactie van een oud-collega van KindaMuzik die de zaal roemde: zeer fijne logistiek en goed geluid.
Fijne logistiek m’n reet, dacht ik. Het enige waar de logistiek van Mojo/Ticketmaster/Ziggo Dome op is ingericht, is om de concertbezoeker zoveel mogelijk geld af te troggelen. Extra geld voor kluisjes en niet ingeleverde muntjes. Ik snap dat dit geen van drieën liefdadigheidsorganisaties zijn, maar de schaamteloosheid is stuitend. Een bezoek aan een rockconcert is verworden tot het boeken van een reis bij RyanAir: bij elke stap moet je op je hoede zijn dat je niet wordt opgelicht.

Het stomste is: we vinden het volstrekt normaal. Ach, je hebt een leuke avond, wat geeft het dat je wat extra geld dan strikt noodzakelijk uitgeeft? Toch, ik heb concerten bezocht in het buitenland; in België, Duitsland, Zweden, IJsland, Ierland, Engeland, Australië, de Verenigde Staten. Nergens maakt een concertorganisator het zo bont als in Nederland.

Omdat ik geen zin had om na afloop van het concert in de rij te staan om een paar muntjes in te leveren (natuurlijk gaan ze er bij de Ziggo Dome van uit dat mensen daar geen zin in hebben; niks menselijks is mij vreemd), zette ik het maar op een zuipen. In twee uur tijd sloeg ik vijf glazen cola light achterover. Dat is zelfs voor mij een record.

O ja, het concert was fantastisch. The War On Drugs blijft een prachtige band, Lost In The Dream is de mooiste plaat die ik in de afgelopen tien jaar heb gehoord en dus ben ik heel blij ze eindelijk live te hebben gezien. Ik had kippenvel bij Red Eyes, al was het absolute hoogtepunt een prachtig lang uitgesponnen versie van Under The Pressure. Ze speelden zelfs twee nummers van Slave Ambient, uit de tijd dat ze nog in de Doornroosje optraden.

Het geluid in de Ziggo Dome is trouwens echt heel goed. Het kost een paar centen, maar dan heb je ook wat.

Posted in Muziek | Tagged , , , | 1 Comment

Voyager

The Voyager Golden Record heeft het zonnestelsel verlaten, maar is nu ook op aarde verschenen.

De Voyagers hebben altijd tot de verbeelding gesproken. Bij mij zeker. Toen ik een jaar of tien, elf was, verslond ik alles over het heelal dat voor kinderen (of volwassenen, ik was daarin niet heel selectief) was geschreven. Foto’s van Mercurius, Venus en Mars waren leuk, maar daarbuiten, de grote gasplaneten, die spraken pas echt tot de verbeelding. Het was begin jaren negentig, dus ik viel met de neus in de boter: de foto’s die de Voyagers naar aarde hadden gestuurd waren nog warm. Zeker die van Neptunus, die planeet werd in 1989 door Voyager 2 aangedaan.

Voyager 2 had daarmee z’n investering ruimschoots terugverdiend, na eerder al Jupiter, Saturnus en Uranus te hebben bezocht. Voyager 1 had alleen de twee dichtstbijzijnde gasreuzen bezocht. Beiden zetten hun reis daarna voort naar de buitenste grenzen van ons zonnestelsel – to boldly (ik vind ‘baldly’ eigenlijk leuker) go where no one has gone before.

Maar de twee sondes waren niet alleen voorzien van apparatuur om informatie over ons zonnestelsel naar aarde te zenden. Ze hadden ook allebei een gouden plaat, met daarop beelden van de aarde (gecodeerd) en geluiden: mensen die een groet brengen, geluiden van de natuurlijk en muziek uit alle windstreken op aarde. Geselecteerd door een commissie onder voorzitterschap van de befaamde wetenschapper Carl Sagan. Hallo buitenaards leven, wie of waar je ook bent, dit zijn wij.

Ik had al eens gelezen dat met beide Voyagers een gouden plaat was meegestuurd. Stom genoeg had ik me nooit afgevraagd of die lp, een novelty item bij uitstek, ook ooit op aarde was uitgebracht. Die plaat beantwoordt namelijk een interessante vraag: hoe willen wij aardbewoners overkomen op een buitenaardse beschaving? Ik had geluk. Begin dit jaar is de inhoud van de Voyager Golden Record alsnog, ruim veertig jaar na lancering van beide ruimtesondes, uitgebracht. De plaat is uitgegeven met een boek met uitleg over de totstandkoming. Die toelichting komt van Timothy Ferris die bevriend was met de in 1996 overleden Sagan en nauw betrokken bij de samenstelling van de lp. Het is zo’n goed verhaal dat het niet alleen maf is dat het zolang heeft geduurd om de plaat uitgegeven te krijgen, maar dat daar ook crowdfunding voor nodig was.

Ik kreeg het boek cadeau voor m’n verjaardag en het is prachtig. Snoepgoed voor eenieder die geïnteresseerd is in cultuur én wetenschap. The Voyager Golden Record bevindt zich op dat interessante snijvlak.

Om met de foto’s, ze zijn in het boek over de totstandkoming van de lp bijgevoegd, te beginnen. Die laten het leven op aarde in al haar facetten zien: mensen die eten, drinken en likken, huizen (van buiten én binnen), bouwwerken als de Chinese Muur, de Taj Mahal en het Sydney Opera House (de laatste nog in aanbouw, maar al van zo’n iconische status dat het mee mocht in de selectie), flora en fauna, verschillende landschappen op aarde. Ook Nederland is niet vergeten met een foto van de radiotelescopen van Westerbork, met op de voorgrond een groep fietsers.

Wat opvalt is dat het allemaal optimistische foto’s zijn, maar dat is een bewuste keuze, zo zegt Ferris:

‘The Voyager record’s photo group agreed from the outset to avoid depections of war, crime, poverty, and disease. It was a conscious decision that the interstellar message could reflect only positively on our planet.’

De foto’s, in drie weken tijd verzameld, doen nu aandoenlijk gedateerd aan. Wat was er allemaal nog níet in 1977? Cd’s, computers (althans, niet voor gebruik thuis), laat staan iPads, smartphones of internet. Planeet aarde oogt nog best primitief.

De laatste foto in de serie slaat een brug naar de muziek op de lp. Een afbeelding van de bladmuziek van Beethovens Cavatina. Het is één van twee stukken van de Duitse componist die op de lp te horen is, het andere is een fragment uit diens symfonie nr. 5. Alleen Bach is beter vertegenwoordigd met drie stukken, Mozart, de laatste van de componisten die algemeen worden beschouwd als de Grote Drie van de klassieke muziek, is met een fragment van Die Zauberflöte vertegenwoordigd. Daarnaast heeft ook Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky een plekje gekregen en is zelfs plaats gemaakt voor de Engelse renaissancecomponist Anthony Holborne, al kan je die bijdrage ook best onder folk rangschikken.

De verklaring voor de oververtegenwoordiging van Bach en Beethoven is interessant:

‘To understand why we did this, imagine the record being studied by extraterrestrials who lacked what we would call hearing, or whose hearing operated in a different frequency range than ours, or who hadn’t any musical tradition at all. Even they could learn from the music by applying mathematics, which really does seem to be the universal language that music is sometimes said to be.’

Kortom, buitenaards leven zou gaan zoeken naar symmetrie in composities: herhalingen, tegenstellingen en andere patronen. Ze zouden de muziek op een wiskundige manier benaderen. Om ze daarbij te helpen kozen de samenstellers muziek van Bach, die bolstaat van de symmetrie en Beethoven, groot liefhebber van de muziek van Bach; al op z’n elfde bestudeerde hij Bachs Das Wolltemperierte Klavier.

Die vlieger gaat trouwens niet op voor Beethovens Cavatina, zo geeft Ferris toe. Er gaat ongetwijfeld een wiskundige component achter schuil, maar de keuze van de commissie was vooral ingegeven door de emotionele impact. Zelfs Beethoven zou tranen in z’n ogen hebben gekregen als hij alleen maar aan de Cavatina dacht. De componist kan het zelf niet gehoord hebben; de Cavatina maakt deel uit van het dertiende strijkkwartet dat Beethoven twee jaar voor z’n dood componeerde. Tegen die tijd was hij al stokdoof.

De populaire muziek komt er bekaaider vanaf. Alleen Chuck Berry’s Johnny B Goode heeft de lp gehaald en zelfs daar moest nog voor gestreden worden. Sagan zag het simpelweg niet zitten om rock-‘n-roll mee te sturen op zo’n belangrijke missie. Maar hij ging overstag en toen de befaamde Alan Lomax, bij het project betrokken wegens z’n encyclopedische kennis van wereldmuziek, Berry’s muziek misprijzend puberrock noemde, wierp Sagan tegen dat op aarde nu eenmaal veel pubers wonen.

Maar die ene rocktrack heeft daardoor wel alle aandacht gekregen. Het is nu de bekendste track op de lp. Zo bekend dat het terugkwam in een sketch van Saturday Night Live, waarin Steve Martin een belangrijke boodschap van een beschaving from outer space doorkrijgt: ´Send more Chuck Berry.´ Welke aardbewoner zal het daar niet mee eens zijn?

Volgens de overlevering zouden de samenstellers van de plaat ook Here Comes The Sun van de Beatles hebben overwogen, maar ging dat niet door vanwege een rechtenkwestie. Hoe leuk dat verhaal ook is, het wordt door Ferris ontkracht:

‘Rumors to the contrary, we did not strive to include “Here Comes the Sun,” only to be disappointed when we couldn’t clear the rights. We did consider that lovely track for a time but soon moved on. It’s not the Beatles’ strongest work, and the witticism of the title, if charming in the short run, seems unlikely to remain funny for a billion years.’

Dat Here Comes the Sun niet het sterkste werk van de Beatles is, laat ik voor rekening van de samenstellers. Wat mij betreft is het één van de mooiste popliedjes ooit gemaakt. Maar misschien was The Fab Four’s A Day in the Life gezien het mondaine, zelfs alledaagse karakter van de inhoud van de lp, juist wel een geschikte keuze geweest.

De rockmuziek komt er dan karig af, maar wereldmuziek (al bestond dat genre nog niet) is ruim vertegenwoordigd. Keurig zelfs, al was dat vanaf het begin van het project het uitgangspunt geweest.

‘At the outset I suggested two criteria to guide us in selecting the music: that we include a variety of music representing many cultures rather than just the one that had built and launched the spacecraft, and that we strive to make a ‘good’ record.’

De samenstellers hebben hun uiterste best gedaan om alle windstreken aan bod te laten komen. Letterlijk, met muziek uit Indonesië, Benin, Congo, Australië, Papoea-Nieuw-Guinea, Georgië, Peru, Ruslang, Bulgarije, de Solomoneilanden, China en India. Plus wat oude blues van Blind Willie McTell. Het voelt als overcompensatie, maar klopt perfect met de gedachte achter de lp: een dwarsdoorsnede geven van het leven op aarde. Waarom zou je dan níet veel plaats inruimen voor volksmuziek van over heel de wereld?

In 1977 werden de beide ruimtesondes gelanceerd. Het scheelde niet veel of de gouden platen waren niet eens meegestuurd. Een overijverige ambtenaar, uitgerust met de taak om zeer zorgvuldig na te gaan of alles onderdelen die op de checklist stonden ook daadwerkelijk mee mochten, weigerde de platen mee te sturen. De reden was dat in de uitloopgroef de tekst ‘To the makers of music – all worlds, all times’ stond geëtst, iets dat niet op de checklist stond vermeld en reden voor hem was om de lp te weigeren. Sagan moest nog praten als Brugman om de lp’s écht meegestuurd te krijgen.

In 2012 verliet Voyager 1 ons zonnestelsel, maar de ruimtesonde zendt nog steeds signalen naar de aarde. Die zijn echter dermate zwak dat de antennes van de telescopen in Australië, Californië en Spanje verlengd moesten worden om contact te kunnen blijven houden. Verwacht wordt dat de signalen rond 2030 echt stoppen, als de generatoren het begeven.

Daarna zal de Voyager tot in lengte van dagen door de ruimte rondzweven, ook als de aarde allang is vergaan. Daarmee is de cultuur van de aarde veiliggesteld, als ware het een time capsule van Andy Warhol; tenzij beide sondes worden onderschept door een buitenaardse beschaving natuurlijk.

Posted in Muziek | Tagged , , | Comments Off on Voyager

Goofy

Het doel.

Ik wilde een longboard. Hoewel m’n huisje op een ideale locatie ligt – kwartiertje lopen en ik ben in de stad, binnen vijf minuten ben ik bij de Albert Heijn, een paar minuten verder en ik ben bij de sportschool – zocht ik naar een vervoermiddel dat nét iets sneller was dan de benenwagen. Ik kan natuurlijk fietsen, en dat doe ik heel graag, maar ik wil m’n fiets wel veilig kunnen stallen. Ik zie wel eens studenten in de buurt op een skateboard voorbij cruisen, dus dat leek me een goed alternatief. Goedkoop, praktisch en die dingen zien er ook nog eens enorm cool uit.

Meestal komt zo’n gril bij me op en ebt dan weer weg. Als die na een tijdje terugkomt, dan weet ik dat het serieus is. Al was er ook een stemmetje achter in m’n hoofd dat zei: djiezus Guido, je bent 37, moet je nou op je ouwe dag zo nodig de skater boy gaan uithangen? Daarbij, zou je er niet beter aan doen om eens je rijbewijs te gaan halen?

Noem het een midlifecrisis, of het peterpansyndroom, zelf hou ik het er liever op dat ik doe ik waar ik zin in heb – ongeacht m’n leeftijd. En trouwens, in de stad heb je meer aan een skateboard dan aan een auto. Toch bleef ook ik het een ongemakkelijk idee vinden, dus ik schoof de aanschaf voor me uit.

Dit voorjaar kreeg ik op m’n werk een nieuwe collega. Hij komt van een andere afdeling en is een paar jaar jonger dan ik. Een collega had ‘m eens naar het werk zien komen op een skateboard.
‘Gaaf,’ riep ik verrukt, ‘ik wil al een tijdje een longboard. Dan ga ik ‘m uithoren over tips.’
Het lag iets genuanceerder. De collega had geen longboard, maar een elektrisch skateboard. Ook leuk, en hij stuurde me links naar wat toffe Joetjoepfilmpjes.

Ik was om, nu nog wachten tot m’n vakantiegeld binnen zou komen. Ik wist precies wat ik wilde; het was alleen zaak om me over de laatste schroom heen te zetten en dat ding daadwerkelijk te bestellen.

Dat is de verkeerde volgorde. Beter was geweest om eerst naar de lokale skatehal te gaan (die heeft Eindhoven zelfs een heel gave), wat lessen voor volwassenen die ook zo nodig moeten te volgen (die geven ze daar namelijk) en daarna te besluiten of skateboarden iets voor me is. Alleen had ik al besloten dat skateboarden iets voor me is en dus bestelde ik een longboard. Een paar dagen later kon ik een groot, langwerpig pakket ophalen. Wat een gaaf ding, dacht ik, toen ik het board uit de verpakking haalde. Lang ook; ruim een meter. Ik zette het op de vloer van m’n woonkamer en probeerde erop te gaan staan. Dat ging niet, het rolde meteen weg. Pas toen ik op het board ging staan en me vasthield aan de bank én de schoorsteenmantel lukte het. Hmm, dacht ik, ik ook met m’n goede ideeën. Even vergeten dat ik niet alleen twee linkerhanden heb, maar ook twee linkerbenen.

Een dag later deed ik een nieuwe poging. Nu kon ik los staan en m’n evenwicht bewaren. Ik bewoog voorzichtig een paar meter heen en weer en probeerde bij te sturen. Ik maakte vorderingen, maar om echt iets te leren moest ik eigenlijk met dat ding naar buiten. Alleen durfde ik niet zo goed. Ik heb een perfect geasfalteerd sportveldje voor m’n huis, maar dan zou de buurt me zien aanklooien. Naar buiten om te hardlopen voelde al als een overwinning, met m’n hippe longboard oefenen was een paar bruggen te ver.

Eerst zocht ik op Joetjoep naar instructiefilmpjes. Die zijn vaak best goed, zo bevestigde een filmpje m’n vermoeden dat ik goofy ben, niet regular. Niet dat het erg is, het houdt alleen maar in dat je met je rechtervoet voor op het board staat (op de schroefjes, Jan-Peter) en met je linkervoet afzet. Nadat je hebt afgezet, zet je die linkervoet dwars achter op het board, daarna zet je ook je rechtervoet dwars. Zo kan je bijsturen en je evenwicht bewaren. Dat ging best goed. Alleen: nog steeds in de huiskamer.

Op een avond, toen het al donker was, nam ik m’n board mee naar het veldje voor m’n huis. Dat leek me veilig want iedereen was al aan het slapen, zo redeneerde ik. Dat viel tegen. Er waren nog wat buurtbewoners hun hond aan het uitlaten. Elke keer als iemand me zag, deed ik alsof ik iets anders aan het doen was. Ik zocht in de buurt verder naar een ander pleintje; het liefst een net, geasfalteerd pleintje aan het einde van het universum.

Plaats van handeling.

Zo ging het niet langer. Ik stuurde een mailtje naar de plaatselijke skatehal met de vraag of de cursus voor volwassenen die ook zo nodig moeten nog werd gegeven.

Het invulformulier op de website sprak boekdelen.
Jongen/meisje?
Ik vulde jongen in.
Leeftijd?
Euh… nouja, 37 dus.
Verderop in het formulier vulde ik in dat ik wat basistricks voor m’n longboard wilde leren en nee, ik hoef niet per se een ollie of kickflip te kunnen maken.

Nadat ik het formulier had verstuurd bleef het oorverdovend stil. Waarschijnlijk hadden ze bij de skatehal enorm veel lol met mijn verzoek. Maar na een week kreeg ik toch reactie. Ja, ze gaven inderdaad ook cursussen voor volwassenen, maar ze begonnen daarmee pas weer na de zomervakantie. Het was wel skateboarden, niet longboarden. Dat leek me geen probleem. Misschien vond ik het toch leuk een ollie of een kickflip te kunnen maken. En als het niks zou worden, zat er vast nog een leuke blog in.

Eind augustus ging ik voor het eerst naar Area 51. Bij de receptie kreeg ik een skateboard en een helm (dat laatste leek me geen overbodige luxe), in de hal maakte ik kennis met de instructeur die deze avond nog twee andere, meer ervaren oudere skateboarders begeleidde.
‘Heb je wel eens een boardsport gedaan?,’ vroeg de instructeur.
‘Nope,’ zei ik.
‘Weet je met welke voet je afzet?,’ ging hij verder.
‘Met links,’ zei ik.
Goofy dus,’ zei hij.
‘Yep,’ zei ik, als volleerd kenner van het skateboardjargon.

Ik dacht dat een eerste les niet meer zou behelzen dan wat afzetten en balanceren, met hooguit een stukje cruisen, maar m’n instructeur had andere plannen. Hij wilde meteen met me van een helling af. Nouja, hellinkje.
‘Als je naar beneden gaat, dan leun je mee,’ legde hij uit.
Ik probeerde mee te leunen maar dat ging niet goed. Telkens leunde ik te veel op de arm van de instructeur. Dat vond ik niet gek; als je met een skateboard een helling af gaat, voelt het contra-intuïtief om mee te leunen. Een zevenjarige zal zich daar makkelijk overheen zetten maar ik, met 37 jaar levenservaring in m’n vezels, sputterde iets meer tegen.

‘Chill,’ zei de instructeur, ‘het is niet voor niets dat skaters zoveel blowen en relaxen. En als je door je knieën gaat en relaxed staat, val je ook minder hard.’
Dat door de knieën gaan klonk logisch. Dat chillen ook. Waar had ik dat trouwens eerder gehoord? Ineens was ik in gedachten weer op Hawaï, vijf jaar geleden, waar ik een surfles volgde. De surfinstructeur was nog enthousiast begonnen door z’n groepje leerlingen te vertellen dat hij iedereen kon leren surfen. Maar m’n allesbehalve soepele surf moves brachten ‘m danig aan het twijfelen. Hij nam me apart. ‘You’re doing fine,’ verzuchtte hij, ‘but you need to relax more.’
Daarmee gaf hij onbedoeld de beste les van die vakantie. Niet alleen voor surfen, maar voor het hele leven. Toch, hier was ik, vijf jaar verder en nog steeds kreeg ik te horen dat ik moest chillen.

‘Weet je zeker dat je goofy bent?,’ vroeg de instructeur na een tijdje.
‘Dat weet ik heel zeker,’ zei ik en vertaalde z’n opmerking als: djiezus, dit is écht een hopeloos geval.
Bij weer een nieuwe poging verloor ik de controle over m’n board en ging onderuit.
‘Dat komt omdat je niet voldoende leunde,’ riep de instructeur terwijl ik weer overeind krabbelde, gevolgd door een meer empathisch ‘gaat het?’

Intussen was m’n T-shirt doorweekt van het zweet van de inspanning.
‘Het is hier warm he?,’ zei de instructeur droogjes.
Ik vroeg me af hoe ik dit in godsnaam ging leren. De instructeur dacht vermoedelijk hetzelfde.

Ooit heb ik leren fietsen, zo bedacht ik. Ik heb daar belachelijk lang over gedaan, maar toch. Ik prentte mezelf daarom maar in dat leren skateboarden niet veel anders was dan leren fietsen. Ook dat ging met vallen en opstaan en, belangrijker nog, kostte tijd. Veel tijd.

Hoe ga ik dit beest temmen?

Een week later ging ik terug. Dat hellinkje moest dit keer lukken. Dat hele skateboarden moest lukken want ondanks dat het voelde alsof ik mezelf compleet belachelijk had gemaakt, vond ik het wel enorm leuk. Ik vond een skateboard zelfs veel leuker dan een longboard. Opnieuw had m’n instructeur andere plannen. In een aparte ruimte achter de grote hal was een skatebaan met een opstaande rand van een kleine meter hoog. Of ik daar vanaf kon gaan.
‘Echt niet,’ zei ik.
‘Jawel,’ vond de instructeur.
Even later hing ik met m’n skateboard over de poke in het luchtledige, me af te vragen hoe het zover had kunnen komen. Daarna ging ik naar beneden. Hóe weet ik niet maar ik bleef op m’n board staan, al was dat alleen omdat m’n instructeur me ondersteunde. We deden nog twee pogingen, daarna gingen we weer naar de hal om hellinkjes te doen.

‘Je leunt steeds beter mee,’ merkte de instructeur na een tijdje oefenen met verschillende hellinkjes op. ‘Volgens mij kan je makkelijk alleen van dat hellinkje af.’
Daar dacht ik zelf anders over, maar ook ik moest toegeven dat het steeds beter ging. M’n houding, ontspannen, knieën licht gebogen en met de schouders boven m’n board, werd steeds beter en ik kon makkelijker balanceren. Nu was het vooral een kwestie van zelfvertrouwen krijgen.
‘We gaan naar een ander hellinkje en dan probeer je het met een aanloop,’ stelde de instructeur voor.
Ik deed een poging en het ging. Het was een hellinkje van niks, zo’n geval waar een zevenjarige nog z’n snotneus voor op zou halen, maar stiekem was ik best trots. Nadat de les was afgelopen, bleef ik nog een half uur lang dit ene hellinkje doen.

Een week later had ik weer les, dit keer met een andere instructeur. Eerst ging ik naar die instructiebaan met de opstaande rand, drop-ins oefenen.
Fuck, dacht ik, daar gaan we weer.
‘Je bent niet ontspannen,’ riep de instructeur terwijl ik stijf van de zenuwen op de rand stond, ‘je kunt er pas af als je ontspannen bent.’
Nee hehe, dacht ik, wat zou jij zijn als je met je board over de rand hangt en je het gevoel hebt dat je jezelf in de afgrond stort? De eerste keer bleef ik net overeind, vooral omdat de instructeur hard aan m’n bovenarmen sjorde. De pogingen daarna gingen niet veel beter. No way dat ik alleen van die rand af durfde te skateboarden. De rest van de les ging op aan hellinkjes en wat op het board leunen. Voorover, achterover, sturen, op en af springen. Dat ging heel aardig.

‘Hoe vind je het zelf gaan?,’ vroeg m’n instructeur na afloop.
Het voelde als een gewetensvraag, alsof ik een paar weken een nieuwe baan had en de werkgever weinig subtiel wilde laten weten dat m’n kwaliteiten nog niet echt uit de verf waren gekomen.
Tja, hoe vind ik het gaan, dacht ik. Wat is het referentiekader? Ik had na drie weken nog niks gebroken, verstuikt of verzwikt en dat vond ik zelf een behoorlijke prestatie. Aan de andere kant vloog ik nog niet bepaald elegant door de skatehal.
‘Ik weet het niet,’ zei ik, ‘wat is normaal na drie lessen?’
‘Maar voel je je al meer vertrouwd?,’ was het antwoord.
‘Ja, dat wel,’ zei ik. Wat ook waar was, want het ging elke les een stukje beter. Misschien was het ook te veel gevraagd om te denken dat ik na drie weken al in de halfpipe kunstjes stond uit te voeren.

Toch zag ik al voor me hoe ik wekelijks bleef stuntelen op de simpelste hellinkjes, al dan niet met behulp van de instructeur, terwijl ik links en rechts ingehaald werd door leeftijdsgenoten die na één les meer konden (en vooral: durfden) dan ik. Ik moest denken aan de tijd dat ik nog aan reddingszwemmen deed. Dat werd een jeugdtrauma, omdat ik het duiken niet onder de knie kreeg. Ik bleef jarenlang op hetzelfde brevet steken, terwijl de zwemmers om me heen steeds jonger werden en dus kapte ik er na een tijdje mee.

Om de volgende keer goed beslagen ten ijs te komen besloot ik in het weekend nog op een rustig moment in de skatehal te gaan oefenen. Huiswerk maken. Weer begon ik met dat suffe hellinkje. Een jochie van een jaar of tien stond naast me wat trucjes te doen en maakte een praatje.
‘Heb je die hogere helling al gedaan?,’ vroeg hij. Hij wees naar een helling die ik eerder wel eens had gedaan, maar dan met hulp van de instructeur.
‘Nee, daar begin ik nog niet aan,’ zei ik, ‘jij wel?’
‘Ja, die heb ik vorige week gedaan,’ antwoordde hij.
‘Hoe lang ben je bezig?,’ vroeg ik.
‘Drie weken,’ zei hij.
Fuck, dacht ik. Toen het jochie even later weg was, skateboardde ik naar de rand van de hogere helling. Het was niet veel hoger dan wat ik tot nu toe had geprobeerd en even, heel even twijfelde ik.

Inmiddels ben ik ruim een maand verder. Die hogere hellinkjes blijven een uitdaging. Nog steeds sta ik op de rand en is er een stemmetje in m’n achterhoofd dat zegt: waar zijn we nou helemaal mee bezig?
‘Er kan niks gebeuren,’ zegt de instructeur dan.
Nou, denk ik op mijn beurt, ik kan me heel veel dingen voorstellen die kunnen gebeuren.

Gaandeweg durf ik steeds meer. M’n afzet blijft ruk, maar ik lever tegenwoordig zelfs een paar keer per les een goede drop-in af, al is dat vermoedelijk meer geluk dan vaardigheid. En de instructeur blijft heel supportive: ‘Je kunt het, nu moet je het ook nog durven.’
Dat kan je gerust als een metafoor voor m’n leven zien.

Afgelopen week heb ik m’n eigen skateboard aangeschaft, want die leengevalletjes van de skatehal was ik zat. Als skateboarden net is als fietsen, dan leer je dat toch het beste op je eigen board. Het is nog best een fancy exemplaar, want ik moest natuurlijk weer het deck met de duurste print. Het ding is trouwens net wat breder dan een standaard skateboard, vanwege m’n lengte en euh… leeftijd. En dan komen daar nog trucks, lagers en wieltjes bij. Een behoorlijke investering, maar je doet iets goed of je doet het niet.
‘Aan het board zal het niet liggen,’ zei de verkoper nadat hij m’n skateboard in elkaar had gezet.
Nee, dacht ik, dus ik heb geen excuus meer. Die hellinkjes gaan me lukken. Net als de drop-ins. En de afzet.

Weet iemand nog een asfaltveldje aan het einde van het universum waar ik kan oefenen?

Als ik m’n nek breek, dan wel in stijl.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged , , , | 1 Comment

Anneke

Bij het overlijden van Anneke Grönloh moet ik denken aan Eddy, een oud-collega van m’n vader. Die oud-collega moet de grootste Grönloh-fan van Nederland zijn. Het kan niet anders of hij heeft er persoonlijk voor gezorgd dat Brandend Zand in 2005 plotsklaps op nr. 110 in de Top 2000 stond. De dienstdoende dj van Radio 2 zei er niks van te snappen waarom die plaat ineens zo sterk was gestegen. Ik wist wel beter.

Het zal rond die tijd zijn geweest dat ik met een vriend een paar dagen in Den Haag was voor een muziekfestival. Op straat zag ik een grote poster van Anneke Grönloh in overdreven glamourpose hangen. Ze ging optreden in het lokale filiaal van Holland Casino. Dat zou echt een poster voor Eddy zijn, dacht ik, dus bij thuiskomst stuurde ik een mailtje naar Holland Casino. Ik legde uit dat het hier zonder twijfel de grootste fan van Grönloh betrof en of ze, desnoods tegen betaling, me een paar posters wilden toesturen. Per omgaande vond ik – gratis – een paar posters bij de post.

Nu was het zaak om de posters bij Eddy te krijgen. M’n vader (en Eddy) stonden beiden voor de klas op een basisschool. Het leek m’n vader leuk om de poster in het weekend in Eddy’s lokaal te hangen. Dan zou hij de poster vanzelf op maandagochtend vinden. Dat vond ik ook wel grappig, dus in het weekend reden we naar school en hing ik de poster over een muur met allerlei kleinere posters en foto’s van hedendaagse popartiesten. Want ondanks z’n liefde voor Grönloh is (en was) Eddy een groot muziekliefhebber, iets dat hij graag met z’n leerlingen deelde. Nadat ik een poster had opgehangen legde ik de koker, met daarin een tweede poster, bij hem op het bureau. Ik schreef er een kort briefje bij.

Hoe het precies gegaan is weet ik niet, maar blijkbaar vond Eddy de koker niet op z’n bureau toen hij maandagochtend z’n lokaal binnenkwam. Sterker nog, hij had de eerste paar uur niks in de gaten. Totdat hij een toets afnam. Een leerling keek halverwege de toets op, zag de levensgrote poster van Anneke Grönloh hangen en riep verschrikt uit: ‘Gatverdamme! Wie is dat lillik mens?’

Eddy schrok zich rot, zag de poster van Anneke Grönloh hangen en vond toen pas de koker met m’n notitie.
‘Die leerling heb ik natuurlijk meteen de klas uitgestuurd,’ zei hij later verontwaardigd, toen hij mij belde om te bedanken voor het cadeau.

Jaren later ben ik eens bij Eddy thuis geweest. In de computerkamer hing de poster aan de muur.

Posted in Eindhoven, Muziek | Tagged , , | Comments Off on Anneke

Walcheren

Strekdammen (of paalhoofden) zijn zo fotogeniek.

Op de deuren van de eerste wagon van de trein staan twee fietsen afgebeeld. Dat heb ik wel gezien toen de trein het station binnenreed maar ik had gehoopt op een ander paar deuren ook nog de fietsen te zien. Niet dit keer, dus ik moet het hele perron terug af lopen. Dat is nog een best stuk, dus ik moet me haasten. De conducteur merkt het op en wenkt een keertje minzaam naar achter. Duh, denk ik, dat had ik zelf ook wel gezien.

Het is trouwens beter dan een andere keer dat ik met m’n fiets in de trein wilde reizen en een ouder stel zonder pardon de toegang tot de trein werd ontzegd; er stonden al te veel fietsen. Maar fietsen meenemen in de trein is een stuk minder populair geworden sinds de introductie van de OV-fiets. De enige andere rijwielen op het balkon zijn drie BMX-fietsen.

Ik zet m’n fiets op de daarvoor bestemde plek en ga verderop in de wagon zitten, met m’n koptelefoon op. Naast me zitten vier meisjes die het rooster van het nieuwe schooljaar met elkaar bespreken. Ik vang flarden van het gesprek op en zet m’n muziek zachter. Eentje roept verontwaardigd uit: ‘Maar waarom zit zij niet in dezelfde klas als mij?’

De docent Nederlands gaat een zwaar jaar tegemoet denk ik.

Als ik een ‘als mij/dan ik’ taalfout hoor, moet ik steevast denken aan twee jongens die ik ooit in het krachthonk van de sportschool trof. Een van de twee had het pas uitgemaakt met z’n vriendin. Daar was een goede reden voor, zo legde hij uitvoerig aan z’n trainingsmaatje uit, want hij was heel sportief en zij lag heel de dag op de bank chips te eten. Hij sloot z’n relaas af met de veelzeggende opmerking: ‘Zij is gewoon niet zo slim als mij.’

Op station Tilburg kijk ik op het balkon naar m’n fiets. De BMX’ers zijn vertrokken. Als de trein weer vertrekt ga ik op een andere plek in de wagon zitten. De man naast me leest op z’n laptop het wikilemma over Liechtenstein. Ik heb zin om ‘m te vertellen dat het belangrijkste exportproduct van Liechtenstein kunstgebitten is, maar ik wil niet al te freaky over komen.

Ik ben onderweg naar Zeeland voor een fietstochtje. Meestal steek ik dan de Westerschelde over en fiets ik door de duinen naar Nieuwvliet en Cadzand. Op de terugweg fiets ik dan door Sluis voor een bezoek aan het Meisje van de Slijterij, iets wat ik al deed toen ze haar winkel nog in Breskens had. We hebben het in Nederland niet slecht getroffen met badplaatsen, maar die in Zeeland, en dan met name Zeeuws-Vlaanderen, zijn het állerbeste. Betrekkelijk rustig, met mooie stranden met van die leuke strekdammen (of paalhoofden, daar zijn de kenners het niet over eens).

Dit keer blijf ik aan de noordkant van de Westerschelde. Een rondje Walcheren heb ik nog nooit gefietst. Niet al te uitdagend (ik fiets doorgaans langere afstanden), maar met zat leuke plaatsen om me niet te hoeven vervelen. Dat begint al met Middelburg zelf, een stad waar ik al vaker ben geweest, maar dat één van m’n favoriete Nederlandse steden blijft. Een prachtig historisch centrum waar de tijd stil lijkt te hebben gestaan: de Lange Jan, de Koorkerk, de Oostkerk, de kaaien, het Abdijplein en die vele, smalle, uitgestorven straatjes met huizen die niet bekend staan onder hun huisnummer maar onder hun naam.

Een eerste wandeling door Middelburg.

Eerst beklim ik de 207 treden van de Lange Jan voor een uitzicht over het voormalige eiland. Daarna ga ik langs in de Koorkerk, laatste rustplaats van Rooms-koning Willem II van Holland. Hij stond in 1255 op het punt om in Rome tot keizer gekroond te worden maar besloot eerst nog op strafexpeditie tegen de West-Friezen te trekken. Dat had hij beter niet kunnen doen. Hij zakte januari 1256 door het ijs van het Berkmeer en werd door de West-Friezen gedood. Z’n zoon Floris V wist pas in 1282 de resten van z’n vader te krijgen en z’n graf, of wat daar nog van over is, bevindt zich in de Koorkerk. Omdat het één van de oudste graven van Nederland is, stond ik hier een jaar of tien geleden voor een interview met een Zeeuws historicus voor m’n afstudeerdocumentaire.

Het fijne van Walcheren is dat alles befietsbaar is. Ik fiets Middelburg, een stad die niet kapot is gemaakt door allerlei lelijke buitenwijken, uit en ben nog geen half uur later in Veere, een plaats met zo’n 1600 inwoners en een aantal stokoude straatjes, plus jachthaven. Dat betekent ook: toeristisch. Aan de Markt bevinden zich allerlei restaurantjes, de ene nog chiquer ogend dan het andere, met tussendoor authentiek aandoende winkels. Het mooiste is het uit de vijftiende eeuw stammende stadhuis van Veere, waar net een bruiloft gaande is.

Daarna fiets ik verder naar Domburg. Dat wil ik eigenlijk via Vrouwenpolder doen, maar de weg gaat richting Gapinge, Serooskerke en Oostkapelle. Dorpjes met huisjes die te huur, of zu mieten, staan met in het centrum een klein kerkje, een enkele keer met dakruiter. Ook best.

In Domburg ga ik pootjebaden tussen de paalhoofden. Ik wil een foto maken, maar de twee rijen paalhoofden staan niet diep genoeg voor een mooie foto. Dan maar naar twee rijen paalhoofden die een paar honderd meter verderop staan. Daar heb ik meer geluk. Hoe verder ik terug het strand op loop, hoe mooier het effect. Nee, het is niet heel creatief van mij, sterker nog, ik zie een man exact dezelfde foto proberen te maken én ik ken een soortgelijke foto van het hoesje van Bløfs single Aan de Kust, maar mooi is het wel. Op de boulevard fotografeer ik de villa Carmen Sylva. Dat is het pseudoniem van de Roemeense koningin Elisabeth von Wied. Zij logeerde in 1889 in Domburg in Villa Maria, dat nu haar naam draagt.

Aan de voet van de duinen wandel ik door de hoofdstraat van Domburg. In een sportwinkel tref ik het. Vorige maand had ik tijdens een bezoek aan Lund in Zweden in een etalage een leuk T-shirt zien liggen. Het was vroeg, de winkel was nog gesloten en ik moest op tijd terug naar Malmö en ik dacht dat ik het T-shirt ook later nog online kon bestellen. Helaas kon ik het niet vinden. Nu kom ik datzelfde T-shirt stom toevallig tegen in een winkel in Domburg.

Veere en Domburg, met op de onderste foto de villa Carmen Sylva.

Op weg terug naar Middelburg komt me een stel tegemoet gefietst.
‘Is dat de weg naar Oostkapelle?,’ vraagt de vrouw, terwijl ze in de richting wijst waar ik vandaan kom.
‘Euh… Serooskerke geloof ik,’ antwoord ik.
‘Nee, dat kan niet,’ zegt de man terwijl hij op een richtingaanwijzer wijst, ‘Serooskerke is die kant op.’
‘Oja,’ zeg ik en ik begin te twijfelen. Wat is toch dat dorpje waar ik net doorheen ben gefietst? Op de kruising waar ik dit stel tref staan twee straatnaambordjes. Aan de kant waar ik vandaan kom heet die de Grijpskerkseweg, aan de kant waar het stel vandaan komt heet die de Oostkapelseweg. In Eindhoven heb je de Heezerweg en die leidt naar Heeze, de Leenderweg leidt naar Leende en de Aalsterweg naar Aalst.
‘Nee, het moet Oostkapelle zijn waar ik net doorheen ben gefietst,’ zeg ik.
‘Weet je dat zeker?,’ vraagt de vrouw, die duidelijk al even aan het zoeken is.
‘Ja, zeg ik. Dat móet wel. Waarom zou die weg anders de Grijpskerkseweg heten,’ leg ik uit.

Ze lijken niet echt overtuigd en zelf twijfel ik eerst ook nog. Als ik het later thuis op een kaart nakijk zie ik dat ik ze gelukkig de juiste kant op heb gestuurd.

In Middelburg loop ik nog een rondje door het centrum. De stad is nog mooier tegen de avond, als het centrum langzaam stiller wordt. Het licht valt mooi over het Abdijplein en het Damplein, een langgerekt plein aan de rand van het centrum. Er staat een beeld van een koningin. Ik denk Wilhelmina, maar daarvoor oogt de dame in kwestie te frêle.

Er loopt een gezin voorbij. Een jongetje leest de tekst op het beeld voor: ‘Nederland zij groot in alles waarin ook een klein volk groot kan zijn.’
‘Wie is dat?,’ vraagt hij aan z’n moeder.
‘Dat is koningin Emma,’ antwoordt zij.
Mooi denk ik, weet ik dat ook weer.

Aan het Damplein ligt een Italiaans restaurant met een mooi terras. Hier eet ik terwijl de zon langzaam ondergaat. Als ik later in de trein stap, zie ik de laatste zonnestralen boven de Oosterschelde en het Markiezaat.

Heel soms heb je een dag dat alles meezit. Dit is zo’n dag.

Abdijplein en Damplein, tijdens een tweede wandeling door Middelburg.

Posted in Foto's | Tagged , , , , , , , , | Comments Off on Walcheren

Malmö

Emporio, het moderne Malmö.

Vanuit de top van de Vor Frelsers Kirke in Kopenhagen kan je ‘m hoog boven de Sont zien uittorenen: de Sontbrug. Niet alleen een brug trouwens, want vanuit Denemarken gezien is het eerste deel een tunnel, maar over een lengte van bijna acht kilometer verbindt dit bouwwerk Kopenhagen met Malmö. Die brug ligt vreemd genoeg niet eens op het smalste deel van de Sont, dat is namelijk aan de noordkant van het gebied, waar een schamele vier kilometer het Deense Helsingør van het Zweedse Helsingborg scheidt.

Dankzij die brug, die er sinds 2000 ligt, ben je vanuit het vliegveld van Kopenhagen in een mum van tijd in Zweden. Dat heeft grote gevolgen voor de zuidelijkste regio van Zweden: Skåne, de streek waar Malmö de hoofdstad van is, groeit als kool en is de dichtstbevolkte streek van het Scandinavische land. Bovendien zijn veel Denen voor hun woning naar Zweden uitgeweken. Geef ze eens ongelijk: je bent in een half uurtje in het centrum van Kopenhagen. Maar hoewel m’n, verder vrij crappy reisgids, een hoofdstuk aan de Zweedse stad wijdt, wil het nog niet zo vlotten die toeristen die Kopenhagen bezoeken naar de andere kant van de Sont te krijgen. Ik wil wel, omdat ik in 2010 al in Stockholm was (wat een enorm leuke stad is), omdat ik een keertje de Sontbrug over wil én omdat ik de Turning Torso wil zien.

Daar komt als ik m’n reis ga boeken nog een vierde reden bij. De accommodatie is in Zweden bizar genoeg een stuk goedkoper dan in Denemarken. Voor het bedrag dat ik in Kopenhagen voor één nacht in een hostel kwijt ben, kan ik in Malmö twee dagen in een hotel overnachten, inclusief ontbijt én gym (dat laatste is ook wel eens leuk voor de verandering, zeker als tijdens het sporten niet Slam FM maar Allsång på Skansen, een openluchtconcert met bekende Zweedse artiesten en luid meezingend publiek, opstaat). Ach, als je toch besluit om Malmö te bezoeken is het niet erg om er ook te blijven slapen.

Zweden en Denemarken zijn allebei lid van de EU én allebei lid van Schengen, maar vanwege de vluchtelingencrisis is er wel een grenscontrole tussen beide landen. Soort van. In de trein wordt gevraagd aan reizigers die in Hyllie, het eerste treinstation aan Zweedse kant, uitstappen om hun legitimatie gereed te houden. Vanuit de trein is te zien dat hekken op het perron zijn geplaatst en de grenspolitie controleert. Maar vreemd genoeg vindt controle alleen op dit station plaats en niet op het centrale station van Malmö. Om maar te zeggen: als ik die controle wil omzeilen blijf ik gewoon twee stationnetjes langer zitten.

Het oude centrum van Malmö, met een overdaad aan beelden. Op de onderste foto het beeld Non-Violent; één van de 22 versies althans.

Malmö heeft 330 duizend inwoners, maar voelt geen moment als de grootste metropool van zuid-Zweden. Eerder een rustig provinciestadje. Dat komt doordat de hoogbouw beperkt is. Goed, er zijn wel grote flats, maar die liggen verder weg van het centrum, en de grote winkels zitten vooral in Emporio, één van de grootste winkelcentra van Scandinavië dat aan de rand van de stad is gebouwd – naast het stadion van Malmö FF.

In dat winkelcentrum kom ik op donderdagochtend terecht, als ik iets moet kopen voor m’n zus. Ik loop een rondje door het, inderdaad gigantische complex, en ga een winkel binnen. Een meisje roept iets in het Zweeds. Het is nog vroeg en ze is met haar collega wat spullen aan het opruimen, dus ik denk dat ze het tegen haar collega heeft. Maar dan komt ze naast me staan en kijkt me verontwaardigd aan: ‘Hej!’
‘I’m sorry,’ stamel ik verbaasd, ‘I didn’t know you were talking to me.’
‘I was wondering what’s in your bag,’ zegt ze, zich niet verontschuldigend voor haar wat lompe gedrag.
‘My camera,’ zeg ik.
‘Ow, I thought it was something to drink,’ gaat ze verder.
‘That would be cool,’ antwoord ik.
‘What brings you to Malmö?,’ vraagt ze.
Ik leg uit dat ik een paar dagen in Kopenhagen ben en dan best even de oversteek naar Malmö kan maken.
‘And then you come here?,’ zegt ze, ‘you should be in de city centre.’
‘Ow, I will,’ zeg ik, ‘actually, I’m off now.’

Zweden zijn vrij direct. In elk geval directer dan Denen. Misschien is het ook een bepaalde stugheid. Als ik incheck in m’n hotel heeft de receptionist ook al zo weinig woorden nodig. Hij geeft me m’n sleutel, zegt dat de kamer op de derde verdieping is, ontbijt op de tweede: ‘Enjoy your stay.’

Op de bovenste vier foto’s de huizen rond Möllevångstorget. Op de foto’s daaronder Kungsparken en Slottsparken, twee parken die aan het centrum van Malmö grenzen en door de aanhoudende droogte verdord zijn. Met eend met jonkies, oude vissershuisjes, een molen en moestuintjes met een bijzonder vogelhuisje.

Maar Malmö (goed triviafeitje: het heeft net als Eindhoven netnummer 040) is een allervriendelijkste stad. Een oud centrum met een aantal mooie pleinen die met elkaar verbonden zijn door sfeervolle straten met kleurrijke huizen. De stijl van die huizen verschilt niet zo gek veel van die in Kopenhagen, wat een gezamenlijke geschiedenis verraadt. Er hangt een relaxte sfeer; niet gek op zo’n zonovergoten dag. Ten oosten van het centrum liggen Kungsparken en Slottsparken, met wat moestuintjes, een molen en oude vissershuisjes waar je, als je ‘s morgens maar vroeg genoeg komt, verse vis kunt kopen.

Waar in de Deense hoofdstad elk plein of park is volgepropt met stoeltjes, zijn ze daar in Malmö spaarzamer mee. Wat ze in Zweden wel in overvloed hebben zijn beelden, veel beelden. Elk plein heeft een beeld, liefst zelfs meerdere. In totaal zijn het er ruim 300. Het meest in het oog springt Non-Violence, een pistool met een knoop in de loop: symbool van geweldloosheid. Het is van de hand van de Zweedse kunstenaar Carl Fredrik Reichswärd en hij maakte het na de dood van John Lennon. Wereldwijd zijn er 22 versies te zien, onder andere voor het gebouw van de Verenigde Naties in New York en voor het Olympisch Museum in Lausanne. Twaalf ervan kan je in Zweden vinden, vooral in Stockholm en Göteborg. Het exemplaar in Malmö is één van de drie originelen.

Pak de trein naar station Triangeln (dat is een eitje, het openbaar vervoer van Malmö is perfect geregeld en met een dagkaart van zeven euro ook nog heel betaalbaar) en loop richting Möllevångsgatan en je komt in het multiculturele Malmö terecht. Ook hier oude huizen, maar minder kleurrijk dan in het centrum. Dit zijn huizen gebouwd rond 1900. In de straten rond het centraal gelegen plein Möllevångstorget zitten eettentjes met gerechten uit alle windstreken, op het plein zelf vindt een markt plaats.

Op de bovenste foto het Niagaragebouw van de universiteit van Malmö – u begrijpt wel waarom het gebouw zo heet (ik zag het nog in de achtergrond voorbijkomen in een aflevering van het nieuwe seizoen van The Bridge), op de foto daaronder een kunstwerk voor het Moderna Museet van Malmö, daaronder Västra Hamnen, de nieuwste wijk van de stad, met blikvanger Turning Torso, het meesterwerk van Santiago Calatrava.

Loop voorbij het treinstation van Malmö en je komt in de wijk Västra Hamnen. Een nieuwe wijk, met moderne architectuur en veel jonge gezinnen. Die huizen en nette, nieuwe straten zijn leuk, maar het is vooral de Turning Torso van Santiago Calatrava dat hier de blikvanger is. Sinds de opening in 2005 is het gebouw met een hoogte van 190 meter het symbool van de Zweedse stad geworden. Vanaf de bovenste verdieping kan je met gemak Denemarken zien liggen. Dat laatste moet ik maar voor waar aannemen, want het complex is slechts een paar weken per jaar toegankelijk voor toeristen en helaas niet als ik er ben. Het grootste deel van de Turning Torso is ingeruimd voor appartementen. De huur daarvan moet torenhoog zijn, zo denk ik als ik naast de ingang van de Turning Torso een Lidl aantref. Totdat ik de toren voorbij loop en aan de andere kant de kliniek van een plastisch chirurg zie.

Västra Hamnen heeft daarnaast een prachtige boulevard, de Sundspromenaden. Het is er loeidruk op deze zonnige donderdag. Zweden is al wekenlang in de ban van een enorme droogte en hoge temperaturen. Die zorgen ervoor dat grote delen van het land worden bedreigd door bosbranden – de krant die ik die dag koop bericht er uitgebreid over – maar het zorgt ook voor een ongekend zonnige zomer. Ooit las ik een interview met Per Gessle van Roxette waarin hij vertelde dat veel van z’n liedjes over de zomer gaan, omdat nergens de zomer zo vol overgave wordt genoten als in Zweden (dat komt door die eindeloos lange Scandinavische winters). Als ik de Sundspromenaden bekijk kan ik me daar iets bij voorstellen. Op verschillende plekken draaien jongeren muziek (Zweedstalige hiphop waarbij ik alleen de woorden ‘Netflix en chill’ kan ontcijferen). Er zijn trappetjes waar je netjes het water in kan, maar er is ook een uitzichtpunt van een meter of zes hoog waar de grootste durfals vanaf springen om weer in datzelfde uitzichtpunt omhoog te klimmen. Het uitzicht is mooi, in de verte zie je de Sontbrug liggen.

De sfeer op de boulevard bevalt me wel, dus als ik ‘s avonds een rondje ga hardlopen besluit ik de boulevard in m’n route op te nemen. Het is gaan schemeren als ik rond 22.30 uur oer de promenade ren, maar ook dan nog is het druk. Gessle heeft gelijk; nergens wordt de zomer zo uitbundig genoten als in Zweden.

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Malmö

København

Kopenhagen. Bike Town.

Ik was nog geen uur in Kopenhagen toen in de metro iets grappigs gebeurde. De wagon was druk maar niet overvol toen een jonge moeder met een kinderwagen instapte. Ze gebaarde naar twee mannen die op klapstoeltjes zaten om op te staan, zodat haar kinderwagen op die plek kon staan. Inderdaad, er stond een icoontje op de wand van de wagon dat deze ruimte was gereserveerd voor kinderwagens. De mannen stonden zonder morren direct op, alsof het vanzelfsprekend was terwijl er, eerlijk is eerlijk, nog voldoende ruimte was om die kinderwagen ergens anders in de wagon neer te zetten.

Dat er überhaupt een vrouw achter de kinderwagen liep was trouwens net zo bijzonder, zo merkte ik later die dag. Nergens heb ik zoveel mannen achter kinderwagens zien lopen als in Denemarken. Gevolg van een riante vaderschapsverlofregeling.

Welkom in Denemarken, land waar ze gelijkheid hoog in het vaandel hebben (letterlijk; op overheidsgebouwen wappert standaard een regenboogvlag) tot in het extreme hebben doorgevoerd. Het is wel consequent; als je als overheid gelijkwaardigheid predikt, moet je daar ook de faciliteiten voor bieden. Daar kunnen we in Nederland nog veel van leren.

Die gelijkheid is overal. Neem nou de openbare ruimte. Kopenhagen telt veel parken en pleinen en al die locaties staan vol stoeltjes om gratis gebruik van te maken. Dat kan gewoon, niemand die op het idee komt om ‘s nachts een paar van die stoeltjes mee te nemen (of er staan er zoveel dat het niet opvalt als er eentje verdwijnt). Zo is het stadspark Superkilen een ontmoetingsplek waar kinderen kunnen spelen en volwassenen bij elkaar komen om te praten. Het is een plek waar heel de wereld samenkomt: de attributen in het park zijn afkomstig uit alle windstreken. Het leukste is de geasfalteerde heuvel waar jong (en oud) met of zonder fiets of skateboard vanaf dendert. Jammer genoeg wordt het knalrode deel van het plein momenteel opgeknapt.

Of kijk naar het oude buurtje Brumleby in de wijk Østerbro, in de negentiende eeuw gebouwd na een cholera-epidemie. Het zijn kleine huisjes, consequent in wit en geel uitgevoerd, bedoeld als gezonde en goedkope huisvesting voor arbeiders. Nu is het een hip buurtje, een oase van rust in de hoofdstad, met een speeltuin die heel slim is gebouwd in dezelfde kleuren als de rest van de buurt.

Assistens Kirkegard, met lange populieren langs de hoofdstraat. Laatste rustplaats van vele beroemde Denen. Op de bovenste foto het graf van Hans Christian Andersen, op de vierde foto van boven het uiltje op het graf van de familie Bohr (van Niels).

Vlak naast m’n hostel in de wijk Nørrebro ligt Assistens Kirkegard, de grootste en bekendste begraafplaats van Kopenhagen. Het is de laatste rustplaats van Hans Christian Andersen, Niels Bohr en Søren – what’s in a name – Kierkegaard. In Nederland hebben begraafplaatsen niet de reputatie van gezellige plekken om te flaneren, maar in het buitenland worden ze vaak gezien als parken: prima om met mooi weer overheen te wandelen (ik zag ooit op Brompton Cemetery in Londen een klein jongetje leren fietsen tussen de graven; en waarom ook eigenlijk niet). Dat de lege perkjes tussen de oude graven ook worden gebruikt om te zonnen, was ook voor mij een novum. Het voelt zelfs een tikkeltje macaber. Je snapt ook beter de mededeling bij een ander, nieuwer deel van de begraafplaats waar nog geregeld begrafenissen plaatsvinden: of de bezoekers daar rekening mee willen houden.

Bovenal is Kopenhagen een fietsstad. Souvenirwinkels verkopen T-shirts met als opdruk ‘Copenhagen Bike Town’. Als Nederlander (en fervent fietser) zie ik dat knarsetandend aan – ik vind de fietspaden in Nederland toch echt beter – maar de liefde van de Denen voor de fiets, dat wordt gezien als het vervoermiddel dat als geen ander gelijkheid predikt, blijkt vooral uit alle mogelijkheden die fietsers wordt geboden: punten waar je makkelijk een fiets kunt lenen, metrostations die allemaal een ondergrondse fietsenstalling hebben en het gemak waarmee je een fiets in het openbaar vervoer mee kunt nemen. Fietsen wordt overal gestimuleerd.

Over Denemarken gaat al jaren het verhaal dat het er zo veilig is dat de inwoners hun huizen, auto’s en fietsen niet op slot doen. Dat van de huizen en auto’s heb ik niet gecontroleerd, maar op m’n eerste dag in Kopenhagen zie ik inderdaad een fietser z’n dure mountainbike tegen een winkelgevel parkeren en zonder op slot te zetten naar binnen te open. Toch niet slim, als ik de gids bij de expositie Meet the Danes in het Nationaal Museum mag geloven. Volgens haar is het credo ook in Denemarken toch echt dat je elk jaar een nieuwe fiets kunt kopen.

De hippe buurt Nørrebro, met op de onderste vijf foto’s het ook al zo hippe Brumleby, deel van Østerbro.

Die expositie is een leuke introductie tot Denemarken. Ik bezoek ‘m pas op m’n laatste dag in Kopenhagen, maar het geeft niet. Veel zaken wist ik toch al en ze lijkt vooral ingericht voor niet-Europese (lees: Amerikaanse) toeristen die denken dat Denemarken een communistische heilstaat is. Het valt mij vooral op dat Denemarken en Nederland niet eens zo gek veel van elkaar verschillen. Veel van de zaken die de gids vertelt kunnen ook voor Nederland gelden. De liberale houding tegenover pornografie (herkenbaar), hoe de gids heeft leren fietsen (herkenbaar), hoe ze schrikt als ze op haar loonstrookje ziet hoeveel belasting ze betaalt (herkenbaar), hoe dan het besef komt wat er ze voor terug krijgt (herkenbaar) zoals gratis onderwijs en gezondheidszorg (minder herkenbaar). Zoals gezegd: Nederland kan nog veel van Denemarken leren.

De Denen waren jarenlang het gelukkigste volk ter wereld. Maar de laatste jaren staan ze niet meer nr. 1. De meningen verschillen over door wie ze zijn ingehaald: Noorwegen, Zweden, IJsland. Een bezoeker van de expositie merkt wel fijntjes op hoe dat grote geluk zich verhoudt tot het hoge zelfmoordpercentage in de Scandinavische landen. Daar heeft de Deense gids dan geen antwoord op.

Wie Denemarken zegt, zegt sinds een aantal jaren hygge. Ik dacht dat die hype inmiddels wel over was, maar ik vind nog zat boeken over dit typisch Deense fenomeen. Je kunt hygge het beste vertalen als een mengeling van gezelligheid, knusheid en kneuterigheid. Gezellig met elkaar in de huiskamer van alles doen terwijl buiten de gure Scandinavische winter raast. Niet dat je daar als buitenstaander iets van merkt, zo legt de gids op de expositie fijntjes uit. Dat Deense interieur in de expositie is het enige Deense interieur dat we zullen zien, want iemand thuis uitnodigen is absoluut niet Deens. Zelfs vrienden die elkaar al jaren kennen komen niet bij elkaar over de vloer. Blijkbaar is dat dan weer niet hygge. En niet echt Nederlands.

Maar Christiania, de vrijstaat waar sinds 1971 een commune is gevestigd, doet weer heel Nederlands aan. Het ligt aan de rand van het centrum en hier wordt openlijk in drugs gedeald. Dat gebeurt in één straat, Pusher Street, waarvan vooraf al duidelijk is gemaakt dat hier absoluut niet gefotografeerd mag worden. Dat weet ik dus, maar toch zeggen wat zenuwachtige dealers zo gauw ze m’n camera zien: ‘No pictures.’ Tja. Christiania. Het is leuk om eens overheen te lopen, maar als Nederlander die ook wel eens in kraakpanden of op het ADM-terrein is geweest ben ik niet zo onder de indruk. Ook niet van Pusher Street, waar dealers achter tafeltjes hun waar aanprijzen. Gedogen typisch Nederlands? Dat dacht je. Hier wordt op grote schaal in drugs gedeald en de Deense politie staat het oogluikend toe.

Voor de rest is Christiania vooral een smerige bende, met veel vervallen gebouwen en graffiti. Het leukste aan de buurt is dat hier en daar wat kunstenaars hun waren aanprijzen én het is de plek waar de bakfiets is ontworpen die niet meer weg te denken is uit het Deense (en Nederlandse) straatbeeld. En hoewel de ontwerper niet meer in de wijk woont, de werkplaats staat hier nog wel.

Twee gezichten van Kopenhagen. Op de bovenste acht foto’s vrijstaat Christiania, op de onderste zeven foto’s de meer formele kant van de stad: het stadhuis.

Helaas is het op de expositie in het Nationaal Museum bloedheet. In de hal van het museum wordt bezoekers aangeraden iets te drinken. Waar het in Nederland bij dertig graden zweetweer is, lijkt die limiet in Kopenhagen al bij 25 graden te liggen. Denemarken zucht, net als heel Noord-Europa onder een hittegolf. Het is plakkerig heet en de verkoeling in gebouwen opzoeken heeft geen zin: ze doen in Denemarken niet aan airconditioning. De gebouwen zijn er juist op ingericht om de warmte vast te houden. Hooguit draait er een ventilator.

De Denen lijken zelf ook niet blij met de hittegolf. In een winkel vlak naast Tivoli vang in een conversatie op tussen en toerist en een verkoper. De toerist zegt dat ze heel de winkel wel wil leeg kopen.
‘Als dat zou kunnen,’ verzucht de verkoper.
‘Is het dan niet druk?,’ vraagt de toerist geschrokken.
‘Nee, het is rustig. Het komt door het warme weer,’ zegt de verkoper terwijl ze naar buiten knikt. ‘We hebben in drie jaar niet zo’n zomer gehad.’

Toen ik een jaar of zeven een stedentripje maakte naar Stockholm deed ik het spelletje niet voor toerist aangezien te worden. Dat is niet heel moeilijk, want Scandinaviërs zijn doorgaans weinig spraakzaam dus als je iets wilt afrekenen beperkt de conversatie zich vaak tot ‘hej’ en ‘tak’. De enige keer dat ik toen door de mand viel was vreemd genoeg toen ik een Zweedse krant afrekende.

In Denemarken speelde ik hetzelfde spelletje en het was opvallend hoe vaak ik voor Deen werd aangezien. Ik oog niet bepaald als een woeste Viking (al moet ik wel nodig naar de kapper), maar het komt denk ik doordat ik me vrij makkelijk in een vreemd lang beweeg. Ik weet snel de weg, val verder niet echt op en, misschien wel de belangrijkste reden, reis alleen. Als ik iets te eten wilde halen, liep ik een 7-Eleven (de Deense variant van de AH to Go) binnen, kocht een broodje en iets te drinken en rekende af met m’n bankpas (omdat ik maar een paar dagen in Kopenhagen was, leek het me handiger om alles te pinnen en dat is gelukt). Ook dan kwam het gesprek niet verder dan ‘hej’ en ‘tak’.

Op de bovenste tien foto’s Tivoli, op de onderste foto’s Nyhavn en de directe omgeving.

Kopenhagen heeft niet echt een publiekstrekker waarvoor je naar de stad móet. Ja, er zijn mensen die voor het beeldje van de kleine zeemeermin komen, maar dat kan ik afraden. Het stelt echt niks voor, dat wist ik van tevoren en ja, ik ben tóch even gaan kijken, tussen de – vooral Aziatische –  toeristen die uit de touring cars naar het beeldje worden geleid.

Daarin doet Kopenhagen denken aan Dublin. Een leuke stad die je zeker een keer (of vaker) moet bezoeken, maar geen must see heeft. Het is een stad waar je heen gaat voor de sfeer. Nee, als Kopenhagen al een publiekstrekker is, dan is het een attractiepark: Tivoli. Het ligt midden in het centrum. Alsof de Efteling midden in Amsterdam staat. Tivoli is niet groot, wat oppervlakte betreft nog niet de helft van de Efteling, maar het is een leuk park waar je rustig kunt wandelen. Op zomeravonden worden er regelmatig gratis concerten gegeven. Tivoli is tot ‘s avonds laat open en is dus ideaal om op een avond te bezoeken als de musea toch al dicht zijn. Ik had me voorgenomen nergens in te gaan, in je eentje in een attractie heeft iets sneus, maar ik kon het niet laten om in The Demon, de hoogste en snelste achtbaan van Tivoli te gaan. En omdat ik toch bezig was ook een attractie van waaruit je een mooi uitzicht over het centrum van Kopenhagen hebt.

De veiligheid nemen ze hier trouwens heel serieus. Alle beugels van attracties worden handmatig gecontroleerd, bij de ingang hangt duidelijk zichtbaar een verklaring wanneer de attractie voor de laatste keer is gecontroleerd en een meisje dat een centimeter te klein is voor een attractie wordt resoluut geweigerd. Safety first.

 

Op de bovenste foto het beroemdste beeld(je) van Kopenhagen, daaronder het centrum van de Deense hoofdstad. Op de negen onderste foto’s de Rundetaarn en Vor Frelsers Kirke, twee torens met een bijzonder spiraalvormige opgang.

Naast Tivoli bevat Kopenhagen ook minstens twee opvallende torens. Hartje centrum staat de Rundetaarn, een observatietoren die in 1642 is gebouwd en geen trap maar een helling heeft om naar boven te lopen. Het is een prachtig bouwwerk, dat eerder het toneel is geweest van een fietswedstrijd en waar in 1989 een eenwieler in een recordtijd van 1 minuut en 48 seconden naar boven snelde. Tegenwoordig is het geliefd bij kinderen die (hoewel het niet mag) hun skateboard mee naar boven nemen (hoe ze die dingen onopvallend voorbij de entree hebben weten te krijgen is me een raadsel, al heb ik er niemand op naar beneden zien crossen).

Een paar straten verder is het de spiraalvormige trap buitenom bij de barokke Vor Frelsers Kirke die veel toeristen trekt. Om bij de trap te komen moet je eerst over smalle houten trapjes door smalle ruimtes waar het zo heet is dat je hevig bezweet bent tegen de tijd dat je aan de laatste treden naar de top van torenspits kunt beginnen. Naar boven toe worden de treden steeds smaller, totdat je niet meer verder kunt en een sticker van Studio Brussel het einde markeert. Een vreemde ervaring. Soms valt er trouwens iets naar beneden; toen ik weer beneden stond landde een petje een meter van me af.

Na Engeland en Frankrijk hebben Denemarken en Zweden het vaakst met elkaar oorlog gevoerd. Denemarken was eeuwenlang heer en meester in Scandinavië, maar heeft gestaag z’n grondgebied zien afnemen, terwijl Zweden tegenwoordig de belangrijkste macht op het schiereiland is. Tegenwoordig heeft Denemarken alleen nog Groenland, de Faeröer en wat eilandjes in de Botnische Golf in bezit: het kan verkeren. Tegenwoordig zijn de landen innig met elkaar verbonden; sinds de opening van de Sontbrug letterlijk.

Op de bovenste twee foto’s Den Sorte Diamant oftewel de Zwarte Diamant, de bibliotheek en moderne trots van Kopenhagen. Daaronder de olifant, het symbool van de Deense bierbrouwer Carlsberg en op de onderste twee foto’s Nordatlantens Brygge, inclusief richtingwijzer voor de hoofdsteden van respectievelijk Groenland, IJsland en de Faeröer.

Vooraf had ik het me afgevraagd: zou er ergens in Kopenhagen aandacht zijn voor de Faeröer en Groenland, die laatste twee overzeese gebieden van de Denen? Het antwoord kreeg ik toen ik op de tweede dag van m’n bezoek op Nyhavn, de meest toeristische straat van Kopenhagen, stond en aan de overkant van het kanaal fier de vlaggen van die twee gebieden én die van Denemarken en IJsland zag wapperen. Dit was Nordatlantens Brygge, een expositieruimte die op initiatief van Vigdís Finnbogadóttir, de IJslandse president en het eerste democratisch gekozen vrouwelijke staatshoofd ter wereld, is opgericht.

Het is een bescheiden gebouw, met twee verdiepingen met ruimte voor exposities van kunstenaars uit IJsland (een voormalige Deense kolonie), de Faeröer en Groenland. Het leukste zijn de houten paneeltjes in het trappenhuis met triviafeitjes over de gebieden. Zo zijn de straten van de Faeröer voor Google Street View deels in beeld gebracht door camera’s op de rug van schapen te binden en zijn slechts twee plaatsen op Groenland met een weg verbonden: Ivittuut en Kangilinnguit. En een ijsbeer heeft een zwarte huid, de haren van de vacht zijn transparant.

Het ware prijsnummer van het museum zijn twee koepels die aan de kade voor het museum staan: één koepel fungeert als ingang, in de andere koepel bevindt zich Cosmic Space. Een kunstwerk gemaakt door de Faeröerse glaskunstenaar Tróndur Patursson. Het is geïnspireerd op een ervaring die hij had tijdens een expeditie met Tim Severin. De boot waarin hij voer maakte water en op het moment dat hij tot z’n middel in het water stond was hij omringd door eindeloze lucht en zee. Het liep goed af, maar in Cosmic Space waan je je, net als Patursson, midden in de nacht in een eindeloze zee.

Selfie in Cosmic Space, een kunstwerk van Tróndur Patursson.

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on København

Glasvezelleed

Vorige week vrijdag had ik ineens geen internet. Ik had het eerst niet eens in de gaten, maar m’n telefoon is aangesloten op m’n huisnetwerk en ik had geen bereik meer. Met m’n telefoon bedoel ik m’n oude brakke Samsung Galaxy S2. Het ding is vijf jaar oud en werkt nog. Dat laatste mag met recht een godswonder heten: apps lopen regelmatig vast (zelfs de stopwatch hield er laatst ineens mee op, vraag me niet waarom), überhaupt is zowat de enige app die er nog op zit de Teletekst-app (een klassieker) en dan nog valt het ding om de haverklap uit. Geen probleem, dacht ik, er zijn werkzaamheden in de buurt en het kon zijn dat internet er even uit was gevlogen. Had ik daar trouwens niet pas nog een mailtje over gehad?

Ik zag het een paar uurtjes aan en ging boodschappen doen. Tegen het middaguur had ik nog steeds geen internet. Ik ging naar m’n ouders. Daar stuurde ik toch maar een tweet naar de webcare van KPN. Ik schreef het al eerder: niks leuker dan de webcare van bedrijven testen. Misschien konden ze me vertellen hoelang de werkzaamheden gingen duren. De reactie van KPN was kort: welke werkzaamheden?

Oké, dacht ik. Misschien toch een goed idee om even naar de router te kijken. Ik fietste naar huis en via Twitter en DM legde de webcare uit wat ik moest doen. De meeste foefjes had ik zelf al eens geprobeerd (stekker eruit, internetverbinding eruit).

Waargebeurd verhaal: vroeger, we hebben het hier over eind jaren negentig, een ander tijdperk, lag het internet er geregeld uit. We belden dan met Chello maar aangezien die gewoon een signaal zagen, stuurden ze geen monteur. Er was immers niks aan de hand. We bedachten een list. De volgende keer dat er een storing was, trokken we de internetverbinding eruit.
‘Vreemd,’ zei de medewerker van de helpdesk dan, ‘ik zie hier geen signaal. Zit de verbinding er wel in?’
‘Ja hoor,’ loog ik.
‘Dan sturen we een monteur,’ was de reactie, en zo was de storing snel verholpen.

Dit ging minder snel. Het viel me nu pas op dat op de Experia te weinig lampjes brandden en van de lampjes die brandden was er eentje rood. Geen goed teken, zoveel wist ik ook nog wel.
‘Het lijkt erop dat u geen TV en internet heeft,’ merkte de webcaremedewerker op.
Huh, dacht ik, geen TV? Snel deed ik de TV aan. Verrek, die had inderdaad ook geen signaal. Ik ben niet vergroeid met de TV, er gaan dagen voorbij dat het ding niet aan is geweest, maar het WK voetbal is best aardig als behang: beetje internetten, wat muziek luisteren en op de achtergrond een groen grasveld waar 22 mannetjes druk overheen aan het rennen zijn. Het is best vermakelijk.

‘We sturen een monteur, maar dat wordt wel na het weekend,’ berichtte de medewerker.
Nouja, dacht ik, die moet dan maar maandagochtend om 8.00 uur komen. Op maandag werk ik toch thuis.
‘De monteur kan op z’n vroegst tussen 10.00 en 12.00 uur komen,’ vervolgde de medewerker.
‘Dan doe dat maar,’ verzuchtte ik.
Per omgaande was een afspraak ingepland voor een monteur. Terwijl ik terug naar m’n ouders fietste, kreeg ik een sms’je. KPN bood me 50 GB aan zodat ik met m’n telefoon als hotspot toch kon internetten. 50 GB. Gratis. Dat is best veel, bedacht ik. Sympathiek ook.

Ach gut, dacht ik, bij KPN weten ze natuurlijk niet dat ik een smartphone heb die, als hij eenmaal naar de eeuwige jachtvelden is vertrokken, rechtstreeks door mag naar het museum. Daar werd ik een paar jaar terug nog aan herinnerd, toen ik op het niet al te snuggere idee was gekomen om wat extra geheugen toe te laten voegen. De medewerker van de belwinkel sprak de onsterfelijke woorden: ‘Meneer, u heeft een Fiat Panda. Die moet u niet op willen voeren naar een Maserati.’

Maar het lukte me om op m’n oude Samsung Galaxy S2 een hotspot te maken, zelfs toen ik ‘m maandagmorgen met een kabeltje aansloot op m’n werklaptop, die al net zo brak is als m’n telefoon; de wireless is al maanden stuk en ik hoef niet te verwachten dat ik binnenkort een nieuwe laptop krijg. Ik bekeek m’n geïmproviseerde werkplek thuis en kon me niet aan de indruk onttrekken dat, in de laatste week voor m’n vakantie, heel m’n werk bij elkaar werd gehouden met ducttape.

De monteur stond om 10.30 uur voor de deur.
‘Hmm,’ zei hij terwijl hij in de deuropening stond en achterom keek, ‘werkzaamheden.’
‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Dat zei ik ook al tegen de webcaremedewerker. Maar zij wilden toch iemand sturen.’
De monteur ging aan de slag, belde met een medewerker, reed naar een huisje op de hoek van de Kalverstraat en de Tongelresestraat, een bouwsel waarvan ik me altijd had afgevraagd wát daar nu eigenlijk zit (naar nu blijkt een glasvezelknooppunt), kwam weer terug en trok de conclusie dat al m’n apparatuur goed werkte. De kabel was stuk.
‘Ik stuur een melding door naar de kabelleverancier, dat is bij u Reggefiber. Zij nemen binnen vier uur contact met u op,’ verzekerde de monteur mij.
Vier uur, dacht ik, dat is netjes. Dan zal het niet lukken om morgen een monteur te sturen, maar woensdag moet lukken. Dat komt goed uit, dan werk ik toch thuis.

Reggefiber, Reggefiber, dacht ik, waar ben ik die naam toch tegengekomen? Toen schoot het me binnen. Een tijdje terug had ik een flashy folder ontvangen met als titel ‘Wij zijn Reggefiber’ en de mededeling dat zij nu het glasvezelnetwerk in de regio beheerden. Goh leuk, dacht ik, maar wat moet ik daarmee?

Intussen kreeg ik een berichtje van de webcare van KPN. Of ik hun klantenservice wilde beoordelen. Het leek me beter die pas te beoordelen als de storing was verholpen.

Ik werkte verder. M’n internetverbinding was niet supersnel, maar het functioneerde. Na het werk ging ik sporten en daarna liep ik naar het Parktheater voor de groep-8-musical van Esmee. Onderweg stuurde ik toch maar een berichtje naar de webcare van Reggefiber. Het liep tegen de avond; die vier uur waren nu toch wel verstreken.
‘We hebben geen melding gekregen. En we kunnen pas iets doen als we een melding hebben gehad,’ liet de medewerker weten, ‘maar we kijken het morgen nog wel na. Het storingscentrum is nu toch dicht.’
Ik twitterde nog dat dit vreemd was, omdat me verzekerd was dat de melding meteen naar hen was doorgezet, maar toen viel m’n oog op de werktijden van de webcare: van 8.30 tot 18.00 uur. Ik bekeek de verdere uitleg op het Twitteraccount. ‘Meer dan 2 miljoen huishoudens op glasvezel aangesloten,’ meldden ze ronkend. To be fair, dat is niet helemaal correct, dacht ik, het is momenteel 1.999.999 huishoudens, en dan had ik de andere huizen in dit blok niet meegerekend. Ik zou toch zeker niet de enige in de straat zijn met glasvezel, maar zonder internet?

De volgende ochtend stuurde ik weer een berichtje naar Reggefiber.
‘Nee, we hebben nog steeds geen melding ontvangen,’ zo lieten ze weten.
Ik stuurde een bericht aan de KPN: ‘Ze hebben bij Reggefiber geen melding ontvangen. Is deze wel doorgezet?’
KPN verzekerde mij dat de melding was doorgezet, maar ze zouden dit voor de zekerheid nog een keer doen. Ik wachtte een paar uur op een telefoontje van Reggefiber. Toen stuurde ik weer een bericht naar Reggefiber.
‘Ik vind het vervelend te moeten zeggen,’ liet de medewerker van Reggefiber weten, ‘maar we hebben nog steeds geen melding binnen.’
Ik stuurde weer een bericht aan KPN dat Reggefiber nog geen bericht had doorgezet.
‘We hebben echt de melding naar de juiste afdeling doorgezet,’ liet KPN weten.

Dit ging zo nog een paar keer door.

Intussen was het dinsdagmiddag en had ik nog steeds geen TV en internet. Wel nog die 50 GB waar je veel leuke dingen mee kunt doen. Voetbalwedstrijden van het WK op je laptop bekijken bijvoorbeeld. Al weet je vooraf niet of een wedstrijd het waard is. Bij België – Japan wel, maar bij Kroatië – Denemarken en Zweden – Zwitserland bekroop me toch het gevoel dat het zonde van de bandbreedte was geweest.

M’n vader stuurde een hoopvol app’je.
‘Bij jou op de hoek is iemand van een kabelmaatschappij aan het werk,’ zei hij.
‘Ja pap, dat weet ik. Daar is juist alle ellende mee begonnen,’ appte ik.

Maar toen ik thuiskwam van m’n werk zag ik inderdaad twee mannetjes in een kuil op de hoek van de straat aan de slag. Op het zwarte bestelbusje stond dat ze glasvezelkabels aanlegden. Ha, dacht ik, dan zullen de problemen snel verholpen zijn. Toen ik ‘s avonds naar de stad liep, waren ze nog steeds bezig. Dat stemde hoopvol, misschien probeerden ze al het werk vandaag nog af te krijgen. Toen ik ‘s avonds tegen twaalven thuis kwam kon ik het niet laten om even te kijken op de hoek van de straat. De kuil was dicht. Ik deed de voordeur open en liep meteen naar de router. Helaas. Er brandden nog steeds diezelfde drie groene lampjes, en dat ene rode lampje.

Inmiddels was het woensdag. Ik begon de dag met een nieuw berichtje aan Reggefiber: hadden ze inmiddels al een melding binnen van KPN? Het antwoord liet zich raden: nee, ze hadden geen melding gehad. Ik ging maar weer naar KPN. Die kwamen inmiddels niet verder dan de mantra dat ik geduld moest hebben.

Ammehoela, dacht ik. Geef dan tenminste aan of m’n melding in behandeling is. Dan weet ik dat eraan gewerkt wordt. Op dit moment heb ik niet eens zekerheid dat Reggefiber ermee bezig is. Geduld hebben waarvoor? Voor de mogelijkheid dat m’n melding die al twee dagen geleden zou moeten zijn doorgegeven eventueel in behandeling zal worden genomen? Zo’n storing is al vervelend genoeg, zeg dan tenminste hoelang het nog gaat duren.

Wie heeft toch ooit bedacht dat de privatisering van die kabelmaatschappijen een goed idee was? Met de providers is het al behelpen. Je kunt kiezen uit KPN of Ziggo, of Ziggo of KPN. Met de kabelexploitant heb ik al helemaal geen keus. Ik heb glasvezel en dus zit ik bij Reggefiber. Als de exploitant me niet bevalt, kan ik niet naar een ander overstappen. Dit is gedwongen winkelnering; met gebrekkige klantenservice bovendien. Hoezo keuzevrijheid?

Woensdagmiddag zag ik twee mannen met polo’s van Reggefiber in de straat. Ik kreeg weer hoop. Ze liepen druk rond met kleine koffertjes en groeven een kuil, nu op de hoek aan de andere kant van de straat. Van achter het raam zag ik het tafereel aan. Angstvallig hield ik de Experia in de gaten. Ik stuurde een bericht naar Reggefiber met de goede tijding dat ik medewerkers van hun toko in de straat had gezien. Nu konden ze me toch wel verzekeren dat de melding goed was doorgekomen? Het bleef stil. Ik ging sporten. Toen ik terugkwam waren de mannen vertrokken en was de kuil dicht. Ik durfde nergens meer op te hopen toen ik de voordeur openmaakte. M’n twijfel bleek terecht: nog steeds geen internet. Ik stuurde opnieuw een bericht naar Reggefiber en kreeg weer geen reactie.

Dan maar naar KPN: konden zij me dan niet een bevestiging sturen dat de melding was doorgezet? Ik zou immers binnen vier uur gebeld worden, niet binnen vier dagen. Nee, dat konden ze niet, maar ik kon uit hun bericht concluderen dat de melding echt echt echt echt echt was doorgezet. ‘We hebben al vaker met Reggefiber te maken gehad, dit komt wel in orde.’ Misschien lag het aan mij, maar er klonk enige gelatenheid in dat bericht door.

De volgende ochtend kreeg ik bericht van Reggefiber.
‘De mensen in de straat waren daar vanwege een netwerkstoring, maar die is inmiddels verholpen,’ zo liet de medewerker weten.
Dat leek mij niet, maar het leek me ook beter even niet meer te reageren.

‘s Middags ging de telefoon: ‘Reggefiber. We willen een afspraak inplannen. De monteur kan morgen tussen 12.00 en 16.00 uur komen.’ Ze zei het op een toon die geen tegenspraak duldde, dus ik probeerde nog heel voorzichtig of het ook eerder kon. Het was de eerste dag van m’n vakantie en ik had net gepland om die middag te gaan zwemmen.
‘Dan wordt het na het weekend,’ zei de telefoniste ongeduldig.
Ik koos eieren voor m’n geld. Dit weekend staan de kwartfinales van het WK voetbal op het programma. ‘Oké, dan doe maar morgen tussen 12.00 en 16.00 uur.’

Het gesprek duurde nog geen halve minuut, dus ik vermoed dat ze m’n tweets heeft gelezen en zo min mogelijk met me te maken wilde hebben. Terwijl ik in het echt best aardig ben; ik kan alleen niet zo goed tegen slechte klantenservice en webcare.

Vrijdagochtend stond de monteur om 11.00 uur voor de deur. Hij belde met een collega en rommelde wat met de verbindingen. Binnen tien minuten was hij klaar.
‘Zo. U heeft weer internet,’ zei hij.
Ik schakelde m’n laptop over op het huisnetwerk. Inderdaad, het werkte.
‘Wat was er nu aan de hand?,’ vroeg ik.
‘Er was een netwerkstoring en ze hebben twee connecties verwisseld,’ zei de monteur.
‘Ah,’ zei ik, ‘was dat het.’
Ik had geen idee waar hij het over had.

Goed, alles werkt weer.

Maar waar kan ik nou de beoordeling van de klantenservice van KPN ook alweer invullen?

Posted in Eindhoven | Tagged , , , | 3 Comments