Goofy

Het doel.

Ik wilde een longboard. Hoewel m’n huisje op een ideale locatie ligt – kwartiertje lopen en ik ben in de stad, binnen vijf minuten ben ik bij de Albert Heijn, een paar minuten verder en ik ben bij de sportschool – zocht ik naar een vervoermiddel dat nét iets sneller was dan de benenwagen. Ik kan natuurlijk fietsen, en dat doe ik heel graag, maar ik wil m’n fiets wel veilig kunnen stallen. Ik zie wel eens studenten in de buurt op een skateboard voorbij cruisen, dus dat leek me een goed alternatief. Goedkoop, praktisch en die dingen zien er ook nog eens enorm cool uit.

Meestal komt zo’n gril bij me op en ebt dan weer weg. Als die na een tijdje terugkomt, dan weet ik dat het serieus is. Al was er ook een stemmetje achter in m’n hoofd dat zei: djiezus Guido, je bent 37, moet je nou op je ouwe dag zo nodig de skater boy gaan uithangen? Daarbij, zou je er niet beter aan doen om eens je rijbewijs te gaan halen?

Noem het een midlifecrisis, of het peterpansyndroom, zelf hou ik het er liever op dat ik doe ik waar ik zin in heb – ongeacht m’n leeftijd. En trouwens, in de stad heb je meer aan een skateboard dan aan een auto. Toch bleef ook ik het een ongemakkelijk idee vinden, dus ik schoof de aanschaf voor me uit.

Dit voorjaar kreeg ik op m’n werk een nieuwe collega. Hij komt van een andere afdeling en is een paar jaar jonger dan ik. Een collega had ‘m eens naar het werk zien komen op een skateboard.
‘Gaaf,’ riep ik verrukt, ‘ik wil al een tijdje een longboard. Dan ga ik ‘m uithoren over tips.’
Het lag iets genuanceerder. De collega had geen longboard, maar een elektrisch skateboard. Ook leuk, en hij stuurde me links naar wat toffe Joetjoepfilmpjes.

Ik was om, nu nog wachten tot m’n vakantiegeld binnen zou komen. Ik wist precies wat ik wilde; het was alleen zaak om me over de laatste schroom heen te zetten en dat ding daadwerkelijk te bestellen.

Dat is de verkeerde volgorde. Beter was geweest om eerst naar de lokale skatehal te gaan (die heeft Eindhoven zelfs een heel gave), wat lessen voor volwassenen die ook zo nodig moeten te volgen (die geven ze daar namelijk) en daarna te besluiten of skateboarden iets voor me is. Alleen had ik al besloten dat skateboarden iets voor me is en dus bestelde ik een longboard. Een paar dagen later kon ik een groot, langwerpig pakket ophalen. Wat een gaaf ding, dacht ik, toen ik het board uit de verpakking haalde. Lang ook; ruim een meter. Ik zette het op de vloer van m’n woonkamer en probeerde erop te gaan staan. Dat ging niet, het rolde meteen weg. Pas toen ik op het board ging staan en me vasthield aan de bank én de schoorsteenmantel lukte het. Hmm, dacht ik, ik ook met m’n goede ideeën. Even vergeten dat ik niet alleen twee linkerhanden heb, maar ook twee linkerbenen.

Een dag later deed ik een nieuwe poging. Nu kon ik los staan en m’n evenwicht bewaren. Ik bewoog voorzichtig een paar meter heen en weer en probeerde bij te sturen. Ik maakte vorderingen, maar om echt iets te leren moest ik eigenlijk met dat ding naar buiten. Alleen durfde ik niet zo goed. Ik heb een perfect geasfalteerd sportveldje voor m’n huis, maar dan zou de buurt me zien aanklooien. Naar buiten om te hardlopen voelde al als een overwinning, met m’n hippe longboard oefenen was een paar bruggen te ver.

Eerst zocht ik op Joetjoep naar instructiefilmpjes. Die zijn vaak best goed, zo bevestigde een filmpje m’n vermoeden dat ik goofy ben, niet regular. Niet dat het erg is, het houdt alleen maar in dat je met je rechtervoet voor op het board staat (op de schroefjes, Jan-Peter) en met je linkervoet afzet. Nadat je hebt afgezet, zet je die linkervoet dwars achter op het board, daarna zet je ook je rechtervoet dwars. Zo kan je bijsturen en je evenwicht bewaren. Dat ging best goed. Alleen: nog steeds in de huiskamer.

Op een avond, toen het al donker was, nam ik m’n board mee naar het veldje voor m’n huis. Dat leek me veilig want iedereen was al aan het slapen, zo redeneerde ik. Dat viel tegen. Er waren nog wat buurtbewoners hun hond aan het uitlaten. Elke keer als iemand me zag, deed ik alsof ik iets anders aan het doen was. Ik zocht in de buurt verder naar een ander pleintje; het liefst een net, geasfalteerd pleintje aan het einde van het universum.

Plaats van handeling.

Zo ging het niet langer. Ik stuurde een mailtje naar de plaatselijke skatehal met de vraag of de cursus voor volwassenen die ook zo nodig moeten nog werd gegeven.

Het invulformulier op de website sprak boekdelen.
Jongen/meisje?
Ik vulde jongen in.
Leeftijd?
Euh… nouja, 37 dus.
Verderop in het formulier vulde ik in dat ik wat basistricks voor m’n longboard wilde leren en nee, ik hoef niet per se een ollie of kickflip te kunnen maken.

Nadat ik het formulier had verstuurd bleef het oorverdovend stil. Waarschijnlijk hadden ze bij de skatehal enorm veel lol met mijn verzoek. Maar na een week kreeg ik toch reactie. Ja, ze gaven inderdaad ook cursussen voor volwassenen, maar ze begonnen daarmee pas weer na de zomervakantie. Het was wel skateboarden, niet longboarden. Dat leek me geen probleem. Misschien vond ik het toch leuk een ollie of een kickflip te kunnen maken. En als het niks zou worden, zat er vast nog een leuke blog in.

Eind augustus ging ik voor het eerst naar Area 51. Bij de receptie kreeg ik een skateboard en een helm (dat laatste leek me geen overbodige luxe), in de hal maakte ik kennis met de instructeur die deze avond nog twee andere, meer ervaren oudere skateboarders begeleidde.
‘Heb je wel eens een boardsport gedaan?,’ vroeg de instructeur.
‘Nope,’ zei ik.
‘Weet je met welke voet je afzet?,’ ging hij verder.
‘Met links,’ zei ik.
Goofy dus,’ zei hij.
‘Yep,’ zei ik, als volleerd kenner van het skateboardjargon.

Ik dacht dat een eerste les niet meer zou behelzen dan wat afzetten en balanceren, met hooguit een stukje cruisen, maar m’n instructeur had andere plannen. Hij wilde meteen met me van een helling af. Nouja, hellinkje.
‘Als je naar beneden gaat, dan leun je mee,’ legde hij uit.
Ik probeerde mee te leunen maar dat ging niet goed. Telkens leunde ik te veel op de arm van de instructeur. Dat vond ik niet gek; als je met een skateboard een helling af gaat, voelt het contra-intuïtief om mee te leunen. Een zevenjarige zal zich daar makkelijk overheen zetten maar ik, met 37 jaar levenservaring in m’n vezels, sputterde iets meer tegen.

‘Chill,’ zei de instructeur, ‘het is niet voor niets dat skaters zoveel blowen en relaxen. En als je door je knieën gaat en relaxed staat, val je ook minder hard.’
Dat door de knieën gaan klonk logisch. Dat chillen ook. Waar had ik dat trouwens eerder gehoord? Ineens was ik in gedachten weer op Hawaï, vijf jaar geleden, waar ik een surfles volgde. De surfinstructeur was nog enthousiast begonnen door z’n groepje leerlingen te vertellen dat hij iedereen kon leren surfen. Maar m’n allesbehalve soepele surf moves brachten ‘m danig aan het twijfelen. Hij nam me apart. ‘You’re doing fine,’ verzuchtte hij, ‘but you need to relax more.’
Daarmee gaf hij onbedoeld de beste les van die vakantie. Niet alleen voor surfen, maar voor het hele leven. Toch, hier was ik, vijf jaar verder en nog steeds kreeg ik te horen dat ik moest chillen.

‘Weet je zeker dat je goofy bent?,’ vroeg de instructeur na een tijdje.
‘Dat weet ik heel zeker,’ zei ik en vertaalde z’n opmerking als: djiezus, dit is écht een hopeloos geval.
Bij weer een nieuwe poging verloor ik de controle over m’n board en ging onderuit.
‘Dat komt omdat je niet voldoende leunde,’ riep de instructeur terwijl ik weer overeind krabbelde, gevolgd door een meer empathisch ‘gaat het?’

Intussen was m’n T-shirt doorweekt van het zweet van de inspanning.
‘Het is hier warm he?,’ zei de instructeur droogjes.
Ik vroeg me af hoe ik dit in godsnaam ging leren. De instructeur dacht vermoedelijk hetzelfde.

Ooit heb ik leren fietsen, zo bedacht ik. Ik heb daar belachelijk lang over gedaan, maar toch. Ik prentte mezelf daarom maar in dat leren skateboarden niet veel anders was dan leren fietsen. Ook dat ging met vallen en opstaan en, belangrijker nog, kostte tijd. Veel tijd.

Hoe ga ik dit beest temmen?

Een week later ging ik terug. Dat hellinkje moest dit keer lukken. Dat hele skateboarden moest lukken want ondanks dat het voelde alsof ik mezelf compleet belachelijk had gemaakt, vond ik het wel enorm leuk. Ik vond een skateboard zelfs veel leuker dan een longboard. Opnieuw had m’n instructeur andere plannen. In een aparte ruimte achter de grote hal was een skatebaan met een opstaande rand van een kleine meter hoog. Of ik daar vanaf kon gaan.
‘Echt niet,’ zei ik.
‘Jawel,’ vond de instructeur.
Even later hing ik met m’n skateboard over de poke in het luchtledige, me af te vragen hoe het zover had kunnen komen. Daarna ging ik naar beneden. Hóe weet ik niet maar ik bleef op m’n board staan, al was dat alleen omdat m’n instructeur me ondersteunde. We deden nog twee pogingen, daarna gingen we weer naar de hal om hellinkjes te doen.

‘Je leunt steeds beter mee,’ merkte de instructeur na een tijdje oefenen met verschillende hellinkjes op. ‘Volgens mij kan je makkelijk alleen van dat hellinkje af.’
Daar dacht ik zelf anders over, maar ook ik moest toegeven dat het steeds beter ging. M’n houding, ontspannen, knieën licht gebogen en met de schouders boven m’n board, werd steeds beter en ik kon makkelijker balanceren. Nu was het vooral een kwestie van zelfvertrouwen krijgen.
‘We gaan naar een ander hellinkje en dan probeer je het met een aanloop,’ stelde de instructeur voor.
Ik deed een poging en het ging. Het was een hellinkje van niks, zo’n geval waar een zevenjarige nog z’n snotneus voor op zou halen, maar stiekem was ik best trots. Nadat de les was afgelopen, bleef ik nog een half uur lang dit ene hellinkje doen.

Een week later had ik weer les, dit keer met een andere instructeur. Eerst ging ik naar die instructiebaan met de opstaande rand, drop-ins oefenen.
Fuck, dacht ik, daar gaan we weer.
‘Je bent niet ontspannen,’ riep de instructeur terwijl ik stijf van de zenuwen op de rand stond, ‘je kunt er pas af als je ontspannen bent.’
Nee hehe, dacht ik, wat zou jij zijn als je met je board over de rand hangt en je het gevoel hebt dat je jezelf in de afgrond stort? De eerste keer bleef ik net overeind, vooral omdat de instructeur hard aan m’n bovenarmen sjorde. De pogingen daarna gingen niet veel beter. No way dat ik alleen van die rand af durfde te skateboarden. De rest van de les ging op aan hellinkjes en wat op het board leunen. Voorover, achterover, sturen, op en af springen. Dat ging heel aardig.

‘Hoe vind je het zelf gaan?,’ vroeg m’n instructeur na afloop.
Het voelde als een gewetensvraag, alsof ik een paar weken een nieuwe baan had en de werkgever weinig subtiel wilde laten weten dat m’n kwaliteiten nog niet echt uit de verf waren gekomen.
Tja, hoe vind ik het gaan, dacht ik. Wat is het referentiekader? Ik had na drie weken nog niks gebroken, verstuikt of verzwikt en dat vond ik zelf een behoorlijke prestatie. Aan de andere kant vloog ik nog niet bepaald elegant door de skatehal.
‘Ik weet het niet,’ zei ik, ‘wat is normaal na drie lessen?’
‘Maar voel je je al meer vertrouwd?,’ was het antwoord.
‘Ja, dat wel,’ zei ik. Wat ook waar was, want het ging elke les een stukje beter. Misschien was het ook te veel gevraagd om te denken dat ik na drie weken al in de halfpipe kunstjes stond uit te voeren.

Toch zag ik al voor me hoe ik wekelijks bleef stuntelen op de simpelste hellinkjes, al dan niet met behulp van de instructeur, terwijl ik links en rechts ingehaald werd door leeftijdsgenoten die na één les meer konden (en vooral: durfden) dan ik. Ik moest denken aan de tijd dat ik nog aan reddingszwemmen deed. Dat werd een jeugdtrauma, omdat ik het duiken niet onder de knie kreeg. Ik bleef jarenlang op hetzelfde brevet steken, terwijl de zwemmers om me heen steeds jonger werden en dus kapte ik er na een tijdje mee.

Om de volgende keer goed beslagen ten ijs te komen besloot ik in het weekend nog op een rustig moment in de skatehal te gaan oefenen. Huiswerk maken. Weer begon ik met dat suffe hellinkje. Een jochie van een jaar of tien stond naast me wat trucjes te doen en maakte een praatje.
‘Heb je die hogere helling al gedaan?,’ vroeg hij. Hij wees naar een helling die ik eerder wel eens had gedaan, maar dan met hulp van de instructeur.
‘Nee, daar begin ik nog niet aan,’ zei ik, ‘jij wel?’
‘Ja, die heb ik vorige week gedaan,’ antwoordde hij.
‘Hoe lang ben je bezig?,’ vroeg ik.
‘Drie weken,’ zei hij.
Fuck, dacht ik. Toen het jochie even later weg was, skateboardde ik naar de rand van de hogere helling. Het was niet veel hoger dan wat ik tot nu toe had geprobeerd en even, heel even twijfelde ik.

Inmiddels ben ik ruim een maand verder. Die hogere hellinkjes blijven een uitdaging. Nog steeds sta ik op de rand en is er een stemmetje in m’n achterhoofd dat zegt: waar zijn we nou helemaal mee bezig?
‘Er kan niks gebeuren,’ zegt de instructeur dan.
Nou, denk ik op mijn beurt, ik kan me heel veel dingen voorstellen die kunnen gebeuren.

Gaandeweg durf ik steeds meer. M’n afzet blijft ruk, maar ik lever tegenwoordig zelfs een paar keer per les een goede drop-in af, al is dat vermoedelijk meer geluk dan vaardigheid. En de instructeur blijft heel supportive: ‘Je kunt het, nu moet je het ook nog durven.’
Dat kan je gerust als een metafoor voor m’n leven zien.

Afgelopen week heb ik m’n eigen skateboard aangeschaft, want die leengevalletjes van de skatehal was ik zat. Als skateboarden net is als fietsen, dan leer je dat toch het beste op je eigen board. Het is nog best een fancy exemplaar, want ik moest natuurlijk weer het deck met de duurste print. Het ding is trouwens net wat breder dan een standaard skateboard, vanwege m’n lengte en euh… leeftijd. En dan komen daar nog trucks, lagers en wieltjes bij. Een behoorlijke investering, maar je doet iets goed of je doet het niet.
‘Aan het board zal het niet liggen,’ zei de verkoper nadat hij m’n skateboard in elkaar had gezet.
Nee, dacht ik, dus ik heb geen excuus meer. Die hellinkjes gaan me lukken. Net als de drop-ins. En de afzet.

Weet iemand nog een asfaltveldje aan het einde van het universum waar ik kan oefenen?

Als ik m’n nek breek, dan wel in stijl.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged , , , | 1 Comment

Anneke

Bij het overlijden van Anneke Grönloh moet ik denken aan Eddy, een oud-collega van m’n vader. Die oud-collega moet de grootste Grönloh-fan van Nederland zijn. Het kan niet anders of hij heeft er persoonlijk voor gezorgd dat Brandend Zand in 2005 plotsklaps op nr. 110 in de Top 2000 stond. De dienstdoende dj van Radio 2 zei er niks van te snappen waarom die plaat ineens zo sterk was gestegen. Ik wist wel beter.

Het zal rond die tijd zijn geweest dat ik met een vriend een paar dagen in Den Haag was voor een muziekfestival. Op straat zag ik een grote poster van Anneke Grönloh in overdreven glamourpose hangen. Ze ging optreden in het lokale filiaal van Holland Casino. Dat zou echt een poster voor Eddy zijn, dacht ik, dus bij thuiskomst stuurde ik een mailtje naar Holland Casino. Ik legde uit dat het hier zonder twijfel de grootste fan van Grönloh betrof en of ze, desnoods tegen betaling, me een paar posters wilden toesturen. Per omgaande vond ik – gratis – een paar posters bij de post.

Nu was het zaak om de posters bij Eddy te krijgen. M’n vader (en Eddy) stonden beiden voor de klas op een basisschool. Het leek m’n vader leuk om de poster in het weekend in Eddy’s lokaal te hangen. Dan zou hij de poster vanzelf op maandagochtend vinden. Dat vond ik ook wel grappig, dus in het weekend reden we naar school en hing ik de poster over een muur met allerlei kleinere posters en foto’s van hedendaagse popartiesten. Want ondanks z’n liefde voor Grönloh is (en was) Eddy een groot muziekliefhebber, iets dat hij graag met z’n leerlingen deelde. Nadat ik een poster had opgehangen legde ik de koker, met daarin een tweede poster, bij hem op het bureau. Ik schreef er een kort briefje bij.

Hoe het precies gegaan is weet ik niet, maar blijkbaar vond Eddy de koker niet op z’n bureau toen hij maandagochtend z’n lokaal binnenkwam. Sterker nog, hij had de eerste paar uur niks in de gaten. Totdat hij een toets afnam. Een leerling keek halverwege de toets op, zag de levensgrote poster van Anneke Grönloh hangen en riep verschrikt uit: ‘Gatverdamme! Wie is dat lillik mens?’

Eddy schrok zich rot, zag de poster van Anneke Grönloh hangen en vond toen pas de koker met m’n notitie.
‘Die leerling heb ik natuurlijk meteen de klas uitgestuurd,’ zei hij later verontwaardigd, toen hij mij belde om te bedanken voor het cadeau.

Jaren later ben ik eens bij Eddy thuis geweest. In de computerkamer hing de poster aan de muur.

Posted in Eindhoven, Muziek | Tagged , , | Comments Off on Anneke

Walcheren

Strekdammen (of paalhoofden) zijn zo fotogeniek.

Op de deuren van de eerste wagon van de trein staan twee fietsen afgebeeld. Dat heb ik wel gezien toen de trein het station binnenreed maar ik had gehoopt op een ander paar deuren ook nog de fietsen te zien. Niet dit keer, dus ik moet het hele perron terug af lopen. Dat is nog een best stuk, dus ik moet me haasten. De conducteur merkt het op en wenkt een keertje minzaam naar achter. Duh, denk ik, dat had ik zelf ook wel gezien.

Het is trouwens beter dan een andere keer dat ik met m’n fiets in de trein wilde reizen en een ouder stel zonder pardon de toegang tot de trein werd ontzegd; er stonden al te veel fietsen. Maar fietsen meenemen in de trein is een stuk minder populair geworden sinds de introductie van de OV-fiets. De enige andere rijwielen op het balkon zijn drie BMX-fietsen.

Ik zet m’n fiets op de daarvoor bestemde plek en ga verderop in de wagon zitten, met m’n koptelefoon op. Naast me zitten vier meisjes die het rooster van het nieuwe schooljaar met elkaar bespreken. Ik vang flarden van het gesprek op en zet m’n muziek zachter. Eentje roept verontwaardigd uit: ‘Maar waarom zit zij niet in dezelfde klas als mij?’

De docent Nederlands gaat een zwaar jaar tegemoet denk ik.

Als ik een ‘als mij/dan ik’ taalfout hoor, moet ik steevast denken aan twee jongens die ik ooit in het krachthonk van de sportschool trof. Een van de twee had het pas uitgemaakt met z’n vriendin. Daar was een goede reden voor, zo legde hij uitvoerig aan z’n trainingsmaatje uit, want hij was heel sportief en zij lag heel de dag op de bank chips te eten. Hij sloot z’n relaas af met de veelzeggende opmerking: ‘Zij is gewoon niet zo slim als mij.’

Op station Tilburg kijk ik op het balkon naar m’n fiets. De BMX’ers zijn vertrokken. Als de trein weer vertrekt ga ik op een andere plek in de wagon zitten. De man naast me leest op z’n laptop het wikilemma over Liechtenstein. Ik heb zin om ‘m te vertellen dat het belangrijkste exportproduct van Liechtenstein kunstgebitten is, maar ik wil niet al te freaky over komen.

Ik ben onderweg naar Zeeland voor een fietstochtje. Meestal steek ik dan de Westerschelde over en fiets ik door de duinen naar Nieuwvliet en Cadzand. Op de terugweg fiets ik dan door Sluis voor een bezoek aan het Meisje van de Slijterij, iets wat ik al deed toen ze haar winkel nog in Breskens had. We hebben het in Nederland niet slecht getroffen met badplaatsen, maar die in Zeeland, en dan met name Zeeuws-Vlaanderen, zijn het állerbeste. Betrekkelijk rustig, met mooie stranden met van die leuke strekdammen (of paalhoofden, daar zijn de kenners het niet over eens).

Dit keer blijf ik aan de noordkant van de Westerschelde. Een rondje Walcheren heb ik nog nooit gefietst. Niet al te uitdagend (ik fiets doorgaans langere afstanden), maar met zat leuke plaatsen om me niet te hoeven vervelen. Dat begint al met Middelburg zelf, een stad waar ik al vaker ben geweest, maar dat één van m’n favoriete Nederlandse steden blijft. Een prachtig historisch centrum waar de tijd stil lijkt te hebben gestaan: de Lange Jan, de Koorkerk, de Oostkerk, de kaaien, het Abdijplein en die vele, smalle, uitgestorven straatjes met huizen die niet bekend staan onder hun huisnummer maar onder hun naam.

Een eerste wandeling door Middelburg.

Eerst beklim ik de 207 treden van de Lange Jan voor een uitzicht over het voormalige eiland. Daarna ga ik langs in de Koorkerk, laatste rustplaats van Rooms-koning Willem II van Holland. Hij stond in 1255 op het punt om in Rome tot keizer gekroond te worden maar besloot eerst nog op strafexpeditie tegen de West-Friezen te trekken. Dat had hij beter niet kunnen doen. Hij zakte januari 1256 door het ijs van het Berkmeer en werd door de West-Friezen gedood. Z’n zoon Floris V wist pas in 1282 de resten van z’n vader te krijgen en z’n graf, of wat daar nog van over is, bevindt zich in de Koorkerk. Omdat het één van de oudste graven van Nederland is, stond ik hier een jaar of tien geleden voor een interview met een Zeeuws historicus voor m’n afstudeerdocumentaire.

Het fijne van Walcheren is dat alles befietsbaar is. Ik fiets Middelburg, een stad die niet kapot is gemaakt door allerlei lelijke buitenwijken, uit en ben nog geen half uur later in Veere, een plaats met zo’n 1600 inwoners en een aantal stokoude straatjes, plus jachthaven. Dat betekent ook: toeristisch. Aan de Markt bevinden zich allerlei restaurantjes, de ene nog chiquer ogend dan het andere, met tussendoor authentiek aandoende winkels. Het mooiste is het uit de vijftiende eeuw stammende stadhuis van Veere, waar net een bruiloft gaande is.

Daarna fiets ik verder naar Domburg. Dat wil ik eigenlijk via Vrouwenpolder doen, maar de weg gaat richting Gapinge, Serooskerke en Oostkapelle. Dorpjes met huisjes die te huur, of zu mieten, staan met in het centrum een klein kerkje, een enkele keer met dakruiter. Ook best.

In Domburg ga ik pootjebaden tussen de paalhoofden. Ik wil een foto maken, maar de twee rijen paalhoofden staan niet diep genoeg voor een mooie foto. Dan maar naar twee rijen paalhoofden die een paar honderd meter verderop staan. Daar heb ik meer geluk. Hoe verder ik terug het strand op loop, hoe mooier het effect. Nee, het is niet heel creatief van mij, sterker nog, ik zie een man exact dezelfde foto proberen te maken én ik ken een soortgelijke foto van het hoesje van Bløfs single Aan de Kust, maar mooi is het wel. Op de boulevard fotografeer ik de villa Carmen Sylva. Dat is het pseudoniem van de Roemeense koningin Elisabeth von Wied. Zij logeerde in 1889 in Domburg in Villa Maria, dat nu haar naam draagt.

Aan de voet van de duinen wandel ik door de hoofdstraat van Domburg. In een sportwinkel tref ik het. Vorige maand had ik tijdens een bezoek aan Lund in Zweden in een etalage een leuk T-shirt zien liggen. Het was vroeg, de winkel was nog gesloten en ik moest op tijd terug naar Malmö en ik dacht dat ik het T-shirt ook later nog online kon bestellen. Helaas kon ik het niet vinden. Nu kom ik datzelfde T-shirt stom toevallig tegen in een winkel in Domburg.

Veere en Domburg, met op de onderste foto de villa Carmen Sylva.

Op weg terug naar Middelburg komt me een stel tegemoet gefietst.
‘Is dat de weg naar Oostkapelle?,’ vraagt de vrouw, terwijl ze in de richting wijst waar ik vandaan kom.
‘Euh… Serooskerke geloof ik,’ antwoord ik.
‘Nee, dat kan niet,’ zegt de man terwijl hij op een richtingaanwijzer wijst, ‘Serooskerke is die kant op.’
‘Oja,’ zeg ik en ik begin te twijfelen. Wat is toch dat dorpje waar ik net doorheen ben gefietst? Op de kruising waar ik dit stel tref staan twee straatnaambordjes. Aan de kant waar ik vandaan kom heet die de Grijpskerkseweg, aan de kant waar het stel vandaan komt heet die de Oostkapelseweg. In Eindhoven heb je de Heezerweg en die leidt naar Heeze, de Leenderweg leidt naar Leende en de Aalsterweg naar Aalst.
‘Nee, het moet Oostkapelle zijn waar ik net doorheen ben gefietst,’ zeg ik.
‘Weet je dat zeker?,’ vraagt de vrouw, die duidelijk al even aan het zoeken is.
‘Ja, zeg ik. Dat móet wel. Waarom zou die weg anders de Grijpskerkseweg heten,’ leg ik uit.

Ze lijken niet echt overtuigd en zelf twijfel ik eerst ook nog. Als ik het later thuis op een kaart nakijk zie ik dat ik ze gelukkig de juiste kant op heb gestuurd.

In Middelburg loop ik nog een rondje door het centrum. De stad is nog mooier tegen de avond, als het centrum langzaam stiller wordt. Het licht valt mooi over het Abdijplein en het Damplein, een langgerekt plein aan de rand van het centrum. Er staat een beeld van een koningin. Ik denk Wilhelmina, maar daarvoor oogt de dame in kwestie te frêle.

Er loopt een gezin voorbij. Een jongetje leest de tekst op het beeld voor: ‘Nederland zij groot in alles waarin ook een klein volk groot kan zijn.’
‘Wie is dat?,’ vraagt hij aan z’n moeder.
‘Dat is koningin Emma,’ antwoordt zij.
Mooi denk ik, weet ik dat ook weer.

Aan het Damplein ligt een Italiaans restaurant met een mooi terras. Hier eet ik terwijl de zon langzaam ondergaat. Als ik later in de trein stap, zie ik de laatste zonnestralen boven de Oosterschelde en het Markiezaat.

Heel soms heb je een dag dat alles meezit. Dit is zo’n dag.

Abdijplein en Damplein, tijdens een tweede wandeling door Middelburg.

Posted in Foto's | Tagged , , , , , , , , | Comments Off on Walcheren

Malmö

Emporio, het moderne Malmö.

Vanuit de top van de Vor Frelsers Kirke in Kopenhagen kan je ‘m hoog boven de Sont zien uittorenen: de Sontbrug. Niet alleen een brug trouwens, want vanuit Denemarken gezien is het eerste deel een tunnel, maar over een lengte van bijna acht kilometer verbindt dit bouwwerk Kopenhagen met Malmö. Die brug ligt vreemd genoeg niet eens op het smalste deel van de Sont, dat is namelijk aan de noordkant van het gebied, waar een schamele vier kilometer het Deense Helsingør van het Zweedse Helsingborg scheidt.

Dankzij die brug, die er sinds 2000 ligt, ben je vanuit het vliegveld van Kopenhagen in een mum van tijd in Zweden. Dat heeft grote gevolgen voor de zuidelijkste regio van Zweden: Skåne, de streek waar Malmö de hoofdstad van is, groeit als kool en is de dichtstbevolkte streek van het Scandinavische land. Bovendien zijn veel Denen voor hun woning naar Zweden uitgeweken. Geef ze eens ongelijk: je bent in een half uurtje in het centrum van Kopenhagen. Maar hoewel m’n, verder vrij crappy reisgids, een hoofdstuk aan de Zweedse stad wijdt, wil het nog niet zo vlotten die toeristen die Kopenhagen bezoeken naar de andere kant van de Sont te krijgen. Ik wil wel, omdat ik in 2010 al in Stockholm was (wat een enorm leuke stad is), omdat ik een keertje de Sontbrug over wil én omdat ik de Turning Torso wil zien.

Daar komt als ik m’n reis ga boeken nog een vierde reden bij. De accommodatie is in Zweden bizar genoeg een stuk goedkoper dan in Denemarken. Voor het bedrag dat ik in Kopenhagen voor één nacht in een hostel kwijt ben, kan ik in Malmö twee dagen in een hotel overnachten, inclusief ontbijt én gym (dat laatste is ook wel eens leuk voor de verandering, zeker als tijdens het sporten niet Slam FM maar Allsång på Skansen, een openluchtconcert met bekende Zweedse artiesten en luid meezingend publiek, opstaat). Ach, als je toch besluit om Malmö te bezoeken is het niet erg om er ook te blijven slapen.

Zweden en Denemarken zijn allebei lid van de EU én allebei lid van Schengen, maar vanwege de vluchtelingencrisis is er wel een grenscontrole tussen beide landen. Soort van. In de trein wordt gevraagd aan reizigers die in Hyllie, het eerste treinstation aan Zweedse kant, uitstappen om hun legitimatie gereed te houden. Vanuit de trein is te zien dat hekken op het perron zijn geplaatst en de grenspolitie controleert. Maar vreemd genoeg vindt controle alleen op dit station plaats en niet op het centrale station van Malmö. Om maar te zeggen: als ik die controle wil omzeilen blijf ik gewoon twee stationnetjes langer zitten.

Het oude centrum van Malmö, met een overdaad aan beelden. Op de onderste foto het beeld Non-Violent; één van de 22 versies althans.

Malmö heeft 330 duizend inwoners, maar voelt geen moment als de grootste metropool van zuid-Zweden. Eerder een rustig provinciestadje. Dat komt doordat de hoogbouw beperkt is. Goed, er zijn wel grote flats, maar die liggen verder weg van het centrum, en de grote winkels zitten vooral in Emporio, één van de grootste winkelcentra van Scandinavië dat aan de rand van de stad is gebouwd – naast het stadion van Malmö FF.

In dat winkelcentrum kom ik op donderdagochtend terecht, als ik iets moet kopen voor m’n zus. Ik loop een rondje door het, inderdaad gigantische complex, en ga een winkel binnen. Een meisje roept iets in het Zweeds. Het is nog vroeg en ze is met haar collega wat spullen aan het opruimen, dus ik denk dat ze het tegen haar collega heeft. Maar dan komt ze naast me staan en kijkt me verontwaardigd aan: ‘Hej!’
‘I’m sorry,’ stamel ik verbaasd, ‘I didn’t know you were talking to me.’
‘I was wondering what’s in your bag,’ zegt ze, zich niet verontschuldigend voor haar wat lompe gedrag.
‘My camera,’ zeg ik.
‘Ow, I thought it was something to drink,’ gaat ze verder.
‘That would be cool,’ antwoord ik.
‘What brings you to Malmö?,’ vraagt ze.
Ik leg uit dat ik een paar dagen in Kopenhagen ben en dan best even de oversteek naar Malmö kan maken.
‘And then you come here?,’ zegt ze, ‘you should be in de city centre.’
‘Ow, I will,’ zeg ik, ‘actually, I’m off now.’

Zweden zijn vrij direct. In elk geval directer dan Denen. Misschien is het ook een bepaalde stugheid. Als ik incheck in m’n hotel heeft de receptionist ook al zo weinig woorden nodig. Hij geeft me m’n sleutel, zegt dat de kamer op de derde verdieping is, ontbijt op de tweede: ‘Enjoy your stay.’

Op de bovenste vier foto’s de huizen rond Möllevångstorget. Op de foto’s daaronder Kungsparken en Slottsparken, twee parken die aan het centrum van Malmö grenzen en door de aanhoudende droogte verdord zijn. Met eend met jonkies, oude vissershuisjes, een molen en moestuintjes met een bijzonder vogelhuisje.

Maar Malmö (goed triviafeitje: het heeft net als Eindhoven netnummer 040) is een allervriendelijkste stad. Een oud centrum met een aantal mooie pleinen die met elkaar verbonden zijn door sfeervolle straten met kleurrijke huizen. De stijl van die huizen verschilt niet zo gek veel van die in Kopenhagen, wat een gezamenlijke geschiedenis verraadt. Er hangt een relaxte sfeer; niet gek op zo’n zonovergoten dag. Ten oosten van het centrum liggen Kungsparken en Slottsparken, met wat moestuintjes, een molen en oude vissershuisjes waar je, als je ‘s morgens maar vroeg genoeg komt, verse vis kunt kopen.

Waar in de Deense hoofdstad elk plein of park is volgepropt met stoeltjes, zijn ze daar in Malmö spaarzamer mee. Wat ze in Zweden wel in overvloed hebben zijn beelden, veel beelden. Elk plein heeft een beeld, liefst zelfs meerdere. In totaal zijn het er ruim 300. Het meest in het oog springt Non-Violence, een pistool met een knoop in de loop: symbool van geweldloosheid. Het is van de hand van de Zweedse kunstenaar Carl Fredrik Reichswärd en hij maakte het na de dood van John Lennon. Wereldwijd zijn er 22 versies te zien, onder andere voor het gebouw van de Verenigde Naties in New York en voor het Olympisch Museum in Lausanne. Twaalf ervan kan je in Zweden vinden, vooral in Stockholm en Göteborg. Het exemplaar in Malmö is één van de drie originelen.

Pak de trein naar station Triangeln (dat is een eitje, het openbaar vervoer van Malmö is perfect geregeld en met een dagkaart van zeven euro ook nog heel betaalbaar) en loop richting Möllevångsgatan en je komt in het multiculturele Malmö terecht. Ook hier oude huizen, maar minder kleurrijk dan in het centrum. Dit zijn huizen gebouwd rond 1900. In de straten rond het centraal gelegen plein Möllevångstorget zitten eettentjes met gerechten uit alle windstreken, op het plein zelf vindt een markt plaats.

Op de bovenste foto het Niagaragebouw van de universiteit van Malmö – u begrijpt wel waarom het gebouw zo heet (ik zag het nog in de achtergrond voorbijkomen in een aflevering van het nieuwe seizoen van The Bridge), op de foto daaronder een kunstwerk voor het Moderna Museet van Malmö, daaronder Västra Hamnen, de nieuwste wijk van de stad, met blikvanger Turning Torso, het meesterwerk van Santiago Calatrava.

Loop voorbij het treinstation van Malmö en je komt in de wijk Västra Hamnen. Een nieuwe wijk, met moderne architectuur en veel jonge gezinnen. Die huizen en nette, nieuwe straten zijn leuk, maar het is vooral de Turning Torso van Santiago Calatrava dat hier de blikvanger is. Sinds de opening in 2005 is het gebouw met een hoogte van 190 meter het symbool van de Zweedse stad geworden. Vanaf de bovenste verdieping kan je met gemak Denemarken zien liggen. Dat laatste moet ik maar voor waar aannemen, want het complex is slechts een paar weken per jaar toegankelijk voor toeristen en helaas niet als ik er ben. Het grootste deel van de Turning Torso is ingeruimd voor appartementen. De huur daarvan moet torenhoog zijn, zo denk ik als ik naast de ingang van de Turning Torso een Lidl aantref. Totdat ik de toren voorbij loop en aan de andere kant de kliniek van een plastisch chirurg zie.

Västra Hamnen heeft daarnaast een prachtige boulevard, de Sundspromenaden. Het is er loeidruk op deze zonnige donderdag. Zweden is al wekenlang in de ban van een enorme droogte en hoge temperaturen. Die zorgen ervoor dat grote delen van het land worden bedreigd door bosbranden – de krant die ik die dag koop bericht er uitgebreid over – maar het zorgt ook voor een ongekend zonnige zomer. Ooit las ik een interview met Per Gessle van Roxette waarin hij vertelde dat veel van z’n liedjes over de zomer gaan, omdat nergens de zomer zo vol overgave wordt genoten als in Zweden (dat komt door die eindeloos lange Scandinavische winters). Als ik de Sundspromenaden bekijk kan ik me daar iets bij voorstellen. Op verschillende plekken draaien jongeren muziek (Zweedstalige hiphop waarbij ik alleen de woorden ‘Netflix en chill’ kan ontcijferen). Er zijn trappetjes waar je netjes het water in kan, maar er is ook een uitzichtpunt van een meter of zes hoog waar de grootste durfals vanaf springen om weer in datzelfde uitzichtpunt omhoog te klimmen. Het uitzicht is mooi, in de verte zie je de Sontbrug liggen.

De sfeer op de boulevard bevalt me wel, dus als ik ‘s avonds een rondje ga hardlopen besluit ik de boulevard in m’n route op te nemen. Het is gaan schemeren als ik rond 22.30 uur oer de promenade ren, maar ook dan nog is het druk. Gessle heeft gelijk; nergens wordt de zomer zo uitbundig genoten als in Zweden.

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Malmö

København

Kopenhagen. Bike Town.

Ik was nog geen uur in Kopenhagen toen in de metro iets grappigs gebeurde. De wagon was druk maar niet overvol toen een jonge moeder met een kinderwagen instapte. Ze gebaarde naar twee mannen die op klapstoeltjes zaten om op te staan, zodat haar kinderwagen op die plek kon staan. Inderdaad, er stond een icoontje op de wand van de wagon dat deze ruimte was gereserveerd voor kinderwagens. De mannen stonden zonder morren direct op, alsof het vanzelfsprekend was terwijl er, eerlijk is eerlijk, nog voldoende ruimte was om die kinderwagen ergens anders in de wagon neer te zetten.

Dat er überhaupt een vrouw achter de kinderwagen liep was trouwens net zo bijzonder, zo merkte ik later die dag. Nergens heb ik zoveel mannen achter kinderwagens zien lopen als in Denemarken. Gevolg van een riante vaderschapsverlofregeling.

Welkom in Denemarken, land waar ze gelijkheid hoog in het vaandel hebben (letterlijk; op overheidsgebouwen wappert standaard een regenboogvlag) tot in het extreme hebben doorgevoerd. Het is wel consequent; als je als overheid gelijkwaardigheid predikt, moet je daar ook de faciliteiten voor bieden. Daar kunnen we in Nederland nog veel van leren.

Die gelijkheid is overal. Neem nou de openbare ruimte. Kopenhagen telt veel parken en pleinen en al die locaties staan vol stoeltjes om gratis gebruik van te maken. Dat kan gewoon, niemand die op het idee komt om ‘s nachts een paar van die stoeltjes mee te nemen (of er staan er zoveel dat het niet opvalt als er eentje verdwijnt). Zo is het stadspark Superkilen een ontmoetingsplek waar kinderen kunnen spelen en volwassenen bij elkaar komen om te praten. Het is een plek waar heel de wereld samenkomt: de attributen in het park zijn afkomstig uit alle windstreken. Het leukste is de geasfalteerde heuvel waar jong (en oud) met of zonder fiets of skateboard vanaf dendert. Jammer genoeg wordt het knalrode deel van het plein momenteel opgeknapt.

Of kijk naar het oude buurtje Brumleby in de wijk Østerbro, in de negentiende eeuw gebouwd na een cholera-epidemie. Het zijn kleine huisjes, consequent in wit en geel uitgevoerd, bedoeld als gezonde en goedkope huisvesting voor arbeiders. Nu is het een hip buurtje, een oase van rust in de hoofdstad, met een speeltuin die heel slim is gebouwd in dezelfde kleuren als de rest van de buurt.

Assistens Kirkegard, met lange populieren langs de hoofdstraat. Laatste rustplaats van vele beroemde Denen. Op de bovenste foto het graf van Hans Christian Andersen, op de vierde foto van boven het uiltje op het graf van de familie Bohr (van Niels).

Vlak naast m’n hostel in de wijk Nørrebro ligt Assistens Kirkegard, de grootste en bekendste begraafplaats van Kopenhagen. Het is de laatste rustplaats van Hans Christian Andersen, Niels Bohr en Søren – what’s in a name – Kierkegaard. In Nederland hebben begraafplaatsen niet de reputatie van gezellige plekken om te flaneren, maar in het buitenland worden ze vaak gezien als parken: prima om met mooi weer overheen te wandelen (ik zag ooit op Brompton Cemetery in Londen een klein jongetje leren fietsen tussen de graven; en waarom ook eigenlijk niet). Dat de lege perkjes tussen de oude graven ook worden gebruikt om te zonnen, was ook voor mij een novum. Het voelt zelfs een tikkeltje macaber. Je snapt ook beter de mededeling bij een ander, nieuwer deel van de begraafplaats waar nog geregeld begrafenissen plaatsvinden: of de bezoekers daar rekening mee willen houden.

Bovenal is Kopenhagen een fietsstad. Souvenirwinkels verkopen T-shirts met als opdruk ‘Copenhagen Bike Town’. Als Nederlander (en fervent fietser) zie ik dat knarsetandend aan – ik vind de fietspaden in Nederland toch echt beter – maar de liefde van de Denen voor de fiets, dat wordt gezien als het vervoermiddel dat als geen ander gelijkheid predikt, blijkt vooral uit alle mogelijkheden die fietsers wordt geboden: punten waar je makkelijk een fiets kunt lenen, metrostations die allemaal een ondergrondse fietsenstalling hebben en het gemak waarmee je een fiets in het openbaar vervoer mee kunt nemen. Fietsen wordt overal gestimuleerd.

Over Denemarken gaat al jaren het verhaal dat het er zo veilig is dat de inwoners hun huizen, auto’s en fietsen niet op slot doen. Dat van de huizen en auto’s heb ik niet gecontroleerd, maar op m’n eerste dag in Kopenhagen zie ik inderdaad een fietser z’n dure mountainbike tegen een winkelgevel parkeren en zonder op slot te zetten naar binnen te open. Toch niet slim, als ik de gids bij de expositie Meet the Danes in het Nationaal Museum mag geloven. Volgens haar is het credo ook in Denemarken toch echt dat je elk jaar een nieuwe fiets kunt kopen.

De hippe buurt Nørrebro, met op de onderste vijf foto’s het ook al zo hippe Brumleby, deel van Østerbro.

Die expositie is een leuke introductie tot Denemarken. Ik bezoek ‘m pas op m’n laatste dag in Kopenhagen, maar het geeft niet. Veel zaken wist ik toch al en ze lijkt vooral ingericht voor niet-Europese (lees: Amerikaanse) toeristen die denken dat Denemarken een communistische heilstaat is. Het valt mij vooral op dat Denemarken en Nederland niet eens zo gek veel van elkaar verschillen. Veel van de zaken die de gids vertelt kunnen ook voor Nederland gelden. De liberale houding tegenover pornografie (herkenbaar), hoe de gids heeft leren fietsen (herkenbaar), hoe ze schrikt als ze op haar loonstrookje ziet hoeveel belasting ze betaalt (herkenbaar), hoe dan het besef komt wat er ze voor terug krijgt (herkenbaar) zoals gratis onderwijs en gezondheidszorg (minder herkenbaar). Zoals gezegd: Nederland kan nog veel van Denemarken leren.

De Denen waren jarenlang het gelukkigste volk ter wereld. Maar de laatste jaren staan ze niet meer nr. 1. De meningen verschillen over door wie ze zijn ingehaald: Noorwegen, Zweden, IJsland. Een bezoeker van de expositie merkt wel fijntjes op hoe dat grote geluk zich verhoudt tot het hoge zelfmoordpercentage in de Scandinavische landen. Daar heeft de Deense gids dan geen antwoord op.

Wie Denemarken zegt, zegt sinds een aantal jaren hygge. Ik dacht dat die hype inmiddels wel over was, maar ik vind nog zat boeken over dit typisch Deense fenomeen. Je kunt hygge het beste vertalen als een mengeling van gezelligheid, knusheid en kneuterigheid. Gezellig met elkaar in de huiskamer van alles doen terwijl buiten de gure Scandinavische winter raast. Niet dat je daar als buitenstaander iets van merkt, zo legt de gids op de expositie fijntjes uit. Dat Deense interieur in de expositie is het enige Deense interieur dat we zullen zien, want iemand thuis uitnodigen is absoluut niet Deens. Zelfs vrienden die elkaar al jaren kennen komen niet bij elkaar over de vloer. Blijkbaar is dat dan weer niet hygge. En niet echt Nederlands.

Maar Christiania, de vrijstaat waar sinds 1971 een commune is gevestigd, doet weer heel Nederlands aan. Het ligt aan de rand van het centrum en hier wordt openlijk in drugs gedeald. Dat gebeurt in één straat, Pusher Street, waarvan vooraf al duidelijk is gemaakt dat hier absoluut niet gefotografeerd mag worden. Dat weet ik dus, maar toch zeggen wat zenuwachtige dealers zo gauw ze m’n camera zien: ‘No pictures.’ Tja. Christiania. Het is leuk om eens overheen te lopen, maar als Nederlander die ook wel eens in kraakpanden of op het ADM-terrein is geweest ben ik niet zo onder de indruk. Ook niet van Pusher Street, waar dealers achter tafeltjes hun waar aanprijzen. Gedogen typisch Nederlands? Dat dacht je. Hier wordt op grote schaal in drugs gedeald en de Deense politie staat het oogluikend toe.

Voor de rest is Christiania vooral een smerige bende, met veel vervallen gebouwen en graffiti. Het leukste aan de buurt is dat hier en daar wat kunstenaars hun waren aanprijzen én het is de plek waar de bakfiets is ontworpen die niet meer weg te denken is uit het Deense (en Nederlandse) straatbeeld. En hoewel de ontwerper niet meer in de wijk woont, de werkplaats staat hier nog wel.

Twee gezichten van Kopenhagen. Op de bovenste acht foto’s vrijstaat Christiania, op de onderste zeven foto’s de meer formele kant van de stad: het stadhuis.

Helaas is het op de expositie in het Nationaal Museum bloedheet. In de hal van het museum wordt bezoekers aangeraden iets te drinken. Waar het in Nederland bij dertig graden zweetweer is, lijkt die limiet in Kopenhagen al bij 25 graden te liggen. Denemarken zucht, net als heel Noord-Europa onder een hittegolf. Het is plakkerig heet en de verkoeling in gebouwen opzoeken heeft geen zin: ze doen in Denemarken niet aan airconditioning. De gebouwen zijn er juist op ingericht om de warmte vast te houden. Hooguit draait er een ventilator.

De Denen lijken zelf ook niet blij met de hittegolf. In een winkel vlak naast Tivoli vang in een conversatie op tussen en toerist en een verkoper. De toerist zegt dat ze heel de winkel wel wil leeg kopen.
‘Als dat zou kunnen,’ verzucht de verkoper.
‘Is het dan niet druk?,’ vraagt de toerist geschrokken.
‘Nee, het is rustig. Het komt door het warme weer,’ zegt de verkoper terwijl ze naar buiten knikt. ‘We hebben in drie jaar niet zo’n zomer gehad.’

Toen ik een jaar of zeven een stedentripje maakte naar Stockholm deed ik het spelletje niet voor toerist aangezien te worden. Dat is niet heel moeilijk, want Scandinaviërs zijn doorgaans weinig spraakzaam dus als je iets wilt afrekenen beperkt de conversatie zich vaak tot ‘hej’ en ‘tak’. De enige keer dat ik toen door de mand viel was vreemd genoeg toen ik een Zweedse krant afrekende.

In Denemarken speelde ik hetzelfde spelletje en het was opvallend hoe vaak ik voor Deen werd aangezien. Ik oog niet bepaald als een woeste Viking (al moet ik wel nodig naar de kapper), maar het komt denk ik doordat ik me vrij makkelijk in een vreemd lang beweeg. Ik weet snel de weg, val verder niet echt op en, misschien wel de belangrijkste reden, reis alleen. Als ik iets te eten wilde halen, liep ik een 7-Eleven (de Deense variant van de AH to Go) binnen, kocht een broodje en iets te drinken en rekende af met m’n bankpas (omdat ik maar een paar dagen in Kopenhagen was, leek het me handiger om alles te pinnen en dat is gelukt). Ook dan kwam het gesprek niet verder dan ‘hej’ en ‘tak’.

Op de bovenste tien foto’s Tivoli, op de onderste foto’s Nyhavn en de directe omgeving.

Kopenhagen heeft niet echt een publiekstrekker waarvoor je naar de stad móet. Ja, er zijn mensen die voor het beeldje van de kleine zeemeermin komen, maar dat kan ik afraden. Het stelt echt niks voor, dat wist ik van tevoren en ja, ik ben tóch even gaan kijken, tussen de – vooral Aziatische –  toeristen die uit de touring cars naar het beeldje worden geleid.

Daarin doet Kopenhagen denken aan Dublin. Een leuke stad die je zeker een keer (of vaker) moet bezoeken, maar geen must see heeft. Het is een stad waar je heen gaat voor de sfeer. Nee, als Kopenhagen al een publiekstrekker is, dan is het een attractiepark: Tivoli. Het ligt midden in het centrum. Alsof de Efteling midden in Amsterdam staat. Tivoli is niet groot, wat oppervlakte betreft nog niet de helft van de Efteling, maar het is een leuk park waar je rustig kunt wandelen. Op zomeravonden worden er regelmatig gratis concerten gegeven. Tivoli is tot ‘s avonds laat open en is dus ideaal om op een avond te bezoeken als de musea toch al dicht zijn. Ik had me voorgenomen nergens in te gaan, in je eentje in een attractie heeft iets sneus, maar ik kon het niet laten om in The Demon, de hoogste en snelste achtbaan van Tivoli te gaan. En omdat ik toch bezig was ook een attractie van waaruit je een mooi uitzicht over het centrum van Kopenhagen hebt.

De veiligheid nemen ze hier trouwens heel serieus. Alle beugels van attracties worden handmatig gecontroleerd, bij de ingang hangt duidelijk zichtbaar een verklaring wanneer de attractie voor de laatste keer is gecontroleerd en een meisje dat een centimeter te klein is voor een attractie wordt resoluut geweigerd. Safety first.

 

Op de bovenste foto het beroemdste beeld(je) van Kopenhagen, daaronder het centrum van de Deense hoofdstad. Op de negen onderste foto’s de Rundetaarn en Vor Frelsers Kirke, twee torens met een bijzonder spiraalvormige opgang.

Naast Tivoli bevat Kopenhagen ook minstens twee opvallende torens. Hartje centrum staat de Rundetaarn, een observatietoren die in 1642 is gebouwd en geen trap maar een helling heeft om naar boven te lopen. Het is een prachtig bouwwerk, dat eerder het toneel is geweest van een fietswedstrijd en waar in 1989 een eenwieler in een recordtijd van 1 minuut en 48 seconden naar boven snelde. Tegenwoordig is het geliefd bij kinderen die (hoewel het niet mag) hun skateboard mee naar boven nemen (hoe ze die dingen onopvallend voorbij de entree hebben weten te krijgen is me een raadsel, al heb ik er niemand op naar beneden zien crossen).

Een paar straten verder is het de spiraalvormige trap buitenom bij de barokke Vor Frelsers Kirke die veel toeristen trekt. Om bij de trap te komen moet je eerst over smalle houten trapjes door smalle ruimtes waar het zo heet is dat je hevig bezweet bent tegen de tijd dat je aan de laatste treden naar de top van torenspits kunt beginnen. Naar boven toe worden de treden steeds smaller, totdat je niet meer verder kunt en een sticker van Studio Brussel het einde markeert. Een vreemde ervaring. Soms valt er trouwens iets naar beneden; toen ik weer beneden stond landde een petje een meter van me af.

Na Engeland en Frankrijk hebben Denemarken en Zweden het vaakst met elkaar oorlog gevoerd. Denemarken was eeuwenlang heer en meester in Scandinavië, maar heeft gestaag z’n grondgebied zien afnemen, terwijl Zweden tegenwoordig de belangrijkste macht op het schiereiland is. Tegenwoordig heeft Denemarken alleen nog Groenland, de Faeröer en wat eilandjes in de Botnische Golf in bezit: het kan verkeren. Tegenwoordig zijn de landen innig met elkaar verbonden; sinds de opening van de Sontbrug letterlijk.

Op de bovenste twee foto’s Den Sorte Diamant oftewel de Zwarte Diamant, de bibliotheek en moderne trots van Kopenhagen. Daaronder de olifant, het symbool van de Deense bierbrouwer Carlsberg en op de onderste twee foto’s Nordatlantens Brygge, inclusief richtingwijzer voor de hoofdsteden van respectievelijk Groenland, IJsland en de Faeröer.

Vooraf had ik het me afgevraagd: zou er ergens in Kopenhagen aandacht zijn voor de Faeröer en Groenland, die laatste twee overzeese gebieden van de Denen? Het antwoord kreeg ik toen ik op de tweede dag van m’n bezoek op Nyhavn, de meest toeristische straat van Kopenhagen, stond en aan de overkant van het kanaal fier de vlaggen van die twee gebieden én die van Denemarken en IJsland zag wapperen. Dit was Nordatlantens Brygge, een expositieruimte die op initiatief van Vigdís Finnbogadóttir, de IJslandse president en het eerste democratisch gekozen vrouwelijke staatshoofd ter wereld, is opgericht.

Het is een bescheiden gebouw, met twee verdiepingen met ruimte voor exposities van kunstenaars uit IJsland (een voormalige Deense kolonie), de Faeröer en Groenland. Het leukste zijn de houten paneeltjes in het trappenhuis met triviafeitjes over de gebieden. Zo zijn de straten van de Faeröer voor Google Street View deels in beeld gebracht door camera’s op de rug van schapen te binden en zijn slechts twee plaatsen op Groenland met een weg verbonden: Ivittuut en Kangilinnguit. En een ijsbeer heeft een zwarte huid, de haren van de vacht zijn transparant.

Het ware prijsnummer van het museum zijn twee koepels die aan de kade voor het museum staan: één koepel fungeert als ingang, in de andere koepel bevindt zich Cosmic Space. Een kunstwerk gemaakt door de Faeröerse glaskunstenaar Tróndur Patursson. Het is geïnspireerd op een ervaring die hij had tijdens een expeditie met Tim Severin. De boot waarin hij voer maakte water en op het moment dat hij tot z’n middel in het water stond was hij omringd door eindeloze lucht en zee. Het liep goed af, maar in Cosmic Space waan je je, net als Patursson, midden in de nacht in een eindeloze zee.

Selfie in Cosmic Space, een kunstwerk van Tróndur Patursson.

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on København

Glasvezelleed

Vorige week vrijdag had ik ineens geen internet. Ik had het eerst niet eens in de gaten, maar m’n telefoon is aangesloten op m’n huisnetwerk en ik had geen bereik meer. Met m’n telefoon bedoel ik m’n oude brakke Samsung Galaxy S2. Het ding is vijf jaar oud en werkt nog. Dat laatste mag met recht een godswonder heten: apps lopen regelmatig vast (zelfs de stopwatch hield er laatst ineens mee op, vraag me niet waarom), überhaupt is zowat de enige app die er nog op zit de Teletekst-app (een klassieker) en dan nog valt het ding om de haverklap uit. Geen probleem, dacht ik, er zijn werkzaamheden in de buurt en het kon zijn dat internet er even uit was gevlogen. Had ik daar trouwens niet pas nog een mailtje over gehad?

Ik zag het een paar uurtjes aan en ging boodschappen doen. Tegen het middaguur had ik nog steeds geen internet. Ik ging naar m’n ouders. Daar stuurde ik toch maar een tweet naar de webcare van KPN. Ik schreef het al eerder: niks leuker dan de webcare van bedrijven testen. Misschien konden ze me vertellen hoelang de werkzaamheden gingen duren. De reactie van KPN was kort: welke werkzaamheden?

Oké, dacht ik. Misschien toch een goed idee om even naar de router te kijken. Ik fietste naar huis en via Twitter en DM legde de webcare uit wat ik moest doen. De meeste foefjes had ik zelf al eens geprobeerd (stekker eruit, internetverbinding eruit).

Waargebeurd verhaal: vroeger, we hebben het hier over eind jaren negentig, een ander tijdperk, lag het internet er geregeld uit. We belden dan met Chello maar aangezien die gewoon een signaal zagen, stuurden ze geen monteur. Er was immers niks aan de hand. We bedachten een list. De volgende keer dat er een storing was, trokken we de internetverbinding eruit.
‘Vreemd,’ zei de medewerker van de helpdesk dan, ‘ik zie hier geen signaal. Zit de verbinding er wel in?’
‘Ja hoor,’ loog ik.
‘Dan sturen we een monteur,’ was de reactie, en zo was de storing snel verholpen.

Dit ging minder snel. Het viel me nu pas op dat op de Experia te weinig lampjes brandden en van de lampjes die brandden was er eentje rood. Geen goed teken, zoveel wist ik ook nog wel.
‘Het lijkt erop dat u geen TV en internet heeft,’ merkte de webcaremedewerker op.
Huh, dacht ik, geen TV? Snel deed ik de TV aan. Verrek, die had inderdaad ook geen signaal. Ik ben niet vergroeid met de TV, er gaan dagen voorbij dat het ding niet aan is geweest, maar het WK voetbal is best aardig als behang: beetje internetten, wat muziek luisteren en op de achtergrond een groen grasveld waar 22 mannetjes druk overheen aan het rennen zijn. Het is best vermakelijk.

‘We sturen een monteur, maar dat wordt wel na het weekend,’ berichtte de medewerker.
Nouja, dacht ik, die moet dan maar maandagochtend om 8.00 uur komen. Op maandag werk ik toch thuis.
‘De monteur kan op z’n vroegst tussen 10.00 en 12.00 uur komen,’ vervolgde de medewerker.
‘Dan doe dat maar,’ verzuchtte ik.
Per omgaande was een afspraak ingepland voor een monteur. Terwijl ik terug naar m’n ouders fietste, kreeg ik een sms’je. KPN bood me 50 GB aan zodat ik met m’n telefoon als hotspot toch kon internetten. 50 GB. Gratis. Dat is best veel, bedacht ik. Sympathiek ook.

Ach gut, dacht ik, bij KPN weten ze natuurlijk niet dat ik een smartphone heb die, als hij eenmaal naar de eeuwige jachtvelden is vertrokken, rechtstreeks door mag naar het museum. Daar werd ik een paar jaar terug nog aan herinnerd, toen ik op het niet al te snuggere idee was gekomen om wat extra geheugen toe te laten voegen. De medewerker van de belwinkel sprak de onsterfelijke woorden: ‘Meneer, u heeft een Fiat Panda. Die moet u niet op willen voeren naar een Maserati.’

Maar het lukte me om op m’n oude Samsung Galaxy S2 een hotspot te maken, zelfs toen ik ‘m maandagmorgen met een kabeltje aansloot op m’n werklaptop, die al net zo brak is als m’n telefoon; de wireless is al maanden stuk en ik hoef niet te verwachten dat ik binnenkort een nieuwe laptop krijg. Ik bekeek m’n geïmproviseerde werkplek thuis en kon me niet aan de indruk onttrekken dat, in de laatste week voor m’n vakantie, heel m’n werk bij elkaar werd gehouden met ducttape.

De monteur stond om 10.30 uur voor de deur.
‘Hmm,’ zei hij terwijl hij in de deuropening stond en achterom keek, ‘werkzaamheden.’
‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Dat zei ik ook al tegen de webcaremedewerker. Maar zij wilden toch iemand sturen.’
De monteur ging aan de slag, belde met een medewerker, reed naar een huisje op de hoek van de Kalverstraat en de Tongelresestraat, een bouwsel waarvan ik me altijd had afgevraagd wát daar nu eigenlijk zit (naar nu blijkt een glasvezelknooppunt), kwam weer terug en trok de conclusie dat al m’n apparatuur goed werkte. De kabel was stuk.
‘Ik stuur een melding door naar de kabelleverancier, dat is bij u Reggefiber. Zij nemen binnen vier uur contact met u op,’ verzekerde de monteur mij.
Vier uur, dacht ik, dat is netjes. Dan zal het niet lukken om morgen een monteur te sturen, maar woensdag moet lukken. Dat komt goed uit, dan werk ik toch thuis.

Reggefiber, Reggefiber, dacht ik, waar ben ik die naam toch tegengekomen? Toen schoot het me binnen. Een tijdje terug had ik een flashy folder ontvangen met als titel ‘Wij zijn Reggefiber’ en de mededeling dat zij nu het glasvezelnetwerk in de regio beheerden. Goh leuk, dacht ik, maar wat moet ik daarmee?

Intussen kreeg ik een berichtje van de webcare van KPN. Of ik hun klantenservice wilde beoordelen. Het leek me beter die pas te beoordelen als de storing was verholpen.

Ik werkte verder. M’n internetverbinding was niet supersnel, maar het functioneerde. Na het werk ging ik sporten en daarna liep ik naar het Parktheater voor de groep-8-musical van Esmee. Onderweg stuurde ik toch maar een berichtje naar de webcare van Reggefiber. Het liep tegen de avond; die vier uur waren nu toch wel verstreken.
‘We hebben geen melding gekregen. En we kunnen pas iets doen als we een melding hebben gehad,’ liet de medewerker weten, ‘maar we kijken het morgen nog wel na. Het storingscentrum is nu toch dicht.’
Ik twitterde nog dat dit vreemd was, omdat me verzekerd was dat de melding meteen naar hen was doorgezet, maar toen viel m’n oog op de werktijden van de webcare: van 8.30 tot 18.00 uur. Ik bekeek de verdere uitleg op het Twitteraccount. ‘Meer dan 2 miljoen huishoudens op glasvezel aangesloten,’ meldden ze ronkend. To be fair, dat is niet helemaal correct, dacht ik, het is momenteel 1.999.999 huishoudens, en dan had ik de andere huizen in dit blok niet meegerekend. Ik zou toch zeker niet de enige in de straat zijn met glasvezel, maar zonder internet?

De volgende ochtend stuurde ik weer een berichtje naar Reggefiber.
‘Nee, we hebben nog steeds geen melding ontvangen,’ zo lieten ze weten.
Ik stuurde een bericht aan de KPN: ‘Ze hebben bij Reggefiber geen melding ontvangen. Is deze wel doorgezet?’
KPN verzekerde mij dat de melding was doorgezet, maar ze zouden dit voor de zekerheid nog een keer doen. Ik wachtte een paar uur op een telefoontje van Reggefiber. Toen stuurde ik weer een bericht naar Reggefiber.
‘Ik vind het vervelend te moeten zeggen,’ liet de medewerker van Reggefiber weten, ‘maar we hebben nog steeds geen melding binnen.’
Ik stuurde weer een bericht aan KPN dat Reggefiber nog geen bericht had doorgezet.
‘We hebben echt de melding naar de juiste afdeling doorgezet,’ liet KPN weten.

Dit ging zo nog een paar keer door.

Intussen was het dinsdagmiddag en had ik nog steeds geen TV en internet. Wel nog die 50 GB waar je veel leuke dingen mee kunt doen. Voetbalwedstrijden van het WK op je laptop bekijken bijvoorbeeld. Al weet je vooraf niet of een wedstrijd het waard is. Bij België – Japan wel, maar bij Kroatië – Denemarken en Zweden – Zwitserland bekroop me toch het gevoel dat het zonde van de bandbreedte was geweest.

M’n vader stuurde een hoopvol app’je.
‘Bij jou op de hoek is iemand van een kabelmaatschappij aan het werk,’ zei hij.
‘Ja pap, dat weet ik. Daar is juist alle ellende mee begonnen,’ appte ik.

Maar toen ik thuiskwam van m’n werk zag ik inderdaad twee mannetjes in een kuil op de hoek van de straat aan de slag. Op het zwarte bestelbusje stond dat ze glasvezelkabels aanlegden. Ha, dacht ik, dan zullen de problemen snel verholpen zijn. Toen ik ‘s avonds naar de stad liep, waren ze nog steeds bezig. Dat stemde hoopvol, misschien probeerden ze al het werk vandaag nog af te krijgen. Toen ik ‘s avonds tegen twaalven thuis kwam kon ik het niet laten om even te kijken op de hoek van de straat. De kuil was dicht. Ik deed de voordeur open en liep meteen naar de router. Helaas. Er brandden nog steeds diezelfde drie groene lampjes, en dat ene rode lampje.

Inmiddels was het woensdag. Ik begon de dag met een nieuw berichtje aan Reggefiber: hadden ze inmiddels al een melding binnen van KPN? Het antwoord liet zich raden: nee, ze hadden geen melding gehad. Ik ging maar weer naar KPN. Die kwamen inmiddels niet verder dan de mantra dat ik geduld moest hebben.

Ammehoela, dacht ik. Geef dan tenminste aan of m’n melding in behandeling is. Dan weet ik dat eraan gewerkt wordt. Op dit moment heb ik niet eens zekerheid dat Reggefiber ermee bezig is. Geduld hebben waarvoor? Voor de mogelijkheid dat m’n melding die al twee dagen geleden zou moeten zijn doorgegeven eventueel in behandeling zal worden genomen? Zo’n storing is al vervelend genoeg, zeg dan tenminste hoelang het nog gaat duren.

Wie heeft toch ooit bedacht dat de privatisering van die kabelmaatschappijen een goed idee was? Met de providers is het al behelpen. Je kunt kiezen uit KPN of Ziggo, of Ziggo of KPN. Met de kabelexploitant heb ik al helemaal geen keus. Ik heb glasvezel en dus zit ik bij Reggefiber. Als de exploitant me niet bevalt, kan ik niet naar een ander overstappen. Dit is gedwongen winkelnering; met gebrekkige klantenservice bovendien. Hoezo keuzevrijheid?

Woensdagmiddag zag ik twee mannen met polo’s van Reggefiber in de straat. Ik kreeg weer hoop. Ze liepen druk rond met kleine koffertjes en groeven een kuil, nu op de hoek aan de andere kant van de straat. Van achter het raam zag ik het tafereel aan. Angstvallig hield ik de Experia in de gaten. Ik stuurde een bericht naar Reggefiber met de goede tijding dat ik medewerkers van hun toko in de straat had gezien. Nu konden ze me toch wel verzekeren dat de melding goed was doorgekomen? Het bleef stil. Ik ging sporten. Toen ik terugkwam waren de mannen vertrokken en was de kuil dicht. Ik durfde nergens meer op te hopen toen ik de voordeur openmaakte. M’n twijfel bleek terecht: nog steeds geen internet. Ik stuurde opnieuw een bericht naar Reggefiber en kreeg weer geen reactie.

Dan maar naar KPN: konden zij me dan niet een bevestiging sturen dat de melding was doorgezet? Ik zou immers binnen vier uur gebeld worden, niet binnen vier dagen. Nee, dat konden ze niet, maar ik kon uit hun bericht concluderen dat de melding echt echt echt echt echt was doorgezet. ‘We hebben al vaker met Reggefiber te maken gehad, dit komt wel in orde.’ Misschien lag het aan mij, maar er klonk enige gelatenheid in dat bericht door.

De volgende ochtend kreeg ik bericht van Reggefiber.
‘De mensen in de straat waren daar vanwege een netwerkstoring, maar die is inmiddels verholpen,’ zo liet de medewerker weten.
Dat leek mij niet, maar het leek me ook beter even niet meer te reageren.

‘s Middags ging de telefoon: ‘Reggefiber. We willen een afspraak inplannen. De monteur kan morgen tussen 12.00 en 16.00 uur komen.’ Ze zei het op een toon die geen tegenspraak duldde, dus ik probeerde nog heel voorzichtig of het ook eerder kon. Het was de eerste dag van m’n vakantie en ik had net gepland om die middag te gaan zwemmen.
‘Dan wordt het na het weekend,’ zei de telefoniste ongeduldig.
Ik koos eieren voor m’n geld. Dit weekend staan de kwartfinales van het WK voetbal op het programma. ‘Oké, dan doe maar morgen tussen 12.00 en 16.00 uur.’

Het gesprek duurde nog geen halve minuut, dus ik vermoed dat ze m’n tweets heeft gelezen en zo min mogelijk met me te maken wilde hebben. Terwijl ik in het echt best aardig ben; ik kan alleen niet zo goed tegen slechte klantenservice en webcare.

Vrijdagochtend stond de monteur om 11.00 uur voor de deur. Hij belde met een collega en rommelde wat met de verbindingen. Binnen tien minuten was hij klaar.
‘Zo. U heeft weer internet,’ zei hij.
Ik schakelde m’n laptop over op het huisnetwerk. Inderdaad, het werkte.
‘Wat was er nu aan de hand?,’ vroeg ik.
‘Er was een netwerkstoring en ze hebben twee connecties verwisseld,’ zei de monteur.
‘Ah,’ zei ik, ‘was dat het.’
Ik had geen idee waar hij het over had.

Goed, alles werkt weer.

Maar waar kan ik nou de beoordeling van de klantenservice van KPN ook alweer invullen?

Posted in Eindhoven | Tagged , , , | 3 Comments

Deep State

Terwijl de FBI jacht maakt op Donald Trump en z’n trawanten, er langzaamaan een steeds groter schandaal aan het licht komt, een schandaal waar Watergate bij in het niet valt, met allerlei illustere figuren met allengs meer exotisch klinkende namen (Natalia Veselnitskaja, Anthony Scaramucci, George ‘just a coffee boy’ Papadopoulos) bovendien, en terwijl Julian Assange en Vladimir Poetin in Moskou zweentjes peten, vloekend en tierend op die vermaledijde deep state die hun plannen voor werelddominantie, die ze maandenlang al handenwrijvend en akelig lachend hadden gesmeed heeft doen ontsporen, goed dat laatste is misschien een beetje overdreven, denk ik aan m’n bezoek aan de Verenigde Staten zes jaar geleden.

Ik maakte een reis langs vier steden in het noordoosten van de Verenigde Staten: Boston, New York, Philadelphia en Washington, D.C. Vier steden die een rijke historie herbergen. Wil je Amerika beter leren kennen, leer dan in Boston over de Boston Massacre. Dat trouwens helemaal geen bloedbad was, maar een sterk staaltje propaganda van de opstandelingen in Amerika (de Britten noemden de confrontatie het incident op King Street, wat weer heel Brits is). Daarmee is een parallel te trekken met de Saturday Night Massacre, de dag dat Richard Nixon z’n attorney general ontsloeg. Dat was evenmin een bloedbad, al is Nixons presidentschap wel rond die tijd ten grave gedragen. Ga in New York op zoek naar de Nederlandse wortels, zoals de oudste huizen die in The Big Apple zijn terug te vinden en die verdacht Nederlands klinkende namen hebben als Pieter Claessen Wyckoff House, Dyckman House, Van Cortlandt House of Voorlezer’s House. Of neem een kijkje bij het graf van Peter Stuyvesant. En bezoek in Philadelphia het gebouw waar de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring is opgesteld, of bekijk de Liberty Bell – met de fameuze barst.

In DC bezocht ik de eerste dag vooral de musea op The Mall, waar je de Star-Spangled Banner in het wild kunt zien. De echte. De tweede dag begon ik op Arlington Cemetery, aan de westkant van Washington, DC dat officieel in Virginia ligt. Daarna stak ik de Potomac over voor een bezoek aan het Vietnammonument en het Lincoln Memorial. Ik keek op de kaart wat de kortste route was naar het Jefferson Memorial. Er was een langere, toeristische route om het Tidal Basin heen maar ook een andere weg, langs de oevers van de Potomac. Dat leek me korter, dus ik nam die route.

Ik liep zo een minuutje of tien verder, aan m’n rechterkant de Potomac, aan de linkerkant een autoweg. Na een tijdje zag ik uit m’n ooghoek hoe een onopvallende auto opvallend stapvoets met me meereed. Het raampje ging automatisch open. Ik probeerde stoïcijns voor me uit te blijven kijken, alsof ik niet in de gaten had dat ik werd bespied, maar keek toch eventjes opzij. Een man met een zonnebril bekeek me enkele seconden aandachtig van top tot teen en probeerde een inschatting te maken. Ik vond het ongemakkelijk, maar liet niks merken. Het raampje ging weer dicht en de auto reed verder.

Het hele voorval zal nog geen halve minuut hebben geduurd en aanvankelijk had ik niet eens in de gaten wát er was gebeurd. Dat kwam pas later, toen ik in het Jefferson Memorial m’n reisgids erbij pakte. Aan de andere kant van de Potomac, op een paar honderd meter afstand van waar ik had gelopen, staat het Pentagon.

Die vermaledijde Deep State. They have a file on me.

Posted in Politiek, Reizen | Tagged , , , , , , | Comments Off on Deep State

Het spoor bijster

Mysterie op het station van Zwolle. Waar komt toch die vreemde nummering vandaan?

De dagen dat ik dagelijks in de trein zat liggen gelukkig ver achter me, maar ik ben nog altijd een fervent treiner. Een paar keer per maand ben ik wel op pad voor m’n werk, of ga ik voor m’n eigen plezier een dagje weg.

Ik ben door de jaren veel eigenaardigheden binnen het Nederlandse spoorwegnetwerk tegengekomen. Zo kan het niet anders of is de kortste afstand tussen twee stations die tussen Harlingen en Harlingen Haven; amper een kilometer enkel spoor. En het station van Hollandsche Rading is het enige dat in twee provincies ligt: Noord-Holland en Utrecht. Dat de grootste plaats zonder treinstation Oosterhout (goed, eigenlijk Amstelveen, maar dat heeft een metroverbinding met Amsterdam, dus dat telt niet) is, beschouw ik inmiddels als algemeen bekend (al blijft het een goed verhaal).

Ander opvallend feitje: Nijmegen heeft een spoor 35. Dat intrigeerde mij jarenlang mateloos, temeer daar het aan de overkant van spoor 1 ligt. Het bracht me ertoe om, toen ik nog wekelijks chatte bij AVRO Nachtdienst, de vraag aan de luisteraars van het programma voor te leggen. Het antwoord was plausibel: dit was de vroegere treinverbinding richting het Duitse Kleef. Logisch, het is een kopspoor en ligt aan de oostkant van het station. Tegenwoordig zijn de enige treinen die vanaf dit spoor vertrekken die treinen die langs de grens richting het zuiden boemelen. Daarnaast bleek het eindpunt van die verbinding, Sittard, ook zo’n gek kopspoor te hebben: spoor 20.

Toch, geen station spreekt zo tot de verbeelding als Zwolle. In het verleden kwam ik wel een paar keer per jaar in Groningen. Als je naar het noorden reist is de hoofdstad van Overijssel het belangrijkste knooppunt; alles wat naar Leeuwarden, Groningen of Emmen moet, rijdt via de oude Hanzestad. Tot een paar jaar terug werd in Zwolle de trein nog gesplitst: het ene deel ging naar Leeuwarden, het andere naar Groningen. Dat leverde altijd wat gepuzzel op als werd omgeroepen op de nummers boven de deuren in de treinstellen te letten. Een vriend uit Groningen vertelde me dat de conducteur een keertje omriep dat het bovenste deel van de dubbeldekker naar Leeuwarden zou gaan, terwijl het onderste naar Groningen zou rijden. Er zijn toen echt mensen gaan verzitten.

Maar wat maakt Zwolle nou zo’n verwarrend station? Dat is de nummering van de sporen. Geen treinstation in Nederland heeft zo’n zooitje van de nummering gemaakt als Zwolle. Daar kwam ik achter toen ik één keer de fout maakte door in Zwolle over te willen stappen. Ik raakte meteen de weg kwijt in de nummering van de sporen, die voor een eenvoudige sterveling niet te volgen is. Dezelfde vriend die me vertelde over de gesplitste dubbeldekker vindt de nummering van de sporen in Zwolle volstrekt logisch. Maar ik liep er verloren. Voor de volledigheid: ik verdwaal zelden.

Vrijdag was ik weer een dagje weg met de trein. ‘s Morgens was ik naar het Fries Museum in Leeuwarden geweest voor een tentoonstelling over Escher (en mensen, gaat dat zien want het is werkelijk een prachtige tentoonstelling), op de terugweg maakte ik een tussenstop in Zwolle om te gaan winkelen en wat plafonnetjes te fotograferen. Ik loop niet meer verloren op station Zwolle. Maar ik verbaas me nog wel en daarom maakte ik, terwijl ik ter hoogte van spoor 6 en 7 stond, bovenstaande foto van de bewegwijzering, pardon, bespoorwijzering, die ik op Facebook postte. Binnen de kortste keren regende het reacties: niemand begreep hier iets van.

Op station Zwolle begin je niet bij spoor 1, maar bij spoor 12 tot en met 16. Dit zijn kopsporen die (min of meer) aan hetzelfde perron liggen als spoor 1: spoor 12 en 13 aan de westkant, spoor 14, 15 en 16 aan de oostkant. Spoor 2 bestaat vervolgens niet (althans, ligt niet aan een perron). Aan het volgende perron ligt aan de ene kant spoor 3, aan de andere kant ligt niet spoor 4, maar spoor 5. Waar ligt spoor 4, ook weer een kopspoor, dan? Achter spoor 3a. Aan het volgende perron liggen vervolgens spoor 6 en 7, niks vreemds dus, daarna bestaat spoor 8 weer niet, maar zijn er wel een spoor 9 en 10. Ook spoor 11 ontbreekt.

Om de verwarring nog iets groter te maken: station Zwolle heeft tegenwoordig een mooie doorgang onder de sporen door, maar de ingang van die doorgang ligt een paar honderd meter ten oosten van het hoofdgebouw.

Bent u in de war? Mooi, dan ligt het niet helemaal aan mij. Gelukkig heeft de NS een forum waar geregeld vragen worden gesteld. Daar vond ik een plattegrond en die maakt een en ander wat overzichtelijker. Een verklaring staat er niet bij, maar uit de dienstregeling blijkt dat vanaf de sporen 12 tot en met 16 de treinen van Blauwnet vertrekken: vanaf spoor 12 en 13 vertrekken deze richting Kampen, vanaf spoor 14, 15 en 16 vertrekken de treinen richting het noorden en oosten.

Dat verklaart nog niet het ontbreken van spoor 8 en 11. Gelukkig is de webcare van de NS onovertroffen (dat meen ik zonder enige ironie), dus ik legde de vraag voor bij een medewerker. Die kwam met een verklaring: de vreemde nummering is het gevolg van de verbouwing van het station van Zwolle in de afgelopen jaren. Nadat ik die vraag had gesteld, reageerde een treinadept die wist te melden dat spoor 8 en 11 zogeheten zaksporen (goede naam) zijn: sporen die vroeger nog naar een perron leidden, maar bij verbreding van het perron zijn verdwenen. Dat klinkt logisch, want op het kaartje is te zien dat de perrons op het station van Zwolle vrij breed zijn.

De webcaremedewerker stelde me gerust; de sporen op station Zwolle zullen, als de werkzaamheden eenmaal zijn afgerond, nog worden omgenummerd.

Hij kon er niet bij vertellen of ze dan wél bij 1 beginnen met tellen.

Posted in Overig, Reizen | Tagged , , , , , | Comments Off on Het spoor bijster

Songfestival 2018

Ik had het geluk om dit jaar bij Eurovision in Concert al 32 van de 43 deelnemende liedjes van deze editie live te horen. Dat meen ik echt. Omdat het bere gezellig was met Pieter en Daniëlle, maar ook omdat je een goede indruk krijgt van de inzendingen van dit jaar. Sommige acts vallen live genadeloos door de mand, andere maken een positievere indruk. En de paar artiesten die niet naar Amsterdam wilden komen (ik kijk naar jou, Alexander Rybak) zijn makkelijk te checken via Joetjoep. Kortom, voldoende gehoord om u stapsgewijs door de inzendingen van deze editie mee te nemen.

Feestje

Een jaar of vijftien geleden was de Balkanbeat even helemaal hip in Nederland (Disko Partizani, anyone?). In Moldavië, dat niet eens op de Balkan ligt, is het genre nog steeds geliefd want DoReDos heeft met My Lucky Day een ontzettend leuke feestplaat gemaakt. Niet origineel, ook parafraseren ze My Number One, waarmee Helena Paparizou in 2005 namens Griekenland won, maar beter goed gejat dan slecht zelf bedacht.

Slam! FM-dj’s opgelet. Polen heeft een inzending die zo meekan in de high rotation. Kygo, Avicii, Mike Perry; de beat, de opbouw naar de drop met een lekker instrumentaal refreintje: alles aan Light Me Up, de ultieme zomerhit, klopt. DJ Gromee wordt op vocalen ondersteund door zanger Lukas Meijer. Die komt, je verwacht het niet, uit Zweden.

Alleen voor ramptoeristen

Spanje doet het verrassend goed bij de bookmakers, maar Tu Canción is een vreselijk zoetsappig kwezelliedje. Als één van de Grote 5 is het land standaard geplaatst voor de finale, maar daarin gaat het echt niet hoog eindigen.

Litouwen heeft een existentiële vraag naar het Songfestival gestuurd: When We’re Old. Ja en? Wat dan? Een weinig opbeurende boodschap in een drakerig liedje. Nee.

Arm IJsland. Het had natuurlijk moeten winnen met Yohanna, of anders met Selma. Als ik één land de overwinning gun, is het IJsland. Al is het maar omdat ze niet eens een locatie hebben waar ze het festival kunnen organiseren. Dit jaar gaat het land hard onderuit. Ari Ólafsson is dolgelukkig dat ie z’n land mag vertegenwoordigen in Lissabon, maar z’n liedje Our Choice is een vreselijke musicaldraak.

Waar Andorra en Monaco zijn afgehaakt, blijft San Marino stug volhouden. Gelukkig heeft het land Ralph Siegel eindelijk afgevoerd naar een sanatorium, maar de inzending is dit jaar gelukkig weer ouderwets wanstaltig. Een vreemd allegaartje met wel erg weinig San Marinese inbreng: Who We Are wordt gezongen door de Maltese zangeres Jessika en de Duitse zangeres Jenifer Brening, en is mede geschreven door de Oostenrijkse Zoë Straub, die in 2015 meedeed met het o zo leuke Loin d’Ici. Volgt u het nog?

Al jaren hoor ik hoe populair het Songfestival in Duitsland is. Maar waarom lukt het onze oosterburen dan niet om iets fatsoenlijks in te sturen? Dit jaar vaardigen ze Michael Schulte af met You Let Me Walk Alone, wat gaat over z’n overleden vader. Reuze sympathiek natuurlijk, al vraag ik me af waarom hij heel Europa lastig moet vallen met z’n leed. Meer dan tachtig miljoen inwoners en dan kom je hiermee? Volgend jaar beter, Duitsland?

De veelplegers

Afgezien van Waylon is de opvallendste recidivist Alexander Rybak. Hij won in 2009 voor Noorwegen met Fairytale en doet dit jaar een poging om in de voetstappen van Johnny Logan (die van What’s Another Year en Hold Me Now) te treden. Rybak heeft sinds z’n overwinning de reputatie van onhandelbaar etterbakje en de Noorse zanger doet er alles aan om die naam te bevestigen: zo heet z’n liedje That’s How You Write A Song. Ja, echt. Toch, het is een oorwurm van jewelste, dus hoog eindigen doet het geheid.

Natuurlijk vaardigen veel landen artiesten af die al eens hand-en-spandiensten hebben verricht bij eerdere inzendingen. SuRie deed al de choreografie van de Belgische inzendingen Loïc Nottet en Blanche, dit keer vertegenwoordigt ze het Verenigd Koninkrijk. Naar verluidt is ze dolgelukkig dat ze haar land mag vertegenwoordigen. Benieuwd of SuRie op 13 mei, als blijkt dat ze stijf onderaan is geëindigd, nog steeds zo blij is. Storm is afgrijselijk.

WTF?

Ook dit jaar zijn er weer voldoende WTF-momenten. Denemarken gooit hier hoge ogen. Rasmussen (wat De Jong is in Nederland) ziet eruit als een Viking (hij lijkt verontrustend veel op één van de spelers in m’n pubquizteam) en daar gaat z’n liedje ook over (over een Viking, niet over die teamgenoot). Tja. Wat zal ik zeggen. Higher Ground is nogal veel ‘en nu die vuisten de lucht in’. Het heeft nog het meest weg van Stonehenge van Spinal Tap, maar dan zonder dansende dwergen op het podium. Maar hij draagt wel echt een cape in de videoclip.

Vijf jaar geleden stuurde Roemenië de operazanger (en diva) Cezar naar het Songfestival met It’s My Life. Dat liedje was een mix van opera en eurohouse. Hij eindigde als dertiende. Estland liet zich niet ontmoedigen en stuurt dit jaar Elina Nechajeva met La Voix. Ook opera, maar dit keer een mix van Emma Shapplin en Alessandro Safina. Kent u die namen nog? Dan gaat u een fijne drie minuten tegemoet. Kent u die namen niet? Lekker het geluid drie minuten uitzetten.

Cornald Maas omschreef de inzending van Hongarije eerder als postrock. Wat grappig is, want Viszlát Nyár is zeker geen postrock. Eerder een soort symfonische punkrock, met grunts trouwens. Lekker, maar niet echt geschikt voor het Songfestival. Het is dat ik m’n mooie adidassneakers aan had, anders was ik bij het optreden van AWS op Eurovision in Concert de moshpit in gesprongen.

Ach, wat weet Maas nu eigenlijk van muziek?

Te goed voor het Songfestival

België heeft een jaloersmakend goed liedje ingestuurd. Zangeres Sennek is in het dagelijks leven werkzaam bij IKEA, wat weer eens wat anders is dan de zoveelste X-Factor/The Voice Of/Idols-winnaar, al was ze ook al toetsenist bij Ozark Henry tijdens een optreden op Rock Werchter. Nee, het pièce de résistance, om het in goed Vlaams te zeggen, is dat A Matter of Time mede is geschreven door één van de mensen achter Hooverphonic. Dat hoor je. Atmosferisch, spannend en ook nog catchy. Het zou niet misstaan als Bondtune.

Tijdens Eurovision in Concert droeg Saara Altto een latex pakje dat suggereert dat ze naast haar zangcarrière ook nog een bijbaan als dominatrix heeft (wat niet waar is, wel deed ze de stem van Anna in de Finse versie van Frozen, dus ze heeft vast een goede Let It Go in huis), maar Monsters is zo tof dat ze na volgende week hopelijk niet meer om extra werk verlegen zit. Fijne dance met electro-invloeden die van het podium knalt. Ze heeft het geschreven met het duo achter Måns Zelmerlöws winnende Heroes uit 2015 en – I kid you not – één van de bandleden van Busted (ja, die van Year 3000). Finland is hit or miss, maar wat mij betreft is dit een hit.

De favorieten

Israël staat al maanden bovenaan bij de bookmakers. Toy van Netta springt vooral in het oog (en oor) vanwege de kipgeluiden in de intro, maar daarna transformeert de song in een toffe feeststamper die niet zou misstaan in de disco’s van Tel Aviv. Toy is meer dan een gimmick en Netta weet haar song live te brengen, zo bleek tijdens Eurovision in Concert. Ik was sceptisch, maar ben nu om.

Met Zweden moet je elk jaar rekening houden. Dit jaar is de inzending Benjamin Ingrosso. Ja, dat is de neef van Sebastian Ingrosso (die van Axwell ^ Ingrosso en de Swedish House Mafia); moeder Pernilla Wahlgren speelde in Ingmar Bergmans Fanny & Alexander. De familie Ingrosso is wat de Krabbé’tjes in Nederland zijn: of je wilt of niet, je komt ze overal tegen. Dance You Off is een gladde, strak geproduceerde popsong à la Charlie Puth, dus helemaal 2018. En hij weet het ook nog live te brengen: alle danspasjes kloppen. Dit wordt top-5. Minstens.

Misschien is het uit schuldgevoel dat Kristian Kostov vorig jaar eigenlijk had moeten winnen (hij werd tweede), maar Bulgarije staat al een tijdje tweede bij de bookmakers. Ik hoor het niet. Bones van EQUINOX is een aardige popsong die goed mee kan op de hedendaagse radio, maar echt beklijven doet het niet.

Australië is een persoonlijke favoriet. Allereerst omdat ik simpelweg álles uit down under geweldig vind. Maar ten tweede omdat ik zangeres Jessica Mauboy, half-Indonesisch, half-aboriginal heel leuk vind. Wat maakt het dan uit dat We Got Love een beetje heel erg Songfestival paint by numbers (alleen de titel al) is? Al brengt Mauboy de tekst (I know what you must be thinking, that we are powerless to change things but don’t, don’t give up ’cause we got love) vol overtuiging.

En Nederland?

Wat bezielt iemand om twee keer aan het Songfestival mee te doen? Zeker als het de eerste keer zo goed ging als met Waylon? Het kan alleen maar minder worden. Denk maar aan Edsilia die in 1998 vierde werd, maar in 2007 roemloos strandde in de halve finale. Is het de roem en de publiciteit die zo verslavend werkt?

Gelukkig is Outlaw in ‘Em een goede inzending. Met afstand het beste van de vijf liedjes die Waylon bij De Wereld Draait Door speelde. Een fijne countryrocksong waarin de rauwe stem van de zanger goed uit de verf komt. Een song die bovendien van het podium knalt, daar heb je eigenlijk niet eens zoveel tierelantijnen bij nodig. Nu zijn het juist die tierelantijnen die voor de meeste commotie zorgen, met name de dansers. Ach, om die dansers maak ik me niet druk. Reken maar dat de regie er alles aandoet om het op TV goed over te doen komen. Nee, het is eerder die met babyolie ingesmeerde trommelaar die me zorgen baart. Die tijd hebben we toch wel echt gehad.

Natuurlijk haalt Nederland de finale. Daarvoor is Waylon een te goede zanger en is Outlaw in ‘Em een te goed liedje. Of het een hoge klassering wordt in die finale, dat betwijfel ik.

Wat me meer zorgen baart is dat Waylon is gekozen omdat geen andere vooraanstaande artiest zin heeft in het songfestivalcircus. Hoe gaat Nederland dat volgend jaar doen?

Posted in Muziek | Tagged , , , , | Comments Off on Songfestival 2018

Coopertest

Een paar weken nadat ik was begonnen met buiten hardlopen, raakte ik aan de praat met een medesporter in de sportschool. Hij is wat kleiner dan ik, wat hij ruimschoots compenseert door z’n spierbouw (hij is ook, om het in goed sportschooljargon zeggen, droger). We zijn even zwaar.
‘Doe je wel eens een coopertest?,’ vroeg hij.
Ik antwoordde ontkennend. Waarom zou ik voor m’n plezier een coopertest lopen? ik schreef vorige maand al hoe belabberd die test op de middelbare school ging: een twaalf minuten durende lijdensweg, waarbij ik vooral strompelde en af en toe een tussensprintje trok. Als indertijd een NK Slecht in Gym zou zijn gehouden, had ik glansrijk gewonnen.
‘Ik doe dat regelmatig,’ zo ging hij verder. ‘Dan weet ik hoe m’n conditie is. De laatste keer haalde ik 2780 meter.’
Hij voegde eraan toe dat jammer te vinden, omdat z’n streven was om drie kilometer te lopen. ‘Dat is de limiet bij het leger,’ zo verzekerde hij me.

Ik dacht na over die afstand, en het nut van de coopertest. Met m’n huidige conditie zou ik zeker twaalf minuten moeten kunnen hardlopen. En doordat ik goede schoenen had, hoefde ik me ook geen zorgen te maken over het tempo. Waar eerder bij een tempo van vijftien kilometer per uur of hoger m’n knie opspeelde, had ik met m’n hardloopschoenen nergens last van.

Een paar dagen later sprak ik ‘m weer.
‘Zullen we een keer tegen elkaar een coopertest doen,’ stelde ik voor.
‘Dat is goed,’ zei hij. ‘Volgende week?’
Ik schrok van z’n voortvarendheid, bovendien had ik net die week weinig tijd, maar we besloten een week later af te spreken.

Vlak voor onze wedstrijd spraken we elkaar in het krachthonk. Het gesprek kwam op bordspellen, iets waar ik weinig belangstelling voor heb, behalve Stratego (waar ik ook nog heel goed in ben).
‘Als ik van je verlies bij de coopertest, wil ik revanche met Stratego,’ zei ik.
Ik zag al voor me hoe we midden in de sportschool tegen elkaar zouden stratego-en.
‘Over Stratego maak ik me nog het minste zorgen,’ bekende m’n tegenstander.

Ik voelde me vereerd dat hij zich zorgen maakte. Qua spieren legde ik het zonder meer tegen ‘m af, maar qua conditie moest ik ‘m aan kunnen. Zolang ik twaalf minuten boven de vijftien kilometer per uur zou blijven haalde ik de drie kilometer makkelijk. Niet dat ik een carrière in het leger ambieer, het was vooral een goede afstand om me op te richten. En, zo redeneerde ik, dan zou ik zeker m’n tegenstander voor blijven.

Vorige week dinsdag was het zover.
‘Zetten we de loopband op +1?,’ vroeg ik vooraf, een niveau dat ik altijd gebruik als ik in de sportschool hardloop, omdat je daarmee de omstandigheden buiten het beste benadert.
‘Nee, 0 is zwaar genoeg,’ antwoordde m’n tegenstander gelaten.
Ik protesteerde niet.

We begonnen te lopen. Toch, om de loopband tot boven de vijftien kilometer per uur te krijgen, kost je een halve minuut. Om dat verlies te compenseren zette ik de loopband al meteen op 15,2 kilometer per uur. Ik hield dat tempo vol en betrapte me erop dat ik af en toe tegen de reling van de loopband liep. Blijkbaar kon ik best sneller, dus ik voerde het tempo op naar 15,6 kilometer per uur, maar na vier minuten had ik nog geen kilometer afgelegd. Ik liep achter op schema.

Na zes minuten constateerde ik opgelucht dat ik over de helft was. Als ik zes minuten op dit tempo kan hardlopen, dan kan ik ook twaalf minuten aan. Hoe hard m’n tegenstander ging wist ik niet, het ging er vooral op om niet op te geven door het tempo te verlagen.

Na acht minuten zat ik nog altijd op 1970 meter. Ik voerde het tempo verder op. Telkens als ik merkte dat ik wilde opgeven, zette ik de loopband een klein beetje harder, totdat ik boven de zestien kilometer per uur zat. Eerst kwam ik op 16,2 kilometer per uur uit, de laatste twee minuten liep ik 16,5 kilometer per uur. Ik beet op m’n tanden en kon het niet laten af en toe te kreunen. Ik kon het aan, maar daar hield het wel mee op. Wel jammer dat zo weinig sporters getuige waren van deze ultieme battle. De enigen die het tafereel met stijgende verbazing aanzagen waren de deelnemertjes van de kindergym.

Na twaalf minuten drukte ik rigoureus op stop. Iets té, want ik vergat te kijken welke afstand ik had afgelegd.
‘Ik heb 3,01 kilometer,’ hijgde m’n tegenstander.
‘Ik weet niet wat ik heb,’ hijgde ik niet minder, ‘maar het moet meer zijn.’ Dat beaamde hij, maar ik baalde omdat ik had gehoopt dat de loopband nog wel m’n eindstand zou vermelden. Niet dus.

Je ziet wel eens sporters op TV die zó kapot zijn na een krachtsinspanning dat ze minutenlang buiten adem zijn. Ik kon me daar nooit iets bij voorstellen. Nu ik half voorovergebogen op de loopband stond uit te hijgen wel. Dat ik had gewonnen deed er niet toe, noch voor m’n tegenstander, noch voor mij. We hadden elkaar zo uitgedaagd dat we het uiterste van onszelf hadden gevraagd. Hij liep voor het eerst boven de drie kilometer bij een coopertest, ik revancheerde me voor de slechte afstanden die ik op de middelbare school liep; 1500 meter, of nog minder.

Thuis rekende ik uit wat ik gelopen moest hebben. Na acht minuten had ik bijna twee kilometer afgelegd, daarna had ik sowieso 16,2 kilometer per uur gelopen. Met wat rekenwerk kwam ik uit op 3,2 kilometer in twaalf minuten. Niet slecht, al was ik de eerste helft van de pubquiz ‘s avonds amper aanspreekbaar.

De volgende dagen bracht ik de coopertest een paar keer ter sprake. Tijdens m’n rondje krachttraining op de sportschool, waar een trainer opmerkte dat hij niet dacht dat iemand in de sportschool die afstand zou kunnen evenaren, op het werk, waar een collega onder de indruk bleek en bij het quizzen, waar me werd verzekerd dat die afstand écht heel goed is.

Stom, dacht ik. Nooit bij stilgestaan dat ik tegenwoordig misschien goed ben in hardlopen. Omdat iedereen zo lovend was over m’n prestatie, moest ik toch eens op zoek naar informatie over de coopertest. Wat zei deze uitslag eigenlijk over m’n conditie?

Ik pakte wikipedia erbij en vond een tabel. Inderdaad, voor een dertiger is een afstand boven de 2700 meter al zeer goed. Zelfs voor de leeftijdscategorie 17 tot 20 jaar, waar de strengste normen gelden, had ik met m’n 3,2 kilometer een zeer goede conditie. Grappig dat ik juist als tiener afstanden had gelopen die als zeer slecht waren gekwalificeerd.

Ik ben trots, maar vraag me nu wel af: als m’n conditie zeer goed is, dan kan ik toch veel meer aan dan die ‘5K’? Een mens moet woekeren met z’n talenten.

Posted in Overig | Tagged , , | Comments Off on Coopertest