Meer durven

Een van m’n voornemens van 2020 is meer te durven. In gedachten haal ik steevast de mooiste skatetrucjes uit, maar als puntje bij paaltje komt stel ik, thrillseeker tegen wil en dank, dat ene nieuwe trucje toch maar uit. Frustrerend, want ik had al zoveel verder kunnen zijn met skateboarden als ik niet zo’n enorme schijterd ben.

De skatehal gaat vanaf maart zeven maanden dicht voor een grote verbouwing. Ik weet niet of dat de aanleiding was, maar deze zondag was een groot springkussen in de hal geplaatst. Voor één euro mocht je van een stellage van zo’n vijf à zes meter hoogte in het kussen springen. Je mocht ook zes keer springen voor vijf euro. Koopje, en de kans om revanche op mezelf te nemen. Meer durven Guido. Nou moet je wel. Daarbij, je hebt het meest spijt van dingen die je niet hebt gedaan.

Toch, door schade en schande wijs geworden zeg ik niet vooraf ‘dat ik wel even die sprong ga maken.’ Ik ken mezelf.
‘Ga jij?,’ vroeg ik aan mede-skateboarder Sjors.
‘Ik denk het wel,’ zei hij schouderophalend. Hij leek niet onder de indruk.
‘Oké,’ stelde ik voor, ‘jij springt, zegt dan na afloop dat het heel erg meevalt en dan ga ik ook.’
‘Ik kan nu ook wel zeggen dat het heel erg meevalt,’ lachte hij.

Sjors sprong en, zo kon hij bevestigen, het stelde niks voor. Maar net toen hij dat aan me vertelde, maakte een jochie van een jaar of tien een lelijke val. Hij kwam slecht op z’n onderbeen terecht en lag met een van pijn vertrokken gezicht midden op het springkussen. Daar werd hij met moeite vanaf gehaald, waarna hij nog lang op een mat naast het kussen lag te creperen. Vaders kwam snel ter plaatse en een ambulance werd gebeld. Die consternatie duurde zo’n drie kwartier en ik vroeg me af of het gebeuren niet afgelast zou worden. Om 14.30 uur zou een wedstrijd beginnen en om 14.45 uur lag het evenement nog steeds stil. Tegen die tijd zaten we aan de bar.

‘Heej, ze springen weer,’ stootte Sjors me aan en hij wees naar de stellage.
Shit, dacht ik, nu moet ik wel.
‘Tot wanneer kan ik nog springen?,’ informeerde ik bij de jongen achter de bar.
‘Tot 15.00 uur,’ antwoordde hij.
Oké, dan ga ik, dacht ik, en ik vulde een aansprakelijkheidsverklaring in.
‘Chris,’ riep ik tegen een meisje achter de bar, ‘wens me even succes.’
‘Succes,’ zei ze, ‘je kunt het.’

Daarna liep ik naar de trap onder aan de stellage. Ik bekeek de instructie die op de muur was geplakt: niet op je hoofd of voeten landen, niet deelnemen bij hartproblemen of zwangerschap. Dat leek me logisch. Onder aan de trap stond een medewerker. Hij liep telkens met de springers naar boven en gaf instructies. Ik zag voor mij menig skater van amper twee turven hoog mooie sprongen maken. Dan kan je denken ‘o, dan kan ik het zeker,’ maar ik weet inmiddels dat dit niks zegt. Dit zijn dezelfde gasten die zonder enige schroom van drie meter of hoger indroppen. Ik stond hier met zweet in m’n handen.

‘Is dit de eerste keer?,’ informeerde de medewerker.
‘Yup,’ knikte ik.
‘Weet u hoe u moet springen?’ vroeg hij.
Ik voel me altijd zo oud als ze u tegen me zeggen. Daar helpt zelfs een beanie niet tegen.
‘Yep,’ zei ik en wees op het plakkaat aan de muur achter me.
‘Niet, en dit is heel belangrijk, niet op uw benen of hoofd landen,’ benadrukte hij.
‘Hoe voorkom ik dat ik op m’n benen land?,’ vroeg ik.
‘De benen naar voren gooien,’ antwoordde hij, ‘of maak een bommetje.’

Terwijl ik de trap op liep, prentte ik mezelf in dat ik m’n benen naar voren zou gooien. Of een bommetje maken, dat kon niet al te moeilijk zijn. Al wist ik niet of ik daar aan zou denken als ik op de rand stond om de sprong te maken.
‘Wacht even als je boven bent,’ riep de medewerker, ‘niet meteen springen.’
‘Daar hoef je niet bang voor te zijn hoor,’ lachte ik zenuwachtig.

Boven op de stellage tuurde ik over de rand. Mijn God, wat is dit hoog, schoot het door m’n hoofd. Ik heb geen hoogtevrees, maar om nou te zeggen dat ik hier graag stond: nou nee. Ik dacht aan alle mensen die vanaf het balkon naar me keken. Oké, redeneerde ik, ik kan maar beter niet te lang blijven staan. Hoe langer ik wacht, hoe enger het wordt. Zonder verder na te denken sprong ik. Niet met m’n benen naar voren, maar gewoon, zoals ik vroeger, toen ik nog geregeld zwom, wel eens van de hoge duikplank was gesprongen. Ik landde min of meer op m’n voeten en benen. Het zag er niet zo charmant uit, maar ik was vooral blij dat het was gelukt. En dat springkussen lag heerlijk.

Ik klom van het springkussen af.
‘Euh… probeer de volgende keer minder op uw benen te landen,’ zei een medewerker die naast het kussen stond vertwijfeld.
‘Volgende keer,’ antwoordde ik opgelucht, ‘van mij heb je geen last meer hoor.’

Een beetje beschaamd omdat de sprong niet heel mooi was, maar vooral trots dat ik het toch had gedurfd, liep ik terug naar het balkon.

‘Ha,’ zei ik even later tegen Sjors, ‘ik ben wel mooi de oudste deelnemer.’
Ook dat besef vervulde me met trots, maar voelde tegelijkertijd ongemakkelijk.

Posted in Overig, Uncategorized | Tagged , | 1 Comment

Song Top 20 2019

Dit jaar gebeurde er iets vreemd met de hitlijsten. De Mega Top 50 en de Top 40 verschilden altijd al van elkaar. Die eerste is de lijst van 3FM, en daarmee net iets alternatiever, die andere was van 538 en is tegenwoordig van Q-Music en meer mainstream. Maar dit jaar werd de kloof wel heel groot. Het kon gebeuren dat een plaat die hoog in de Mega Top 50 stond, bij die andere lijst in de Tipparade bivakkeerde. Nu gebeurde het dat een grote hit volledig in één van de twee lijsten ontbrak.

Dat maakte het samenstellen van deze Song Top 20 een hachelijk klusje. Ik nam altijd de Top 40 als uitgangspunt, maar er zitten vreemde mechanismen in die lijst. Hoe kan Sheppard wél hoog scoren in de Top 40, maar in de Mega Top 30 schitteren door afwezigheid, terwijl ik de plaat juist in die laatste lijst had verwacht. En waar Will We Talk? een grote hit was in de Mega Top 30 (en één van m’n favoriete singles van het jaar), haalde het niet eens de Tipparade. Ook Wies, die met Soms Is Het Te Laat al weken een grote hit heeft in de Mega Top 30, ontbreekt volledig in de Top 40. Vreemd.

Ik weet niet welke lijst ik volgend jaar ga aanhouden. Voorlopig hou ik het maar even bij de Top 40. Soms hoor je in die lijst door de autotune de hits niet meer, maar er viel zat moois te ontdekken. Afwisselend ook; zelfs smartlappen, country en gospel haalden dit jaar de hitlijsten. Er was zoveel moois dat ik wat aardig werk (zoals Someone You Loved van Lewis Capaldi, dat 42 weken in de Top 40 stond, of die leuke single Nice To Meet Ya van Niall Horan) buiten de lijst heb moeten laten. Dat is wel eens anders geweest.

De strijd om de nr. 1 positie was hevig. Koos ik in voorgaande jaren een nr. 1 by default, dit jaar waren er vier of vijf kanshebbers. Dat de uiteindelijke keuze is gevallen op een zanger waar zelfs ik begin dit jaar nog nooit van had gehoord, zal uiteindelijk geen verrassing zijn. Zoals er wel meer nieuwe namen in deze lijst staan. De omloopsnelheid van popartiesten wordt steeds hoger.

Nieuwsgierig naar de muziek in deze Song Top 20? Ik heb een playlist op Spotify gemaakt.

20. The Weeknd – Blinding Lights

The Weeknd levert op de valreep van 2019 één van de gaafste tracks van het jaar af. Blinding Lights is schaamteloos retro; a-ha meets The War On Drugs. Het is niet alleen retro, ook is het enorm catchy, een oorwurm die je na één keer draaien niet meer uit je hoofd krijgt (en daarna, zoals het een echte oorwurm betaamt, ook een beetje irritant wordt). Het is, hoe kan het ook anders, geproduceerd door Max Martin. Eigenlijk had ik Lost In The Fire, de samenwerking van The Weeknd met de Franse producer Gesaffelstein, op nr. 20 staan, dus met Blinding Lights kegelt The Weeknd zichzelf uit deze Song Top 20.

19. George Ezra – Pretty Shining People

Tot dit jaar waren de singles van George Ezra hit or miss. Letterlijk. Was het raak, dan was het ook goed raak (Budapest, Shotgun), was het mis, dan bleef de single troosteloos in de Tipparade steken (Blame It On Me, Barcelona, Don’t Matter Now). Die ijzeren wet werd dit jaar doorbroken met Pretty Shining People dat de Top 40 haalde en anderhalve maand in de onderste regionen van de hitlijst rondzwierf. Dat is typerend voor het liedje: een leuk niemendalletje. Te goed voor de Tipparade, niet goed genoeg voor een toppositie.

18. Sheppard – Die Young

Ik schreef vorig jaar al dat ik Sheppard niet kon afschrijven na hun hit Geronimo en een matig optreden op Pinkpop, want toen was er die hit Coming Home. Dit jaar bleek Sheppard echt een blijvertje, want met Die Young bereikte het Australische gezelschap opnieuw de Nederlandse Top 40. Niet verrassend, wel lekker. Waarom klinken Australische bands (Cut Copy, Empire Of The Sun, The Cat Empire) toch zo heerlijk euforisch? Zelfs over jong sterven schrijven die Aussies nog een vrolijk liedje. Zou dat door het (momenteel weliswaar iets te overvloedige) zonlicht komen?

17. Coldplay – Everyday Life

Coldplay is de band you love to hate. De groep die begin deze eeuw zo veelbelovend begon met prachtalbums als Parachutes en A Rush Of Blood To The Head raakte de laatste jaren danig de weg kwijt (een samenwerking met The Chainsmokers, really?). Van zo’n band mag je niet veel meer verwachten. Toch weet de groep rond Chris Martin (niemand die de andere drie bandleden kent) je te raken op het nieuwste album Everyday Life. Er staan zowaar een paar mooie songs op, zoals de titeltrack. Een klein, ontroerend liedje met mooie, subtiele strijkers. Ze kunnen het nog.

16. Tino Martin – Zij Weet Het

‘Als je mij niet kent, dan heb je onder een steen gelegen.’ Was getekend: Tino Martin. Dus toen de redactie van Met Het Mes Op Tafel vroeg of ik nog Nederlandstalige muziek wist, wist ik meteen welke zanger ik ging vragen. Klaas en Mylou stelden niet teleur en brachten een gloedvolle uitvoering van Jij Liet Me Vallen. Dit alles was nog voordat Zij Weet Het de Top 40 haalde. Dat laatste is een unicum, want smartlappen in de hitlijsten zijn een zeldzaamheid geworden. Owja, beide deelnemers aan Met Het Mes Op Tafel hadden niet onder een steen gelegen.

15. Kensington – Bats

Kensington is natuurlijk een verschrikkelijke band. Een groep die ten onder gaat aan bombast en pathos en al jaren exact dezelfde single maakt (Home Again, Streets, Riddles, Bridges, Fiji). De fans slikken het voor zoete koek, maar dat kan ook niet anders in een land waar Queen en Muse tot het summum van rockmuziek worden gerekend. Kudo’s voor Kensington dus om het met Bats over een andere boeg te gooien. Een grote hit werd het niet (Bats kwam niet hoger dan een 34ste plaats), maar dat waren Home Again (nr. 33), Streets (nr. 22), Riddles (nr. 23), Bridges (nr. 30) en Fiji (nr. 31) evenmin.

14. Daddy Yankee ft. Snow – Con Calma

Op de hoek van het winkelcentrum zat jaren terug een filiaal van Music Store. Elke woensdag, als ik met m’n ouders mee boodschappen ging doen, haalde ik daar een exemplaar van de nieuwe Top 40. En er was een bak met cd-singles die, zo gauw ze uit de lijst waren verdwenen, in de uitverkoop gingen. Als singles in de Top 40 stonden waren ze voor mij te duur, tenzij ik ze cadeau kreeg. Zo kreeg ik voor m’n twaalfde verjaardag de cd-single van Snows Informer. Cool nummer. Kon ik weten dat 26 jaar later dat nummer nog eens door de mangel zou worden gehaald door een puertoricaanse reggaetonzanger met de naam Daddy Yankee? Maar goed. Ik wist wel meer niet op m’n twaalfde.

13. Joe Buck – The Way You Take Time

Reclames zijn de levensader van de muziekindustrie. Wil je je muziek aan de man brengen? Laat je song gebruiken in een commercial. Joe Buck, artiestennaam van Sjoerd de Buck, deed het en kreeg (naast een vorstelijke vergoeding) daarmee gratis reclame voor z’n muziek. Met dank aan Plus. Buck, een protégé van Ilse DeLange, die de zanger ontdekte dankzij z’n deelname aan Beste Singer-songwriter van Nederland, nam z’n song op in Nashville, en dat hoor je. The Way You Take Time heeft een onvervalste country vibe. Leuk dus dat zo’n rootsy plaatje het tot de Top 40 schopt.

12. Mabel – Don’t Call Me Up

Bent u bekend met de Zweedse familie Cherry? Don Cherry was trompettist en speelde met alle grote jazzhelden. Stiefdochter Neneh speelde een pioniersrol in de hiphop van de jaren tachtig, zoonlief Eagle-Eye had eind jaren negentig een hit met Save Tonight. Neneh heeft op haar beurt weer een halfzusje, Titiyo, die rond de eeuwwisseling wat hitsucces had. Volgt u het nog? Mooi, want nu is er een nieuwe generatie opgestaan: Neneh heeft een dochter met de naam Mabel. En zij scoorde dit jaar een wereldhit met Don’t Call Me Up (blijkbaar is ‘calling up’ correct Engels, ik leer nog elke dag bij). Een fijn liedje waarin Mabel aan haar ex-vriendje uitlegt hoe de verhoudingen liggen. Daarmee staat ze net zo stevig in haar schoenen als moeders, die ooit de single Manchild had. You go girl.

11. Tones and I – Dance Monkey

Er zijn mensen die Tones and I, de artiestennaam van Toni Watson, als de Australische Billie Eilish beschouwen. Dat vind ik te veel eer voor de Australische, al scoorde Tones and I (in tegenstelling tot Eilish) wél een nr. 1-hit in Nederland: Dance Monkey staat op dit moment al dertien weken rotsvast bovenaan de Top 40. Waar de vergelijking opgaat is dat Tones and I net zo’n stormachtige carrière als Eilish heeft doorgemaakt. Een jaar geleden begon ze met straatoptredens in Melbourne en eind 2019 kent iedereen Tones and I. Dat komt door het ultracatchy Dance Monkey en haar chipmunk-achtige stem. Maar die stem is een gimmick. Gimmicks zijn nooit lang leuk.

10. Post Malone – Circles

Een tijdje terug stond in de skatehal Post Malone op. En niet één liedje, maar de volledige playlist. Twee uur lang dezelfde monotone beat, met daarover die lome, door autotune onherkenbaar misvormde stem van de rapper. De hiphop van Post Malone is mateloos populair, maar ik word er flauw van. Hijzelf blijkbaar ook, want dit jaar ging de rapper zingen (hij was niet de enige, ook Snelle ging zingen). Nog steeds is de stem van de rapper, nouja, nu dus zanger, volledig vervormd door een overdaad aan autotune, maar er zit meer melodie in de muziek. Ja, ik zou zelfs durven zeggen dat ik Circles (mooiste regel: ‘seasons change and our love went cold’) af en toe voor m’n plezier opzet. Meer van dit graag.

9. Krezip – Lost Without You

Wil je je oud voelen? In de week dat Lost Without You in de Top 40 binnenkwam was Krezip de act in die Top 40 die het langst geleden een hit scoorde. In 2000 brak de groep rond Jacqueline Govaert door dankzij een optreden op Pinkpop (yours truly stond in het publiek) en de hit I Would Stay. Latere hits vond ik minder, maar toen de groep in 2009 afscheid nam met Go To Sleep en Sweet Goodbyes stemde dat weemoedig. We zijn weer tien jaar verder. De pubers van 2000 zijn volwassen geworden, hebben zelf kinderen en maken een geslaagde comeback dankzij de lieve single Lost Without You. Krezip anno 2019 in de hitlijsten voelt niet alleen als een anachronisme, het ís er één. Ja, ik voel me oud.

8. Lizzo – Juice

Ik kan niet zoveel met jeuktermen als ‘body positivity’. Natuurlijk, iedereen moet doen wat ie wil en als dat met 180 kilo in een string over het podium paraderen behelst: be my guest. Maar wees niet verbaasd als mensen dan nouja, vreemd kijken. Lizzo is zo’n vrouw die er niks om geeft. Ze heeft een maatje meer, steekt daar de draak mee in de clip bij haar single Juice en gaat ook op het podium het liefst zo bloot mogelijk gekleed. Prachtmens dus. Die openheid werkt aanstekelijk en ontwapenend, je gúnt Lizzo dat succes (ze scoorde dit jaar een Amerikaanse nr. 1 hit met Truth Hurts). Daarmee zouden we voorbij gaan aan het feit dat Juice één van de leukste singles van 2019 is, met grappige regels als ‘The juice ain’t worth the squeeze if the juice don’t look like this’ en ‘I’m like chardonnay, get better over time.’ Wat ik al zei: prachtmens.

7. Lauren Daigle – You Say

Het is de schuld van Hillsong United. Blije jongeren die heel blije muziek zingen teneinde Nog Veel Blijerderer te worden. En de Heer te prijzen, dat vooral. Dat is waar we Lauren Daigle aan te danken hebben. Daigle is gezegend (pun intended) met een stem die als twee druppels water op die van Adele lijkt, maar aan de weinig subtiele christelijke tekst (‘When I don’t belong, oh You say that I’m Yours, and I believe, oh I believe’) hoor je meteen uit welke hoek de wind waait. Alhoewel, je wilt niet weten hoeveel mensen denken dat Daigle over haar vriendje zingt. Relipop, of CCM, in de Top 40 is een zeldzaamheid; Mary Mary, P.O.D., Sixpence None The Richer, Evanescence, Amy Grant, Bob Carlisle en dan heb je het wel zo’n beetje gehad. Maar ja, You Say stond niet voor niets 65 (ja, dat leest u goed) weken op nr. 1 in de christelijke hitlijsten in de States. Dit is gewiekste worship. Zelfs in mijn hart gaat er een kaarsje van branden. Een heel klein kaarsje, dat wel.

6. Shawn Mendes & Camila Cabello – Señorita

Het is natuurlijk schaamteloos opportunisme: één van de grote sterren uit het Engelse taalgebied die een duet opneemt met één van de populairste zangeressen uit de Spaanstalige muziekwereld. Naar verluidt zei Shawn Mendes toen hij Señorita voor het eerst hoorde dat hij het per se met Camila Cabello op wilde nemen. Yeah right. En intussen keken de platenbonzen handenwrijvend toe en mompelden: ‘Goed bezig jochie.’ Señorita klinkt dan ook alsof het op het kantoor van een grote platenmaatschappij in elkaar is gezet. Een refreintje dat zo eenvoudig is (‘I love it when you call me ‘señorita”) dat iedereen op de wereld het verstaat (de teller staat op meer dan één miljard streamsand counting) en ook al zou dat níet zo zijn, de verleidelijke zang van Cabello laat niks aan duidelijkheid te wensen over. Laten we eerlijk zijn: dit is knappe pop. Om cynisch van te worden zo knap.

5. Ed Sheeran & Justin Bieber – I Don’t Care

Voordat Ed Sheeran multimiljonair werd met het zingen van lieve liedjes was hij roadie bij Nizlopi. Die (inmiddels vergeten) groep zag ik ooit op Lowlands, waardoor ik dus in theorie Sheeran in het echt gezien kan hebben. Nizlopi maakte een olijke mix van singer-songwriter en hiphop, een geluid waar Sheeran goed naar lijkt te hebben geluisterd. Maar alleen is maar alleen en dus is de zanger op No. 6 Collaborations Project de samenwerking aangegaan met andere muzikanten. Mooi, die samenwerking met Khalid in Beautiful People, of met Camila Cabello en Cardi B in South Of The Border. Het mooiste is de schaamteloze pop van I Don’t Care, waarin Sheeran en Bieber zingen hoe zwaar hun leven is als ze weer naar een feestje moeten (ik leef met ze mee). Geproduceerd door grootmeester Max Martin, die in 2019 eindelijk weer eens een flinke wereldhit had.

4. Lil Nas X ft. Billy Ray Cyrus – Old Town Road

Old Town Road is de belichaming van popmuziek anno 2019. Een volslagen onbekende rapper koopt online een beat van een al even onbekende Nederlandse producer (YoungKio, onthoud die naam). Hij maakt daarmee een liedje, promoot het schaamteloos en veelvuldig via Instagram en TikTok, bedenkt daar de YeeHaw Challenge bij waarna het, maanden later, een gigantische hit wordt: nr. 1 in de Billboard Hot 100 (en tot op heden een opbrengst van twee miljard dollar). Maar daar blijft het niet bij. Om er zeker van te zijn dat de plaat zolang mogelijk op nr. 1 blijft, neemt Lil Nas X nieuwe versies op: met Billy Ray Cyrus, later met Young Thug en weer later RM (van BTS). Je moet die streams op Spotify toch hoog houden. Daarbij gaan we bijna voorbij aan het feit dat Old Town Road een heel fijne single is, eentje waar Stereogum, halverwege die recordlange periode van negentien weken op nr. 1 in de Billboard Hot 100, dit aardige stuk over schreef. Met name die anekdote uit de eerste alinea spreekt boekdelen. Old Town Road is here to stay.

3. Danny Vera – Roller Coaster

Kent iemand Monja van Roland W. nog? Je moet dan in 1967/1968 de Top 40 goed hebben gevolgd of een muzieknerd zijn (lees: ik). Monja was tot dit jaar de langstgenoteerde top-40-hit die niet de bovenste helft van de hitlijst wist te halen. Was, want dit jaar verpulverde Danny Vera dat record. Zijn single Roller Coaster (ja, die titel wordt echt zo geschreven) stond, met een beetje hulp van Rob Stenders, 27 weken in de Top 40 en kwam nooit hoger dan plaats 21 (maak daar maar 28 weken van, het kwam deze week opnieuw binnen, op nr. 27). Dat is tekenend voor dit liedje, een typische slow burner, die langzaam heel Nederland wist te ontroeren (ik hoorde op Radio 2 een beller ontroerend vertellen dat ze het had gedraaid op de uitvaart van haar man). Voorlopig hoogtepunt van die zegetocht is een vierde plaats in de Top 2000 van dit jaar. De enige die niet onder de indruk lijkt te zijn, is Vera zelf. Voor hem is Roller Coaster het zoveelste liedje.

2. Billie Eilish – bad guy

De Jeugd doet alleen nog maar aan streaming (en dus is 3FM ten dode opgeschreven, maar dat terzijde). Om te weten wat onder jongeren leeft, moet je Spotify op. M’n oudste nichtje (13) liet me eerder dit jaar haar Spotifyplaylist zien. De helft van de liedjes (ja echt, de hélft) waren van Billie Eilish. Eigenlijk stond elke scheet die Eilish ooit heeft gelaten in die lijst. (Die liedjes hebben ook nog allemaal titels die met kleine letters zijn geschreven, de nachtmerrie van iedere eindredacteur.) Daar kan je van alles van vinden, het geeft bovenal aan hoe bijzonder de hegemonie is van een zangeres die vorige week haar achttiende verjaardag vierde (en die ik in 2020, met m’n nichtje, live ga zien in de Ziggo Dome). En, eerlijk is eerlijk, bad guy is een heerlijke, vreemde hit. Een plaatje waarvan je je afvraagt wat het in hemelsnaam in de Top 40 doet. En in de Spotifyplaylist van m’n nichtje, dat ook.

1. Duncan Laurence – Arcade

Waar was u op 18 mei 2019? Ik weet waar ik was. Ik zat met klamme handjes op de bank. Bij m’n ouders in dit geval. Die handjes kwam vooral door de spanning: zou Nederland het dan, na 45 fuckin’ jaar, eindelijk flikken? Het antwoord was ja. Toen de buit binnen was sprong ik van de bank: de juichkreet was tot in Tel Aviv te horen. Zelfs m’n vader juichte mee. Ik was zo trots. En wat is Arcade een fijn liedje. Een knappe song die door de ingenieuze opbouw (wisselende maatsoorten) en goede zang (falsetstem) de jury’s aan wist te spreken, en door een pakkende melodie en liefdevolle boodschap ook het grote publiek raakte (maar, grappig genoeg, in beide categorieën niet won). Dat Laurence anderhalf jaar aan Arcade had gewerkt betaalde zich dubbel en dwars uit. De opvolger, Love Don’t Hate It, is ook al zo goed. Nee, Duncan Laurence is een blijvertje. Knappe kop wie dat aan het begin van het jaar had gedacht. Ik in elk geval niet.

Posted in Lijstjes, Muziek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Song Top 20 2019

Kersthit

Vijftien jaar geleden rondde ik omstreeks Kerst m’n stage bij Radio 1 af. Een enorm leuke en leerzame tijd, die moest worden bekroond met een eigen reportage. Of nouja, dat was het enige dat ik nog niet had gedaan en dat ik, behept met een aangeboren schuchterheid, zo lang mogelijk voor me had uitgeschoven. Dit overigens tot geruststelling van een collega die verzuchtte het een verademing te vinden eens een stagiair te hebben die níet op dag 1 met een MD-recorder klaar stond om op reportage te gaan.

Vlak voor het einde van m’n stage moest ik er dus aan geloven. Ook ik moest een reportage maken. Het ding hoefde maar een minuut of zes te duren, maar m’n maag keerde al om bij het idee dat ik mensen een microfoon onder hun neus moest duwen. Nee, Journalistiek, en dan ook nog de specialisatie Radio, was niet de beste studiekeuze.

Wat je in zo’n situatie het beste kunt doen, is een onderwerp zoeken dat dicht bij je staat. In dit geval: muziek. Had ik even mazzel. Een groep muzikanten uit Amsterdam rond het label Transformed Dreams had de anti-kerstsingle They Don’t Give a Damn it’s Christmas uitgebracht. Dit in een reactie of Band Aid 20, die dat jaar een derde versie van Do They Know It’s Christmas hadden opgenomen. Ik besloot twee leden van de St.Alones, zoals de gelegenheidsformatie heette, te interviewen en Gerard ‘Mr. Christmas’ Ekdom, toen nog presentator van Arbeidsvitaminen, de single te laten horen. Hij zou het finale oordeel geven of de single van de Amsterdammers mee zou kunnen met de kerst evergreens (spoiler alert: nee, dat kon ie niet).

Ik ontmoette de bandleden in een achterafzaaltje van balletschool De Toverfluit in Amsterdam (ik kon door het plafond de danspassen van de ballerina’s horen). Ik stelde de muzikanten wat vragen, al maakten ze een verveelde indruk (heej jongens, dit is wel fuckin’ Radio 1 ja?!). Op de terugreis naar Eindhoven gebeurde wat me altijd overkwam tijdens m’n studie Journalistiek. Eerst dacht ik: best een oké interview, vervolgens zakte bij elke kilometer die de trein me dichter bij huis bracht de moed me verder in de schoenen. Eenmaal thuisgekomen wist ik zeker dat dit de slechtste reportage ooit op Radio 1 zou worden.

De ochtend erna mocht ik op audiëntie bij 3FM. De redacteur had me gevraagd vroeg te komen, dus ik stond braaf om 9.30 uur buiten de studio bij 3FM te wachten. Ik had een steen in m’n maag toen ik de MD-recorder in elkaar zette. Een medewerker van het programma Arbeidsvitaminen groette me vriendelijk en vertelde me dat ik gewoon binnen kon komen als ik klaar was. Ik stuntelde me door het interview heen, terwijl Gerard Ekdom geroutineerd m’n vragen over They Don’t Give A Damn It’s Christmas én de nieuwste versie van Do They Know It’s Christmas beantwoordde. Just another day at the office. Toen ik klaar was, bedacht ik me nog dat ik een vraag was vergeten te stellen (wat ik, gezien de omstandigheden, best scherp van mezelf vond) en stelde nog snel die ene vraag, daarna reed ik terug naar het AKN-Gebouw. Opnieuw sloeg de grootst mogelijke twijfel toe. Ik had mezelf natuurlijk volstrekt belachelijk gemaakt.

De reportage zou de maandag na het weekend worden uitgezonden, en dus zat ik de rest van de dag in de montageruimte met m’n materiaal te klooien. Dat ging niet geweldig. Net die avond had ik drie kerstborrels- en feesten gepland staan, dus ik besloot het op een zuipen te zetten. De eerste borrel was bij de hoofdredacteur thuis in Hilversum, waar de voltallige redactie in het zonnetje werd gezet. Ook ik werd geprezen, ik was een heel goede stagiair geweest (er spookte een stemmetje door m’n hoofd dat zei: ‘Wacht maar tot je m’n reportage hebt gehoord’). Daarna had ik, terug in Eindhoven, een borrel bij PopEye, een lokaal muziekblad waarvoor ik indertijd schreef. De avond werd afgesloten in een studentenhuis waar ik, inmiddels nogal dronken, een halve spacecake verorberde, waardoor ik de rest van het weekend deels in coma heb doorgebracht.

Die maandag sleepte ik me, het zelfvertrouwen inmiddels tot het absolute nulpunt gedaald, naar Hilversum. Gelukkig had ik een geweldige stagebegeleider, Dick Klees, die me hielp bij de montage. Binnen een paar uur hadden we een reportage van vijf à zes minuten die acceptabel was. Ik was er iets geruster op geworden.

‘s Middags, toen m’n reportage werd uitgezonden, sloot ik me op in een geluiddichte ruimte ergens diep in het AKN-Gebouw. Ik wachtte tot ik zeker wist dat de kust veilig was en liep de redactie weer op.
‘Heej, nu heb je de reportage gemist, Guido,’ zei een collega teleurgesteld.
‘Ow nouja, dat was ook de bedoeling,’ zei ik schuchter.
‘Hij was leuk hoor,’ stelde ze me gerust.

Na afloop bespraken we de uitzending.
‘En, hoe vond je je eerste reportage op Radio 1?,’ vroeg een collega.
‘Ik heb niet durven luisteren,’ zei ik, terwijl ik rood aanliep.
Een collega moest lachen: ‘Terwijl dít eigenlijk veel spannender is.’
‘Ja,’ viel iemand anders haar bij, ‘nu gaan we zeggen wat we ervan vinden.’

Er was niks om aan te merken. Het was, gewoon, een goede reportage geweest. Natuurlijk had ik me druk gemaakt om niks.

Het spreekt voor zich dat het niks meer is geworden met m’n carrière bij de landelijke radio. Maar ik kan wel zeggen dat ooit een reportage van mij op Radio 1 is uitgezonden.

Posted in Media, Muziek | Tagged , , | Comments Off on Kersthit

Stickers

Omdat ik voor de muziekquiz van de personeelsvereniging (waar op zich al een blog in zit, die houdt u nog van me tegoed) toch al in Rosmalen moest zijn, besloot ik een middagje te gaan skateboarden in Den Bosch. Ik kan natuurlijk weer naar de plaatselijke skatehal gaan, maar daar ben ik al kind aan huis en ook al vindt niemand het daar een probleem dat ik inmiddels tot het interieur behoor, verandering van spijs doet eten. Daarbij, het World Skate Center (goede naam) heeft een vert ramp en ik kom weliswaar nog steeds niet écht hoog in dat ding, het blijft leuk om af en toe uit te proberen.

Misschien nog wel het leukste aan het skatepark van Den Bosch is dat ze er Thrasher verkopen. Thrasher is hét skateboardblad (dat heel gave filmpjes op YouTube post) en is tegenwoordig vooral bekend van de vele jongeren (en ouderen) die in merchandise van dat tijdschrift lopen. Met dank aan (en tot afgrijzen van de übercoole redactie van het blad) – hoe kan het ook anders – Justin Bieber. De ironie is dat kleding van Thrasher overal te krijgen is, maar dat het tijdschrift zo goed als onvindbaar is. Ik maakte er eerder dit jaar een queeste van om een nummer van het blad te scoren. Uiteindelijk vond ik zowaar een exemplaar, op vakantie in Zweden, in een zaak op het station van Göteborg.

Trouwens, zelfs ik heb tegenwoordig een t-shirt én hoodie van Thrasher en dat is, om het in goed Nederlands te zeggen, best obnoxious, voor iemand die godbetert net kan olliën. Maar ook ik moet op m’n oude dag aan m’n skate cred werken; met alleen een beanie om die wijkende haargrens te verbergen kom ik er niet.

De vert ramp wilde deze vrijdag nog steeds niet echt lukken, voor de rest reed ik best lekker rond. Na afloop bestelde ik aan de bar in het café een worstenbroodje; ik had nog een lange dag voor de boeg.

‘Heb je de Thrasher van oktober daar staan?,’ informeerde ik bij de barmedewerkster. Ik knikte naar twee rijen tijdschriften langs de kassa. Aan de kaften te zien waren het verschillende nummers. Ze zocht door de Thrashers en vond nog één exemplaar van oktober, in cellofaan verpakt omdat er een stickervel bij zat. Naast mij zaten twee jochies van een jaar of elf. Ze overlegden hoe laat de trein naar Geldermalsen zou vertrekken.
‘Wow, stickers,’ riep eentje verrukt toen hij de Thrashers zag staan.
De ander viel hem bij: ‘Jaaa, gaaf.’
‘Hoe kan je die krijgen?,’ vroeg de eerste met grote ogen aan een andere medewerker achter de bar.
‘Die krijg je bij de Thrasher,’ legde hij uit en hij liet ze een ander nummer, ook met stickers, zien.
Ze keken met grote ogen naar de stickers, mompelden hoe cool ze waren en legden zich er schoorvoetend bij neer dat hun zakgeld niet toereikend zou zijn om een Thrasher te kopen.

Intussen was m’n worstenbroodje klaar. De medewerkster zette het voor me op de bar en gaf me de Thrasher van oktober. Ik haalde het blad uit de verpakking en zag naast me twee paar ogen heel belangstellend naar me kijken. Aan de andere kant van de bar keken twee medewerkers heel verwachtingsvol toe wat er zou gebeuren.

Ik bekeek het stickervel of er nog een leuk exemplaar bij zat voor op m’n skateboardhelm. Er zat niks boeiends bij, maar al was dat wel het geval geweest, het voelde alsof ik nu niet meer terug kon.
‘Heej jongens, willen jullie die stickers hebben?,’ vroeg ik aan de jochies die naast me zaten.
Ik had m’n zin amper afgemaakt of eentje riep dolblij uit: ‘Heel graag! Mag dat meneer?’
‘Natuurlijk,’ antwoordde ik lachend, ‘ik doe er toch niks mee.’
Hij griste het vel uit m’n handen en rende enthousiast pratend met z’n vriendje naar een tafel elders in het café om de skateboards te pakken.

Terwijl ik het cellofaan in de prullenbak gooide, plakten de jochies hun decks onder met stickers, onderwijl met elkaar pratend over hoe mooi ze waren en wat voor een geluk ze hadden gehad. Eentje riep in het voorbijgaan nog een keer naar me: ‘Echt, enorm bedankt meneer.’
‘Graag gedaan hoor,’ lachte ik.

‘Je hebt die twee jongens heel blij gemaakt,’ zei de barmedewerkster lachend tegen me.

Posted in Skateboarden | Tagged , | 1 Comment

Johan

Ik was bij Johan in de Effenaar. Dat was niet geheel vrijwillig. We hadden weer eens vrijkaartjes gewonnen met het pubquizzen en om niet heel blasé thuis te blijven of die kaartjes weg te geven, besloten een medequizzer en ik dit keer wél te gaan. We wilden niet ondankbaar zijn, al vroegen we ons tijdens het concert wel af bij welke quiz we de kaartjes ook alweer hadden gewonnen. Toch een beetje blasé.

Johan en ik gaan ver terug. Om meer precies te zijn: tot 2001, toen ik de groep in een jaar tijd vier keer live zag. Dat was min of meer toeval. Ik was 19 jaar oud en verslond elk Nederlands, Engels of Amerikaans muziektijdschrift dat ik in handen kon krijgen en bezocht zoveel mogelijk concerten of festivals. Het was mij ter ore gekomen dat Caesar en Johan een try-out zouden geven in de Altstadt. Dat was met Pasen en een concertje meepikken leek me beter dan een middag bankhangen.

‘Johan, bestaan die nog?,’ vroeg m’n buurman, die al wat langer ingewijd was in de gitaarmuziek. Hij was gaarne bereid mij, toen nog een groentje in de alternatieve muziek, bij te praten.
‘Blijkbaar,’ zei ik, want ik had nog niet eerder van ze gehoord. Ik ging vooral naar de Altstadt voor Caesar.
‘Goede band,’ zei m’n buurman, terwijl hij nog een trek aan z’n sigaret nam.

Hoe kon ik weten dat Johan vijf jaar eerder al een plaat had uitgebracht? Een meesterwerk, naar het scheen. Vijf jaar was in die tijd een eeuwigheid. Om meer precies te zijn: het verschil tussen 3havo en het eerste jaar van de School voor Journalistiek. Bovendien kwam m’n muzikale belangstelling in 1996 amper verder dan Ace of Base, Clannad en Roxette, bands die hun beste tijd toen echt wel hadden gehad.

Johan bleek inderdaad een goede band. Veel liedjes kende ik nog niet, maar ik downloadde wat muziek via Napster. Al vond ik Caesar beter, want die waren bekender.

Een paar weken later verscheen Pergola, de tweede plaat van Johan, met liedjes over het saaie leven in een vinexwijk in Hoorn, vernoemd naar de straat waar de zanger van de groep woonde. Ik snelde naar de platenzaak en draaide de cd grijs. Tumble and Fall, Day is Done, I Mean I Guess, Here, Paper Planes, de titelsong, met die fijne regel ‘kill a Kane’; ze kwamen on repeat voorbij.

Ik zag Johan een tweede keer, op het Virus Festival. Daarna ging ik met een vriend naar Pinkpop.
‘Johan is eerste reserve,’ wist hij te melden. ‘Dus als er een band uitvalt, gaan we Johan nog een keer zien.’
Natuurlijk viel er een band uit en zo stonden we met z’n tweeën vooraan bij Johan. Omdat ik de cd al weken draaide kon ik, waarschijnlijk als één van de weinige bezoekers, alle liedjes woord voor woord meezingen. Dat was de NOS, die een live registratie van Pinkpop verzorgde, niet ontgaan en ze brachten me nogal prominent in beeld. Dat begreep ik pas een dag later, toen ik op school kwam. Ik was nog geen minuut binnen toen een wildvreemde medestudent me aansprak: ‘Jij was op Pinkpop he?’
‘Euh… ja,’ stamelde ik.
En zo ging dat de rest van de dag nog even door.

‘Owja, je komt wel een paar keer close-up in beeld,’ zei m’n vriend, die z’n vader had gevraagd alles op videoband op te nemen.
Die opname heb ik nooit gezien. Dat is maar beter ook.

Later dat jaar zag ik Johan nog een keertje in de Effenaar, met m’n buurman. Daarna raakte de band een beetje uit het zicht. Ik kocht nog wel de plaat erna, THX JHN, vervolgens verwaterde m’n belangstelling. Er is al zoveel muziek om van te houden.

Voor het optreden bladerde ik door de muziek van Johan op Spotify. About Time, Oceans, Everybody Knows, Coming In From The Cold, She’s Got A Way With Men, Walking Away, It’s Five O’Clock (een cover van Aphrodite’s Child) en natuurlijk alle liedjes van Pergola. Bij het lezen van de titels alleen al kon ik ze neuriën.

Het concert was mooi, al was frontman Jacob de Greeuw niet altijd even stemvast. Ik keek om me heen en zag mannen met beginnende bierbuiken, wijkende haarlijnen en te strak zittende t-shirts met de muziek meeknikken. Veertigplussers, zwelgend in nostalgie. Dit was m’n voorland, en het stemde me droevig. Ineens besefte ik dat het achttien jaar geleden was dat ik Johan vier keer in één jaar tijd live had gezien. Achttien jaar die voorbij waren gevlogen. Dat is bijkans de helft van m’n leven tot nu toe, wat me nog droeviger stemde. M’n gedachten dwaalden af naar een scène uit Fawlty Towers waarin Basil mistroostig tegen zichzelf zit te praten: ‘Woesh.’ ‘Wat was dat?’ ‘Je leven.’ ‘Kan ik het nog een keer over doen?’ ‘Sorry jongen, je krijgt maar één kans.’

Gelukkig was er muziek van Johan, met die fijne liedjes van Pergola. Die zijn onsterfelijk.

Posted in Muziek | Tagged , , | Comments Off on Johan

November nineties

Deze maand deed ik op Twitter aan November Nineties. Elke dag postte ik een favoriete videoclip uit de jaren negentig met een korte toelichting waarom die clip me bij is gebleven. Veel film- en muziekliefhebbers vinden de jaren tachtig het gouden tijdperk van de videoclip, maar daar ben ik het niet mee eens. Natuurlijk, in de jaren tachtig is veel moois gemaakt. Maar goede videoclips maken was voorbehouden aan de grote namen: Michael Jackson, Madonna, Duran Duran. Met name de alternatieve muziekscene kwam er bekaaid vanaf.

Waarom clips in de jaren negentig zoveel beter werden heeft volgens mij twee redenen. Allereerst drong het na het succes van Smells Like Teen Spirit tot de grote platenbonzen door dat je aan alternatieve muziek goed kon verdienen. Hierdoor kwam voor artiesten in de alternatieve scene meer geld beschikbaar om clips op te nemen. En waar popartiesten liever voor een standaard videoclip gingen, beschouwden alternatieve acts de muziekvideo als kunstvorm. Regisseurs als Chris Cunningham, Mark Romanek, Roman Coppola, Michel Gondry, Jonathan Glazer, Anton Corbijn, Spike Jonze en Sophie Muller hebben allemaal goede videoclips gemaakt, waarna ze later in hun carrière vaak de overstap naar de filmwereld hebben gemaakt.

Een tweede reden is dat de computertechnologie een vlucht nam in de loop van de jaren negentig. Videoclips maken werd goedkoper, maar ook de kwaliteit ging omhoog. Kijk maar eens naar de knappe computeranimaties van Cunningham in Aphex Twins Windowlicker of Björks All Is Full Of Love, en vergelijk dat met de Claymation van Three Little Pigs van Green Jellÿ.

Bovenal speelt mee dat ik een kind van de jaren negentig ben. Ik ben opgegroeid met MTV en doordat de radio bij ons thuis niet veel aanstond, kende ik veel liedjes alleen van de videoclips (om aan te geven hoe dat je beeld vertekent: van de liedjes in de top-10 van m’n lijst hebben er maar vier in de Nederlandse Top 40 gestaan, waarvan slechts eentje in de top-10). Eerst was dat de dagprogrammering, maar toen ik een eigen TV op m’n slaapkamer had, keek ik twee keer in de week tot ver in de nacht naar Alternative Nation op MTV. Paranoid Android van Radiohead, Too Many DJ’s van Soulwax en Revolution 909 van Daft Punk waren daar vaste prik; stuk voor stuk klassiekers.

Waar ik in deze lijst voor heb gekozen zijn die dertig clips die op een bepaalde manier opvielen. Originele concepten, verrassende beelden, clips die de tand des tijds (meestal) hebben doorstaan, of iconisch zijn voor de jaren negentig. De top-10 staat buiten kijf, daaronder heb ik gekeken naar welke clips het decennium het beste weergeven. Daarbij heb ik maximaal één clip per act gekozen, ook al grossierden met name Massive Attack, Daft Punk, Radiohead, Fatboy Slim, George Michael en Björk in knappe clips. Daardoor is er meer ruimte voor ander moois. En zelfs dan nog ontbreken enkele favorieten.

30. 2Pac ft. Snoop Dogg – California Love (1995)

Hype Williams is de grote man van de hiphopvideo. Goedgemaakt, maar na verloop van tijd wel clichématig met weer grote auto’s en schaarsgeklede vrouwen. In het begin van z’n carrière was hij iets creatiever en zette hij in California Love een door Mad Max geïnspireerde dystopie neer. Het idee kwam van Jada Pinkett Smith. Het leukste zijn de cameo’s; George Clinton als leider van de bende die de opnamemetertjes in het rood schreeuwt en acteur Chris Tucker. What’s there not to like?

29. Unsane – Scrape (1995)

Wie niet rijk is, moet slim zijn. De noiserockers van Unsane lieten voor 169 dollar een videoclip maken die vrijwel volledig bestaat uit skateboardongelukken, met tussendoor zo’n zes seconden aan live footage. MTV pikte de clip op en draaide ‘m tussen het iets duurdere werk van Janet Jackson en Duran Duran. Beperkt budget, maximaal resultaat. Missie geslaagd. Dat de muziek van Unsane uitermate geschikt is voor skaters bleek later, toen hun song Committed werd gebruikt in het computerspel Tony Hawk’s Pro Skater.

28. Shakespear’s Sister – Stay (1992)

Shakespear’s Sister kwam voort uit Bananarama, de bandnaam is een verwijzing naar een single van The Smiths met dezelfde titel. In Stay vechten zangeressen Siobhan Fahey en Marcella Detroit met elkaar om het leven van een jonge adonis (die wel wat weg heeft van Robert Pattinson). Gothic melodrama in het kwadraat dat non-stop op MTV was te zien. Het stond dan ook acht weken op nr. 1 in de Britse Top 40. Stay is een vroeg werkje van Sophie Muller, de grande dame van de videoclip. Ze heeft honderden clips gemaakt.

27. Green Jellÿ – Three Little Pigs (1992)

Niets schreeuwt zo nineties als klei-animatie en dus maakte Green Jellÿ bij hun hit Three Little Pigs (niet te verwarren met De 3 Biggetjes van K3) een verrassend gewelddadige en bloederige ‘Claymation’ clip. Die clip was het unique selling point, want bij de eerste release was de single in Amerika alleen als video verkrijgbaar. Dankzij die clip kwam het zelfs tot nr. 15 in de Nederlandse Top 40. Goed feitje: de toch zeer respectabele Maynard James Keenan van Tool verzorgde de stem van één van de varkentjes.

26. Enigma – Return To Innocence (1994)

Michael Cretu, het brein achter Enigma, deed z’n naam eer aan en trad niet op in z’n eigen videoclips. In plaats daarvan is de hoofdrol in Return To Innocence weggelegd voor een oude man die z’n leven achterstevoren aan ‘m voorbij ziet trekken. Het einde is het begin is het einde, of zoiets. Kitsch (een eenhoorn, really?) maar goed gemaakt. Geregisseerd door Julien Temple, die voor de Sex Pistols The Great Rock and Roll Swindle maakte, evenals legendarische filmflop Absolute Beginners.

25. Soulwax – Too Many DJ’s (1998)

Kan niet anders of DJ Jos weet een puik feestje neer te zetten. En anders z’n bril wel. DJ Loveboat gaat ook lekker los op z’n plaatjes. En wat te denken van DJ Cees van Hees (goed shirt)? Ze zijn allemaal te boeken, net als de (te) vele andere DJ’s in deze olijke clip van Soulwax. De broertjes Dewaele zagen de ironie van de titel in en noemden hun DJ-act 2 Many DJ’s. Vaste prik in Alternative Nation en @lter8, m’n favoriete programma’s op MTV en TMF.

24. Sparks – When Do I Get To Sing ‘My Way’ (1994)

Sparks bestaat uit de broers Ron en Russell Mael, dus dat ze in de videoclip bij When Do I Get To Sing ‘My Way’ rivaliserende broers zouden spelen lag voor de hand. Sophie Muller, we kwamen haar al op nr. 28 tegen, koos vorm de van een zwart-wit drama in jarenveertigstijl, compleet met ronkende aankondigingen (Two brothers torn apart by ambition!!!). De strijd tussen de broers heeft nog het meest weg van een mannelijke variant van de jarenlange vete tussen Joan Fontaine en Olivia De Havilland.

23. Sinéad O’Connor – Nothing Compares 2 U (1990)

Geen beeld zo iconisch voor de vroege jaren negentig als Sinéad O’Connor met kort piekhaar die al haar woede en verdriet er in vijf minuten uitgooit. Tussendoor zitten fragmenten van de zangeres die door een park in Parijs loopt. Het was nog sterker geweest als we ruim vijf minuten lang alleen maar in het gezicht van O’Connor hadden gekeken, maar zelfs Van Kooten en De Bie besteedden in Keek op de Week aandacht aan de clip en, vooral, De Traan. Dan tel je mee. Geregisseerd door John Maybury, die ook (heel erg eighties) Buffalo Stance van Neneh Cherry maakte.

22. George Michael – Outside (1998)

George Michael had seks met een undercoveragent in een openbaar toilet en een schandaal was geboren. Michael was uit de kast, of hij wilde of niet. De zanger nam wraak met de single Outside. De tekst is sardonisch, in de videoclip gaan alle remmen los. Michael (die eerder in de jaren negentig al topclips maakte bij Freedom! 90 en Too Funky) staat in politieuniform, met leren handschoenen en een wapenstok te dansen in een toilet dat in een handomdraai verandert in een discotheek. De zanger was out and proud en gaf er geen fuck meer om. Keep on funking.

21. Soul Asylum – Runaway Train (1993)

Ik was als kind een enorme piekeraar. Dat je als kind zomaar kon verdwijnen, zoals bleek uit de videoclip bij Runaway Train, maakte m’n zorgen niet bepaald minder. Ik kon maar het beste binnenblijven, met een boek op de bank. Het idee van Soul Asylum om in een videoclip aandacht te vragen voor vermiste kinderen was nobel en heeft nut gehad: van de 36 gevallen zijn 26 kinderen teruggevonden. De afloop was niet altijd positief. Twee kinderen bleken vermoord, een ander was gevlucht voor een moeilijke thuissituatie.

20. Depeche Mode – Enjoy The Silence (1990)

Anton Corbijn zei ooit alleen met bands en artiesten te werken die hij goed vindt. Dan heeft hij smaak, met werk voor Nirvana, Roxette en Metallica op z’n palmares. En deze clip van Depeche Mode, waarin Dave Gahan als een mistroostige Le Petit Prince, met strandstoel onder z’n arm, door Europa struint. Het valt niet mee prins zonder onderdanen te zijn. Achttien jaar later maakte Corbijn een sequel voor Viva la Vida van Coldplay. Chris Martin struint nu met een schilderij onder z’n arm door Den Haag. De prins is danig aan lager wal geraakt.

19. Daft Punk – Revolution 909 (1998)

Alle vroege clips van Daft Punk (Burnin, Around The World, Da Funk) zijn briljant, maar ik kies voor Revolution 909. Een illegaal housefeest wordt door de politie ontruimd. Er volgen arrestaties, maar één meisje weet te ontkomen doordat ze is afgeleid door een vlek tomatensaus op het shirt van de politieagent. Hoe kwam die vlek daar? Een goed idee slim uitgewerkt, inclusief recept voor tomatensaus. Geregisseerd door Roman Coppola, zoon van (en broer van). Hij maakte ook clips voor Green Day, Moby en The Presidents of the United States of America.

18. R.E.M. – Drive (1992)

R.E.M. heeft veel mooie clips gemaakt, maar Drive is mijn favoriet. Die verstilde slow-motion zwart-wit beelden, het crowdsurfen van Michael Stipe, de kolkende mensenmassa (waar een jonge Adam Scott zich in schuilhoudt), die elektrische gitaarriff op 2 minuut 02, het tegenlicht, de gitarist die wordt natgespoten met een brandslang. Dat alles maakte een liveconcert in mijn belevenis een mythische ervaring. Dit wilde ik meemaken. Ik wilde ook zo cool zijn.

17. Aerosmith – Crazy (1994)

Dat oude rockers in videoclips geen platen verkopen wist Steven Tyler best. Maar hij had wel een knappe dochter met acteerambities, dus na twee videoclips met alleen Alicia Silverstone (Amazing en Cryin’) als lekker hapje, kreeg zij hulp van Stevens dochter Liv. Het resultaat is een roadmovie à la Thelma & Louise, waarbij beide dames bij menig man het hoofd op hol weten te brengen (de scène bij de benzinepomp is favoriet). Al loopt Crazy, in tegenstelling tot Thelma & Louise, wel goed af.

16. Massive Attack – Unfinished Sympathy (1991)

Op een dag in 1991 liep zangeres Shara Nelson van 1311 South New Hampshire Avenue naar 2632 West Pico Boulevard in Los Angeles. De Steadicam van cameraman Dan Kneece (bekend van Blue Velvet) volgde haar in één onafgebroken camerabeweging op de voet. Zo’n lange take is niet uniek (denk aan U2’s Sweetest Thing en Wannabe van Spice Girls), maar nooit werd het zo mooi als met Nelson in dat Californische zonlicht. Richard Ashcroft zou later eer betonen met Bitter Sweet Symphony. Ook hij deed het net wat minder goed.

15. Crash Test Dummies – Mmm Mmm Mmm Mmm (1993)

One hit wonder (al heeft Crash Test Dummies echt meer goede liedjes gemaakt), met een toneelvoorstelling met kinderen in de videoclip. Die kinderen spelen scènes uit hun eigen leven na. Een jochie dat een auto-ongeluk heeft gehad, of een meisje dat altijd blauwe plekken heeft. Ik had altijd medelijden met het jongetje dat elke dag na school met z’n ouders naar de kerk moet. Die kerk leek me al vreselijk, maar aan de blik van de ouders te zien waren ze ook nog eens allesbehalve blij met dit toneelstuk.

14. Jamiroquai – Virtual Insanity (1996)

De maffe dansjes van Jay Kay kenden we al vanaf de eerste clips van Jamiroquai, maar ze kwamen pas het beste tot hun recht in een kamer waar de meubels uit zichzelf lijken te bewegen (spoiler: dat doen ze niet). Ook de andere bandleden komen hier en daar voorbij. Virtual insanity indeed. Jonathan Glazer (bekend van de briljante film Under the Skin) heeft niet zo gek veel videoclips gemaakt, wel zijn het stuk voor stuk klassiekers. Een van de clips die is geparodieerd in FIDLAR’s geweldige 40oz. On Repeat (op 1:57).

13. The Connells – ’74-’75 (1993)

‘Class of ’74-75, Broughton High School, Raleigh, N.C.’ Aldus de korte mededeling aan het begin van de clip. Wat volgt is een parade van oud-klasgenoten van The Connells, met foto’s van toen en nu. Probeer uit de beelden op te maken of de ambities die er ooit waren, zijn uitgekomen. Tijd is altijd de vijand. Vier jaar geleden verscheen een nieuwe versie, met dezelfde hoofdrolspelers. Eveneens ontroerend, want één klasgenoot is inmiddels overleden. Gemaakt door Mark Pellington, die onder andere ook Drive van R.E.M. (zie nr. 18) regisseerde.

12. Blur – Coffee & TV (1999)

Dat Blur net even wat slimmer was dan Oasis bleek uit de videoclips. Damien Hirst regisseerde de clip bij Country House en in The Universal werd A Clockwork Orange geparodieerd. Het mooiste kwam aan het einde van het decennium. Met Graham Coxon, als vermist persoon opgegeven op een melkpak. Het pak gaat zelf op zoek naar de verdwenen gitarist van Blur. En Wat Er Toen Gebeurde Zal Je Verbazen. Van Hammer & Tongs, die ook de clips bij Pumping On Your Stereo van Supergrass en Right Here, Right Now van Fatboy Slim maakten.

11. Guns N’ Roses – November Rain (1992)

Niemand deed de epische videoclip in de jaren negentig beter dan Guns N’ Roses. Don’t Cry en Estranged zijn klassiekers, November Rain is de allerbeste. Met een budget van een miljoen dollar trok regisseur Andy Morahan alle registers open. De bruiloft, het feest na die bruiloft, zelfs de uitvaart: alles is over the top. Enkel voor de gitaarsolo’s van Slash werd midden in de woestijn een kerkje nagebouwd. Toegegeven, November Rain heeft de tand des tijds goed doorstaan. Het is de eerste clip uit de jaren negentig met meer dan een miljard views op YouTube.

10. Annie Lennox – Walking On Broken Glass (1992)

Wat is er leuker dan één bekende acteur in een videoclip? Twee bekende acteurs. In Annie Lennox’ Walking On Broken Glass gaat de zangeres (in wie een begenadigd actrice schuilgaat) door het lint omdat ze met Hugh Laurie is, maar John Malkovich wil. En dit alles in een setting die losjes is gebaseerd op de film Dangerous Liaisons. De ongemakkelijke blikken van Laurie en Malkovich terwijl Lennox de boel op stelten zet zijn meesterlijk. Van de hand van Sophie Muller, we kwamen haar al vaker tegen, en te onbekend.

9. Aphex Twin – Windowlicker (1999)

Windowlicker heeft op een haar na de Top 40 gehaald. En dat voor een act als Aphex Twin, die niet eens in de buurt van de Tipparade zou mogen komen. Dan heb je buiten Chris Cunningham, grootmeester van de alternatieve videoclip, gerekend. Hij voorzag het redelijk toegankelijke Windowlicker van een bizarre, zwoele clip. Met Richard D. James zelf die met z’n uitgestreken grimas iedereen de stuipen op het lijf jaagt. Het kwam elke nacht wel een keer voorbij op muziekzender The Box (de clip duurde tien minuten, dus je kreeg waar voor je geld), wat de cultstatus nog groter maakt.

8. Weezer – Buddy Holly (1994)

Of Happy Days een revival beleefde door deze clip, of dat Weezer de clip op de set van Happy Days opnam vanwege een Happy Days-revival weet ik niet. Wel dat het succes van Buddy Holly voor een groot deel op het conto van deze retro videoclip kan worden geschreven. Bekendheid werd nog groter toen de videoclip op de Windows 95 cd-rom verscheen. Dat laatste wisten de leden van Weezer niet; ze hadden geen computers. Geregisseerd door Spike Jonze, we komen ‘m nog een paar keer tegen. Stay tuned, for more happy days!

7. Fatboy Slim – Praise You (1999)

Als iemand het belang van videoclips begreep, dan was (en is) het Fatboy Slim. The Rockafeller Skank en Gangster Trippin waren al goed, maar Praise You is de klassieker. Met Spike Jonze als frontman van de Torrance Community Dance Group die een geïmproviseerd optreden voor de ingang van een bioscoop in Los Angeles verzorgt. Zijn die danspasjes opzettelijk slecht, of zijn ze eigenlijk briljant? Jonze baalde dat hij de clip bij The Rockafeller Skank niet kon regisseren en maakte als goedmakertje deze clip (kosten: 800 dollar) voor Norman Cook. Die nam het dankbaar in ontvangst.

6. Radiohead – Paranoid Android (1997)

Radiohead zag een aflevering de Zweedse animatieserie Robin en wist wat voor clip Paranoid Android nodig had. Animator Magnus Carlsson kreeg de muziek, sloot zich op in z’n werkkamer en draaide het urenlang op repeat. Daaarna kwam hij met deze absurdistische clip, met cameo van de band zelf (op 2:33). In m’n herinnering heeft de man (die veel wegheeft van toenmalig Belgisch premier Jean-Luc Dehaene) op 1:58 een vlaggetje van de EU vast. Dat had de clip, met de aanstaande Brexit, nog navranter gemaakt.

5. Air – All I Need (1998)

Regisseur Mike Mills maakte geen videoclip, maar een mini-documentaire over prille liefde. Mills geeft een inkijkje in het leven van een jong stel dat skateboarden als passie heeft en alles net even anders doet, iets dat ik als tiener heel inspirerend vond. All I Need is daarbij de soundtrack. Twintig jaar later zou ik zelf voor het eerst op een skateboard stappen, dus pas toen viel die Anti-Hero sticker op de voorruit van de auto me op. Dat het koppel snel na de opnames van deze clip uit elkaar ging was een desillusie. Alles gaat kapot.

4. Nirvana – In Bloom (1992)

Nirvana speelt In Bloom in een jarenzestigsetting, geïnspireerd door The Ed Sullivan Show. Halverwege de set speelt Nirvana niet meer in keurige maatpakken, maar in jurken. De band nam twee versies op: eentje in pak, eentje in jurken. Kurt Cobain wilde de nette versie na een tijdje vervangen door de ‘drag’ versie, maar koos uiteindelijk voor dit compromis, wat alles nog verwarrender (en leuker) maakte. De presentator deert het niet dat het decor is gesloopt: ‘I really can’t say enough nice things about them. They’re gonna be really big stars!’

3. Chris Isaak – Wicked Game (1990)

Chris Isaak en fotomodel Helena Christensen rollen vier minuten lang door het zand van een palmenstrand op The Big Island, Hawaï, in een weinig subtiele verwijzing naar jarenvijftigfilmklassieker From Here To Eternity. Meer is het niet, maar dat alleen al is onweerstaanbaar zwoel en sexy en daarom vaste prik op MTV in de jaren negentig. Van de hand van Herb Ritts, die vooral naam maakte als regisseur van commercials voor Calvin Klein, Levi’s en Victoria’s Secret. Wie Wicked Game ziet, snapt waarom.

2. Beastie Boys – Sabotage (1994)

Er is nooit een volledige aflevering van Sabotage gemaakt, maar het had geweldige televisie opgeleverd. De Beastie Boys figureren in de openingscredits van een spoof op jarenzeventigmisdaadseries (Baretta, Hawaii Five-O) en hebben ronkende namen als Cochese, The Rookie en The Chief. De beelden beloven ook veel goeds: iets met een koffertje, vermommingen, een autobom en verschillende knokpartijen. Volgens de overlevering trok Spike Jonze na afloop van de opnames de tape uit de camera en rekte die hier en daar uit voor vintage special effects.

1. Björk – All Is Full Of Love (1999)

Vier minuten kijken we mee hoe twee robots in elkaar worden gezet om seks met elkaar te hebben. Voyeurisme. Robotporno. Hebben robots seksuele gevoelens? Zetten ze zichzelf in elkaar? Maar waarom dan? Of gaat het erom dat je van jezelf moet houden? Chris Cunningham maakte een meesterwerk met, voor die tijd, state of the art computeranimaties. Twintig jaar later bezorgt de clip mij nog steeds kippenvel. Wie denkt dat videoclips geen kunst zijn, moet deze clip zien. Het is dan ook opgenomen in de collectie van het MoMA in New York.

Posted in Lijstjes, Media, Muziek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on November nineties

Litteken

Het stoere verhaal zou zijn dat ik in een vert ramp ben ingedropt, of dat ik een kickflip wilde maken en dat het een beetje misging. Het minder stoere, maar iets meer realistische verhaal is dat ik een ramp in de skatehal op wilde lopen, of meer, springen, dat daarbij de neus van m’n schoen weggleed en ik hard met m’n onderbeen op een stenen rand landde. Het zag er ongetwijfeld klungelig uit maar het deed niet eens heel erg pijn, dus ik wuifde de bezorgde ‘gaat hets?’ van vrienden in eerste instantie weg.

Toen ik een halve minuut later naar m’n broek keek, bleek daar een gat in te zitten. Shit, dacht ik, ik heb al zo weinig broeken. Er liep bloed in m’n sokken.
‘Ik zou dat maar even gaan uitspoelen,’ zei een vriend. ‘Ik neem je board wel mee.’

Even later stond ik achter de bar in de skatehal met m’n broek omlaag terwijl een medewerker goedbedoeld met servetjes aan kwam lopen. Een andere medewerker wees ‘m terecht: ‘Dat gaat toch niet helpen man, het bloed loopt eruit.’

Dat het bloed eruit liep was overdreven, het bloeden stopte snel genoeg. Wel zat halverwege m’n rechteronderbeen een gapend gat van drie centimeter lang en zeker een centimeter diep. De medewerker kon naar binnen kijken in m’n lijf.
‘Je kan je bot zien man,’ riep ze geschokt.
‘Echt? Gaaf,’ zei ik, nog steeds niet onder de indruk. ‘Maak eens een foto.’
‘Ik zou maar even langs de huisartsenpost gaan,’ zei de medewerker.
‘Nee he, dat is toch niet nodig?,’ antwoordde ik. Ik zag m’n plannen voor de rest van de avond al in de soep lopen. Kon ik in dat koude kloteweer naar het ziekenhuis fietsen.
‘Nou, het is best een diepe wond,’ zei ze.
Ze legde een verband aan en ik liep een beetje rond. Ik had eigenlijk nergens last van. Ik kon lopen, springen, nouja, alles. Maar dan met een gapend gat in m’n onderbeen.

Gelaten belde ik de huisartsenpost. Lekker tegen het einde van het jaar nog even dat eigen risico er doorheen jassen. Eerst kreeg ik een keuzemenu: ‘bevindt u zich in een levensbedreigende situatie? Toets dan 1.’
‘Ik bevind me niet in een levensbedreigende situatie he?,’ grapte ik tegen de medewerker van de skatehal.

Het keuzemenu verordonneerde dat ik 2 moest kiezen en ik kreeg, nadat ik m’n burgerservicenummer had ingetoetst, een medewerker aan de lijn. Wie m’n huisarts is? Euh… even denken. Ik heb die man al jaren niet gezien. Van der Wouden? Woudstra? Wouma? Ownee, Wouda. Omstandig legde ik uit dat ik was gevallen in de skatehal en dat ik nu een wond in m’n onderbeen had. Ja, het zat aan de voorkant van m’n onderbeen. Het scheenbeen? Owja, dat heet zo. Nee, het bloedde niet meer. Nee, ik was niet duizelig, ik kon m’n voet goed bewegen. Ik kan zeker geen foto sturen? Is m’n rechtervoet witter dan m’n linkervoet? Geen idee. Dan moet ik m’n schoenen uittrekken. Heeft u een momentje? Nee, de voeten zien er hetzelfde uit. U overlegt met de huisarts? Oké, ik wacht. Ow, ik moet toch langskomen op de huisartsenpost?

Ik kon pas later op de avond bij de huisartsenpost terecht, dus terwijl ik zat te wachten, bekeek ik eens rustig de foto. Ik had nog nooit m’n lijf van de binnenkant gezien. Ik zag iets lopen dat op een spiertje of pees leek. Best cool eigenlijk.

Later die avond zat ik bij de huisartsenpost. Nadat ik de vragen die de medewerker aan de telefoon had gesteld nogmaals had beantwoord belandde ik, met ontbloot rechterbeen, op een bed. Ze bekeek de wond aandachtig. ‘Dat moet zeker gehecht worden.’
Ze dacht even na en zei: ‘Het is wel een brede wond.’ Ze kneep er een beetje in.
Ik keek mee. ‘Het is een beetje een V-vorm he?,’ zei ik.
‘Beweeg je voet eens?,’ vroeg ze.
Ik bewoog m’n voet een paar keer heen en weer. Ik zag iets bewegen in m’n onderbeen.
‘En je tenen?’
Ik bewoog m’n tenen en weer spande iets in m’n onderbeen zich aan. Grappig om te zien hoe je eigen lijf werkt.
‘Je kunt wat peesjes zien lopen. En hier zit een beetje vet,’ wees ze.
‘Daar ook al?,’ lachte ik.
‘Maar alleen het kapseltje is geraakt,’ zei ze. ‘Je bot kan je niet zien.’
Geen idee wat een kapseltje is, maar het klonk niet al te ernstig.

Nu ging ze ontsmetten (au) en de wond verdoven. De wond hechten was geen probleem, ze had het snel gedicht. Daarna kreeg ik een drukverband, met nog een verband eromheen. Ondertussen praatten we over m’n longboard, en dat ik sinds een jaar skateboardde. En dat ik, omdat ik geen auto heb (en ook niet wil), op de fiets was gekomen.
‘Je houdt er wel een litteken aan over,’ zei ze toen ze klaar was.
‘Dat is m’n eerste. Nouja, dat moet dan maar,’ antwoordde ik.
‘Ik heb een brede draad gebruikt, dus je kunt er gewoon mee fietsen,’ zei ze. ‘Maar niet te hard.’

Eenmaal aan het bureau praatten we verder.
‘Over tien dagen mogen de hechtingen eruit. Dus morgen even een afspraak maken bij de huisarts voor volgende week maandag. En je moet nog een tetanusprik halen. Antibiotica lijkt me niet nodig. Laat het lijf het zelf maar oplossen,’ zei ze.
Dat laatste leek me een goed plan.
Ik pakte m’n rugtas, ze knikte naar m’n board.
‘Dus dit is je longboard?,’ zei ze.
‘Nee, dit is m’n skateboard,’ antwoordde ik en legde uit dat een longboard ruim een meter lang is.

Ik bedankte haar voor haar hulp.
‘Doe het de komende dagen rustig aan,’ besloot ze.

Terwijl ik met een slakkentempo van twintig kilometer per uur naar huis fietste, schoten de woorden van de arts door m’n hoofd. Het rustig aan doen. Ik?

Posted in Skateboarden | Tagged , , , , | Comments Off on Litteken

Tien keer niet op Spotify

Ik vroeg me af of op Spotify liedjes zouden ontbreken die ooit op nr. 1 van de Top 40 hebben gestaan. De eerste naam die me te binnen schoot was Busje Komt Zo van Höllenboer en inderdaad, dat liedje ontbreekt. Toen ik verder zocht waren er nog wat meer nr. 1 hits die ontbreken: No Limit van Irene Moors & De Smurfen (ik zei niet dat het ook góede muziek moest zijn), een benefietsingle voor de tsunami in Azië en – het wekt geen verbazing – One Day Fly van de gelegenheidsformatie uit Kopspijkers.

Het lijken me geen liedjes waar nog veel vraag naar is. Dat iemand op een vrije zondagmiddag denkt: gut, laat ik Als Je Iets Kan Doen van Artiesten voor Azië weer es opzetten.

Natuurlijk. Spotify is geweldig. Het werkt prettig en het aanbod is eindeloos. Ik heb menig liedje gevonden waar ik al tijden naar op zoek was, maar dat niet (meer) op cd verkrijgbaar is. Of, die artiesten die één heel gaaf liedje hebben, maar waar ik echt geen heel album van uit ga zitten.

Waarom zou je als artiest níet op Spotify gaan zitten? Je verdient weliswaar geen drol aan het aantal plays, maar het is wel publiciteit. Anders gezegd: wil je de hitlijsten halen dan moet je op Spotify zitten, want de leeftijdscategorie die vroeger nog singles kocht, en daarmee bepaalde wat in de hitlijsten stond, streamt nu alle audio. Needless to say, naast bovengenoemde voorbeelden ontbreekt op Spotify vooral de oudere meuk, songs die jaren geleden in de hitlijsten stonden en waarvan het onduidelijk is wie de rechten bezit, of waarvan de artiest in kwestie het niet nodig vindt om op Spotify te zitten omdat de fans de muziek toch wel kopen.

Heel soms mis ik wel eens iets op Spotify. Zo’n omissie wordt dan soms alsnog goed gemaakt, zo was ik met dit blogje bezig en had ik Cattle and Cane van The Go-Betweens vermeld, maar verscheen die track alsnog op Spotify. Om maar te zeggen: het kan zijn dat dit blogje morgen al achterhaald is. Maar zoals het er nu voor staat ontbreekt al dit moois op Spotify. Het is vaak spul dat ik wel op m’n iPod had staan en dat ik, omdat ik ze niet naar Spotify gedownload krijg, nu moet missen. Vaak zijn dat liedjes, maar soms gaat het om complete albums, waarbij vooral de folk er bekaaid afkomt. Andere muziekfans hebben andere favorieten, maar dat hoor ik dan wel.

White Soxx – Versailles (1981)

Jarenlang was Versailles van White Soxx de enige track in de Top 2000 die nooit op cd was verschenen. Dat krijg je als een single nooit een hit is geworden (het bleef steken in de Tipparade), maar wel een cultstatus heeft gekregen omdat fans dachten dat achter de naam van componist Frédéric Mercier Queenzanger Freddie Mercury schuilging. Een reportage in Top 2000 à Gogo bracht aan het licht dat White Soxx toch echt een Frans duo was. Door het succes in de Top 2000 verscheen de track alsnog op cd: een Top 2000-compilatie. Inmiddels is Versailles uit de Top 2000 verdwenen, maar als het er nog in had gestaan, was het met recht één van zeer weinig tracks in die lijst geweest die niet op Spotify staat. Om het in goed Nederlands te zeggen: l’histoire se répète.

Everly Brothers – On The Wings Of A Nightingale (1984)

Het was 1984 en de Everly Brothers, jaren gebrouilleerd, maakten een comeback. Voor de lp werden niet de minste songschrijvers opgetrommeld; zo schreef Jeff Lynne The Story of Me en tekende Paul McCartney voor On The Wings Of A Nightingale. Met name dat laatste liedje is een juweeltje. De ex-Beatle componeerde een eerbetoon aan het duo dat hem als klein jongetje muzikaal had geïnspireerd. Hij maakte daarbij slim gebruik van de sterkste punten van het duo: het ritmische gitaarspel en de samenzang. Probeer maar eens niet heel gelukkig te worden als de broers tegen het einde herhaaldelijk ‘oh, I can feel something happening’ zingen. On The Wings Of A Nightingale is tweeëneenhalve minuut puur muzikaal genot.

Waarom het niet op Spotify staat is een raadsel, al zal meespelen dat het alleen in Nederland een grote hit werd; het haalde een vierde plaats in de Top 40. Het stond in 2001 zelfs op nr. 187 in de Top 2000, al ontbreekt het sinds 2014 in de Lijst der Lijsten. Spotify-adepten weten niet wat ze missen.

Malcolm McLaren presents The World Famous Supreme Team Show – Operaa House: Aria on Air (1990)

Malcolm McLaren is de grootste subversief van de popmuziek. Hij begon als manager van The Sex Pistols, blies die band op om Bow Wow Wow te beginnen (Do You Wanna Hold Me? blijft een guilty pleasure) en ging vervolgens zelf met hiphop aan de slag; Buffalo Gals is een pioniersplaat. Daarna liet McLaren z’n oog/oor vallen op operamuziek en mixte klassieke muziek met pop, rock en dance (Madam Butterfly, Waltz Darling). Smaakvol? Mwa. Succesvol? Dat wel. Z’n fijnste creatie is Aria on Air, oftewel: het Bloemenduet uit Lakmé van Léo Delibes on steroids, uitgebracht onder de naam Malcolm McLaren presents The World Famous Supreme Team Show. Het kwam tot een 15de plaats in de Nederlandse Top 40 maar bij de meeste mensen is het bekend door het gebruik in een reclame voor British Airways. Op Spotify staat de originele versie van Yanni, maar die haalt het nét niet bij die van McLaren.

Garland Jeffreys – Hail Hail Rock ‘n Roll (1991)

Garland Jeffreys is de grote onbekende uit de Amerikaanse muziek. Hij stond één keer in de Billboard Hot 100, met een cover van 96 Tears, maar in Europa had hij meer succes. Matador was eind jaren zeventig een hit in diverse Europese landen (waaronder een vierde plek in de Nederlandse Top 40), succes dat hij in 1991 dunnetjes overdeed met Hail Hail Rock ‘n Roll. Een song waarin Jeffreys racisme aankaart (‘big yellow taxi passed me by, stopped on the corner to pick up a white guy’) en er fijntjes op wijst dat rock ‘n roll zwarte wortels (Little Richard, Chuck Berry, Bo Diddley, Fats Domino) heeft, maar gepopulariseerd werd door mensen als Elvis, Gene Vincent, Buddy Holly en Jerry Lee. Of zingt hij juist dat rock ‘n roll mensen verbindt – ondanks je afkomst?

The KLF ft. Tammy Wynette – Justified & Ancient (1991)

Dat The KLF niet op Spotify staat verbaast niet (dat 3AM Eternal er wél op staat dan weer wel). The KLF waren altijd al grote weirdos, een duo dat popmuziek als conceptueel kunstwerk beschouwde en, toen ze hun carrière zat waren, hun volledige back catalogue deleteten. Het hoogtepunt in dat, wel ijzersterke, oeuvre is Justified & Ancient. Voor die song benaderden Bill Drummond en Jimmy Cauty, het duo achter The KLF, Tammy Wynette, in de geruststellende overtuiging dat de oude, kwetsbare grande dame van de countrymuziek nooit ja zou zeggen. Dat deed ze wel en daar ben ik Wynette eeuwig dankbaar voor. Hoe geweldig om haar bloedserieus teksten te horen zingen als ‘they’re justified and ancient, and they drive an ice cream van’. Wynette maakte een comeback en elke has been wilde met The KLF samenwerken. The KLF gaf er, de popmuziek prachtig misvormd achterlatend, de brui aan.

Attwenger – Wama Liaba (2000)

Het is de vreemdste act die ik ooit op Folkwoods op zag treden (en dat zegt wat). Maar eigenlijk maakt Attwenger geen folk. Wat dit Oostenrijkse duo dan wel maakt? Een soort triphop, maar dan op mondharp, accordeon en met drumloops. Ik vroeg een vriend die voor z’n studie naar Oostenrijk moest of ie een cd kon scoren. Voor die plaat moest ie naar een obscuur zaakje in een buitenwijk van Graz (ik stuur ‘m graag op pad met onmogelijke opdrachten), maar het was de moeite waard. Het album Song is geweldig, en dan met name het vijftien minuten durende Wama Liaba. Het begint met een mondharp, daar komt een drumloop overheen, dan volgt de accordeon en tot slot komt de zang. Nouja, het is meer een soort gepraat in een onverstaanbaar Oostenrijks dialect. Het is vervreemdend, verslavend en catchy. Song staat trouwens op Spotify, maar slechts gedeeltelijk. Wama Liaba ontbreekt.

Sinéad O’Connor – Sean-Nós Sua (2002)

Niet zozeer één liedje, maar een compleet album uit het oeuvre van Sinéad O’Connor. En wat voor een album. In 2002 nam de zangeres, op dat moment volgens mij ingetreden in het klooster (het is bij de Ierse zangeres soms lastig te volgen), een plaat met Ierse traditionals op. Niet zo verrassend; eerder coverde O’Connor He Moved Through The Fair, The Foggy Dew (met The Chieftains) en I Am Stretched on Your Grave. Het album zorgde echter voor weinig roering en verdween snel uit de publiciteit. Toen ik nog als muziekbibliothecaris werkte, leende ik de cd eens en ik vond het mooi.

Tegenwoordig duiken sommige tracks nog op compilaties op. Zo trof ik Paddy’s Lament aan op een cd-box over Ierse folk en vond ik Her Mantle So Green op de Putumayo-verzamelaar Celtic Crossroads. Maar op Spotify vind ik een gapend gat tussen Faith and Courage en Throw Down Your Arms. We moeten het doen met twee tracks op verzamelaars: Paddy’s Lament en I’ll Tell Me Ma.

Linda Thompson – Fashionably Late (2002)

Linda Thompson had jarenlang met echtgenoot Richard platen gemaakt, maar het huwelijk was op de klippen gelopen en Linda maakte slechts één solo-lp in de jaren tachtig. Ze raakte van de spanning jarenlang haar stem kwijt, maar rond de eeuwwisseling begon ze weer sporadisch te zingen en nam af en toe een track op voor een comebackplaat die de pijnlijk ironische titel Fashionably Late zou krijgen. Het is één van de mooiste folkplaten van de jaren nul, omdat in de tien liedjes alle facetten van folk terugkomen. Klein en akoestisch in Dear Old Man Of Mine (tevens een afrekening met ex Richard), traditioneel Brits (Paint & Powder Beauty, Nine Stone Rig), los en swingend (Weary Life) en melancholiek poppy (All I See). Een meesterwerk, maar ontbrekend op Spotify.

Anika Moa – In Swings The Tide (2007)

Tijdens een roadtrip door Nieuw-Zeeland moet er ook muziek klinken, dus toen ik in 2008 met een vriend door het land reisde, hoopte ik veel muziek te kunnen draaien. Helaas, de huurauto had alleen een cassettedeck. Maar Kiwi’s hebben overal een ad hoc-oplossing voor: een donorbandje. Je discman (op zich ook al best old school) sluit je aan op een cassettebandje dat je in het deck stopt. I kid you not. Ik had cd’s meegenomen, maar onderweg schafte m’n vriend, die een half jaar in Wellington had doorgebracht en de lokale muziekscene een beetje kende, In Swings The Tide van Anika Moa aan. Beetje folk, beetje country, leuke plaat. Met Nederlandse connecties, want de videoclip voor My Old Man nam ze op in Amsterdam. Die cd was van m’n vriend, maar een tijdje terug hield hij grote opruiming. Inmiddels heb ik In Swings The Tide in mijn collectie. Op Spotify ontbreekt de cd, net als sommige muziek van Nieuw-Zeelandse grootheden als Split Enz en Mi-Sex.

Kanye West & Jay-Z – Niggas in Paris (2011)

M’n eerste playlist op Spotify was een hiphopplaylist. Hiphop is voor mijn gevoel meer track based dan rock en pop, dus hele albums luister ik zelden; een playlist biedt uitkomst. Door de jaren heen heb ik zat favorieten verzameld: HoedenPlank van Opgezwolle (‘voer voor je hoedenplank, tast toe, proef die woofer’), Deliverance van Bubba Sparxxx (dat ik ooit op Radio 2 gedraaid heb gekregen), Kick, Push van Lupe Fiasco (skate-anthem) – een playlist maken was een eitje. Daarin was ook ruimte voor Jay-Z. 99 Problems staat op Spotify, maar Niggas in Paris was onvindbaar. Eerst dacht ik nog dat het de schrijfwijze was die voor verwarring zorgde, maar navraag bij een vriend leerde mij dat Jay-Z veel van z’n muziek van Spotify heeft gehaald om z’n eigen streamingdienst Tidal te promoten. Ik weet niet hoe het met Tidal gaat, maar Jay-Z werd eerder dit jaar door Forbes uitgeroepen tot eerste hiphopmiljardair. Gelukkig heb ik 99 Problems nog.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , , , , , , , , | Comments Off on Tien keer niet op Spotify

Puzzelstukjes

Actiefoto.

Toen ik vorig jaar net was begonnen met skateboarden, ging ik vaak op zondagmiddagen extra oefenen in Area 51. De lessen liepen nog niet bepaald voorspoedig en een medeleerling had me aangeraden om op zondag wat trucjes uit te proberen. Het was immers rustig. De dienstdoend medewerker, ongetwijfeld op de hoogte van m’n moeizame vorderingen, liet me dan stiekem gratis binnen en stak me een hart onder de riem: ‘We moeten het stimuleren dat mensen komen oefenen.’
‘Thanks,’ zei ik dan. ‘En euh… ik heb wel een board nodig.’

Nu wil het geval dat op zondagochtend vaak kinderfeestjes in de skatehal zijn. Die feestjes zijn afgelopen als de hal voor het grote publiek open gaat, maar de kinderen hangen nog even rond op het balkon. Zo kon het gebeuren dat ik eens op een zondagmiddag als eerste in de hal stond, me af te vragen wat ik daar stond te doen én wat ik zou gaan doen. Heel veel keus had ik niet. Terwijl ik in gedachten verzonken was, hoorde ik een paar jongetjes op het balkon. Eentje, iets luidruchtiger dan de rest, kon ik verstaan: ‘Heej, een skateboarder. Eens kijken wat ie kan.’
Ga weg, dacht ik, ga ranja drinken ofzo. Ineens wist ik wat ik wilde oefenen: ik pakte m’n skateboard en ging onder het balkon, uit het zicht van de kinderen, staan poppen.

Een paar maanden later maakte ik iets soortgelijks mee. Ik kon al iets meer, maar het was nog steeds behelpen. Weer was er een kinderfeestje geweest en weer stond een groepje jochies van een jaar of tien op het balkon te kijken. Ik kon wel voorspellen welke kant het op zou gaan.
‘Heej, een skateboarder,’ riep er eentje.
‘He ja,’ antwoordde een ander, ‘een oude. Die zal wel heel goed zijn.’
Nee he, dacht ik, daar had ik dus geen zin in. Ik pakte m’n skateboard en ging uit het zicht wat staan oefenen.
‘He jammer, hij gaat weer weg,’ sprak eentje teleurgesteld.

Na een maand kocht ik een eigen skateboard. Nee, het liep nog niet echt soepel, maar het zou allicht helpen als ik m’n eigen board zou hebben, in plaats van die leengevalletjes van de area. Maar ik moest dat ding ook mee naar de les nemen. Ongemakkelijk, zeker toen bleek dat ik net die keer de enige leerling was.

Eerst probeerde ik het nog een beetje uit het zicht van de instructeurs te houden, wat best lastig is met een stuk hout van 84 centimeter. Het vocabulaire van de instructeurs beperkt zich voornamelijk tot Engelstalig slang van woorden van één lettergreep: chill, nice, sick, maar toen ik m’n board tegen de coping zette en het écht niet meer te ontkennen viel, kwam er bij één van de twee ineens een spraakwaterval uit.
‘Ho ho, wacht even,’ zei hij, ‘wat hebben we hier?’
‘Janieuwboardikdachtdatwordtweltijdmooidinghezallikdanmaargaanindroppen?,’ mompelde ik.
‘Heej kijk, een nieuw board,’ riep hij, nu tegen z’n collega aan de andere kant van de instructieruimte. Hij kwam kijken. Ik voelde m’n hoofd steeds roder worden.
Sick,’ oordeelde hij.

Niet lang daarna zat ik bij de kapper. Het duurde een paar minuten voordat hij het onderwerp te berde durfde te brengen, maar toen kwam toch de vraag, of meer opmerking: ‘Ik zag u vorige week met een skateboard door de stad fietsen.’

Elke dag oefenen is elke dag oefenen. Desnoods fiets ik naar een halfpipe aan de rand van Eindhoven.

Na een tijdje besloot ik dat twee keer in de week rijden niet voldoende was. Eigenlijk moest ik, wilde ik het skateboarden goed onder de knie krijgen, elke dag rijden. Om dagelijks naar Strijp-S te fietsen ging wat ver, dus ik moest de straat op. Het liefst ‘s avonds, als het donker was; dan valt het net wat minder op als je op je muil gaat. Tijdens zo’n avondsessie ging ik streetskaten bij het havenhoofd. Dat viel niet mee, zeker voor iemand die alleen het hout van de skatehal gewend is. Toen ik van een bescheiden hellinkje af reed bleef ik met m’n wieltjes achter een stoeptegel haken. M’n board schoot naar achter, ik viel hard voorover op m’n knieën, maar het eerste dat ik deed toen ik weer was opgestaan was checken of niemand m’n val had gezien. Keeping up appearances.

Als ik echt weinig tijd heb, dan rijd ik een half uurtje rond op het asfaltveldje voor m’n huis, of pak een stukje straat mee. Dan zet ik muziek en een capuchon op en skate wat rond. Op die manier sluit ik me af voor eventuele opmerkingen die me af kunnen leiden. Ik heb mijn buurt het afgelopen jaar goed leren kennen. Ik weet nu dat bezoekers van de coffeeshop hun auto het liefst een paar straten verder parkeren, dat de buren van een paar deuren verder wel eens een escortdame laten komen, en dat bezoekers van die (inmiddels op last van de gemeente tijdelijk gesloten) coffeeshop de gekochte waar het liefst op een bankje, verderop in het park nuttigen.

Andersom heeft de buurt mij ook leren kennen. Een keertje reed ik, in een lekker tempo, door de straat. Een oude dame liet haar hondje uit en omdat ik zag dat ze iets wilde zeggen hield ik stil en zette m’n koptelefoon af.
‘Je doet het goed hoor,’ sprak ze bewonderend.
‘Dank u wel mevrouw,’ zei ik, niet zonder trots.
Ha, dacht ik, ik heb de granny approval. Nu de jongere generatie dames nog.

Een andere keer reed ik ‘s middags rond op het asfaltveldje toen ineens twee jochies voor m’n neus stonden. Ik ken ze, omdat ze regelmatig voor m’n huis voetballen.
‘Meneer, wilt u met ons voetballen?,’ vroeg eentje.
‘Best,’ antwoordde ik.
Een kwartiertje later zei ik dat ik weg moest, waarop eentje zei: ‘Wanneer gaat u weer skateboarden? We zien u hier vaak rijden.’
Kut, dacht ik, betrapt.

Maar de oudere dame en jochies uit de buurt zagen me wel als skateboarder. Dat stemde hoopvol. Want als ik iets geleerd heb, is het wel dat veel mensen (tienjarige snotjong uitgezonderd), vermoedelijk bij gebrek aan geschikt vergelijkingsmateriaal, al snel onder de indruk zijn. Ik vind mezelf dan nog niet zo goed, het publiek denkt daar anders over.

Stadhuisplein. Favoriete hangout van skaters, jong én oud.

Een paar maanden geleden was ik op een maandagavond in de skatehal. Ik had twee meisjes van hoogstens een jaar of zestien bezig gezien met een skateboard. Duidelijke beginners. Ik stond naast ze op een verhoging, reed eraf, maakte een hoge kickturn in de quarter en reed terug naar de verhoging. Ook ik heb geldingsdrang. Ze keken naar me en fluisterden met elkaar.

‘Meneer,’ riep eentje naar me, ‘kunt u ons dat leren?’
‘Wat?,’ vroeg ik gespeeld nuchter.
‘Nou, die draai die u net maakte, die willen wij ook kunnen,’ vervolgde ze.
Ik vertelde dat ik lessen volgde en dat het makkelijker zou zijn om vanuit het vlakke deel de wand in te rijden en dan de draai proberen te maken. Dat leek haar te hoog gegrepen.
‘Kan je inleunen?,’ probeerde ik.
Het meisje dat het woord voerde keek me vragend aan.
‘Dat je inleunt in de wand, je knieën lichtgebogen, en achterstevoren terug rijdt?’, ging ik verder. ‘Wacht, ik doe het voor.’
Ik reed van de verhoging af, reed de quarter in, leunde in, ging hoger dan ik had gedacht en reed terug. Op het vlakke deel maakte ik een 180 Fakie – het eerste trucje dat ik ooit had geleerd.
Ze keek met grote ogen.
‘Wilt u pro worden?,’ vroeg ze.
‘Daar ben ik echt te oud voor,’ lachte ik.
‘Nou, u doet het heel goed,’ zei ze.
Ik straalde.
‘Zeker vergeleken met ons,’ vervolgde ze.

Die laatste zin vond ik dan jammer.

Ik heb het afgelopen jaar vaak gedacht dat ik aan cognitieve dissonantie lijd. Dat ik het me allemaal maar inbeeld dat ik beter word, dat ik wat af stuntel, en nouja, blijf stuntelen. Dat me ooit de schellen van de ogen vallen en dat ik inzie dat ik eigenlijk niks kan. Dan hou ik mezelf voor dat ik zeker beter ben dan een jaar geleden, dat ik beter ben dan een maand geleden en zeer waarschijnlijk ook beter ben dan de week ervoor. Dat ooit alle puzzelstukjes in elkaar vallen.

Maar eigenlijk gaat het daar niet om. Het gaat erom dat je plezier hebt – en dat heb ik. Dat niet alleen; ik ben verslaafd.

Messiaenpark, andere skatershangout.

Een paar weken geleden reed ik een rondje in de minibowl in het skatepark. Terwijl ik nog uitreed, kwam een meisje van een jaar of vijftien, ik zie haar geregeld in de area maar we zeggen nooit iets tegen elkaar, op me afgereden. Ze maakte een high five, daarna een boks en zei toen enthousiast: ‘Wow, jij gaat vooruit!’
Ik glunderde van oor tot oor en stamelde: ‘Thanks, man.’
De rest van de dag zweefde ik een paar centimeter boven de grond.

Het zelfvertrouwen groeide. Stond ik de eerste keren als we op het Stadhuisplein gingen skaten een beetje te dralen aan de rand van het plein en me geïntimideerd te voelen door al die veel betere skaters, waarbij m’n vrienden me inprentten dat ze zich echt niks van me aantrokken (eentje heeft voorgesteld om ‘nobody cares’ op m’n griptape te kalken), later nam ik wat meer initiatief en oefende ik dingetjes waarvoor het plein heel geschikt is.

Ik ben zelfs al een paar keer op m’n skateboard naar de bioscoop geweest. De eerste keer koos ik daarbij net een verkeerde route, wat ertoe bijdroeg dat ik de helft van de weg toch nog moest lopen, ook omdat ik langs een drukke weg reed en veel te veel bekijks trok. Eenmaal in de bioscoop voelde ik me, terwijl ik in de gang zat te wachten tot de film zou beginnen, redelijk opgelaten. Toen kwam een groepje jongeren voorbijlopen. Eentje riep verbaasd naar z’n vrienden: ‘Die man heeft een skateboard bij.’
Ik keek ‘m onverschillig na en mompelde: ‘Bij me.’

Vlak daarna ging ik een dagje naar Groningen. M’n voornemen om elke dag te rijden moest ook nu standhouden, dus ik nam m’n skateboard mee en bezocht Colosseum, het plaatselijke skatepark. Het is, en dat is wel zo historisch verantwoord, gevestigd in een voormalig zwembad. Terwijl ik aan het skateboarden was, kwam een vader binnen met twee kinderen, een jongetje en een meisje, beiden een jaar of zeven. Hij leidde ze rond en vertelde dat hij hier vroeger zwemles had gehad. Na een tijdje liep het jongetje naar de rand van het zwembad.
‘Wow,’ riep hij naar me, ‘jij bent écht goed.’
‘Dank je,’ zei ik enthousiast. ‘Kan jij skateboarden?’
Hij schudde nee. ‘Maar ik kan wel heel goed voetballen.’
‘Daar ben ik heel slecht in,’ antwoordde ik.
‘Echt?,’ zei hij verbaasd.
Nu kwam z’n zusje erbij staan.
‘Ik ben heel goed in dansen,’ zei ze.
‘Daar ben ik ook heel slecht in,’ lachte ik.
Daarna maakte ik een praatje met de vader, en bood de kinderen aan om een stukje op m’n skateboard te rijden. Ik moest toch iets terug doen voor hun aardige compliment. Dat durfden ze, schoorvoetend, en na enig aandringen van vaders.

Een skatepark in een voormalig zwembad is volstrekt logisch.

Onlangs stond ik weer eens op een verhoging in de skatehal en wilde de quarter in rijden. Er stond een jongen van een jaar of veertien naast me. Hij wilde een kickturn maken in de wand, maar elke poging mislukte. Ik voelde met ‘m mee, omdat ik er zelf weken over heb gedaan om het trucje te leren, maar ook omdat in de deuropening twee volwassenen, vermoedelijk z’n vader en een vriend, ‘m op zaten te jutten. Ik zag hoe hij met een kleine aanpassing het trucje zou flikken. Niet mee bemoeien, dacht ik eerst, maar toen hij even later naast me stond kon ik het toch niet laten. Het hoort bij skaters dat je elkaar helpt.
‘Je zit er heel dicht bij,’ zei ik, ‘je draai is goed, maar je moet meer op je voorste voet leunen. Dan heb je ‘m.’
Hij reed van de ramp af, deed een halfslachtige poging om meer op z’n voorste voet te leunen en landde ‘m bijna.
‘Nu met iets meer overtuiging,’ zei ik toen hij de verhoging op liep.
Hij probeerde het opnieuw en het lukte. Hij was trots en de mannen in de deuropening juichten. Ook ik straalde.
‘Easy, toch?,’ lachte ik naar ‘m.
‘Ja, nu is ie makkelijk,’ antwoordde hij gelaten, bijna teleurgesteld.
Vanuit m’n ooghoek zag ik één van de volwassenen een duim naar me opsteken.

Vlak daarna ging ik naar de film in het Natlab. Ik besloot van tevoren nog een uurtje te gaan skateboarden. Ik kwam binnen in de hal en zag een hoop beginners.
‘Veel nieuw volk?,’ vroeg ik aan de medewerker.
‘Ja, dus als je iemand ziet rijden die het niet goed kan: help dan alsjeblieft even,’ lachte ze.

Toch, kinderfeestjes blijven een crime. Als ik weer een kolonne koters over het balkon zie denderen denk ik als eerste: pleuriskinderfeestje. Ik deed daar quasi verontwaardigd m’n beklag over bij één van de medewerkers.
‘Ah joh,’ zei ie met een wegwuifgebaar, ‘niks van aantrekken.’
Dat probeerde ik de eerstvolgende zondag. Weer was er een kinderfeestje geweest. Weer stond het balkon vol met jochies van een jaar of tien. Ik pakte m’n IDGAF-mentaliteit uit m’n rugtas, reed van een ramp af, maakte aan het einde een kickturn en skateboardde vervolgens naar een plek elders in de hal. Dat zal ze leren. Op het balkon hoorde ik een jochie onverschillig zeggen: ‘Dat kan ik ook.’

Ik ben nu een jaar verder. Toen ik begon stelde ik mezelf als doel dat ik de skatebowl wilde masteren. Ik schatte in dat ik een paar jaar nodig zou hebben om dat doel te bereiken. Maar de laatste weken doe ik voorzichtig een klein deel van de bowl. Het stelt niet heel veel voor, maar ik kan zonder problemen een rondje door het diepste deel rijden. Het is een klein onderdeel van het grotere plan, een plan dat onder andere ook indroppen behelst, iets dat tot op de dag van vandaag een heikel punt blijft.

Maar de laatste weken heb ik rust in m’n hoofd gevonden. Stond ik bij ieder nieuw trucje eerst mezelf tien dingen tegelijkertijd af te vragen, sinds kort kan ik me veel beter concentreren op wat ik doe. Ik denk er niet meer bij na, ik ga gewoon. Dat is de mindset die je nodig hebt. De puzzelstukjes vallen in elkaar.

M’n medeskateboarders valt het ook op. Die verbazen zich over de progressie die ik de laatste maanden heb geboekt. Het gemak waarmee ik nieuwe trucjes probeer en, misschien nog wel het vreemdste, ze onder de knie krijg.
‘Je kunt wel merken dat je elke dag rijdt,’ sprak een medeleerling bewonderend.

Afgelopen week kocht ik een nieuw deck. Immers, ik had toen ik m’n eerst skateboard kocht met mezelf afgesproken dat ik na een jaar een nieuw deck mocht. Terwijl de medewerker van de skatewinkel de griptape op m’n splinternieuwe deck plakte en de trucks van m’n vorige board overzette, praatten we honderduit over skateboarden. Dat ik meer park dan street ben, dat ik bowlskaten het leukste vind en dat ik in de zomer in Malmö had geskatet. Vroeger haastte ik me dan erbij te zeggen dat ik nog niet zo lang bezig ben en dat ik nog veel moet leren, maar dat hou ik tegenwoordig voor me. Ik ben een skateboarder. Eentje die nog steeds veel moet leren, maar dat geeft niet. We zijn ons leven lang leerling.

Later die dag kwam ik met m’n nieuwe deck in de area. Ik zag één van m’n instructeurs skaten.
‘Kijk,’ riep ik enthousiast naar ‘m, ‘nieuw deck.’
Nice,’ knikte hij.

Een nieuw jaar, een nieuw deck.

Posted in Skateboarden | Tagged , , | Comments Off on Puzzelstukjes

Boskabouter

Voor zolang ik me kan herinneren ben ik gefascineerd geweest door landkaarten. Ik heb als kind uren met m’n neus in de atlas doorgebracht, wegdromend over verre oorden als Australië of Nieuw-Zeeland. De wereld bleek veel groter dan de stad waarin ik opgroeide, en die wereld kon ik rustig thuis op de bank bekijken; de grote boze buitenwereld hoefde ik er niet voor in.

Ik stond dan ook te watertanden toen ik m’n aardrijkskundedocent door een Boskabouter, een miniatuuruitgave van de Bosatlas, zag bladeren. ‘De kleinste Bosatlas’ stond er ter verduidelijking als ondertitel bij. Een jaloersmakend ding dat ik dolgraag wilde hebben. Ik snelde naar de boekwinkel, maar er was niet aan te komen. De Boskabouter was een relatiegeschenk.

Ik had als kind nogal een hoge stem. Dat heb ik nog lang gehad, tot halverwege m’n tienerjaren. Ik zat daar nooit zo mee, omdat m’n moeder me geruststelde dat jongens met een hoge stem later een diepe bas zouden krijgen. Die belofte is niet helemaal uitgekomen, ik heb geen stem als een bronstige stier, maar het kan er tegenwoordig mee door.

M’n vader werkte als adjunct-directeur op een basisschool. We hebben het hier over de vroege jaren negentig en mobieltjes waren nog geen gemeengoed. Dus als een leverancier buiten schooltijd een vraag had over een bestelling, belde hij de vaste lijn bij ons thuis. Ik nam vaak de telefoon aan, wat voor verwarring zorgde. Dan kreeg ik iemand aan de lijn die dacht dat ie één van m’n zussen sprak, of vroeg: ‘Is uw man ook thuis?’ Ik liet dit gelaten over me heen komen, of merkte weinig subtiel op ‘dat ik m’n vader wel ging halen.’

Toen de leverancier van de schoolboekhandel een keer belde was ik het zat. Daar gingen we weer: ‘Is uw man thuis?’
‘Ja,’ verzuchtte ik ditmaal geïrriteerd, ‘ik ga ‘m wel halen. En u spreekt trouwens met de zoon hoor.’
Ik heb de hoorn neergelegd en m’n vader geroepen, het voorval snel vergetend.

Een paar dagen later sprak de leverancier m’n vader op school.
‘Ik voel me een beetje schuldig over wat er is gebeurd,’ zei hij tegen m’n vader, ‘kan ik het goedmaken met je zoon?’
‘Nou,’ zei m’n vader, ‘ik weet wel iets waar je ‘m heel blij mee kunt maken.’

Een paar weken later had m’n vader een exemplaar van de Boskabouter voor me. En hoewel de landsgrenzen inmiddels meerdere malen zijn verschoven, staat het ding nog altijd te pronken in m’n boekenkast.

‘Goedgemaakt?,’ vroeg de leverancier later.
‘Helemaal goedgemaakt,’ stelde m’n vader ‘m gerust.

Posted in Aardrijkskunde | Tagged , | 3 Comments