Kubrick

Nog tot en met 9 september in het EYE Filminstituut: een geweldige tentoonstelling over het werk van regisseur Stanley Kubrick. Het publiciteitsoffensief waarmee de expositie in juni werd geopend was vrij onontkoombaar; of ik moet toevallig de juiste media lezen, want Vrij Nederland, de Volkskrant en de VPRO Gids besteedden vele pagina’s aan voorbeschouwingen en waren unaniem lovend in hun oordeel. Ik ben een liefhebber, maar zou me geen heel grote fan durven noemen, daarvoor heb ik nog te weinig films van ‘m gezien. Wat ik heb gezien en sinds mijn bezoek aan de tentoonstelling heb ingehaald is zonder meer briljant, al had ik bezwaren en zal ik die altijd blijven houden met A Clockwork Orange en is Dr. Strangelove or: How I Learned to Stop Worrying and Love the Bomb een ijzersterke satire die nog steeds overeind staat.

De suppoost die mijn vader en ik in de ruimte binnen laat is vriendelijk doch gedecideerd: ‘het is een heel uitgebreide expositie. Als u er even uit wilt, dan kom hier langs, dan krijgt u een stempeltje. Veel plezier.’ Hij heeft niet overdreven; de niet eens zo heel grote ruimte is onderverdeeld in zo’n slordige vijftien kleinere ruimtes die van elkaar worden gescheiden met tussenschotten. Elke van die ruimtes is volgens een zelfde stramien ingedeeld: op een groot scherm tegen de achterwand worden de sleutelscènes uit een bepaalde film van Kubrick afgespeeld, op een televisiescherm in de vloer is een documentaire over een bepaald aspect van de betreffende film te zien en aan de wanden aan de zijkant is ruimte voor allerhande parafernalia: de typemachine uit The Shining, een model van de war room uit Dr. Strangelove, maskers uit Eyes Wide Shut en de melkbar uit A Clockwork Orange. De strakke indeling zorgt ervoor dat je de gelegenheid krijgt om je volledig in elke film onder te dompelen.

Die indeling werkt uitstekend bij een beperkt oeuvre als dat van Kubrick. Volgens de officieuze telling heeft de man twaalf films geregisseerd, officieel is er bijvoorbeeld nog het uit 1953 stammende debuut Fear and Desire, een film die Kubrick later op bijna trotskistische wijze uit z’n oeuvre heeft gegumd. Die lijn wordt op deze expositie doorgetrokken waar, alvorens te beginnen bij de boksfilm Killer’s Kiss (1955), wordt begonnen met de foto’s waarmee de regisseur als tiener furore maakte bij Look. De foto waarmee hij bij dat blad weet door te breken, van een treurende krantenverkoper die net te horen heeft gekregen dat Franklin D. Roosevelt is overleden, hangt prominent in dit gedeelte van de tentoonstelling. Het is een ontroerende foto waarmee het bijna atypisch is voor Kubricks werk; de regisseur heeft tijdens zijn carrière als regisseur vaak het verwijt te kregen er een kille, weinig menslievend wereldbeeld op na te houden, uit deze foto spreekt juist mededogen.

Het tekent de ambivalentie van Kubrick die bij veel films terugkomt. Zo kiest de regisseur er vaak over om een boek als uitgangspunt van een nieuwe film te nemen om dat boek vervolgens volledig naar eigen hand te zetten. Dat levert ‘m in het geval van The Shining dermate veel kritiek van schrijver Stephen King op dat die de film herhaaldelijk een ‘gedrocht’ heeft genoemd. Een ontmoeting met Gustav Hasford, schrijver van The Short-Timers loopt uit op een mislukking, waarna Kubrick tijdens het maken van Full Metal Jacket geen contact meer met de schrijver heeft. Maar de samenwerking met Vladimir Nabokov verloopt bijzonder amicaal. Goed, in een brief die in het aan Lolita gewijde deel van de tentoonstelling ingelijst aan de muur hangt, verzucht de schrijver dat hij met pijn in het hart bepaalde scènes uit het script heeft gehaald, maar hij is ervan overtuigd dat de film er beter van wordt.

Daarmee raakt Nabokov aan een typische Kubrick-mythe: de man zou onmogelijk zijn om mee samen te werken. De meningen daarover zijn verdeeld. Het script van The Shining zou tijdens de opnames dermate vaak wijzigen dat Jack Nicholson na een tijdje besluit een nieuwe versie niet meer te gaan leren: het zou toch wel weer veranderen. Tegenspeelster Shelley Duvall gaat minder luchtig om met alle veranderingen en zou bijna een zenuwinzinking overhouden aan de opnames; tegen de tijd dat die zijn afgerond heeft ze door alle stress last van haaruitval. Berucht is het aantal takes dat Kubrick van bepaalde scènes opneemt. Natuurlijk, het komt voort uit perfectionisme, maar veel acteurs raken er juist meer ontspannen door; geen ramp als de scène mislukt, ze kan altijd nog een keer over.

Een andere overeenkomst is dat vrijwel alle films bij hun première forse kritiek teweeg hebben gebracht. De anti-oorlogsfilm Paths of Glory wordt bij verschijning in verschillende landen verboden, A Clockwork Orange moet na bedreigingen aan het adres van Kubrick uit de roulatie worden gehaald in de Britse bioscopen, The Shining wordt zelfs genomineerd voor diverse Golden Razzies (de film wint er trouwens geen enkele) en de thematiek van Lolita is bij voorbaat al omstreden. Maar het blijken films te zijn die later allemaal uitgroeien tot klassiekers en inderdaad, vandaag de dag is het onbegrijpelijk dat Paths of Glory ooit is verboden of waarom ook maar is overwogen om The Shining te nomineren voor een Golden Razzie. Ironisch genoeg zijn de enige films die zonder noemenswaardige ophef in première zijn gegaan, Barry Lyndon en Eyes Wide Shut, om een paar voorbeelden te noemen, juist degene die tegenwoordig als ‘minder’ worden gezien. Knappe films, maar geen hoogtepunten in het oeuvre.

Hoewel de attributen soms enkel als decor dienen (leuk om die jurkjes van de griezelige tweeling uit The Shining in het echt te zien), werpen ze net zo vaak een ander licht op de films. Zo wijst in een brief van een professor filmgeschiedenis van Cornell University de regisseur erop dat Dr. Strangelove qua opbouw opvallende gelijkenissen vertoont met seks. Kubrick bedankt de professor in een reactie voor de vriendelijke woorden en merkt fijntjes op dat hij de eerste is die de overeenkomst is opgevallen. Bij Lolita is een brief te lezen van een christelijke Amerikaanse groepering die voor ook maar een scène te hebben gezien al protest aantekent tegen de film. Het meest komische is een handgeschreven briefje dat is gewijd aan A Clockwork Orange. De schrijver merkt op dat hem vooraf veel seks en geweld zouden zijn beloofd, maar de film bevat zijns inziens veel te veel geweld en veel te weinig seks: een zeer grote teleurstelling.

En je komt zo hier en daar wat opvallende feitjes te weten. De mooiste is die over Dr. Strangelove, de satire op de Koude Oorlog die oorspronkelijk zou worden afgesloten met een taartgevecht in de war room. De scène sneuvelt pas na een proefvertoning omdat Kubrick ze te kluchtig vindt, maar de opnamedag heeft een grote invloed op de rest van de film gehad. Tijdens deze dag is de geboren Oostenrijkse fotograaf Arther ‘Weegee’ Fellig aanwezig en zijn hevig Duitse accent inspireert hoofdrolspeler Peter Sellers voor het accent van de door hem vertolkte Dr. Strangelove.

Wie alle films heeft gehad is al gauw een paar uur verder en dan is er nog een aparte ruimte met aandacht voor de opvallende muziekkeuze van Kubrick en de onvoltooide projecten. Het bevat een gigantische kast met duizenden kaartjes, allen met informatie over Napoleon en er is aandacht voor Aryan Papers, misschien wel de meest legendarische van de onvoltooide filmprojecten, vooral doordat de Nederlandse actrice Johanna ter Steege werd gecast als hoofdrolspeelster. Als ze twee jaar na de eerste ontmoeting met Kubrick te horen krijgt dat de film niet doorgaat, omdat hem ter ore is gekomen dat Steven Spielberg al bezig is met Schindler’s List, ligt ze van frustratie twee dagen met een laken over haar gezicht getrokken in bed. Overigens is die reden van het afblazen van het filmproject vrij cryptisch; zo is het bestaan van Apocalypse Now ook geen bezwaar geweest om Full Metal Jacket te maken.

Heb je aan het einde van de tentoonstelling Kubrick nu leren kennen? Niet echt. De mythe dat de man onmogelijk zou zijn is wel doorgeprikt, maar andere ideeën worden eerder bevestigd dan ontkracht. Zo is er Kubricks weinig positieve kijk op de mensheid; kijk naar kolonel Dax, de hoofdpersoon uit Paths of Glory die tevergeefs probeert drie van zijn soldaten van het vuurpeloton te redden, maar als dat niet lukt daar vrij eenvoudig z’n schouders over ophaalt, of James T. Davis, de hoofdrolspeler die zich in Full Metal Jacket over Gomer Pyle, een veel te dikke soldaat in opleiding moet ontfermen, maar hem net zo makkelijk samen met zijn medesoldaten in opleiding toetakelt.

Maar het beeld dat vooral blijft hangen is dat van een monomane filmmaker die zich tot in de kleinste details van de onderwerpen van zijn films verdiept en die bij de productie volledig de vrije hand wil hebben; een gevolg van Kubricks slechte ervaringen met Kirk Douglas die naast hoofdrolspeler in Spartacus ook de producent is. Op de expositie zie je dan ook duidelijk overeenkomsten, typische Kubrick kenmerken in de films terugkeren: de voice-over komt in veel films terug, het oog voor de meest absurde details die je pas na tien keer kijken gaat zien en er is die ene demonische blik die Jack Torrance uit The Shining, Gomer Pyle uit Full Metal Jacket en Alex DeLarge uit A Clockwork Orange bindt.

En eens te meer zie je dat Kubrick heeft willen bewijzen dat ie in elk genre uitblinkt: de oorlogsfilm (Paths of Glory, Full Metal Jacket), de film noir (The Killing), de satire (Dr. Strangelove), het historische drama (Spartacus, Barry Lyndon), de sciencefictionfilm (2001: A Space Odyssey) en horror (The Shining). Na afloop wil je de films die je nog niet gezien hebt zo snel mogelijk inhalen en de films die je al hebt gezien, opnieuw bekijken. Voor de samensteller van de tentoonstelling moet dat toch het mooiste resultaat denkbaar zijn.

This entry was posted in Film and tagged , . Bookmark the permalink.