Monsters

Het begon met Stefan, die voor z’n studie voor een paar maanden naar Wellington, Nieuw-Zeeland vertrok. Zoals traditie was geworden – hij vertoefde in die tijd geregeld in verre oorden – stelde ik een cd samen met muziek uit z’n nieuwe, tijdelijke thuisland. Dat bleek knap lastig. Je komt een aardig eind met alle projecten van de broertjes Neil en Tim Finn (Split Enz, Crowded House, The Finn Brothers), maar er moest meer zijn. Ik werkte indertijd op de muziekafdeling van de bibliotheek in Eindhoven en met wat tracks van Nuggets-compilaties kon ik de tracklisting nog aanvullen (Nieuw-Zeeland bleek in de jaren zestig een broeinest voor beatmuziek). In de jaren tachtig waren The Chills dicht bij een internationale doorbraak geweest. Daar hield het wel mee op.

Ik raakte bekend met het platenlabel Flying Nun, dat vanuit Christchurch opereerde en in de jaren tachtig de rest van Nieuw-Zeeland én de wereld kennis liet maken met de gitaarpop van bands als The Clean, The Bats, Able Tasmans, The Jean-Paul Sartre Experience, Tall Dwarfs, The Verlaines en het hiervoor al genoemde The Chills. Bands veelal afkomstig uit het tochtgat Dunedin (in het trotse bezit van een achthoekig plein, én de steilste straat ter wereld), alleen te bezoeken als je als artiest op doorreis bent naar de Zuidpool, zoals folkzanger Billy Bragg ooit niet ongeestig opmerkte. Toen ik in 2008 Nieuw-Zeeland bezocht, kocht ik op een tussenstop in Sydney een compilatie van het platenlabel. Ik ben gek op obscure muziek, zeker als die van heel ver komt.

Een paar jaar geleden verscheen er een nieuwe compilatie van Flying Nun. Ik schreef daar een blog over dat werd opgepikt door Paul Schwarte, connaisseur van muziek uit het land van de kiwi’s (hier doe ik hem mee tekort, want hij weet werkelijk álles over underground gitaarmuziek – period). Hij voegde me direct toe als vriendje op Facebook. Sindsdien trakteerde hij mij en z’n andere vrienden op clips van al dan niet Nieuw-Zeelandse bands. Meestal vond ik ze aardig en vergat ik de naam alweer snel. Het clipje van Spacejunk van The Bats (vernoemd naar de enige inheemse zoogdiersoort van Nieuw-Zeeland) trof me echter. Ik rende niet meteen naar de platenzaak, dat doe ik nooit, maar ik onthield de bandnaam en bestelde een hele tijd later de nieuwste cd van de groep bij m’n platenboer: Free All The Monsters.

Space junk is flying
and I’m gonna go and get me some
It will be so easy and I’ll have a beautiful pile

Rond die tijd won ik met m’n team op wekelijkse basis de pubquiz van Number 42. De hoofdprijs was telkens vrijkaartjes voor een concert in de Effenaar, of een theatervoorstelling in de Parktheater. We waren zo blasé geworden dat we die vrijkaartjes geregeld weggaven aan andere, ongetwijfeld meer geïnteresseerden dan wijzelf (wat er vermoedelijk toe heeft bijgedragen dat het winnende team niet meer de vrijkaartjes krijgt). Dat gebeurde ook bij de vrijkaartjes voor het concert van Graham Central Station, de band van Larry Graham. Ik ken de beste man, maar heb me nooit geïnteresseerd voor funk en soul. Ik wist wel iemand anders die ik Heel Blij kon maken met de kaartjes: m’n oude baas van de muziekafdeling van de bibliotheek die, nu de muziekafdeling was opgedoekt, elke vrijdagmiddag in de platenzaak stond waar ik geregeld kwam. Hij was er inderdaad blij mee want hij was graag naar dat concert gegaan, maar vond de entree te hoog. Met de kaartjes kon hij z’n vriendin én zoontje meenemen.

Een paar weken later sprak ik hem in de platenzaak en vroeg ik hoe het concert was. Het was fantastisch geweest, vertelde m’n oud-collega. Ze hadden met z’n drieën vooraan gestaan en hun zoontje, met z’n acht jaar veruit de jongste toeschouwer, had op het podium mogen dansen met de grote Larry Graham. Toen hem vervolgens werd gevraagd wie volgens hem de grootste muzikant aller tijden was, had hij niet het sociaal wenselijke antwoord Larry Graham gegeven, maar Michael Jackson gezegd. Graham gaf lachend toe daar weinig tegen in te kunnen brengen.

Het deed me goed om te horen dat het concert een onvergetelijke ervaring was geweest. Nu ik er toch was, wist hij of m’n cd van The Bats binnen was binnengekomen? Dat bleek het geval. Over afrekenen deed hij niet moeilijk, die cd kreeg ik van ‘m cadeau.

I’ve been waiting a long, long time
many cold lonely nights
I see the light come shining through

Free All The Monsters kwam Huize Guidje binnen onder een goed gesternte. Het werd mijn feel good plaat waar ik naar bleef teruggrijpen. Spacejunk was prachtig, maar de twaalf liedjes bleven stuk voor stuk hun geheimen prijs geven. Eerst viel ik voor het ‘aye-aye-aye’ refrein van Fingers of Dawn, later kwamen daar het bedrieglijk simpele, instrumentale niemendalletje Canopy, de majestueuze titelsong en het doordenderende See Right Through Me bij. Ik zong ze woord voor woord mee.

Het allermooiste is de balans tussen deze twaalf perfecte popliedjes, semi-live opgenomen in het Seacliff Asylum, een leegstaand gesticht, ergens tussen Oamaru en Dunedin. Op m’n reis door Nieuw-Zeeland ben ik erdoorheen gekomen. Die semi-live opname geeft de toch al mooie liedjes net wat extra glans. De galm op de rinkelende, twinkelende gitaren à la The Byrds, de hoge, tikkeltje onvaste stem van frontman Robert Scott en diens samenzang met gitariste Kaye Woodward doen de rest. Free All The Monsters bleek in al z’n bescheidenheid een meesterwerk. Tijdloze gitaarmuziek waarmee de revolutie niet zal worden gewonnen, maar dat hoeft niet. De muziek van The Bats schreeuwt geen kwaliteit, maar fluistert die. Nooit heb ik de moeite genomen me in de rest van het oeuvre van de groep te verdiepen. The Bats hebben op Free All The Monsters datgene gevangen dat zo weinig bands lukt: magie. Daarmee vergeleken kan al het andere alleen maar tegenvallen.

Ik sloeg mezelf voor m’n kop dat ik Free All The Monsters niet eerder had aangeschaft, zodat ik de cd mee had kunnen nemen in m’n traditionele eindejaarslijstje voor KindaMuzik. Die fout maakte ik later goed, toen ik voor het vijftienjarig bestaan van KindaMuzik meeschreef aan een artikel over vijftien miskende meesterwerken. Free All The Monsters stond voor mij met stip op nr. 1 als hét album dat in dit artikel vermeld moest worden.

Free all the monsters now
Let them fly up and away
They’ve had enough trials and tribulations
They’ve got enough on their plate

Morrissey zei ooit dat z’n favoriete platen voor hem als vrienden zijn. Dat vind ik overdreven. Wel kunnen platen een steun zijn. Een paar jaar terug ging het wat minder met me. Ik zat tegen een burnout aan, had last van neerslachtigheid en een algeheel ongenoegen over de doelloze, richtingloze staat van m’n leven. Ik neem het leven vaak zwaarder dan strikt noodzakelijk. De muziek hielp me, zoals muziek dat altijd doet. Lost In The Dream van The War On Drugs draaide ik in die tijd vrijwel non-stop, maar op de momenten dat ik die plaat níet draaide, greep ik terug naar Free All The Monsters. De stem van Robert Scott, de melodische brille, de prachtige samenzang, de mooie productie, telkens wisten ze me weer te verleiden – en op te beuren. Ook de teksten spraken steeds meer tot me. Noem het larmoyant, maar als ik de galmende, bijna euforisch klinkende gitaren en de eerste tekstregels van de titelsong hoor, ben ik gerustgesteld: laat ze gaan, die monsters. Ze hebben al voldoende te verduren gehad.

Lang heb ik gedacht dat ik The Bats nooit live zou zien. De groep bestaat ruim dertig jaar en zal in de jaren tachtig, toen Flying Nun en de door het label zo geliefde Dunedin Sound op hun hoogtepunt waren, ongetwijfeld door Europa hebben getoerd. Wilde ik ze nu nog live zien, dan zou ik vast naar Nieuw-Zeeland moeten (iets wat ik dolgraag doe maar tussen droom en daad staan praktische bezwaren, zoals een bankrekening met onvoldoende saldo).

Een wereldreis bleek niet nodig. The Bats komen naar Nederland. Op 8 juni staan ze in het bovenzaaltje van Paradiso. Paul is bang dat ze voor enkele tientallen bezoekers spelen, waarbij driekwart van het publiek uit import-kiwi’s bestaat. Zo erg zal het denk ik niet worden en dan nog: ik ga The Bats live zien. Diep in m’n hart weet ik dat het niet het beste concert wordt dat ik ooit zal zien, al was het maar omdat dit een tournee is ter promotie van hun nieuwe album The Deep Set. Die plaat weet me nergens zo te raken als Free All The Monsters. De liedjes zijn weer prachtig (zie ook de leuke clip bij No Trace), maar de productie is vlak en Scotts stem iets te onvast; de gitaartjes twinkelen net iets minder mooi.

Het geeft niet. Net zo min dat het geeft dat de akoestiek in het bovenzaaltje van Paradiso allerbelabberdst is. Ik ga The Bats live zien. Een droom komt uit. Ze hebben al laten weten lp’s mee te nemen. Stiekem hoop ik op een vinyl exemplaar van Free All The Monsters. Gesigneerd, uiteraard.

I’ll be getting over you when the sun hits the ground
And I’ll be better off than blue when you come around

This entry was posted in Muziek and tagged , , , . Bookmark the permalink.