Johan

Ik was bij Johan in de Effenaar. Dat was niet geheel vrijwillig. We hadden weer eens vrijkaartjes gewonnen met het pubquizzen en om niet heel blasé thuis te blijven of die kaartjes weg te geven, besloten een medequizzer en ik dit keer wél te gaan. We wilden niet ondankbaar zijn, al vroegen we ons tijdens het concert wel af bij welke quiz we de kaartjes ook alweer hadden gewonnen. Toch een beetje blasé.

Johan en ik gaan ver terug. Om meer precies te zijn: tot 2001, toen ik de groep in een jaar tijd vier keer live zag. Dat was min of meer toeval. Ik was 19 jaar oud en verslond elk Nederlands, Engels of Amerikaans muziektijdschrift dat ik in handen kon krijgen en bezocht zoveel mogelijk concerten of festivals. Het was mij ter ore gekomen dat Caesar en Johan een try-out zouden geven in de Altstadt. Dat was met Pasen en een concertje meepikken leek me beter dan een middag bankhangen.

‘Johan, bestaan die nog?,’ vroeg m’n buurman, die al wat langer ingewijd was in de gitaarmuziek. Hij was gaarne bereid mij, toen nog een groentje in de alternatieve muziek, bij te praten.
‘Blijkbaar,’ zei ik, want ik had nog niet eerder van ze gehoord. Ik ging vooral naar de Altstadt voor Caesar.
‘Goede band,’ zei m’n buurman, terwijl hij nog een trek aan z’n sigaret nam.

Hoe kon ik weten dat Johan vijf jaar eerder al een plaat had uitgebracht? Een meesterwerk, naar het scheen. Vijf jaar was in die tijd een eeuwigheid. Om meer precies te zijn: het verschil tussen 3havo en het eerste jaar van de School voor Journalistiek. Bovendien kwam m’n muzikale belangstelling in 1996 amper verder dan Ace of Base, Clannad en Roxette, bands die hun beste tijd toen echt wel hadden gehad.

Johan bleek inderdaad een goede band. Veel liedjes kende ik nog niet, maar ik downloadde wat muziek via Napster. Al vond ik Caesar beter, want die waren bekender.

Een paar weken later verscheen Pergola, de tweede plaat van Johan, met liedjes over het saaie leven in een vinexwijk in Hoorn, vernoemd naar de straat waar de zanger van de groep woonde. Ik snelde naar de platenzaak en draaide de cd grijs. Tumble and Fall, Day is Done, I Mean I Guess, Here, Paper Planes, de titelsong, met die fijne regel ‘kill a Kane’; ze kwamen on repeat voorbij.

Ik zag Johan een tweede keer, op het Virus Festival. Daarna ging ik met een vriend naar Pinkpop.
‘Johan is eerste reserve,’ wist hij te melden. ‘Dus als er een band uitvalt, gaan we Johan nog een keer zien.’
Natuurlijk viel er een band uit en zo stonden we met z’n tweeën vooraan bij Johan. Omdat ik de cd al weken draaide kon ik, waarschijnlijk als één van de weinige bezoekers, alle liedjes woord voor woord meezingen. Dat was de NOS, die een live registratie van Pinkpop verzorgde, niet ontgaan en ze brachten me nogal prominent in beeld. Dat begreep ik pas een dag later, toen ik op school kwam. Ik was nog geen minuut binnen toen een wildvreemde medestudent me aansprak: ‘Jij was op Pinkpop he?’
‘Euh… ja,’ stamelde ik.
En zo ging dat de rest van de dag nog even door.

‘Owja, je komt wel een paar keer close-up in beeld,’ zei m’n vriend, die z’n vader had gevraagd alles op videoband op te nemen.
Die opname heb ik nooit gezien. Dat is maar beter ook.

Later dat jaar zag ik Johan nog een keertje in de Effenaar, met m’n buurman. Daarna raakte de band een beetje uit het zicht. Ik kocht nog wel de plaat erna, THX JHN, vervolgens verwaterde m’n belangstelling. Er is al zoveel muziek om van te houden.

Voor het optreden bladerde ik door de muziek van Johan op Spotify. About Time, Oceans, Everybody Knows, Coming In From The Cold, She’s Got A Way With Men, Walking Away, It’s Five O’Clock (een cover van Aphrodite’s Child) en natuurlijk alle liedjes van Pergola. Bij het lezen van de titels alleen al kon ik ze neuriën.

Het concert was mooi, al was frontman Jacob de Greeuw niet altijd even stemvast. Ik keek om me heen en zag mannen met beginnende bierbuiken, wijkende haarlijnen en te strak zittende t-shirts met de muziek meeknikken. Veertigplussers, zwelgend in nostalgie. Dit was m’n voorland, en het stemde me droevig. Ineens besefte ik dat het achttien jaar geleden was dat ik Johan vier keer in één jaar tijd live had gezien. Achttien jaar die voorbij waren gevlogen. Dat is bijkans de helft van m’n leven tot nu toe, wat me nog droeviger stemde. M’n gedachten dwaalden af naar een scène uit Fawlty Towers waarin Basil mistroostig tegen zichzelf zit te praten: ‘Woesh.’ ‘Wat was dat?’ ‘Je leven.’ ‘Kan ik het nog een keer over doen?’ ‘Sorry jongen, je krijgt maar één kans.’

Gelukkig was er muziek van Johan, met die fijne liedjes van Pergola. Die zijn onsterfelijk.

This entry was posted in Muziek and tagged , , . Bookmark the permalink.