Puck

Les 1 voor bejaarde skateboarders: don’t mingle with the kids. Je kunt jezelf wel cool vinden (nee, dat vind ik niet van mezelf), maar je zult nooit zo cool als hen zijn. Dat besef hebben veel van die jonge gastjes trouwens niet. Zo probeerde een jonge instructeur me ooit te leren met een aanloopje op m’n board te springen, want dat was veel cooler dan zoals ik het deed.
‘Gast,’ zei ik gelaten tegen de instructeur, ‘ik ben 38. Ik ben vorig jaar begonnen met skateboarden. Op mijn leeftijd geef je geen fuck meer om wat cool is.’

De meeste van die pubers zijn veel te socially awkward om iets tegen me te zeggen. Volwassenen zijn eng. Ik vind dat prima, en zie het van een afstandje aan. Er is een groepje dat ik grappend de terror youth noem omdat ze, toen de skatehal nog open was en ik in een rustig hoekje op m’n ollies stond te oefenen, met z’n allen in een rotvaart achter elkaar van ramps af skateten. Pure intimidatie, maar ik trok het me niet aan. Ik vind het vooral frustrerend om te zien dat ze zo achterlijk goed zijn. Zo goed zal ik nooit meer worden.

Af en toe ontstaan er romances. Dan zie je een nieuw meisje bij het clubje verschijnen waarbij je meteen ziet dat de interesse in skateboarden vooral is ingegeven door romantische gevoelens voor a certain special someone. Terwijl hij z’n best doet haar de basisbeginselen van het skateboarden bij te brengen, kijkt zij vooral naar z’n ogen.

Zo’n anderhalve maand geleden, de skatehal was nog open, kwam een lid van de terror youth de kantine binnengestormd. Hij riep op vol volume naar een ander lid van dit gezelschap, een jongen die verveeld onderuitgezakt op een bank op z’n telefoon zat te kijken: ‘Heeft Puck jou gepijpt?’
Ik zat aan de bar met een vriendin wat te drinken en verslikte me bijna in m’n cola light. Ik ben zulke vrijpostigheid niet gewend. Ik keek m’n medeskateboarder aan en stamelde een geschokt en geamuseerd ‘euh… oké?’.
‘Hoorde jij dat ook?,’ reageerde ze lachend.

Afgelopen week was ik in de stad voor nieuwe Vans. Skateboarden gaat gewoon door, ook in quarantaine. De skatewinkel is één van de weinige zaken in het centrum die nog wel open is. Gelukkig maar, want ik was bijna door m’n zolen heen. Terwijl ik schoenen paste, braaf op anderhalve meter afstand van een andere klant die op het punt stond te vertrekken, kwam de jongen die nog niet zo lang geleden door Puck tot een hoogtepunt was gebracht de winkel binnen.

Hij bleef in de deuropening staan en zag mij zitten. Eerst wist hij zich geen houding aan te nemen, toen draaide hij zich om en riep naar een man op straat: ‘Papa?’
De man reageerde niet.
‘Papa,’ herhaalde hij, nu een beetje beschaamd. Zichtbaar ongemak is het leukste ongemak.
Weer reageerde z’n vader niet. Hij zuchtte een keer diep en vroeg nogmaals, zo vriendelijk mogelijk: ‘Papa?’
Nu kwam z’n vader de winkel binnenlopen. Het gesprek met de verkoper dat volgde ging over nieuwe onderdelen voor z’n skateboard. Z’n vader luisterde aandachtig, al was hij louter mee voor de financiële ondersteuning.

Zo groot, maar nog zo klein.

This entry was posted in Eindhoven, Skateboarden and tagged , . Bookmark the permalink.