Minifestival

Voor The War On Drugs, want foto’s maken tijdens concerten is lame.

‘Je eigen minifestival,’ noemde een collega het.
Ik kon ‘m geen ongelijk geven. Door een samenloop van omstandigheden had ik op 22, 23 en 25 april concerten gepland staan. Op 24 april was ik jarig. Bovendien vonden alle concerten plaats in Amsterdam, dus aanvankelijk wilde ik een hotelletje boeken van 22 op 23 april, maar de hotelprijzen in de hoofdstad zijn zo bizar hoog dat treinen goedkoper is.

Het werd dus een minifestival met veel treinreizen tussendoor. Beginnende met The War On Drugs, de groep die me sinds hun doorbraakalbum Lost In The Dream uit 2014 zo dierbaar is. Omdat het dat album was dat me door een moeilijke periode sleepte, en omdat opvolger A Deeper Understanding me eveneens bij de kladden wist te grijpen. Het nieuwste album I Don’t Live Here Anymore vind ik niet geslaagd, maar ik ben een trouwe fan; ik laat The War On Drugs niet na één mindere plaat vallen.

Het optreden was fantastisch. Een uitverkochte Ziggo Dome, de grootste show ooit voor ‘eigen’ publiek voor de band rond zanger Adam Granduciel. Ik keek voor het concert naar het publiek om me heen. Met wat goede wil vond ik wat hipsters van in de dertig: truckerscap, baard, pilsje in de hand. Voor de rest zag ik veel bierbuiken in te strakke t-shirts. Vijftigplussers, soms vergezeld door een zoon of dochter, meestal niet. Ai. Ik zag m’n voorland weer, wat van Johan, het laatste concert dat ik zag voordat de coronashit losbarstte, zo’n deprimerende ervaring had gemaakt.

Toch was het fijn bij The War On Drugs. Ondanks alle bierbuiken, die het nodig vonden om tijdens het concert constant met elkaar te leuteren. Natuurlijk kwamen veel songs van dat laatste album voorbij, maar daar stonden onverwoestbare klassiekers als Red Eyes, An Ocean In Between The Waves, Pain, Strangest Thing en Under The Pressure tegenover. Zanger Granduciel is niet heel spraakzaam, maar toonde zich keer op keer onder de indruk van de uitverkochte zaal. Hij mijmerde over z’n eerste optreden in Nederland, voor veertig man in Paradiso. Deze avond speelde hij voor zestienduizend man. Er is een voor en een na Lost In The Dream.

Het contrast met The Beths, een dag later, kon niet groter zijn. In Paradiso Tolhuistuin speelde het Nieuw-Zeelandse kwartet voor een paar honderd man, de helft import-Kiwi. Ook dat was fijn, omdat het leuk is om de band überhaupt te kunnen zien. Een tournee die tot twee keer toe was uitgesteld, en ook deze tour was gedoemd: eerst was een crewlid ziek geworden waardoor een drietal Engelse shows verviel en achter de laatste shows van de huidige tour werd geplakt, daarna viel het voorprogramma uit omdat hun bestelbusje stuk was. Een paar dagen na het optreden in Amsterdam las ik op hun Instagram dat de tweede gitarist corona had opgelopen, en dat ze die laatste inhaalshows in Engeland dan maar noodgedwongen met z’n drieën speelden: ‘It will be interesting’.

Arme Beths. Het was zo leuk ze te zien, en om die aanstekelijke rockliedjes (Great No One, Whatever, I’m Not Getting Excited, Future Me Hates Me, Out of Sight) live te horen. Misschien wel het leukste aan The Beths is dat er absoluut geen A&R manager en stylist naar de band heeft gekeken. Zangeres Liz Stokes kletst tussen de liedjes door over vogels, de gitarist is een lange slungel met een wijkende haarlijn, de met een snor getooide bassist draagt rain or shine een te korte korte broek en de drummer is een klein opdondertje. Dat maakt ze enorm sympathiek, en graag had ik na afloop hun live-lp gekocht die ze hadden opgenomen in de Town Hall in Auckland. Een live show uit 2020: een uniek document, want dat kon in dat jaar gewoon in Nieuw-Zeeland. Die lp was uitverkocht (ook dat nog), dus onderweg naar huis bestelde ik ‘m online.

Maandagavond sloot ik m’n minifestival af met Inhaler, in een uitverkocht Paradiso. Oftewel: de band van de zoon van Bono. Vier geprivilegieerde jongetjes die elkaar kennen van een sjieke privéschool. Dat is niet aardig, maar de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik lange tijd niet eens wist dat zanger Elijah Hewson de zoon van is. Ik vind de singles My Honest Face en It Won’t Always Be Like This gewoon heel fijn. Hun debuutplaat is ook prima. Kan de band toch ook niks aan doen dat ze op hun eerste serieuze tour meteen voor uitverkochte zalen staan, met een mix van jonge meisjes en oudere U2-fans als publiek?

Maar Inhaler is live een leuke band. Hewson klinkt niet alleen als z’n vader, hij lijkt er ook op. En dan heeft hij ook nog dezelfde podiumpersoonlijkheid. Bij iedere song doet de band iets aardigs om de aandacht van het publiek erbij te houden. Even het licht van de zaal uit doen om stiekem een plectrum cadeau te doen aan een leuk meisje vooraan bij het podium, of die oranje sombrero opzetten die ‘m uit het publiek wordt aangereikt. Twaalf songs (de tien tracks van het debuut, plus twee losse singles) in een uur tijd en toen was de koek op; om 21.30 uur stond ik weer buiten. Nog voor twaalven was ik thuis. Dat is ook wel eens fijn.

Het was een mooi minifestival, perfect om de gedachten aan weer een verjaardag te verzetten. Al heb ik wel een licht verkoudheidje opgelopen. Ik ben geen 40 meer. Gelukkig heb ik de lp van The Beths inmiddels binnen. Even een paar dagen rustig aan doen, dan ben ik op tijd fit voor het toetje: Sam Fender. Op 5 mei, weer in Amsterdam.

This entry was posted in Muziek and tagged , , , . Bookmark the permalink.

1 Response to Minifestival

  1. Frances says:

    Klinkt inderdaad naar een leuk minifestival. Van de drie bands ken ik er eentje (War on Drugs – dankzij jouw reclame), maar bij Elijah Hewson zou ik me toch hebben afgevraagd of hij misschien de-zoon-van was… 🙂
    Hoe was het op 5 mei met Sam Fender? (Die moest ik ook opzoeken….)

Comments are closed.