Personal coach

M’n vaste skateboardmaatje op de zondagmiddag had zich buitengesloten en wist niet of ie nog kon komen. Hij fungeert ook als personal coach, dwingt me soms net iets meer risico te nemen dan ik zelf zou willen, wat me verder helpt. Maar inmiddels ga ik best aardig dus zonder z’n coaching zou ik me ook prima kunnen vermaken.

Toch had hij, in de vorm van een donker jochie van ongeveer acht jaar oud, uitstekende vervanging. Eerst stond hij naast me op een verhoging. Daarna reed hij op een wand af waarvan ik sinds een paar weken weet dat die de ‘quarter’ heet. Hij reed te hard, remde netjes af door een voet aan de grond te zetten en probeerde in de wand een kickturn te maken. Dat lukte niet, maar het scheelde niet veel.

‘Ik kan ‘m wel hoor,’ zei hij terwijl hij terug de verhoging op liep.
‘Dat denk ik ook, want je zat er al dicht bij,’ zei ik.
‘Kunt u ‘m?,’ vroeg hij.
‘Ja, ik kan ‘m,’ antwoordde ik, niet zonder trots, want ik had begin dit jaar weken zitten prutsen voordat ik het trucje onder de knie had. Vorige maand viel het kwartje en sindsdien maakte ik aan de lopende band kickturns, elke keer hoger dan de vorige keer.

En dus reed ik nu van de verhoging af, daarna de wand in en maakte een perfecte draai. Nouja, ik draai nog altijd niet voldoende met m’n schouders (wat eigenlijk wel moet, iets waar ik door andere skateboarders zo af en toe voorzichtig op word gewezen), maar heej, ik land ‘m, dus wat zou ik me druk maken dat ie niet helemaal is zoals het hoort?

Een volgende poging maakte hij een geslaagde kickturn. Een beetje wankel, maar dat geeft niet. Als je ‘m landt, telt ie.
‘Wow, goed hoor,’ complimenteerde ik ‘m. Een jongen van een jaar of vijftien, zestien stampte een paar keer met z’n skateboard op de grond, de meer gangbare manier van juichen onder skateboarders.
‘Ik heb ‘m van m’n vader geleerd,’ glunderde hij, terwijl hij de verhoging weer opliep. Af en toe keek hij naar het balkon waar een vrouw, ik denk z’n moeder, toekeek.
‘Ik kan ook van die hoge helling af,’ zei hij en wees naar een helling elders in de zaal. ‘Heeft u die al eens gedaan?’
‘Nee, die heb ik nog niet gedaan,’ antwoordde ik eerlijk. Niet omdat ik ‘m per se te eng vind, maar omdat het er nog niet van was gekomen. Ik heb nog zoveel andere dingen te leren.
‘Ik kan ‘m u wel leren meneer,’ zei hij.
Even later reed hij naar de rand boven aan de helling.
‘Kijk maar,’ zei hij, om daarna met een noodvaart van de helling af te rijden.

Ik ging verder met m’n eigen oefeningen: die kickturns moesten steeds sneller en hoger, ik wilde van een ander hellinkje af, en een ander rampje, waar een verraderlijk bultje aan voorafging, een bultje dat me al een paar maanden tot wanhoop dreef, maar dat ik de laatste week onder de knie had gekregen. Terwijl ik een rampje op reed, reed hij bij me achterop.
‘O sorry,’ verontschuldigde ik me.
‘Geeft niet,’ zei hij luchtig.
‘Je gaat sneller dan ik,’ zei ik.
‘U moet meer afzetten, dan ga je harder,’ zei hij.
‘Dat weet ik,’ antwoordde ik, ‘maar dat vind ik nog een beetje eng.’
‘Hoe lang bent u bezig?,’ vroeg hij.
Ik dacht na wat de beste tijdsaanduiding zou zijn voor een jochie van acht: een half jaar of zes maanden. Ik besloot tot het laatste, en dacht terug aan m’n eerste bezoek aan de skatehal, toen ik al omviel als ik naar een skateboard keek. Ik zal nooit de nieuwe Tony Hawk worden, maar hoef me niet te schamen voor wat ik inmiddels kan.

Twee BMX’ers kwamen het skategedeelte van de hal op rijden.
You little BMX’ers think you own this place, dacht ik. Area 51 heeft een apart deel voor BMX’ers en stuntstepjes, alleen op maandagen rijdt alles en iedereen door elkaar. Vanaf komende zomer is altijd alles gemengd, dit tot ongenoegen van mij en andere skateboarders; het is levensgevaarlijk.
‘Heej, dat mag niet,’ zei m’n personal coach verontwaardigd.
Voordat ik kon reageren riep hij naar de twee BMX’ers, terwijl ze voorbij kwamen snellen: ‘Meneer, u mag hier niet rijden. Meneer, dat mag niet!’
Een van de twee keek onze kant op. Ik ben wat minder vrijpostig, dus ik gebaarde dat hij naar elders in de hal moest. Hij maakte rechtsomkeert, maar de andere jongen bleef rondfietsen.
‘Meneer, dat mag niet,’ hield m’n personal coach vol. De tweede BMX’er kwam naar ons toe gereden.
‘Ich bin Deutsch, ich verstehe nicht,’ zei hij tegen mij.
‘BMX is on the other side, over there,’ gebaarde ik.
Hij reed weg, m’n personal coach keek tevreden.
‘Zo,’ zei ik tegen hem, ‘dat hebben we mooi opgelost.’

Vervolgens verloor ik m’n personal coach uit het oog. Ik was met m’n gedachten bij VVV – PSV en keek af en toe op m’n telefoon voor de tussenstand. Tot ik ineens iemand vanaf het balkon hoorde roepen.
‘Dag meneer,’ klonk het door de hal en ik zag m’n personal coach enthousiast naar me zwaaien.
Ik zwaaide lachend terug.

Posted in Eindhoven, Skateboarden | Tagged , , | Comments Off on Personal coach

Lyrisch

Galerie aan Zee: voor kinderen en kunstenaars.

Achteraf gezien had ik als 10-jarige misschien beter wat vaker buiten kunnen gaan spelen. Skateboarden ofzo, dan had ik nu niet een achterstand gehad die ik nooit meer goed maak. In plaats daarvan zat ik op de bank met m’n neus boven de atlas, en ik tekende graag.

Een begenadigd tekenaar ben ik nooit geweest. Ik heb op de havo, tot grote schrik van m’n tekenleraar, Tekenen als eindexamenvak gekozen. Toen ik dat deed legde ik aan ‘m uit dat ik dat vooral deed vanwege de kunstgeschiedenis en ik nam revanche toen ik als enige van m’n klas (bestaande uit acht leerlingen) een ruime voldoende voor het theoretisch examen haalde, waarmee ik al m’n met onvoldoendes of magere zesjes beoordeelde kliederwerkjes ruimschoots compenseerde.

Wel heb ik ooit in een heuse galerie geëxposeerd. Dat kwam door de Taptoe die ik van voor naar achter uitspelde. In dat blad stond een oproep van een galerie: maak een tekening rond het thema Een Verre Reis. Stuur je tekening in en als die, à la raison van 25 gulden wordt verkocht, verdien je een bedrag. De precieze verdeelsleutel weet ik niet meer, wel dat het grootste deel naar jou, een kleiner deel naar de galerie en een paar gulden naar Unicef ging. Dat leek me een goede deal.

Ik wist precies wat ik ging tekenen, want die tekening had ik al verschillende keren gemaakt: een tropisch eiland (ja, ook toen had ik al een obsessie met ver afgelegen eilandjes). Eerst tekende ik met een kroontjespen en Oost-Indische inkt de contouren van het eiland. Daarna tekende ik minutieus één voor één tientallen palmbomen die gemodelleerd waren naar de palmbomen uit m’n doos Lego. Als ik goede zin had deed ik er ook een poppetje of schildpad bij. Vervolgens kleurde ik alles in met ecoline. Hierdoor kwamen alle kleuren heel fel uit: de zee was diepblauw, het strand goudgeel, de palmbomen mooi bruin met groene bladeren.

Een paar weken nadat ik m’n kunstwerk had ingestuurd ontving ik een uitnodiging voor de opening van de expositie. Galerie aan Zee was in Amsterdam, dus we maakten er een dagje van. Het was niet meer dan een huiskamer in een oud huis in een smal straatje in de hoofdstad, maar het zag er, met wanden die van boven naar beneden waren volgestouwd met kindertekeningen, heel gezellig uit. M’n eigen kunstwerk hing er ook tussen, met naam en leeftijd erbij vermeld. Ik was apetrots en vond m’n tekening één van de mooiste.

Toen viel me iets op. Achter m’n tekening hing een rood plakkertje. Een held was ik toen al niet, dus ik vroeg aan m’n vader of hij wilde vragen wat dat betekende. Hij schoot een medewerkster aan.
‘Welke tekening bedoelt u?,’ vroeg ze.
M’n vader wees op m’n ijverig met Oost-Indische inkt en ecoline uitgevoerde kunstwerk.
‘Is die van uw zoon? Die is meteen gekocht door een kunstenaar,’ zei ze enthousiast. ‘Hij was er helemaal lyrisch over.’
Ik kende het woord lyrisch niet, dus ik moest aan m’n vader vragen wat dat betekende, maar toen ik de betekenis hoorde was ik nog trotser. Als één van de eersten verkocht en dan nog wel aan een kunstenaar die er heel enthousiast, nee, zelfs lyrisch, over was.

Pas jaren later begreep ik waarom de kunstenaar zo lyrisch was geweest. Dat besef kwam tijdens tekenles op de middelbare school, toen m’n tekenleraar tot z’n afgrijzen zag hoe ik de ecoline puur op het papier uitstreek (het rook best lekker). Dat het een soort aquarelverf is die je eigenlijk moet verdunnen was nooit bij me opgekomen, een kinderlijke naïviteit die de kunstenaar zal hebben aangesproken.

Een paar weken geleden vond m’n vader de uitnodiging voor de opening van de expositie, met daarin het adres van Galerie aan Zee. Ik pakte Google Street View erbij. De straat bleek in Oud-West te liggen en was minder smal dan ik in gedachten had. Het huis is tegenwoordig te huur als appartement, dus ik denk dat het niet veel meer is geworden met Galerie aan Zee, maar ik heb er een leuke herinnering aan overgehouden.

Ik teken nog steeds graag palmbomen. Voor het surreële effect voeg ik er tegenwoordig graag een sneeuwpop aan toe.

Posted in Kunst | Tagged , | Comments Off on Lyrisch

Kutkickturn

Je rijdt van het rampje af, over het middenstuk, dan beweeg je je achterste voet naar je tail, je gaat door de knieën, leunt in de wand, drukt op je tail en maakt een draai met je schouders. De zwaartekracht doet de rest. No biggie.

Of ik nog goede voornemens voor 2019 had.
‘Jazeker,’ antwoordde ik, ‘ollie, indroppen op zaal, een betere afzet en de kickturn.’
M’n gesprekspartner zuchtte, waarop ik zei: ‘Oké, en verder de jaartitel in de pubquiz prolongeren en vrijgezel blijven. Maar dat lijkt me niet zo moeilijk.’

Inmiddels ging dat skateboarden best aardig. Ik vloog nog steeds niet elegant door de hal, zo miste ik vooral snelheid en overtuiging, maar die volgden nog wel. Het beste advies dat ik na een paar weken van een andere (bejaarde) skateboarder had gekregen was dat ik de tijd moest nemen. Dat klopte. Ik voelde me steeds zekerder, wat zich uitte in het feit dat ik bij steeds meer trucjes en ramps niet langer dacht ‘no way’ maar ‘kom maar op’. Dat leek me vooruitgang. Daar kwam nog bij dat ik steeds vaker de straat op ging om te oefenen. Medeskateboarder (en personal coach) Sjors en z’n vriendin oefenden geregeld op het Stadhuisplein, ik ging ook de sk8ter boi uithangen en op m’n afzet oefenen, want die was – het was niet voor niets een voornemen voor 2019 – pretty lame.

Omdat het steeds lekkerder ging, leken die vier skateboardtrucjes me haalbaar. Op de ollie (simpel gezegd: je skateboard laten springen) had ik al eens geoefend. Het is zo’n beetje het bekendste trucje, maar zeker niet het makkelijkste.

Alhoewel.

Een paar maanden terug had een collega me een lift gegeven naar de skatehal, omdat hij z’n stiefzoon moest ophalen die daar een middag had gespeeld met z’n stuntstepje.
‘U doet het al best goed voor iemand die net begonnen is,’ had de jongen gezegd toen hij me bezig had gezien. Dat was enorm beleefd van ‘m, omdat ik er op dat moment nog echt weinig van bakte. Toen hij daarop vroeg of hij m’n skateboard even mocht lenen kon ik natuurlijk niet weigeren. Vervolgens liet hij pal voor m’n ogen een ollie zien. Cool.

Een paar weken later werkte ik me een avond in het zweet in de skatehal om de ollie onder de knie te krijgen, waarbij ik enthousiast werd gecoacht door een ervaren skateboarder die me telkens toeriep dat ik ‘m bíjna had. Omdat bijna niks is, stelde hij voor dat ik me vast zou houden aan de reling en het dan nog eens zou proberen. Pas toen lukte het. Ook later, thuis, op een kleed om te voorkomen dat m’n board zou wegrijden én omdat het laminaat nogal glad is, zag ik tot m’n schrik (en blijdschap) terwijl ik met een half oog Met het Mes op Tafel terugkeek, m’n board ineens dertig centimeter van de grond loskomen.

Deze ollies telden niet. Je kunt ‘m pas als je dat ding zonder hulpmiddelen van de grond krijgt. Ik was zo obsessief met die ollie bezig dat ik dreigde te vergeten wat ik leuk vind aan skateboarden, simpelweg rondrijden, en dus besloot ik ‘m even te parkeren.

Afzetten was een ander heikel punt. Dat die belabberd was werd pijnlijk duidelijk als ik filmpjes zag die familie en vrienden hadden gemaakt terwijl ze eens kwamen kijken in de skatehal. Goedbedoeld, maar mij viel, immer de optimist, meteen op wat ik nog níet kon. Het ergste vond ik m’n afzet. Heel voorzichtig, lafjes, alsof ik zo snel mogelijk op dat board wilde stappen, reed ik naar de bovenkant van een hellinkje. Het deed pijn aan m’n ogen.

Indroppen deed ik elke week al tijdens de les in de instructieruimte. Dat was van een rand van amper een halve meter hoog (al voelde het zeker de eerste paar maanden als een tientallen meters diep ravijn). In de hal zijn randen van enkele meters hoog, ook de laagste gaat al richting een meter. Al dropte ik tegenwoordig zonder hulp van de instructeur in, ik wisselde nog geregeld een paar goede drop-ins af met een half mislukte poging, waarbij ik de wieltjes van m’n skateboard akelig langs de rand hoorde glippen.

‘Met de schouders naar voren leunen, dat weten we toch?’, riep de instructeur na weer zo’n belabberde poging.
‘Nee joh, ik doe maar wat. Dat is juist de ellende,’ was dan m’n droge antwoord.

Dat was natuurlijk niet waar. Ik wist wel waar ik mee bezig was, maar kon niet verklaren waarom ik na een paar goede pogingen ineens weer zo’n belabberde drop-in afleverde. Daardoor voelde me ik nog niet zeker genoeg om in de hal in te droppen. Dat wilde ik wel graag; met een drop-in genereer je snelheid, maar op dit moment was de kans groter dat ik een stervende zwaan zou imiteren dan dat ik enigszins gracieus zou indroppen.

En dan was er nog de kickturn. Voor de leken onder u: je rijdt met licht gebogen knieën een wand in, op het hoogste punt druk je op de tail van je board, je maakt een draai met je schouders, je board draait 180 graden et voilà: je rijdt weer naar beneden. Ik zag iedereen in de skatehal het constant doen, dus zo moeilijk kan het nu ook weer niet zijn. In de les oefenden we geregeld op de kickturn. Ik reed dan de wand in, deed braaf wat van me verwacht werd en de instructeur gaf me een zwiep mee. Dat ging zo goed, dat eind vorig jaar een instructeur opmerkte dat ik de kickturn best zelf kon. Uh-uh, dacht ik.

Toch. Ik had het gestuntel van de eerste paar maanden achter me gelaten en er waren momenten dat ik best chill op m’n board door die zaal reed. Ik kon zelfs al wat trucjes.

Nouja. Eén trucje. Een 180 fakie turn.

Een wat? Bij een 180 fakie turn rij je achterstevoren, duwt met je achterste voet op je tail en draait met je schouders, zodat je niet meer fakie (achteruit) rijdt, maar vooruit. Tijdens een les kreeg ik als tip om een hellinkje op te rijden, achteruit te rijden en op een vlak stuk in de hal de draai te oefenen.

Dit kon ik met een beetje commitment wel leren. Op een rustige zondagmiddag ging ik aan de slag. De eerste pogingen mislukten. Ik maakte een draai van negentig graden, hoogstens. Ik bleef doorgaan: knieën licht gebogen, met de voet op de tail duwen en een draai maken met de schouders. Na veertig, vijftig pogingen begon ik richting de 120 graden te gaan. Eerst stond ik daarbij zo wankel dat ik van m’n board viel, maar gaandeweg had ik steeds meer grip. Ik denk dat ik zo’n honderd pogingen verder was toen ik ineens tot m’n eigen verbazing een draai van 180 graden maakte. Een zwaluw maakt geen zomer – de tien pogingen daarna mislukten weer – maar na nog eens honderd pogingen lukte het vaker wel dan niet. Het stelde niks voor, maar toch. Ik kon een trucje.

Socialemedialoze Frances kwam kijken en zag me aanklooien met de 180 fakie turn.

Begin januari deden we weer kickturns in de les. En weer merkte een instructeur op dat ik die best alleen kon. Oké, dacht ik, ze hebben er voor doorgeleerd, dus misschien kán ik ‘m inderdaad wel. Die 180 fakie turn was me toch maar mooi gelukt.

De week erna waagde ik een poging. Voordat ik naar de skatehal reed, ging ik op m’n skateboard in de huiskamer staan en nam ik de stappen door.
‘Je rijdt naar de wand, knieën gebogen, achterste voet op de tail, je leunt in, op het hoogste punt duw je op je tail en maak je een draai met je schouders,’ zei ik hardop tegen mezelf.
Dit ging me lukken.

In de hal reed ik van een ramp af aan de ene kant van de zaal, reed over een lang middenstuk waarbij de vloer even omhoog en weer omlaag gaat (om aan te geven dat ik tegenwoordig echt wel iets kan, dit waren de hellinkjes die ik de eerste weken doodeng vond; nu rijd ik er probleemloos overheen) om aan de andere kant van de zaal in de wand te eindigen. De eerste paar keer deed ik niets meer dan inleunen; in de wand rijden, mee leunen, achterstevoren naar beneden rijden. Bij voldoende vaart deed ik om het helemaal af te maken m’n 180 fakie turn op het vlakke deel. Daarna reed ik weer terug naar de bovenkant van de ramp aan de andere kant van de zaal. Dit was de warming-up.

Na een half uur deed ik een eerste poging. Ik reed van de ramp af, bewoog m’n achterste voet langzaam naar de tail van m’n board, reed de wand in, drukte op het hoogste punt de tail in en maakte een draai met m’n schouders. Een halfslachtige poging; ik was nog te gespannen. Ik probeerde het opnieuw, met meer overtuiging. Het mislukte weer jammerlijk. Telkens kwam m’n board amper tot een draai van 90 graden, waarbij dat ding tot overmaat van ramp wegschoot en tussen de vuilcontainers aan de zijkant van de baan eindigde. Dit gebeurde nog een aantal keer, tot ik er genoeg van had om telkens m’n board tussen de kliko’s uit te vissen.

Commitment Guido, commitment. Er zijn pros die er een half jaar over hebben gedaan om de ollie te leren. Doorzetten, je kunt het,’ zo sprak ik mezelf moed in. ‘Zei niet laatst nog een instructeur dat skateboarden één van de moeilijkste dingen is om te leren?’

Maar de weken erna ging het niet beter, voorafgaand aan de les op donderdag, of op zondag, terwijl m’n personal coach tips gaf: meer door de knieën, meer commitment, meer met de schouders draaien. Ik volgde alle adviezen zo goed mogelijk op. Als ik naar de wand reed praatte ik mezelf keer op keer, en allengs steeds geïrriteerder, moed in (andere skateboarders keken af en toe verbaasd mijn kant op): ‘Oké. Voet op de tail. Inleunen. Door de knieën. Op het hoogste punt draai je met je schouders. Kijk waar je heen gaat en dan land je… niet.’

Telkens eindigde m’n skateboard weer tussen de containers. Ik zag de hele exercitie steeds somberder in.

‘Ever notice that sometimes when you care less about something, you do better at it? Notice how it’s often the person who is the least invested in the success of something that actually ends up achieving it? Notice how sometimes when you stop giving a fuck, everything seems to fall into place?’

Mark Manson schrijft het in The Subtle Art of Not Giving a Fuck. Misschien heeft ie gelijk. Misschien moest ik wat minder graag willen en er wat relaxter in staan. Misschien was ik verkrampt, te eager, niet chill genoeg om die kickturn te maken. Ik besloot een keertje andere dingen te doen tijdens een bezoek aan de skatehal. Dingen die ik wel kon en durfde.

Maar een les later probeerde ik het opnieuw. Weer mislukte het. Ik stampvoette van frustratie, had het liefst wat krachttermen op vol volume door de skatehal geschreeuwd en m’n skateboard tussen de vuilcontainers gesmeten.
‘Je zit er echt heel dicht bij,’ zei m’n personal coach dan, terwijl hij even later nog eens een perfecte kickturn liet zien.

De lijst goedbedoelde adviezen van instructeurs en andere skateboarders werd intussen steeds langer:

– zet je voet verder op de tail
– meer inleunen
– meer met je schouders draaien
– leun wat meer naar voren
– zet je voet minder ver op de tail
– meer druk op je voorste voet
– oefen op een andere wand in de zaal
– ga verder door je knieën
– druk je tail wat minder ver in
– schuin insturen
– leun wat meer naar achteren

Niets hielp.

Inmiddels had ik m’n leskaart voor wat extra euro’s omgeruild voor een abonnement (of, zoals dat daar heet, een abbonement). Twee keer in de week werd vier keer in de week oefenen in de skatehal, wel altijd op de rustige momenten, want ik wil niemand voor de voeten lopen, plus de keren dat ik op het pleintje voor m’n huis rondreed want ja, ik had me eindelijk over m’n schroom heen gezet en reed (met herriemuziek op m’n koptelefoon op vol volume zodat ik niks van m’n omgeving mee zou krijgen) m’n rondjes. Ik wilde dit leren en dat lukt alleen als je oefent, heel veel oefent.

Al begon ik de indruk te krijgen dat de kickturn bij mij fysiek onmogelijk was. Het enige dat steeds beter ging was m’n afzet, omdat ik telkens weer naar die ramp aan de andere kant van de zaal terug moest skateboarden.

De wand. Inmiddels staat de teller op meer dan vierhonderd mislukte pogingen.

Tijdens de les delen de instructeurs de groep meestal in tweeën. De leerlingen die al een jaar of langer bezig zijn (of die aanleg hebben), plus de beginners. Van die beginnersgroep ben ik dan weer wat verder, waardoor ik een beetje tussen wal en schip val. Ik krijg dan wel eens de vraag met welke groep ik mee wil, maar door schade en schande wijs geworden kies ik dan de beginnersgroep; beter voor m’n zelfvertrouwen.

Dat ik toch wat verder ben merkte ik toen we vorige week tijdens de les weer oefenden op de kickturn. We reden om de beurt van een hellinkje af richting een wand. Mijn medeleerlingen komen daarbij nog niet heel hoog, maar doordat m’n afzet inmiddels heel behoorlijk is, kom ik wél vaak hoog in die wand. Dat is heel cool, maar bij één poging schrok de instructeur en gaf me een zwiep mee waardoor ik een te grote draai maakte en naar beneden viel. Ik landde met beide knieën op de zijkant van m’n skateboard en ging door de grond van de pijn. Zeker omdat ik een paar dagen eerder, tijdens een avondje oefenen op het skatepleintje bij het havenhoofd, al hard op m’n rechterknie was gevallen.

‘O sorry,’ zei de immer chille instructeur, nu zelfs een beetje geschrokken, ‘gaat het?’
‘Ja hoor,’ antwoordde ik met een van pijn vertrokken gezicht terwijl ik terug naar het hellinkje liep.

Afgelopen donderdag had ik tijdens de les een andere, derde instructeur. Ik reed van de verhoging af richting de wand. Net als de andere keren gaf de instructeur me weer een zwiep mee. Na een paar keer sprak hij de woorden die ik inmiddels niet meer kon horen: ‘Jij kunt dit best alleen.’
‘Ha,’ schamperde ik, ‘dat hoor ik al weken. Het is me nog steeds niet gelukt.’
‘Blijven proberen,’ antwoordde hij.
Dat vond ik makkelijk gezegd. Hoe lang moest ik op dezelfde weg door blijven gaan zonder ook maar enige progressie te boeken? Het was duidelijk dat ik iets niet goed deed. Ik voelde me een enorme schlemiel. Ik stelde me voor dat áls het een keer goed zou gaan een luid gejuich in de hal zou losbarsten. Al was het maar omdat iedereen wekenlang m’n vreselijke gestuntel aan had moeten zien.

Deze zondag was ik eens niet als eerste in de skatehal. Terwijl ik m’n helm opzette en elleboogbeschermers aantrok zag ik dat een andere, wat oudere skateboarder al bezig was.
‘Hoi,’ riep hij, ‘ik ben van het bejaardenklasje.’
‘Ha,’ antwoordde ik, ‘ik ook.’
Hij keek me verbaasd aan, vertelde dat hij zes weken terug was begonnen en bleek een uur later les te hebben. Vervolgens dropte hij in om even later aan de andere kant van de hal een kickturn te maken. Ik zag het hoofdschuddend aan.
‘Voor iemand die net begonnen is, doe je het al heel behoorlijk,’ zei ik.
‘Ik deed al aan wakeboarden,’ zei hij.
Welja, dacht ik, daar hebben we er weer eentje die nooit heeft geskateboard maar wel ‘iets anders’ heeft gedaan en na anderhalve maand al verder is dan ik. En dan deed ie ook nog eens een kickturn. Ik mopperde dat ik ruim een maand bezig was en het niet wilde lukken.
‘Je moet op een vlak stuk gaan staan, op je tail drukken en dan je board vooruit draaien. Elke keer zet je je board neer en zo maak je rondjes, steeds sneller,’ gaf hij als tip.
Ik zag niet in hoe mij dit hielp met de kickturn, maar na honderden mislukte pogingen was ik de wanhoop nabij. En dus ging ik rondjes rijden, steeds sneller.
‘Je moet wat meer door je knieën gaan,’ zei hij terwijl hij van een afstandje toe keek.
Ook dat deed ik. Ik bleef draaien totdat het voelde of m’n linkervoet in brand stond en ik duizelig was van de rondjes. Hoe ging mij dit in godsnaam verder helpen met de kickturn?

Even later zag ik ‘m in een halfpipe de ene na de andere kickturn maken. Ernaar kijken voelde als masochisme.

Ik zocht een afgelegen skatebowl waar ik eerder met Sjors had geoefend. Hier kon ik rustig in een wand rijden en proberen een kickturn te maken. Ik deed tien, twintig, dertig, veertig, vijftig pogingen. Ze mislukten allemaal. Na een uur droop ik af.

‘Failure is the way forward,’ schrijft Manson. Yeah right, dacht ik, die heeft makkelijk lullen. Hij heeft niet tevergeefs vierhonderd pogingen gedaan om een trucje te leren.

‘Kutkickturn,’ zei ik tegen mezelf terwijl ik naar huis fietste, en ik besefte dat in het woord kickturn het woordje kut zit verborgen. Dat kan geen toeval zijn. Daarna bedacht ik allerlei martelmethodes voor de eerstvolgende skateboarder die tegen me durft te zeggen dat ik dit trucje echt best zelf kan, of dat ik het bijna onder de knie heb.

Het enige dat ik nog niet heb geprobeerd is de frustratie van me af bloggen. Eens kijken of dat helpt.

Posted in Eindhoven, Overig, Skateboarden | Tagged , , | 2 Comments

Song Top 20 2018

Dit jaar ontdekte ik dat ik ook YouTube op TV kan kijken. Een geweldige uitvinding. Ik ben gek op videoclips en op die manier kan ik zelf MTV spelen – zonder alle realitymeuk (al heb ik een zwak voor pulp als Ex On The Beach). Veel mensen vinden clips afleiden van de muziek, maar ik vind de videoclip een kunstvorm (zoals ik begin deze maand nog in NRC vertelde), die de boodschap van een song juist weet te versterken. Het is niet voor niets dat veel befaamde filmregisseurs zijn begonnen als makers van videoclips: Michel Gondry, Spike Jonze, Jonathan Glazer. Kijk naar het prachtige Nica Libres at Dusk van Ben Howard, of de energie die bij New Orleans van Brockhampton van het scherm spat. Twee tracks die de hitlijsten niet hebben gehaald – in beide gevallen heel erg jammer.

Tijdens de feestdagen vroeg ik aan m’n oudste nichtje wat ze op haar Spotifyplaylist heeft staan. Daar stond veel leuke hedendaagse pop in, zo’n beetje alle hitjes uit de Top 40 kwamen voorbij. Ze bleek vooral hard te gaan op Huts van The Blockparty wat ik, als muzikale puritein, toch een beetje een afknapper vond. Toen ik haar wat goede platen van dit jaar liet horen viel me pas goed op hoe jongeren tegenwoordig muziek beoordelen. Is na vijftien of twintig seconden niks gebeurd (een harde drum, een beat, een vervormde stem) dat de aandacht van de luisteraar trekt, dan gaat het resoluut af: de aandachtsspanne van een pantoffeldiertje. Producers spelen daar op in door liedjes kort te houden, waarbij zo snel mogelijk de botte bijl erin gaat.

Toch ben ik ervan overtuigd dat een goed liedje ook zonder overproductie kan. Echt, hits als Leave a Light On van Tom Walker, We Can Do Better van Matt Simons en Natural van Imagine Dragons blijven ook wel overeind zonder al die lompe productionele opsmuk. Sowieso zijn het duistere tijden als de succesvolste rockgroep van het jaar naar de naam Imagine Dragons luistert. Maar goed. We leven in een tijd dat niet alleen Kensington tien keer in de Top 2000 staat, zelfs Bastille weet de Lijst der Lijsten met vier tracks te veroveren. Duistere tijden indeed.

En toch, toen ik deze Top 20 samenstelde, waren er nog altijd liedjes die net buiten de boot vielen. Beautiful Trauma van Pink bijvoorbeeld, of Nicotine van Chef’Special. Zelfs Niall Horan had dit jaar weer een paar hitjes (On The Loose, Flicker) die, in al hun bescheidenheid, hogere posities in de Top 40 hadden verdiend. Kortom, als dat soort mooie hits buiten de boot vallen, dan is het simpelweg een prima popjaar. Toch ontbreekt net als voorgaande jaren die ene onontkoombare pophit, zoals Get Lucky van Daft Punk, of Shake It Off van Taylor Swift. Misschien komt het doordat de échte poppareltjes onder in de Top 40 blijven steken en pas jaren later uitgroeien tot klassiekers. Zie hoe Chandelier van Sia en Try van Pink steevast bij de bovenste duizend van de Top 2000 staan.

De regels zijn hetzelfde als in voorgaande jaren. Een liedje moet in 2018 in de Top 40 binnen zijn gekomen. Of het ook een grote hit is geweest doet er niet toe. Maximaal één liedje per artiest, maar voor de rest komt alles in aanmerking voor m’n lijst favoriete hits van dit jaar die tegelijkertijd een representatieve staalkaart van de popmuziek anno 2018 poogt te zijn. Of zoiets.

20. The Revivalists – All My Friends

De Tipparade wordt al enige tijd op basis van stemmen samengesteld. Dat zal ongetwijfeld eerlijk gaan, toch ben ik verbaasd als schijnbaar uit het niets een rockgroep als The Revivalists Alarmschijf wordt én de Top 40 binnen schuifelt. Het wordt nog vreemder als die track vervolgens amper iets (of beter: niks) doet in de Mega Top 50. All My Friends was snel uit die ene hitlijst verdwenen, maar de paar weken fijne retrorock (uit New Orleans) met net voldoende pop- en hiphopinvloeden waren niettemin prettige. Al klinkt het als een oude rocker die op een urban feestje is verdwaald.

19. Dean Lewis – Be Alright

Singer-songwriters die met kleine liedjes de Top 40 halen. Je moet ze zoeken met een zaklampje, maar zo hier en daar glipt er eentje de hitlijsten binnen. Straks komen we nog een Duitser tegen die het lukte, op nr. 17 alvast de Aussie Dean Lewis die met het simpele pianoliedje Be Alright zonder noemenswaardige airplay zowaar de bovenste tien in de Nederlandse Top 40 binnen wist te sneaken. Dat Lewis (al net zo’n krullenbol als de oosterbuur op nr. 13) uit down under komt, is helemaal niet te horen, mate.

18. Nielson – IJskoud

Nielson zong ooit met Miss Montreal het duet Hoe. Een nummer dat zo’n hoge irritatiefactor had dat een collega me ooit vroeg alle exemplaren van de promo bij de lokale omroep op te halen en ritueel te verbranden. Sexy Als Ik Dans was niet veel beter, maar wel heel aanstekelijk. Dit jaar maakte Nielson met IJskoud de beste track van z’n carrière. De productie is wat dun, maar de tekst maakt veel goed. Alleen die openingszin al: ‘Het is ijskoud en je woorden maken wolkjes in de lucht.’ Het is bijna poëzie. Bijna.

M’n collega die niet zoveel op had met Hoe zal het vermoedelijk niet meer horen. Hij emigreerde dit jaar naar Nieuw-Zeeland.

17. Maroon 5 ft. Cardi B – Girls Like You

Ik weet niet hoe jullie jaar was, maar 2018 was voor mij een topjaar. Ik ben gelukkiger dan ik in jaren ben geweest: ik doe dingen waarvan ik een jaar geleden niet had gedacht ze te kunnen/durven, heb niet één, maar twee leuke bijbaantjes en had een fijne stedentrip naar Kopenhagen en Malmö. What Lovers Do van Maroon 5 was de soundtrack die bij de vakantie (en de rest van die eindeloze zomer) hoorde. Die single stamde al uit 2017. Pas later ontdekte ik de hit van Adam Levine en consorten van dit jaar: Girls Like You. Die was misschien toepasselijker geweest dan What Lovers Do, maar net zo catchy. Maroon 5 is een band you love to hate, met muzikaal volstrekt oninteressante hitjes, maar dit soort liedjes maakt het wel moeilijk een hekel aan ze te hebben.

16. John Mayer – New Light

Ik was nooit echt een grote fan van John Mayer. Z’n album Battle Studies vind ik sterk, omdat het z’n meest westcoastachtige pop bevat, maar oudere liedjes vond ik vaak wat flauw. U begrijpt: ik ben een ouwe lul aan het worden en ben sinds dit jaar om. Dat gebeurde al met het geweldige In My Blood (dat vorig jaar – o schande – niet eens de Top 40 haalde), dit jaar ontdekte ik het al uit 2006 stammende Stop This Train (en stemde het tot nr. 1998 in de Top 2000). Met New Light haalde Mayer dit jaar weer eens de Top 40. Niet eens zo geweldig (al heb ik een zwak voor regels als ‘pushing forty in the friend zone’), maar de Amerikaanse zanger weet met die amateuristische clip precies hoe hij de aandacht moet trekken.

15. Davina Michelle – Duurt Te Lang

Ik geloof niet dat ik ooit een seconde van Beste Zangers heb gezien. Ook van Davina Michelle had ik tot een maand of twee geleden nog nooit gehoord. De naam Glen Faria kende ik evenmin. En ziehier: we zitten eind december, Davina Michelle staat voor de negende week op nr. 1 in de Top 40 met haar cover van Duurt Te Lang (die ironisch genoeg veel te kort duurt) en het liedje komt op nr. 477 binnen in de Top 2000. Om het helemaal af te maken: m’n vader vroeg vorige week aan mij wie Davina Michelle is. Als zelfs m’n vader naar je informeert, dan ben je een Heel Grote aan het worden.

14. Kraantje Pappie – Lil Craney

Sinds deze zomer bedenk ik vragen voor Met het Mes op Tafel. Dat is leuk, maar ook lastig. Je wilt geen vraag maken die al is gesteld en om eerlijk te zijn, alles is al eens geweest. Zelfs naar Kraantje Pappie is eerder gevraagd. Maar ja. Ik laat de kans Klaas van Dijk en Mylou Frencken een Nederhopvertolking te laten horen niet aan me voorbijgaan. Dat gebeurde dan ook en ik zal de uitzending waarin Klaas ”k heb je al een poos niet gezien in de stad, mien jong’ en Mylou ‘baby gooi je dough omhoog’ hoorde zingen niet licht vergeten. Een dag later pakte ik het origineel er nog eens bij. Verrek, als je door de overdaad aan autotune heen luistert is dat Lil Craney nog best een puik nummer. Zeker goed genoeg voor een plekje in m’n Song Top 20.

13. Michael Schulte – You Let Me Walk Alone

Ik heb het ook wel eens mis. Ik vond Michael Schultes inzending voor het Songfestival maar een drakerige, sentimentele ballad. Duitsers noemden het een Jammerlap, wat ik dan weer een geestige omschrijving vind. Maar waar winnaar Netta de hitlijsten niet eens wist te halen (het was ook niks meer dan een gimmick) en Waylons Outlaw in ‘Em niet verder kwam dan een 37ste plek in de Top 40, had Schulte wel een grote hit. De hitpotentie van You Let Me Walk Alone zit ‘m in dat slimme refrein: ‘I was born from one love of two hearts, we were three kids and a loving mum’. Het kan niet anders of deze ode van Schulte aan z’n overleden vader is een nieuwe uitvaartfavoriet.

12. Sheppard – Coming Home

Een paar jaar terug stond Sheppard op Pinkpop. Als een band met één album en slechts één hit op een popfestival staat is dat behelpen: hoe hou je de aandacht van het publiek een uur lang vast? Nou, niet. Het enige dat een beetje hielp was een cover van Teenage Dirtbag van Wheatus. Ik had Sheppard afgeschreven na monsterhit Geronimo al was de single die daarna kwam, Let Me Down Easy, eigenlijk veel leuker. 2018 is een vergevingsgezind jaar. Acts die ik geen glansrijke carrière had toegedicht mochten in 2018 weer aan het hitsucces ruiken. Dat is met Coming Home niet meer dan terecht. Zulke vrolijke ongedwongen pop (uiteraard afkomstig uit Australië) verdient het om veel op de radio gedraaid te worden.

11. Aya Nakamura – Djadja

Vroeger gebeurde het elke zomer wel dat vakantiegangers een plaatselijke hit uit Frankrijk mee terug naar Nederland namen. Denk aan Zebda met Tomber La Chemise, Moi… Lolita van Alizée, of Manau met La Tribu De Dana. Dit tot grote vreugde van docenten Frans die hun leerlingen dan de songtekst konden laten tekstverklaren. Aya Nakamura daarentegen heeft haar succes vooral te danken aan YouTubers die Djadja, een afrekening met een ex-vriendje, flink plugden. Terecht, het is een knappe track waar de hitpotentie niet eens zo vanaf spat. Maar ja, die boodschap he. Nakamura is gedoemd om, net als Zebda, Alizée en Manau een one hit wonder te worden. Jammer dat de in Mali geboren zangeres Française is. Hoe leuk zou het zijn geweest als de zangeres als eerste Malinese ooit nr. 1 in de Nederlandse Top 40 had gestaan?

10. Justin Timberlake ft. Chris Stapleton – Say Something

Kent iemand Deliverance van Bubba Sparxxx nog? Die unieke mix van hiphop en country stond voorjaar 2004 een paar weken in de Nederlandse Top 40. Ik moest aan die track denken toen ik Say Something voor het eerst hoorde. Ik stuurde Deliverance als ‘lang niet gehoord request’ naar Rob Stenders op Radio 2 die de plaat pardoes draaide, met de opmerking dat het waarschijnlijk de eerste keer was dat Deliverance op Radio 2 was gedraaid. Dat vermoeden heb ik ook. Het grappige is dat ik niet de enige ben die de gelijkenis was opgevallen; andere radio-dj’s (en luisteraars) merkten het ook op.

Say Something is vergeleken met ander werk uit de back catalogue van Timberlake (Sexyback, Can’t Stop The Feeling!, Cry Me A River en, mijn persoonlijke favoriet, Mirrors) geen meesterwerk. Het roept wel één van de leukste hiphoptracks van de zeroes in herinnering. Dat alleen is een vermelding waard.

9. 5SOS – Youngblood

You look so perfect standing there in my American Apparel underwear
And I know now, that I’m so down

Die fijne tekstregels uit She Looks So Perfect maken me instant vrolijk. 5 Seconds of Summer, fijn punkpopgroepje uit immer zonnig Sydney. Het is me dus een raadsel wat ze met die vijf seconden bedoelen. Misschien vonden ze dat zelf ook en kortten ze de bandnaam daarom af tot 5SOS. Met die afkorting is ook het laatste restje zomerse gitaarrock uit de muziek verdwenen. Daarvoor in de plaats is met Youngblood een soort inwisselbare grootstegemenedelerpop gekomen, compleet met auto-tune en harde drums. Imagine Dragons Light zeg maar. Het leverde een track op die maandenlang in de Top 40 bivakkeerde en het viertal zelfs een eerste top-10-notering in de Billboard Hot 100 opleverde. Wie maalt er dan om dat de muziek niet meer om aan te horen is? Nouja, ik. Wie redt 5SOS uit de klauwen van die gruwelijke A&R-manager?

Owja, Youngblood is gecoverd door landgenoten Angus & Julia Stone. Zij wisten er zowaar nog een acceptabele deun van te maken.

8. David Guetta ft. Sia – Flames

Omdat ik op m’n 37ste ben begonnen met skateboarden ben ik wellicht niet de juiste persoon om iets over leeftijden te zeggen, maar het verbaast me dat David Guetta al 51 is. Z’n eerste top-40-hit scoorde hij op z’n 33ste. Inmiddels staat de teller op 45 hits, al zit daar merkwaardig genoeg geen enkele nr. 1 hit bij. Ook Flames strandde, net als Titanium en When Love Takes Over (om maar es een paar ultieme floorfillers te noemen), op de tweede plek. Ik weet niet wat het is waarom het ook met Flames nét niet lukte om die eerste plaats te veroveren. Het is een lekkere track, goed ingezongen door Sia. Misschien is dat wel het probleem. Voor dat hoogste plekje op het erepodium moet je beter voor de dag komen dan met een lekkere track, met zang van de alomtegenwoordige mediaschuwe Australische.

7. Álvaro Soler – La Cintura

Het is een opmerkelijk hitjaar met veel artiesten die een langere levensduur hebben dan ik had gedacht. We zagen al Sheppard, een andere gedoodverfde one hit wonder komen we verderop nog tegen. Ook van Álvaro Soler had ik niet veel meer verwacht. El Mismo Sol was een leuke zomerhit in 2015, dat trucje deed hij een jaar later nog eens dunnetjes over met Sofia, al stond die track nog op hetzelfde album als El Mismo Sol. In 2018 is Soler terug met z’n grootste hit tot nu toe: La Cintura, wat zoveel betekent als De Taille. Daar hoort natuurlijk een dansje bij, wat ik afdoe als een gimmick. La Cintura is een vrolijk, zomers Spaans deuntje, slim geproduceerd door RedOne, de man achter hits van J.Lo, Nicki Minaj, Michael Jackson, U2, Enrique Iglesias – need I say more? Nee, we zijn voorlopig nog niet van Soler af.

6. Liam Payne & Rita Ora – For You

Met het tweede deel van de Fifty Shades-filmtrilogie was het muzikaal behelpen (I Don’t Wanna Live Forever van Zayn en Taylor Swift), maar het afsluitende For You is weer een schot in de roos. Opnieuw is het een ex-lid van One Direction, de verder in de luwte opererende Liam Payne die z’n wilde haren heeft verloren, dat het duet/duel aangaat met een zangeres, in dit geval Rita Ora. Van de valse, loeiende sirenes die het nummer openen tot de subtiele drum ‘n bassbeat en van de harde drums tot het smachtende refrein ‘wasn’t looking for love til I found you, o-nye-nye’: alles klopt aan dit perfecte poppareltje (uiteraard van Zweedse makelij) dat niet van de radio was weg te slaan maar vreemd genoeg niet hoger kwam dan een 21ste plaats in de Top 40. Parels voor de zwijnen noemen we dat.

5. Mr. Probz – Space For Two

Mr. Probz probeert al jaren een carrière op te bouwen als credible hiphopartiest, maar z’n grootste hits scoort hij met ballads: Waves, Nothing Really Matters en Space For Two. Daar is niks mis mee; het zijn stuk voor stuk prachtige songs. Zo is Space For Two met gemak één van de beste radiohitjes van dit jaar, een met veel gevoel gezongen R&B-track met regels als ‘she could be my cocaine, she could be my rehab’ of ‘if crazy is a place, then I hope they’ve got space for two.’ Ik ben ongetwijfeld een sentimentele dweil aan het worden, maar ik val als een blok voor dit soort regels. En dan is er nog die mildly disturbing maar oergeestige videoclip van een man die er met een paspop vandoor gaat. Ter afsluiting nog één regel? Vooruit dan: ‘she’s the pain and the medicine, the problem and my solution.’ Zucht.

4. Kendrick Lamar & SZA – All The Stars

2018 was een goed jaar voor Kendrick Lamar. Hij won de Pullitzer Prijs voor Muziek voor z’n album DAMN. Een primeur; de prijs ging tot dit jaar alleen naar albums met jazz of klassieke muziek. Daarnaast verzorgde hij de muziek voor superheldenfilm Black Panther. Die soundtrack was grotendeels langs me heengegaan, totdat ik voor deze lijst nog eens wat hits van dit jaar terugluisterde. Wat een goede tracks zijn dat. Pray For Me, de samenwerking met The Weeknd, is al fijn maar All The Stars, in een samenwerking met zangeres SZA, is nog veel fijner. Een heerlijk galopperende synthesizerbeat, met Lamars rap eroverheen. De beste hiphop haalt de Top 40 niet. All The Stars is een uitzondering op die regel.

3. Ariana Grande – Thank U, Next

Ik ben nooit groot fan van Ariana Grande geweest, maar ik heb de afgelopen jaren diep respect voor de zangeres gekregen. Knap hoe ze na de aanslag na haar concert in Manchester opkrabbelde en een prachtig, oprecht benefietconcert verzorgde. Dit jaar kreeg ze weer een tegenslag te verduren toen haar ex-vriendje Mac Miller zelfmoord pleegde. Haar beste liedje van 2018 was het door – heej, daar is ie weer – Max Martin geproduceerde No Tears Left To Cry, maar ik kan niet om Thank U, Next heen. Dat is Grandes afscheidsbriefje aan een aantal ex-vriendjes: Big Sean, Ricky Alvarez, Mac Miller en Pete Davidson. En die krijgen niet eens op z’n Taylor Swifts een trap na, maar een paar vriendelijke woordjes. Het zijn de regels die ze aan Mac Miller richt die het meest bijblijven: ‘Wish I could say ‘Thank you’ to Malcolm, ’cause he was an angel.’ Echt, groots van Grande.

2. Ava Max – Sweet But Psycho

Hoort u de hittrucjes? De stotterende tekst (‘On my m-m-m-m-mind’)? De eightiessynthesizerbeat? De afwisseling tussen de langzame coupletten en het snelle refrein? Het stukje trap in de bridge? Allemaal schaamteloos afgekeken van Popmeister Max Martin. Sweet But Psycho is de (ietwat zwakzinnige) liefdesbaby van I Really Like You (Carly Rae Jepsen) en Love Me Like You Do (Ellie Goulding) en net als papa en mama is Ava Max’ hit een (deels) Scandinavische productie. Noors, om precies te zijn. Dat zal de reden zijn dat Max op dit moment in Europa een monsterhit scoort met haar poppy song terwijl ze in de States nog aan het slapen zijn. Jammer voor hen, fijn voor ons. Sweet But Psycho voelt anno 2018 als een anachronisme maar is één van de leukste pophits van het jaar. Na het draaien direct op repeat. De natte droom van iedere rechtgeaarde poptimist.

1. George Ezra – Shotgun

De leukste uitdrukking in de Engelse taal is going commando. Riding shotgun, een coole bijnaam voor de passagier op de bijrijdersstoel in de auto, is een goede tweede. Uit de tijd dat de koetsier was voorzien van een bijrijder die als taak had met een geweer bandieten, schavuiten en andere schobbejakken te verjagen.

De term werd deze zomer ineens weer heel bekend, met dank aan singer-songwriter George Ezra die na Budapest met Shotgun een onwaarschijnlijke tweede wereldhit op z’n conto schreef. Onwaarschijnlijk, omdat ik Ezra eigenlijk al had afgeschreven. Alle singles na Budapest (Cassy O’, Blame It On Me, Barcelona, Don’t Matter Now) waren, hoe leuk ook, in de Tipparade gestrand. Ook over Shotgun was ik aanvankelijk niet eens zo enthousiast, luister maar eens naar de compleet onzinnige tekst, maar het deuntje is zo aanstekelijk dat je het na twee keer luisteren niet meer uit je hoofd krijgt (sinds Life van Des’Ree nr. 1 stond in Nederland weet ik dat niemand een biet om slechte teksten geeft). Shotgun is de beste track van het jaar, een zomers niemendalletje. Dat is in het warmste jaar sinds de oerknal ook wat waard.

Going commando is slang voor kleding dragen zonder ondergoed. Weet u dat ook weer.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Song Top 20 2018

Top 2000 Trivia 2018

Vorig jaar schreef ik voor de eerste keer een blog met allerlei triviafeitjes over de Top 2000. Dan ging het niet om de langste of kortste plaat uit de Top 2000, of welke plaat het hoogste binnen is gekomen, dat kan Radio 2 zelf veel beter dan ik. Ik vond het leuker om op zoek te gaan naar maffe feitjes die net iets verder gaan. Ik kreeg er veel leuke reacties op, vandaar dat ik dit jaar een tweede editie heb samengesteld. Sommige rubrieken heb ik overgenomen van vorig jaar, andere zijn verdwenen en er zijn (soms op speciaal verzoek) ook wat nieuwe hoofdstukjes verschenen.

Drie liedjes stonden in alle edities van de Top 2000, maar altijd bij de onderste duizend

Vorig jaar stonden nog vijf platen in de Lijst der Lijsten die in alle edities van de Top 2000 waren vertegenwoordigd, maar altijd bij de onderste duizend. Dat was al een paar jaar hetzelfde selecte gezelschap, maar daar is dit jaar verandering in gekomen. Zowel Steely Dans Reelin’ In The Years als Oye Como Va van Santana zijn in 2018 uit de lijst verdwenen. Dat maakt dit groepje laatste der Mohikanen nog exclusiever.

1055. Gladys Knight & The Pips – Midnight Train To Georgia
1601. Reindhard Mey – Gute Nacht, Freunde
1687. Spider Murphy Gang – Skandal Im Sperrbezirk

Midnight Train To Georgia stond niet eerder zo hoog. Gladys Knight en haar Pips moeten uitkijken niet per ongeluk bij de bovenste duizend te belanden.

Gemaakt voor de onderste regionen

Vorig jaar schreef ik al dat Joan Armatrading absoluut recordhouder is als het gaat om het aantal keren dat Rosie bij de onderste honderd stond: zeven keer. Dat record blijft nog wel even staan, ook al ontbreekt haar plaat dit jaar. Als het gaat om platen die het langst onafgebroken bij de onderste honderd staan, gaat de titel naar The Monkees. Daydream Believer staat voor het vierde achtereenvolgende jaar bij de onderste honderd: dit jaar op nr. 1968.

De tweede plaats in dit klassement wordt gedeeld: You Make Loving Fun van Fleetwood Mac (nr. 1931), All Apologies van Nirvana (nr. 1939), Lovesong van The Cure (nr. 1969) en Diesels Sausolito Summernight (nr. 1984) bivakkeren allemaal al drie jaar achtereen onder plaats 1900.

Top 5 Platen waarvan de titel níet in de songtekst voorkomt

De vraag werd mij een paar weken terug op Twitter gesteld: wat zijn de hoogst genoteerde platen in de Top 2000 waarvan de titel niet in de songtekst voorkomt? Dat had ik mezelf natuurlijk ook al eens afgevraagd, maar nooit uitgezocht. Uit het hoofd kon ik wel op The Last Resort van de Eagles komen, of Space Oddity van David Bowie en als je wat langer nadenkt kom je op nog veel meer titels (Pastorale van Ramses Shaffy & Liesbeth List, Jimmy van Boudewijn de Groot). Dit is de Top 5 (waarbij de nr. 1 niemand zal verbazen).

1. Queen – Bohemian Rhapsody
10. Boudewijn de Groot – Avond
32. Nirvana – Smells Like Teen Spirit
36. Coldplay – Viva La Vida
45. Coldplay – The Scientist

Top 5 Hoogste noteringen van ná 2000

Er zijn mensen die klagen dat de Top 2000 elk jaar hetzelfde is (een tip: mijd deze mensen). De Lijst der Lijsten is altijd wel in beweging, al gaat het soms om kleine verschuivingen. Maar pak de eerste lijst uit 1999 erbij en leg dan die van dit jaar ernaast. Je zult zien dat het aantal platen uit de sixties drastisch is gedaald en dat de jaren tachtig en negentig amper waren vertegenwoordigd. En dan heb ik het nog niet over alle platen van ná 2000 die nu een plekje in de lijst hebben verdiend. Hieronder vind je de vijf hoogstgenoteerde.

9. Coldplay – Fix You (2005)
22. Johnny Cash – Hurt (2002)
24. Claudia de Breij – Mag Ik Dan Bij Jou (2011)
28. Racoon – Oceaan (2012)
31. Bløf ft. Geike Arnaert – Zoutelande (2017)

Days of the week

Die track van Stone Temple Pilots staat níet in de Top 2000 (zelfs niet in de Snob 2000). Maar vrijwel alle dagen van de week zijn wel eens bezongen en zijn in de Lijst der Lijsten vertegenwoordigd. Daarbij zijn vreemd genoeg maandagen en dinsdagen het meest geliefd, terwijl woensdag en donderdag er juist bekaaid vanaf komen.

69. U2 – Sunday Bloody Sunday
175. Herman Brood & His Wild Romance – Saturday Night
354. New Order – Blue Monday
1095. The Cure – Friday I’m In Love
1128. Rolling Stones – Ruby Tuesday
1363. Moody Blues – Tuesday Afternoon
1820. The Mamas & The Papas – Monday Monday

Het is slechts één van die platen gelukt om gedraaid te worden op de dag uit de titel: Friday I’m In Love van The Cure staat voor vrijdag 28 december op het programma. Je moet er wel vroeg voor uit de veren; de song wordt iets voor 5.00 uur ‘s ochtends gedraaid.

Top 40 hit

Vorig jaar viel me op dat de Top 10 van de Top 2000 volledig bestond uit songs die óf nog nooit, óf twee keer in de Top 40 hadden gestaan. Daar is dit jaar verandering in gekomen. Met dank aan Africa van Toto is de ban gebroken. Toch, als ik Nothing Else Matters van Metallica (nr. 13) buiten beschouwing laat, ook die plaat is twee keer een hit geweest al was het de tweede keer in een live versie, dan is pas de eerstvolgende plaat in de lijst die exact één keer in de Top 40 heeft gestaan Heroes van David Bowie. Die track staat op nr. 17.

Vijf bands of artiesten staan ook als songtitel in de Top 2000

Vorig jaar stonden nog zes artiesten of bands als songtitel in de Top 2000, maar Air van Ekseption is uit de lijst verdwenen. Ook Hero van Family Of The Year is eruit gekukeld, maar Enrique Iglesias’ Hero staat er nog wel in. Omdat er geen andere bandnaam/songtitel-combinaties bij zijn gekomen, zijn dit de enige vijf koppels.

7. Pearl Jam – Black
1721. Black – Wonderful Life

86. The Animals – The House Of The Rising Sun
977. Martin Garrix – Animals

312. Kiss – I Was Made For Loving You
998. Prince – Kiss

541. Madness – One Step Beyond
927. Muse – Madness

562. Hero – Toen Ik Je Zag
1816. Enrique Iglesias – Hero

Vijf one hit wonders

Als je het doet, dan doe je het goed: sommige artiesten staan met maar één liedje in de Top 2000. Maar met dat ene liedje staan ze heel hoog in de lijst. En hoewel de artiesten in kwestie misschien vele Top 40-hits hebben gehad, zijn het vanuit de Top 2000 gezien one hit wonders. Dit zijn de vijf hoogst genoteerde. Met name de kleinkunst en het ruige werk zijn goed vertegenwoordigd.

24. Claudia de Breij – Mag Ik Dan Bij Jou
39. Disturbed – The Sound Of Silence
60. Klein Orkest – Over De Muur
62. Rage Against The Machine – Killing In The Name
64. Wim Sonneveld – Het Dorp

Acht keer Max Martin

Ik ben een groot fan van Max Martin. En al durf ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te stellen dat niet Max, maar George Martin de best vertegenwoordigde producer in de Top 2000 is, is er niemand die zo z’n stempel heeft gedrukt op de popmuziek van de laatste twintig jaar als de Zweedse Popmeister. Ooit maak ik daarom een lijst met m’n tien favoriete Max Martinproducties, maar dat is lastiger dan gedacht: de man maakt alleen maar meesterwerken. Toch, Max (geen familie van George) maakt pure pop van het soort dat je niet vaak in de Lijst der Lijsten aantreft. Al kom je ‘m toch nog acht keer tegen.

469. Bon Jovi – It’s My Life
475. Justin Timberlake – Can’t Stop The Feeling!
901. Backstreet Boys – I Want It That Way
1276. Pink – Raise Your Glass
1549. Backstreet Boys – Everybody (Backstreet’s Back)
1720. Katy Perry – Roar
1895. Taylor Swift – Shake It Off
1907. Adele – Send My Love (To Your New Lover)

Dubbele bandnamen

Vorig jaar deelden Duran Duran en Talk Talk in de strijd van de dubbele bandnamen nog de eerste plek met ieder drie noteringen, maar dit jaar verslaat Talk Talk Simon Le Bon en consorten. Van Talk Talk komt dit jaar Living In Another World binnen op nr. 1940, terwijl Such A Shame, It’s My Life en Life’s What You Make It in de lijst blijven. Duran Duran blijft op drie tracks (Ordinary World, Save A Prayer, The Reflex) steken. De derde (en laatste) plek in dit bescheiden klassement gaat net als vorig jaar naar The The.

Populairste albums in de Top 2000

Vorig jaar waren drie albums met ieder zes tracks in de Top 2000 vertegenwoordigd. Michael Jackson met Thriller en Bad, en Fleetwood Mac met Rumours. Dit jaar zijn dat twee albums met ieder zeven tracks. Van Bad komt dit jaar Liberian Girl binnen, maar Coldplay’s A Rush Of Blood To The Head levert zelfs twee nieuwe binnenkomers: Green Eyes en Amsterdam. Al staan van Coldplay’s album wel vier van die tracks bij de onderste vierhonderd.

Michael Jackson – Bad
135. Man In The Mirror
292. Smooth Criminal
392. Dirty Diana
748. The Way You Make Me Feel
968. Bad
1847. I Just Can’t Stop Loving You
1942. Liberian Girl

Coldplay – A Rush Of Blood To The Head
45. The Scientist
57. Clocks
1233. In My Place
1656. Amsterdam
1662. God Put A Smile Upon Your Face
1670. Politik
1704. Green Eyes

Thriller van Michael Jackson en Rumours van Fleetwood Mac blijven beiden dit jaar op ‘slechts’ zes tracks steken, maar krijgen gezelschap van Dire Straits’ Brothers In Arms (Your Latest Trick is erbij gekomen). Albums die met vijf tracks in de Top 2000 zijn vertegenwoordigd zijn (onder andere) Nevermind van Nirvana, Back To Black van Amy Winehouse, The Joshua Tree van U2, 21 én 25 van Adele, Automatic For The People van R.E.M, Rivals van Kensington en Born In The USA van Bruce Springsteen.

Top 5 Bezongen hemellichamen

Het meest bezongen hemellichaam is zonder twijfel de zon. Zoek op ‘sun’ en je krijgt al twintig hits (al is dat in combinaties als sunday, sunny of sunrise, en daar kan je twee Nederlandstalige (Het Regent Zonnestralen, Lopen Tot De Zon Komt) én zelfs een Duitstalige hit (Sonne) bij optellen. Als ik een Top 5 zou maken van de hoogstgenoteerde hemellichamen zou deze dan ook volledig uit zonplaatjes bestaan. Daarom heb ik bij deze Top 5 alleen de hoogste notering van een bepaald hemellichaam meegenomen. U2’s Sunday Bloody Sunday telt niet mee, dat gaat écht over Bloody Sunday.

86. Animals – The House Of The Rising Sun
146. Coldplay – A Sky Full Of Stars
244. Creedence Clearwater Revival – Bad Moon Rising
351. David Bowie – Life On Mars
442. Muse – Supermassive Black Hole

Ik ben er nog niet uit of je de aarde als hemellichaam mag beschouwen. Ik bedoel, je kunt de aarde niet zien vanaf de aarde. Als je die meetelt, dan zou Earth Song van Michael Jackson (nr. 109) er zeker bij mogen. Hetzelfde geldt voor Sterrenstof. Dat is te klein om met het blote oog waargenomen te worden, maar De Jeugd van Tegenwoordig staat er wel mooi mee op nr. 145 in de Top 2000. Andere hemellichamen die net buiten de boot zijn gevallen: Drops Of Jupiter van Train (nr. 874) en Venus van Shocking Blue (nr. 959).

Het zijn trouwens niet eens alleen hemellichamen die zijn bezongen, want ook Across The Universe en Rocket Man zijn bijvoorbeeld nog te horen in de Top 2000. Muse zingt over de ridders van Cydonia, waarbij Cydonia verwijst naar een streek op de planeet Mars. En wat te denken van ’39, vermoedelijk de enige song in de lijst over de relativiteitstheorie. Maar zo’n onderwerp kan je dan ook gerust aan Brian May overlaten.

Top 5 Plaatsen die het verst van Hilversum liggen

Ik ben er nog niet uit waar Paradise By The Dashboard Light ligt en van exacte locatie van de Stairway To Heaven ben ik ook niet zeker, maar er zijn zat steden, streken en zelfs rivieren bezongen. Welke van de bezongen locaties (de buitenaardsen van het vorige hoofdstuk uitgezonderd) zou het verst van Hilversum liggen? Wel, Google is your best friend.

142. Kim Wilde – Cambodia (9555 kilometer)
1784. Deep Purple – Woman From Tokyo (9285 kilometer)
1330. Beth Hart – L.A. Song (8958 kilometer)
1488. Scott McKenzie – San Francisco (Be Sure To Wear Flowers In Your Hair) (8791 kilometer)
396. Johnny Cash – Folsom Prison Blues (8650 kilometer)

Los Angeles is meerdere malen bezongen, zo liggen Lompoc (waar Ventura Highway van America aan is gewijd) en MacArthur Park, in de versies van Donna Summer én Richard Harris in de Top 2000 vertegenwoordigd, ook in de City of Angels. Hetzelfde geldt voor San Francisco, waarvan Sausalito (van Diesels Sausolito Summernight) maar ook San Quentin (die van Johnn Cash) voorsteden zijn.

Het dichtst bij Hilversum ligt Amsterdam (althans, in de Top 2000), bezongen door zowel Nothing But Thieves en Coldplay: 26 kilometer. Ook het Land van Maas en Waal, en Ameland (Boudewijn de Groot), Brabant (Guus Meeuwis), De Peel (Rowwen Hèze), Kronenburg Park (Frank Boeijen Groep) en Zoutelande (Bløf) liggen om de hoek van de studio van Radio 2.

Tijdverschil

In een flink deel van de wereld is het al 2019 als de Top 2000 met de laatste uren van de uitzending bezig is. Dit betekent dat op het moment dat Whole Lotta Rosie, Highway To Hell en Thunderstruck van AC/DC worden gedraaid het in Australië, land van herkomst van de rockgroep, al 2019 is. Omdat alle andere artiesten in de bovenste regionen van de Top 2000 afkomstig zijn uit dezelfde tijdzone als Nederland, óf afkomstig zijn uit landen die na Nederland nog de jaarwisseling moeten vieren, kan niemand dat de Australische rockers nazeggen.

De Australiërs zijn trouwens niet de artiesten die het verste moeten reizen om in de Top 2000 op te treden. Twee Nieuw-Zeelandse acts, Split Enz en Lorde, moeten nog net wat langer vliegen. Maar die staan dan weer niet zo hoog dat ze hun hit in hun thuisland pas in het nieuwe jaar in de Top 2000 op de radio kunnen horen.

Top 5 Bezongen dieren

Hoe zit het eigenlijk met de diertjes? Komen die nog aan hun trekken in de Top 2000? Als het op bandnamen aankomt zeker: Eagles, The Animals, Fish, The Scorpions. Maar in songtitels is het wat langer zoeken naar diertjes. Als je de Top 5 bekijkt, blijkt dat met name vliegende dieren tot de verbeelding spreken. Al is er ook plek ingeruimd voor een wit konijntje.

102. Beatles – Blackbird
214. Editors – Papillon
238. Bob Marley & The Wailers – Three Little Birds
318. Jefferson Airplane – White Rabbit
335. Lynyrd Skynyrd – Free Bird

Ik kan nr. 154, The Boxer, niet onvermeld laten. Al gaat die single echt over een bokser en niet over de hond.

Vragen vragen vragen

Where Do You Go To My Lovely? How Can We Hang On To A Dream? Should I Stay Or Should I Go? Papa Can You Hear Me? Kan Ik Iets Voor Je Doen? How You Gonna See Me Now? Do I Wanna Know? Wat Zou Je Doen? What About Us? Can You Feel The Love Tonight? What Is Love? Is She Really Going Out With Him? Where Did You Sleep Last Night? Where Is The Love? Waarom Nou Jij?

Ja, er wordt wat afgevraagd in de Top 2000.

Maar er is maar één band die in een vraag wordt genoemd en ook zelf nog in de Top 2000 is vertegenwoordigd. Iron Maiden vraagt op nr. 373 Can I Play With Madness? Voor zover ik weet heeft Madness die vraag van Bruce Dickinson en consorten nooit beantwoord.

Zeven bezongen historische figuren

De naam van een historisch figuur die het vaakst genoemd wordt in de Top 2000 is Jezus: Jesus To A Child (nr. 349), Jesus He Knows Me (nr. 861) en Personal Jesus (nr. 1146). Maar daarnaast komen zo hier en daar nog wel wat andere historische figuren voorbij die bij naam worden genoemd in de titel. Ze moeten wel echt hebben bestaan (dus geen Charlie Brown), en bijnamen (Angel Of Harlem, Malle Babbe) en samentrekkingen (Baba O’Riley) tellen niet mee. Dan kom ik, naast eerdergenoemde jesus freaks, tot de volgende zeven historische figuren.

185. Volbeat – Lola Montez
414. Don McLean – Vincent
574. Gorillaz – Clint Eastwood
582. Orchestral Manoeuvres In The Dark – Maid Of Orleans (The Waltz Joan Of Arc)
1344. Peter Gabriel – Biko
1629. Nits – Nescio
1880. Bløf – Hemingway

Eeuwige zakker

Geen feitje uit m’n eerste editie van Top 2000 Trivia maakte zoveel los als het feit dat Nine Million Bicycles van Katie Melua in alle edities van de lijst verder is gezakt. Reacties varieerden van ‘kan niet snel genoeg zakken’ tot ‘staat die er nog in dan?’ Ik kan alle Meluafans geruststellen. Ja, ook dit jaar is Nine Million Bicycles verder gezakt. De track kwam in 2005 nog binnen op nr. 23, vorig jaar was ze weggezakt naar nr. 845, anno 2018 staat ze op nr. 966. In dit tempo is ze volgend jaar sowieso bij de bovenste duizend verdwenen.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged | 1 Comment

Mojobeleid

Als ik tegenwoordig nog naar concerten ga, is dit meestal in de kleinere zalen: Effenaar, Paradiso, Melkweg, Tivoli. Maar door de populariteit van The War On Drugs zag ik mij genoodzaakt af te reizen naar de Ziggo Dome. De groep is in vijf jaar tijd van een half gevuld Doornroosje doorgegroeid naar de arena’s en bijlmerbierhallen van deze wereld. Dat is ze overigens van harte gegund.

De Ziggo Dome is het speeltje van Mojo, omdat dit in feite de enige grote concertorganisator van Nederland is. Dus is het zo: zeg je Mojo, dan zeg je moloch. Een moloch die vrijwel het monopolie van het live circuit heeft. Sinds enige jaren heeft het concurrentie van Friendly Fire, onder andere bekend van Best Kept Secret, maar het is nog altijd een soort alleenheerser en gedraagt zich als zodanig.

Dat is niet de enige alleenheerser in de concertbranche, want Ticketmaster is net zo erg. Die krijgen het nog altijd voor elkaar exorbitant hoge servicekosten in rekening te brengen als ik een kaartje koop. Ik ging een slordige twintig jaar geleden voor het eerst naar een concert en al die tijd hoor ik al rumoer over de servicekosten. Waarom worden die in rekening gebracht? Ik maak standaard de vergelijking met een bakker: als ik daar een brood koop brengen ze toch ook geen servicekosten in rekening? De verklaring van Ticketmaster zelf is dat het computersysteem dat de kaartverkoop regelt ook in stand moet worden gehouden en dat dit nu eenmaal geld kost. Dat is dan een verrekte duur computersysteem, als per kaartje 3 euro 90 aan servicekosten in rekening wordt gebracht. Rekent u rustig even uit wat Ticketmaster aan extra inkomsten genereert als je bedenkt dat er jaarlijks miljoenen kaartjes voor concerten over de virtuele toonbank gaan.

Ik ben dan ook nog zo’n romanticus dat ik een fysiek kaartje wil. Dat kan, maar ook daar betaal je een paar euro extra voor. Iemand moet toch dat kaartje uitprinten en in een envelop doen en aan mij opsturen (wat ik schrijf: ik ben een romanticus. Dit zal in werkelijkheid ongetwijfeld allemaal geautomatiseerd gebeuren. Met dat dure computersysteem van ze). Ook de portokosten brengt Ticketmaster grif in rekening.

Misschien had ik tóch beter voor een geprinte versie van dat kaartje kunnen kiezen. Daar kwam ik achter toen ik in de rij voor de Ziggo Dome stond. Ik had er een dagje uit van gemaakt en gewinkeld waardoor ik, naast m’n rugzak, een grote tas bij me had. Geen probleem leek me, die kon ik wel achterlaten in de garderobe. Alhoewel? M’n oog viel op het geprinte kaartje van de bezoeker voor me in de rij en ik zag hoe daar op stond aangegeven dat grote tassen niet waren toegestaan. Hmm, dacht ik, daar is mij niks over gezegd.

Toch, het meisje bij de ingang zei niks, scande zonder morren m’n kaartje en ik kon doorlopen. Meteen daarna strandde mijn missie.
‘Grote tassen mogen niet naar binnen,’ zei de man van de beveiliging resoluut.
‘Kan ik die grote tas niet in m’n rugzak proppen? Dan kan ik die toch in de garderobe achterlaten?’, vroeg ik. Ik zag achter de man van de beveiliging aan beide kanten van de ontvangsthal brede balies van garderobes.
‘Nee meneer, dit is mojobeleid: geen grote tassen. Die rugtas mag trouwens ook niet,’ antwoordde hij.
‘Maar waar kan ik dan m’n spullen achterlaten?’ vroeg ik.
‘Bij de Afas Live staan kluisjes,’ zei hij.
‘En kan ik dan straks nog binnen?,’ vroeg ik.
‘Ze kunnen uw kaartje bij de deur uitscannen,’ legde de beveiliger uit.

M’n kaartje werd bij de deur uitgescand en ik begon aan m’n weg terug over de ArenA Boulevard. Al vind ik boulevard wat veel eer voor dit troosteloze tochtgat, met als ultiem dieptepunt die treurige betonnen vliegende schotel waar Ajax z’n thuiswedstrijden afwerkt.

Bij de Afas Live stonden wat zeecontainers ingericht met kluisjes. Die stonden er ook al toen ik eerder dit jaar in de Afas Live naar Eurovision in Concert ging. Of dit tijdelijk is of een permanente inrichting, geen idee. De belachelijke huurprijs van vijf euro was in de tussentijd niet veranderd. Dat is niet erg als je met een groep bent, dan deel je een kluisje, maar ik was alleen.

Waar ik niet alleen in was, was de verontwaardiging over de afzetterij van deze gedwongen winkelnering.
‘Vijf euro? Stelletje afzetters,’ riep een andere bezoeker geschokt.
Ik haalde gelaten m’n schouders op en liep weer terug naar de Ziggo Dome.

Dit keer kwam ik zonder problemen door de beveiliging. De volgende hindernis was m’n jas achterlaten. In de ontvangsthal zag ik een oase van ruimte die met een lint was afgezet, met daarachter de garderobe waar medewerkers vriendelijk lachend stonden te wachten. Bij een doorgang stond een medewerkster te wachten. Ik wilde doorlopen.
‘Waarmee kan ik u helpen?,’ riep de vrouw terwijl ze me nog net niet de weg versperde.
‘Euh… ik wilde naar de garderobe,’ antwoordde ik, dat leek me nogal wiedes.
‘Dan moet u dáár langs,’ waarbij de dame wees op een route die langs Heel Veel Kluisjes leidde. Kluisjes waar ik m’n tassen, net nog à la raison van vijf euro gedumpt bij de Afas Live, prima in achter had kunnen laten. Maar dat past niet in het beleid van Mojo.
‘Oké dan,’ antwoordde ik en liep weer weg.

In die kluisjes kon je dus ook best je jas kwijt. Handig, dacht ik, dan kan ik straks na afloop snel m’n spullen pakken en naar huis. Betaal je dan weer wel extra voor: twee euro. (Pas later begreep ik dat de garderobe gratis is en werd me duidelijk waarom de leiding van de Ziggo Dome me zo graag langs de kluisjes stuurt. Altijd wel naïeve sukkels die in deze extra geldklopperij trappen.)

Nu was het tijd voor de volgende hindernis: muntjes. Sommige zalen zijn hier weer mee gestopt, maar voor de Ziggo Dome is het nog steeds de ideale melkkoe. Muntjes kopen kan alleen als je ze per vijf koopt. Nogmaals, ik was alleen, dus dat betekende dat ik deze avond een litertje cola light achterover kon keilen. Maar, zo stond op borden aangegeven, ik kon na afloop niet gebruikte muntjes bij de servicebalie inleveren. Het liefst was ik na het kopen van vijf muntjes meteen naar de servicebalie gelopen, maar tussen mij en de servicebalie strekte zich een met een lint afgezet niemandsland uit waarvan het me veiliger leek er geen voet te zetten. Bovendien stond er uitdrukkelijk dat ik pas NA het concert niet gebruikte muntjes in kon wisselen. Don’t you dare toch een poging te wagen, Guido.

Op Twitter deed ik m’n beklag: Nu al een hekel aan de Ziggo Dome. Ik kreeg een reactie van een oud-collega van KindaMuzik die de zaal roemde: zeer fijne logistiek en goed geluid.
Fijne logistiek m’n reet, dacht ik. Het enige waar de logistiek van Mojo/Ticketmaster/Ziggo Dome op is ingericht, is om de concertbezoeker zoveel mogelijk geld af te troggelen. Extra geld voor kluisjes en niet ingeleverde muntjes. Ik snap dat dit geen van drieën liefdadigheidsorganisaties zijn, maar de schaamteloosheid is stuitend. Een bezoek aan een rockconcert is verworden tot het boeken van een reis bij RyanAir: bij elke stap moet je op je hoede zijn dat je niet wordt opgelicht.

Het stomste is: we vinden het volstrekt normaal. Ach, je hebt een leuke avond, wat geeft het dat je wat extra geld dan strikt noodzakelijk uitgeeft? Toch, ik heb concerten bezocht in het buitenland; in België, Duitsland, Zweden, IJsland, Ierland, Engeland, Australië, de Verenigde Staten. Nergens maakt een concertorganisator het zo bont als in Nederland.

Omdat ik geen zin had om na afloop van het concert in de rij te staan om een paar muntjes in te leveren (natuurlijk gaan ze er bij de Ziggo Dome van uit dat mensen daar geen zin in hebben; niks menselijks is mij vreemd), zette ik het maar op een zuipen. In twee uur tijd sloeg ik vijf glazen cola light achterover. Dat is zelfs voor mij een record.

O ja, het concert was fantastisch. The War On Drugs blijft een prachtige band, Lost In The Dream is de mooiste plaat die ik in de afgelopen tien jaar heb gehoord en dus ben ik heel blij ze eindelijk live te hebben gezien. Ik had kippenvel bij Red Eyes, al was het absolute hoogtepunt een prachtig lang uitgesponnen versie van Under The Pressure. Ze speelden zelfs twee nummers van Slave Ambient, uit de tijd dat ze nog in de Doornroosje optraden.

Het geluid in de Ziggo Dome is trouwens echt heel goed. Het kost een paar centen, maar dan heb je ook wat.

Posted in Muziek | Tagged , , , | 1 Comment

Voyager

The Voyager Golden Record heeft het zonnestelsel verlaten, maar is nu ook op aarde verschenen.

De Voyagers hebben altijd tot de verbeelding gesproken. Bij mij zeker. Toen ik een jaar of tien, elf was, verslond ik alles over het heelal dat voor kinderen (of volwassenen, ik was daarin niet heel selectief) was geschreven. Foto’s van Mercurius, Venus en Mars waren leuk, maar daarbuiten, de grote gasplaneten, die spraken pas echt tot de verbeelding. Het was begin jaren negentig, dus ik viel met de neus in de boter: de foto’s die de Voyagers naar aarde hadden gestuurd waren nog warm. Zeker die van Neptunus, die planeet werd in 1989 door Voyager 2 aangedaan.

Voyager 2 had daarmee z’n investering ruimschoots terugverdiend, na eerder al Jupiter, Saturnus en Uranus te hebben bezocht. Voyager 1 had alleen de twee dichtstbijzijnde gasreuzen bezocht. Beiden zetten hun reis daarna voort naar de buitenste grenzen van ons zonnestelsel – to boldly (ik vind ‘baldly’ eigenlijk leuker) go where no one has gone before.

Maar de twee sondes waren niet alleen voorzien van apparatuur om informatie over ons zonnestelsel naar aarde te zenden. Ze hadden ook allebei een gouden plaat, met daarop beelden van de aarde (gecodeerd) en geluiden: mensen die een groet brengen, geluiden van de natuurlijk en muziek uit alle windstreken op aarde. Geselecteerd door een commissie onder voorzitterschap van de befaamde wetenschapper Carl Sagan. Hallo buitenaards leven, wie of waar je ook bent, dit zijn wij.

Ik had al eens gelezen dat met beide Voyagers een gouden plaat was meegestuurd. Stom genoeg had ik me nooit afgevraagd of die lp, een novelty item bij uitstek, ook ooit op aarde was uitgebracht. Die plaat beantwoordt namelijk een interessante vraag: hoe willen wij aardbewoners overkomen op een buitenaardse beschaving? Ik had geluk. Begin dit jaar is de inhoud van de Voyager Golden Record alsnog, ruim veertig jaar na lancering van beide ruimtesondes, uitgebracht. De plaat is uitgegeven met een boek met uitleg over de totstandkoming. Die toelichting komt van Timothy Ferris die bevriend was met de in 1996 overleden Sagan en nauw betrokken bij de samenstelling van de lp. Het is zo’n goed verhaal dat het niet alleen maf is dat het zolang heeft geduurd om de plaat uitgegeven te krijgen, maar dat daar ook crowdfunding voor nodig was.

Ik kreeg het boek cadeau voor m’n verjaardag en het is prachtig. Snoepgoed voor eenieder die geïnteresseerd is in cultuur én wetenschap. The Voyager Golden Record bevindt zich op dat interessante snijvlak.

Om met de foto’s, ze zijn in het boek over de totstandkoming van de lp bijgevoegd, te beginnen. Die laten het leven op aarde in al haar facetten zien: mensen die eten, drinken en likken, huizen (van buiten én binnen), bouwwerken als de Chinese Muur, de Taj Mahal en het Sydney Opera House (de laatste nog in aanbouw, maar al van zo’n iconische status dat het mee mocht in de selectie), flora en fauna, verschillende landschappen op aarde. Ook Nederland is niet vergeten met een foto van de radiotelescopen van Westerbork, met op de voorgrond een groep fietsers.

Wat opvalt is dat het allemaal optimistische foto’s zijn, maar dat is een bewuste keuze, zo zegt Ferris:

‘The Voyager record’s photo group agreed from the outset to avoid depections of war, crime, poverty, and disease. It was a conscious decision that the interstellar message could reflect only positively on our planet.’

De foto’s, in drie weken tijd verzameld, doen nu aandoenlijk gedateerd aan. Wat was er allemaal nog níet in 1977? Cd’s, computers (althans, niet voor gebruik thuis), laat staan iPads, smartphones of internet. Planeet aarde oogt nog best primitief.

De laatste foto in de serie slaat een brug naar de muziek op de lp. Een afbeelding van de bladmuziek van Beethovens Cavatina. Het is één van twee stukken van de Duitse componist die op de lp te horen is, het andere is een fragment uit diens symfonie nr. 5. Alleen Bach is beter vertegenwoordigd met drie stukken, Mozart, de laatste van de componisten die algemeen worden beschouwd als de Grote Drie van de klassieke muziek, is met een fragment van Die Zauberflöte vertegenwoordigd. Daarnaast heeft ook Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky een plekje gekregen en is zelfs plaats gemaakt voor de Engelse renaissancecomponist Anthony Holborne, al kan je die bijdrage ook best onder folk rangschikken.

De verklaring voor de oververtegenwoordiging van Bach en Beethoven is interessant:

‘To understand why we did this, imagine the record being studied by extraterrestrials who lacked what we would call hearing, or whose hearing operated in a different frequency range than ours, or who hadn’t any musical tradition at all. Even they could learn from the music by applying mathematics, which really does seem to be the universal language that music is sometimes said to be.’

Kortom, buitenaards leven zou gaan zoeken naar symmetrie in composities: herhalingen, tegenstellingen en andere patronen. Ze zouden de muziek op een wiskundige manier benaderen. Om ze daarbij te helpen kozen de samenstellers muziek van Bach, die bolstaat van de symmetrie en Beethoven, groot liefhebber van de muziek van Bach; al op z’n elfde bestudeerde hij Bachs Das Wolltemperierte Klavier.

Die vlieger gaat trouwens niet op voor Beethovens Cavatina, zo geeft Ferris toe. Er gaat ongetwijfeld een wiskundige component achter schuil, maar de keuze van de commissie was vooral ingegeven door de emotionele impact. Zelfs Beethoven zou tranen in z’n ogen hebben gekregen als hij alleen maar aan de Cavatina dacht. De componist kan het zelf niet gehoord hebben; de Cavatina maakt deel uit van het dertiende strijkkwartet dat Beethoven twee jaar voor z’n dood componeerde. Tegen die tijd was hij al stokdoof.

De populaire muziek komt er bekaaider vanaf. Alleen Chuck Berry’s Johnny B Goode heeft de lp gehaald en zelfs daar moest nog voor gestreden worden. Sagan zag het simpelweg niet zitten om rock-‘n-roll mee te sturen op zo’n belangrijke missie. Maar hij ging overstag en toen de befaamde Alan Lomax, bij het project betrokken wegens z’n encyclopedische kennis van wereldmuziek, Berry’s muziek misprijzend puberrock noemde, wierp Sagan tegen dat op aarde nu eenmaal veel pubers wonen.

Maar die ene rocktrack heeft daardoor wel alle aandacht gekregen. Het is nu de bekendste track op de lp. Zo bekend dat het terugkwam in een sketch van Saturday Night Live, waarin Steve Martin een belangrijke boodschap van een beschaving from outer space doorkrijgt: ´Send more Chuck Berry.´ Welke aardbewoner zal het daar niet mee eens zijn?

Volgens de overlevering zouden de samenstellers van de plaat ook Here Comes The Sun van de Beatles hebben overwogen, maar ging dat niet door vanwege een rechtenkwestie. Hoe leuk dat verhaal ook is, het wordt door Ferris ontkracht:

‘Rumors to the contrary, we did not strive to include “Here Comes the Sun,” only to be disappointed when we couldn’t clear the rights. We did consider that lovely track for a time but soon moved on. It’s not the Beatles’ strongest work, and the witticism of the title, if charming in the short run, seems unlikely to remain funny for a billion years.’

Dat Here Comes the Sun niet het sterkste werk van de Beatles is, laat ik voor rekening van de samenstellers. Wat mij betreft is het één van de mooiste popliedjes ooit gemaakt. Maar misschien was The Fab Four’s A Day in the Life gezien het mondaine, zelfs alledaagse karakter van de inhoud van de lp, juist wel een geschikte keuze geweest.

De rockmuziek komt er dan karig af, maar wereldmuziek (al bestond dat genre nog niet) is ruim vertegenwoordigd. Keurig zelfs, al was dat vanaf het begin van het project het uitgangspunt geweest.

‘At the outset I suggested two criteria to guide us in selecting the music: that we include a variety of music representing many cultures rather than just the one that had built and launched the spacecraft, and that we strive to make a ‘good’ record.’

De samenstellers hebben hun uiterste best gedaan om alle windstreken aan bod te laten komen. Letterlijk, met muziek uit Indonesië, Benin, Congo, Australië, Papoea-Nieuw-Guinea, Georgië, Peru, Ruslang, Bulgarije, de Solomoneilanden, China en India. Plus wat oude blues van Blind Willie McTell. Het voelt als overcompensatie, maar klopt perfect met de gedachte achter de lp: een dwarsdoorsnede geven van het leven op aarde. Waarom zou je dan níet veel plaats inruimen voor volksmuziek van over heel de wereld?

In 1977 werden de beide ruimtesondes gelanceerd. Het scheelde niet veel of de gouden platen waren niet eens meegestuurd. Een overijverige ambtenaar, uitgerust met de taak om zeer zorgvuldig na te gaan of alles onderdelen die op de checklist stonden ook daadwerkelijk mee mochten, weigerde de platen mee te sturen. De reden was dat in de uitloopgroef de tekst ‘To the makers of music – all worlds, all times’ stond geëtst, iets dat niet op de checklist stond vermeld en reden voor hem was om de lp te weigeren. Sagan moest nog praten als Brugman om de lp’s écht meegestuurd te krijgen.

In 2012 verliet Voyager 1 ons zonnestelsel, maar de ruimtesonde zendt nog steeds signalen naar de aarde. Die zijn echter dermate zwak dat de antennes van de telescopen in Australië, Californië en Spanje verlengd moesten worden om contact te kunnen blijven houden. Verwacht wordt dat de signalen rond 2030 echt stoppen, als de generatoren het begeven.

Daarna zal de Voyager tot in lengte van dagen door de ruimte rondzweven, ook als de aarde allang is vergaan. Daarmee is de cultuur van de aarde veiliggesteld, als ware het een time capsule van Andy Warhol; tenzij beide sondes worden onderschept door een buitenaardse beschaving natuurlijk.

Posted in Muziek | Tagged , , | Comments Off on Voyager

Goofy

Het doel.

Ik wilde een longboard. Hoewel m’n huisje op een ideale locatie ligt – kwartiertje lopen en ik ben in de stad, binnen vijf minuten ben ik bij de Albert Heijn, een paar minuten verder en ik ben bij de sportschool – zocht ik naar een vervoermiddel dat nét iets sneller was dan de benenwagen. Ik kan natuurlijk fietsen, en dat doe ik heel graag, maar ik wil m’n fiets wel veilig kunnen stallen. Ik zie wel eens studenten in de buurt op een skateboard voorbij cruisen, dus dat leek me een goed alternatief. Goedkoop, praktisch en die dingen zien er ook nog eens enorm cool uit.

Meestal komt zo’n gril bij me op en ebt dan weer weg. Als die na een tijdje terugkomt, dan weet ik dat het serieus is. Al was er ook een stemmetje achter in m’n hoofd dat zei: djiezus Guido, je bent 37, moet je nou op je ouwe dag zo nodig de skater boy gaan uithangen? Daarbij, zou je er niet beter aan doen om eens je rijbewijs te gaan halen?

Noem het een midlifecrisis, of het peterpansyndroom, zelf hou ik het er liever op dat ik doe ik waar ik zin in heb – ongeacht m’n leeftijd. En trouwens, in de stad heb je meer aan een skateboard dan aan een auto. Toch bleef ook ik het een ongemakkelijk idee vinden, dus ik schoof de aanschaf voor me uit.

Dit voorjaar kreeg ik op m’n werk een nieuwe collega. Hij komt van een andere afdeling en is een paar jaar jonger dan ik. Een collega had ‘m eens naar het werk zien komen op een skateboard.
‘Gaaf,’ riep ik verrukt, ‘ik wil al een tijdje een longboard. Dan ga ik ‘m uithoren over tips.’
Het lag iets genuanceerder. De collega had geen longboard, maar een elektrisch skateboard. Ook leuk, en hij stuurde me links naar wat toffe Joetjoepfilmpjes.

Ik was om, nu nog wachten tot m’n vakantiegeld binnen zou komen. Ik wist precies wat ik wilde; het was alleen zaak om me over de laatste schroom heen te zetten en dat ding daadwerkelijk te bestellen.

Dat is de verkeerde volgorde. Beter was geweest om eerst naar de lokale skatehal te gaan (die heeft Eindhoven zelfs een heel gave), wat lessen voor volwassenen die ook zo nodig moeten te volgen (die geven ze daar namelijk) en daarna te besluiten of skateboarden iets voor me is. Alleen had ik al besloten dat skateboarden iets voor me is en dus bestelde ik een longboard. Een paar dagen later kon ik een groot, langwerpig pakket ophalen. Wat een gaaf ding, dacht ik, toen ik het board uit de verpakking haalde. Lang ook; ruim een meter. Ik zette het op de vloer van m’n woonkamer en probeerde erop te gaan staan. Dat ging niet, het rolde meteen weg. Pas toen ik op het board ging staan en me vasthield aan de bank én de schoorsteenmantel lukte het. Hmm, dacht ik, ik ook met m’n goede ideeën. Even vergeten dat ik niet alleen twee linkerhanden heb, maar ook twee linkerbenen.

Een dag later deed ik een nieuwe poging. Nu kon ik los staan en m’n evenwicht bewaren. Ik bewoog voorzichtig een paar meter heen en weer en probeerde bij te sturen. Ik maakte vorderingen, maar om echt iets te leren moest ik eigenlijk met dat ding naar buiten. Alleen durfde ik niet zo goed. Ik heb een perfect geasfalteerd sportveldje voor m’n huis, maar dan zou de buurt me zien aanklooien. Naar buiten om te hardlopen voelde al als een overwinning, met m’n hippe longboard oefenen was een paar bruggen te ver.

Eerst zocht ik op Joetjoep naar instructiefilmpjes. Die zijn vaak best goed, zo bevestigde een filmpje m’n vermoeden dat ik goofy ben, niet regular. Niet dat het erg is, het houdt alleen maar in dat je met je rechtervoet voor op het board staat (op de schroefjes, Jan-Peter) en met je linkervoet afzet. Nadat je hebt afgezet, zet je die linkervoet dwars achter op het board, daarna zet je ook je rechtervoet dwars. Zo kan je bijsturen en je evenwicht bewaren. Dat ging best goed. Alleen: nog steeds in de huiskamer.

Op een avond, toen het al donker was, nam ik m’n board mee naar het veldje voor m’n huis. Dat leek me veilig want iedereen was al aan het slapen, zo redeneerde ik. Dat viel tegen. Er waren nog wat buurtbewoners hun hond aan het uitlaten. Elke keer als iemand me zag, deed ik alsof ik iets anders aan het doen was. Ik zocht in de buurt verder naar een ander pleintje; het liefst een net, geasfalteerd pleintje aan het einde van het universum.

Plaats van handeling.

Zo ging het niet langer. Ik stuurde een mailtje naar de plaatselijke skatehal met de vraag of de cursus voor volwassenen die ook zo nodig moeten nog werd gegeven.

Het invulformulier op de website sprak boekdelen.
Jongen/meisje?
Ik vulde jongen in.
Leeftijd?
Euh… nouja, 37 dus.
Verderop in het formulier vulde ik in dat ik wat basistricks voor m’n longboard wilde leren en nee, ik hoef niet per se een ollie of kickflip te kunnen maken.

Nadat ik het formulier had verstuurd bleef het oorverdovend stil. Waarschijnlijk hadden ze bij de skatehal enorm veel lol met mijn verzoek. Maar na een week kreeg ik toch reactie. Ja, ze gaven inderdaad ook cursussen voor volwassenen, maar ze begonnen daarmee pas weer na de zomervakantie. Het was wel skateboarden, niet longboarden. Dat leek me geen probleem. Misschien vond ik het toch leuk een ollie of een kickflip te kunnen maken. En als het niks zou worden, zat er vast nog een leuke blog in.

Eind augustus ging ik voor het eerst naar Area 51. Bij de receptie kreeg ik een skateboard en een helm (dat laatste leek me geen overbodige luxe), in de hal maakte ik kennis met de instructeur die deze avond nog twee andere, meer ervaren oudere skateboarders begeleidde.
‘Heb je wel eens een boardsport gedaan?,’ vroeg de instructeur.
‘Nope,’ zei ik.
‘Weet je met welke voet je afzet?,’ ging hij verder.
‘Met links,’ zei ik.
Goofy dus,’ zei hij.
‘Yep,’ zei ik, als volleerd kenner van het skateboardjargon.

Ik dacht dat een eerste les niet meer zou behelzen dan wat afzetten en balanceren, met hooguit een stukje cruisen, maar m’n instructeur had andere plannen. Hij wilde meteen met me van een helling af. Nouja, hellinkje.
‘Als je naar beneden gaat, dan leun je mee,’ legde hij uit.
Ik probeerde mee te leunen maar dat ging niet goed. Telkens leunde ik te veel op de arm van de instructeur. Dat vond ik niet gek; als je met een skateboard een helling af gaat, voelt het contra-intuïtief om mee te leunen. Een zevenjarige zal zich daar makkelijk overheen zetten maar ik, met 37 jaar levenservaring in m’n vezels, sputterde iets meer tegen.

‘Chill,’ zei de instructeur, ‘het is niet voor niets dat skaters zoveel blowen en relaxen. En als je door je knieën gaat en relaxed staat, val je ook minder hard.’
Dat door de knieën gaan klonk logisch. Dat chillen ook. Waar had ik dat trouwens eerder gehoord? Ineens was ik in gedachten weer op Hawaï, vijf jaar geleden, waar ik een surfles volgde. De surfinstructeur was nog enthousiast begonnen door z’n groepje leerlingen te vertellen dat hij iedereen kon leren surfen. Maar m’n allesbehalve soepele surf moves brachten ‘m danig aan het twijfelen. Hij nam me apart. ‘You’re doing fine,’ verzuchtte hij, ‘but you need to relax more.’
Daarmee gaf hij onbedoeld de beste les van die vakantie. Niet alleen voor surfen, maar voor het hele leven. Toch, hier was ik, vijf jaar verder en nog steeds kreeg ik te horen dat ik moest chillen.

‘Weet je zeker dat je goofy bent?,’ vroeg de instructeur na een tijdje.
‘Dat weet ik heel zeker,’ zei ik en vertaalde z’n opmerking als: djiezus, dit is écht een hopeloos geval.
Bij weer een nieuwe poging verloor ik de controle over m’n board en ging onderuit.
‘Dat komt omdat je niet voldoende leunde,’ riep de instructeur terwijl ik weer overeind krabbelde, gevolgd door een meer empathisch ‘gaat het?’

Intussen was m’n T-shirt doorweekt van het zweet van de inspanning.
‘Het is hier warm he?,’ zei de instructeur droogjes.
Ik vroeg me af hoe ik dit in godsnaam ging leren. De instructeur dacht vermoedelijk hetzelfde.

Ooit heb ik leren fietsen, zo bedacht ik. Ik heb daar belachelijk lang over gedaan, maar toch. Ik prentte mezelf daarom maar in dat leren skateboarden niet veel anders was dan leren fietsen. Ook dat ging met vallen en opstaan en, belangrijker nog, kostte tijd. Veel tijd.

Hoe ga ik dit beest temmen?

Een week later ging ik terug. Dat hellinkje moest dit keer lukken. Dat hele skateboarden moest lukken want ondanks dat het voelde alsof ik mezelf compleet belachelijk had gemaakt, vond ik het wel enorm leuk. Ik vond een skateboard zelfs veel leuker dan een longboard. Opnieuw had m’n instructeur andere plannen. In een aparte ruimte achter de grote hal was een skatebaan met een opstaande rand van een kleine meter hoog. Of ik daar vanaf kon gaan.
‘Echt niet,’ zei ik.
‘Jawel,’ vond de instructeur.
Even later hing ik met m’n skateboard over de poke in het luchtledige, me af te vragen hoe het zover had kunnen komen. Daarna ging ik naar beneden. Hóe weet ik niet maar ik bleef op m’n board staan, al was dat alleen omdat m’n instructeur me ondersteunde. We deden nog twee pogingen, daarna gingen we weer naar de hal om hellinkjes te doen.

‘Je leunt steeds beter mee,’ merkte de instructeur na een tijdje oefenen met verschillende hellinkjes op. ‘Volgens mij kan je makkelijk alleen van dat hellinkje af.’
Daar dacht ik zelf anders over, maar ook ik moest toegeven dat het steeds beter ging. M’n houding, ontspannen, knieën licht gebogen en met de schouders boven m’n board, werd steeds beter en ik kon makkelijker balanceren. Nu was het vooral een kwestie van zelfvertrouwen krijgen.
‘We gaan naar een ander hellinkje en dan probeer je het met een aanloop,’ stelde de instructeur voor.
Ik deed een poging en het ging. Het was een hellinkje van niks, zo’n geval waar een zevenjarige nog z’n snotneus voor op zou halen, maar stiekem was ik best trots. Nadat de les was afgelopen, bleef ik nog een half uur lang dit ene hellinkje doen.

Een week later had ik weer les, dit keer met een andere instructeur. Eerst ging ik naar die instructiebaan met de opstaande rand, drop-ins oefenen.
Fuck, dacht ik, daar gaan we weer.
‘Je bent niet ontspannen,’ riep de instructeur terwijl ik stijf van de zenuwen op de rand stond, ‘je kunt er pas af als je ontspannen bent.’
Nee hehe, dacht ik, wat zou jij zijn als je met je board over de rand hangt en je het gevoel hebt dat je jezelf in de afgrond stort? De eerste keer bleef ik net overeind, vooral omdat de instructeur hard aan m’n bovenarmen sjorde. De pogingen daarna gingen niet veel beter. No way dat ik alleen van die rand af durfde te skateboarden. De rest van de les ging op aan hellinkjes en wat op het board leunen. Voorover, achterover, sturen, op en af springen. Dat ging heel aardig.

‘Hoe vind je het zelf gaan?,’ vroeg m’n instructeur na afloop.
Het voelde als een gewetensvraag, alsof ik een paar weken een nieuwe baan had en de werkgever weinig subtiel wilde laten weten dat m’n kwaliteiten nog niet echt uit de verf waren gekomen.
Tja, hoe vind ik het gaan, dacht ik. Wat is het referentiekader? Ik had na drie weken nog niks gebroken, verstuikt of verzwikt en dat vond ik zelf een behoorlijke prestatie. Aan de andere kant vloog ik nog niet bepaald elegant door de skatehal.
‘Ik weet het niet,’ zei ik, ‘wat is normaal na drie lessen?’
‘Maar voel je je al meer vertrouwd?,’ was het antwoord.
‘Ja, dat wel,’ zei ik. Wat ook waar was, want het ging elke les een stukje beter. Misschien was het ook te veel gevraagd om te denken dat ik na drie weken al in de halfpipe kunstjes stond uit te voeren.

Toch zag ik al voor me hoe ik wekelijks bleef stuntelen op de simpelste hellinkjes, al dan niet met behulp van de instructeur, terwijl ik links en rechts ingehaald werd door leeftijdsgenoten die na één les meer konden (en vooral: durfden) dan ik. Ik moest denken aan de tijd dat ik nog aan reddingszwemmen deed. Dat werd een jeugdtrauma, omdat ik het duiken niet onder de knie kreeg. Ik bleef jarenlang op hetzelfde brevet steken, terwijl de zwemmers om me heen steeds jonger werden en dus kapte ik er na een tijdje mee.

Om de volgende keer goed beslagen ten ijs te komen besloot ik in het weekend nog op een rustig moment in de skatehal te gaan oefenen. Huiswerk maken. Weer begon ik met dat suffe hellinkje. Een jochie van een jaar of tien stond naast me wat trucjes te doen en maakte een praatje.
‘Heb je die hogere helling al gedaan?,’ vroeg hij. Hij wees naar een helling die ik eerder wel eens had gedaan, maar dan met hulp van de instructeur.
‘Nee, daar begin ik nog niet aan,’ zei ik, ‘jij wel?’
‘Ja, die heb ik vorige week gedaan,’ antwoordde hij.
‘Hoe lang ben je bezig?,’ vroeg ik.
‘Drie weken,’ zei hij.
Fuck, dacht ik. Toen het jochie even later weg was, skateboardde ik naar de rand van de hogere helling. Het was niet veel hoger dan wat ik tot nu toe had geprobeerd en even, heel even twijfelde ik.

Inmiddels ben ik ruim een maand verder. Die hogere hellinkjes blijven een uitdaging. Nog steeds sta ik op de rand en is er een stemmetje in m’n achterhoofd dat zegt: waar zijn we nou helemaal mee bezig?
‘Er kan niks gebeuren,’ zegt de instructeur dan.
Nou, denk ik op mijn beurt, ik kan me heel veel dingen voorstellen die kunnen gebeuren.

Gaandeweg durf ik steeds meer. M’n afzet blijft ruk, maar ik lever tegenwoordig zelfs een paar keer per les een goede drop-in af, al is dat vermoedelijk meer geluk dan vaardigheid. En de instructeur blijft heel supportive: ‘Je kunt het, nu moet je het ook nog durven.’
Dat kan je gerust als een metafoor voor m’n leven zien.

Afgelopen week heb ik m’n eigen skateboard aangeschaft, want die leengevalletjes van de skatehal was ik zat. Als skateboarden net is als fietsen, dan leer je dat toch het beste op je eigen board. Het is nog best een fancy exemplaar, want ik moest natuurlijk weer het deck met de duurste print. Het ding is trouwens net wat breder dan een standaard skateboard, vanwege m’n lengte en euh… leeftijd. En dan komen daar nog trucks, lagers en wieltjes bij. Een behoorlijke investering, maar je doet iets goed of je doet het niet.
‘Aan het board zal het niet liggen,’ zei de verkoper nadat hij m’n skateboard in elkaar had gezet.
Nee, dacht ik, dus ik heb geen excuus meer. Die hellinkjes gaan me lukken. Net als de drop-ins. En de afzet.

Weet iemand nog een asfaltveldje aan het einde van het universum waar ik kan oefenen?

Als ik m’n nek breek, dan wel in stijl.

Posted in Eindhoven, Overig, Skateboarden | Tagged , , , | 1 Comment

Anneke

Bij het overlijden van Anneke Grönloh moet ik denken aan Eddy, een oud-collega van m’n vader. Die oud-collega moet de grootste Grönloh-fan van Nederland zijn. Het kan niet anders of hij heeft er persoonlijk voor gezorgd dat Brandend Zand in 2005 plotsklaps op nr. 110 in de Top 2000 stond. De dienstdoende dj van Radio 2 zei er niks van te snappen waarom die plaat ineens zo sterk was gestegen. Ik wist wel beter.

Het zal rond die tijd zijn geweest dat ik met een vriend een paar dagen in Den Haag was voor een muziekfestival. Op straat zag ik een grote poster van Anneke Grönloh in overdreven glamourpose hangen. Ze ging optreden in het lokale filiaal van Holland Casino. Dat zou echt een poster voor Eddy zijn, dacht ik, dus bij thuiskomst stuurde ik een mailtje naar Holland Casino. Ik legde uit dat het hier zonder twijfel de grootste fan van Grönloh betrof en of ze, desnoods tegen betaling, me een paar posters wilden toesturen. Per omgaande vond ik – gratis – een paar posters bij de post.

Nu was het zaak om de posters bij Eddy te krijgen. M’n vader (en Eddy) stonden beiden voor de klas op een basisschool. Het leek m’n vader leuk om de poster in het weekend in Eddy’s lokaal te hangen. Dan zou hij de poster vanzelf op maandagochtend vinden. Dat vond ik ook wel grappig, dus in het weekend reden we naar school en hing ik de poster over een muur met allerlei kleinere posters en foto’s van hedendaagse popartiesten. Want ondanks z’n liefde voor Grönloh is (en was) Eddy een groot muziekliefhebber, iets dat hij graag met z’n leerlingen deelde. Nadat ik een poster had opgehangen legde ik de koker, met daarin een tweede poster, bij hem op het bureau. Ik schreef er een kort briefje bij.

Hoe het precies gegaan is weet ik niet, maar blijkbaar vond Eddy de koker niet op z’n bureau toen hij maandagochtend z’n lokaal binnenkwam. Sterker nog, hij had de eerste paar uur niks in de gaten. Totdat hij een toets afnam. Een leerling keek halverwege de toets op, zag de levensgrote poster van Anneke Grönloh hangen en riep verschrikt uit: ‘Gatverdamme! Wie is dat lillik mens?’

Eddy schrok zich rot, zag de poster van Anneke Grönloh hangen en vond toen pas de koker met m’n notitie.
‘Die leerling heb ik natuurlijk meteen de klas uitgestuurd,’ zei hij later verontwaardigd, toen hij mij belde om te bedanken voor het cadeau.

Jaren later ben ik eens bij Eddy thuis geweest. In de computerkamer hing de poster aan de muur.

Posted in Eindhoven, Muziek | Tagged , , | Comments Off on Anneke

Walcheren

Strekdammen (of paalhoofden) zijn zo fotogeniek.

Op de deuren van de eerste wagon van de trein staan twee fietsen afgebeeld. Dat heb ik wel gezien toen de trein het station binnenreed maar ik had gehoopt op een ander paar deuren ook nog de fietsen te zien. Niet dit keer, dus ik moet het hele perron terug af lopen. Dat is nog een best stuk, dus ik moet me haasten. De conducteur merkt het op en wenkt een keertje minzaam naar achter. Duh, denk ik, dat had ik zelf ook wel gezien.

Het is trouwens beter dan een andere keer dat ik met m’n fiets in de trein wilde reizen en een ouder stel zonder pardon de toegang tot de trein werd ontzegd; er stonden al te veel fietsen. Maar fietsen meenemen in de trein is een stuk minder populair geworden sinds de introductie van de OV-fiets. De enige andere rijwielen op het balkon zijn drie BMX-fietsen.

Ik zet m’n fiets op de daarvoor bestemde plek en ga verderop in de wagon zitten, met m’n koptelefoon op. Naast me zitten vier meisjes die het rooster van het nieuwe schooljaar met elkaar bespreken. Ik vang flarden van het gesprek op en zet m’n muziek zachter. Eentje roept verontwaardigd uit: ‘Maar waarom zit zij niet in dezelfde klas als mij?’

De docent Nederlands gaat een zwaar jaar tegemoet denk ik.

Als ik een ‘als mij/dan ik’ taalfout hoor, moet ik steevast denken aan twee jongens die ik ooit in het krachthonk van de sportschool trof. Een van de twee had het pas uitgemaakt met z’n vriendin. Daar was een goede reden voor, zo legde hij uitvoerig aan z’n trainingsmaatje uit, want hij was heel sportief en zij lag heel de dag op de bank chips te eten. Hij sloot z’n relaas af met de veelzeggende opmerking: ‘Zij is gewoon niet zo slim als mij.’

Op station Tilburg kijk ik op het balkon naar m’n fiets. De BMX’ers zijn vertrokken. Als de trein weer vertrekt ga ik op een andere plek in de wagon zitten. De man naast me leest op z’n laptop het wikilemma over Liechtenstein. Ik heb zin om ‘m te vertellen dat het belangrijkste exportproduct van Liechtenstein kunstgebitten is, maar ik wil niet al te freaky over komen.

Ik ben onderweg naar Zeeland voor een fietstochtje. Meestal steek ik dan de Westerschelde over en fiets ik door de duinen naar Nieuwvliet en Cadzand. Op de terugweg fiets ik dan door Sluis voor een bezoek aan het Meisje van de Slijterij, iets wat ik al deed toen ze haar winkel nog in Breskens had. We hebben het in Nederland niet slecht getroffen met badplaatsen, maar die in Zeeland, en dan met name Zeeuws-Vlaanderen, zijn het állerbeste. Betrekkelijk rustig, met mooie stranden met van die leuke strekdammen (of paalhoofden, daar zijn de kenners het niet over eens).

Dit keer blijf ik aan de noordkant van de Westerschelde. Een rondje Walcheren heb ik nog nooit gefietst. Niet al te uitdagend (ik fiets doorgaans langere afstanden), maar met zat leuke plaatsen om me niet te hoeven vervelen. Dat begint al met Middelburg zelf, een stad waar ik al vaker ben geweest, maar dat één van m’n favoriete Nederlandse steden blijft. Een prachtig historisch centrum waar de tijd stil lijkt te hebben gestaan: de Lange Jan, de Koorkerk, de Oostkerk, de kaaien, het Abdijplein en die vele, smalle, uitgestorven straatjes met huizen die niet bekend staan onder hun huisnummer maar onder hun naam.

Een eerste wandeling door Middelburg.

Eerst beklim ik de 207 treden van de Lange Jan voor een uitzicht over het voormalige eiland. Daarna ga ik langs in de Koorkerk, laatste rustplaats van Rooms-koning Willem II van Holland. Hij stond in 1255 op het punt om in Rome tot keizer gekroond te worden maar besloot eerst nog op strafexpeditie tegen de West-Friezen te trekken. Dat had hij beter niet kunnen doen. Hij zakte januari 1256 door het ijs van het Berkmeer en werd door de West-Friezen gedood. Z’n zoon Floris V wist pas in 1282 de resten van z’n vader te krijgen en z’n graf, of wat daar nog van over is, bevindt zich in de Koorkerk. Omdat het één van de oudste graven van Nederland is, stond ik hier een jaar of tien geleden voor een interview met een Zeeuws historicus voor m’n afstudeerdocumentaire.

Het fijne van Walcheren is dat alles befietsbaar is. Ik fiets Middelburg, een stad die niet kapot is gemaakt door allerlei lelijke buitenwijken, uit en ben nog geen half uur later in Veere, een plaats met zo’n 1600 inwoners en een aantal stokoude straatjes, plus jachthaven. Dat betekent ook: toeristisch. Aan de Markt bevinden zich allerlei restaurantjes, de ene nog chiquer ogend dan het andere, met tussendoor authentiek aandoende winkels. Het mooiste is het uit de vijftiende eeuw stammende stadhuis van Veere, waar net een bruiloft gaande is.

Daarna fiets ik verder naar Domburg. Dat wil ik eigenlijk via Vrouwenpolder doen, maar de weg gaat richting Gapinge, Serooskerke en Oostkapelle. Dorpjes met huisjes die te huur, of zu mieten, staan met in het centrum een klein kerkje, een enkele keer met dakruiter. Ook best.

In Domburg ga ik pootjebaden tussen de paalhoofden. Ik wil een foto maken, maar de twee rijen paalhoofden staan niet diep genoeg voor een mooie foto. Dan maar naar twee rijen paalhoofden die een paar honderd meter verderop staan. Daar heb ik meer geluk. Hoe verder ik terug het strand op loop, hoe mooier het effect. Nee, het is niet heel creatief van mij, sterker nog, ik zie een man exact dezelfde foto proberen te maken én ik ken een soortgelijke foto van het hoesje van Bløfs single Aan de Kust, maar mooi is het wel. Op de boulevard fotografeer ik de villa Carmen Sylva. Dat is het pseudoniem van de Roemeense koningin Elisabeth von Wied. Zij logeerde in 1889 in Domburg in Villa Maria, dat nu haar naam draagt.

Aan de voet van de duinen wandel ik door de hoofdstraat van Domburg. In een sportwinkel tref ik het. Vorige maand had ik tijdens een bezoek aan Lund in Zweden in een etalage een leuk T-shirt zien liggen. Het was vroeg, de winkel was nog gesloten en ik moest op tijd terug naar Malmö en ik dacht dat ik het T-shirt ook later nog online kon bestellen. Helaas kon ik het niet vinden. Nu kom ik datzelfde T-shirt stom toevallig tegen in een winkel in Domburg.

Veere en Domburg, met op de onderste foto de villa Carmen Sylva.

Op weg terug naar Middelburg komt me een stel tegemoet gefietst.
‘Is dat de weg naar Oostkapelle?,’ vraagt de vrouw, terwijl ze in de richting wijst waar ik vandaan kom.
‘Euh… Serooskerke geloof ik,’ antwoord ik.
‘Nee, dat kan niet,’ zegt de man terwijl hij op een richtingaanwijzer wijst, ‘Serooskerke is die kant op.’
‘Oja,’ zeg ik en ik begin te twijfelen. Wat is toch dat dorpje waar ik net doorheen ben gefietst? Op de kruising waar ik dit stel tref staan twee straatnaambordjes. Aan de kant waar ik vandaan kom heet die de Grijpskerkseweg, aan de kant waar het stel vandaan komt heet die de Oostkapelseweg. In Eindhoven heb je de Heezerweg en die leidt naar Heeze, de Leenderweg leidt naar Leende en de Aalsterweg naar Aalst.
‘Nee, het moet Oostkapelle zijn waar ik net doorheen ben gefietst,’ zeg ik.
‘Weet je dat zeker?,’ vraagt de vrouw, die duidelijk al even aan het zoeken is.
‘Ja, zeg ik. Dat móet wel. Waarom zou die weg anders de Grijpskerkseweg heten,’ leg ik uit.

Ze lijken niet echt overtuigd en zelf twijfel ik eerst ook nog. Als ik het later thuis op een kaart nakijk zie ik dat ik ze gelukkig de juiste kant op heb gestuurd.

In Middelburg loop ik nog een rondje door het centrum. De stad is nog mooier tegen de avond, als het centrum langzaam stiller wordt. Het licht valt mooi over het Abdijplein en het Damplein, een langgerekt plein aan de rand van het centrum. Er staat een beeld van een koningin. Ik denk Wilhelmina, maar daarvoor oogt de dame in kwestie te frêle.

Er loopt een gezin voorbij. Een jongetje leest de tekst op het beeld voor: ‘Nederland zij groot in alles waarin ook een klein volk groot kan zijn.’
‘Wie is dat?,’ vraagt hij aan z’n moeder.
‘Dat is koningin Emma,’ antwoordt zij.
Mooi denk ik, weet ik dat ook weer.

Aan het Damplein ligt een Italiaans restaurant met een mooi terras. Hier eet ik terwijl de zon langzaam ondergaat. Als ik later in de trein stap, zie ik de laatste zonnestralen boven de Oosterschelde en het Markiezaat.

Heel soms heb je een dag dat alles meezit. Dit is zo’n dag.

Abdijplein en Damplein, tijdens een tweede wandeling door Middelburg.

Posted in Foto's | Tagged , , , , , , , , | Comments Off on Walcheren