Bushalte

Vanavond was ik aan het skateboarden voor m’n huis toen ik een man zoekend zag rondlopen. De meeste mensen die in de buurt aan het zoeken zijn spelen Pokémon Go (er bevindt zich een gym voor m’n huis), of zijn op weg naar de coffeeshop op de hoek (de Highlander is sinds dit weekend weer open, dus alle enthousiaste blowers hoeven niet meer naar de Sindbad, een stukje verder, in de Hobbemastraat).

De man liep op me af en liet z’n telefoon zien. Hij legde in gebrekkig Engels uit dat hij de opstapplaats voor de bus naar Polen zocht. Die zou zich in de buurt van de Van Goghstraat en de Ruysdaelbaan bevinden, bij het tankstation van de Tango. Ik ken geen Van Goghstraat, wel de Ruysdaelbaan. Ook dat tankstation ken ik, dus ik bood aan een stukje mee te lopen. Ik ben de kwaadste niet.

Onderweg vertelde hij gelaten dat hij z’n vlucht had gemist, en dat z’n vrouw en kinderen nu thuis op ‘m zaten te wachten. Hij was al twee uur in rondjes aan het lopen, wanhopig op zoek naar die bushalte. Ik knikte begripvol en zei dat het moeilijk kan zijn je te oriënteren in een vreemd land. Hij vertelde waar hij vandaan kwam in Polen, vlak bij de grens met Litouwen en Rusland, en wilde weten hoe het leven in Eindhoven was. De man zei nog nooit zo’n aardige Nederlander te zijn tegengekomen. I’ll take that. Hij was vijf jaar terug voor het laatst in Eindhoven geweest en alles was veranderd. Dat verbaasde me, net zoals het me verbaasde dat zich bij mij in de buurt een opstapplaats voor de bus naar Polen zou bevinden. Het leek me dat hij toch écht bij het busstation bij Eindhoven Centraal moest zijn maar nee, hij wist het zéker, er bevond zich een internationale bushalte in de buurt.

‘So that’s your… exercise?,’ vroeg hij, terwijl hij naar m’n skateboard knikte.
‘Yes,’ lachte ik en legde uit dat ik anderhalf jaar geleden was begonnen. ‘Actually, one of my teachers is Polish.’
Hij vertelde dat z’n zoon ook een skateboard had: ‘But it’s electric.’

De navigatie op z’n telefoon gaf aan dat we toch niet bij dat tankstation moesten zijn, dus we liepen verder de Ruysdaelbaan af. Maar toen we de doe-het-zelfzaken achter ons hadden gelaten en in een woonwijk terecht waren gekomen, begon ik wel heel erg te twijfelen aan die opstapplaats. Daarnaast dacht ik dat, als hij al twee uur aan het dwalen was, die bus toch allang vertrokken zou zijn. Ik hield wijselijk m’n mond. Hij vond het allemaal al vervelend genoeg.

Ik vroeg of ik op z’n telefoon mocht kijken. Ik zag dat we in de buurt zaten, maar dat we weer van ons einddoel aan het weglopen waren. We moesten in de Hobbemastraat zijn.
‘There are some shops there,’ zei ik schouderophalend, al kon ik me niet herinneren daar ooit een kantoor voor busreizen te hebben gezien, laat staan een halte voor internationale bussen.
We liepen door de Hobbemastraat: voorbij de Turkse groentewinkel, de avondwinkel en de coffeeshop. Maar geen bushalte. De man was inmiddels behoorlijk overstuur.
‘But I have already been here two times,’ stamelde hij.
‘What’s the name of the bus company? Flixbus?,’ vroeg ik.
‘No, Sindbad,’ reageerde hij gelaten.

Nee, de mededeling dat hij twee uur lang naar een coffeeshop in plaats van de opstapplaats voor de bus naar Polen had gezocht viel niet helemaal in goede aarde. Toch kostte het nog heel wat moeite de man te overtuigen dat hij beter de eerstvolgende bus naar Eindhoven Centraal kon nemen.

Want toen ik het op m’n telefoon opzocht, had ik binnen een minuut uitgevogeld dat de bussen van het Poolse busbedrijf Sindbad vanaf de John F. Kennedylaan vertrekken. Wel pas morgenochtend, maar dat mag iemand anders ‘m vertellen.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged , , , | Comments Off on Bushalte

Pleuriskutstuntstepjes

Er is een speciaal plekje in de diepste hel gereserveerd voor de uitvinder van het stuntstepje. Of, zoals ik het noem: het pleuriskutstuntstepje. Pleuriskutstuntstepjes zijn het afvoerputje van de jeugdcultuur. Het speeltje van veel te jonge gappen die in nepkleding van In Gold We Trust, Stone Island of Black Bananas (met heuptasje om de schouders, want dat is swag) paraderen.

Je denkt misschien dat ik als skateboarder per definitie een pesthekel aan stuntstepjes heb. Dat is niet waar. Ik wist voordat ik begon met skateboarden niet eens dat de aversie tussen skaters en stuntstepjes een dingetje is. Nee, ik kwam er simpelweg al heel snel achter dat het ondingen zijn.

Op zich kan het stuntstepje zelf daar weinig aan doen. Het probleem zit ‘m in de bestuurder van het ding. Die is nog zeer jong, zwakbegaafd, of allebei. Al snap zelfs ik de appeal van het stuntstepje: het gaat lekker snel en het is, in tegenstelling tot skateboarden, vrij makkelijk te leren. Waar het heel wat schaafwonden, blauwe plekken, ja zelfs hechtingen kost voordat je een beetje zelfverzekerd op een skateboard staat (hier spreekt een ervaringsdeskundige), is het rijden van een stuntstepje niet al te moeilijk. Niettemin dragen alle bestuurders een helm. Waarom is mij een raadsel; een hersenbeschadiging zullen ze niet oplopen.

Maar zoals de vader in Boyhood zo mooi zegt als zoonlief wil bowlen met hekjes in de goten: ‘Life doesn’t give you bumpers.’ Je kunt maar beter op jonge leeftijd leren dat het leven kut is. Daar hoort vallen (en weer opstaan) nu eenmaal bij.

In de skatehal is een duidelijk onderscheid gemaakt: er is een groot deel voor skateboarders en inlineskaters en er is een, toegegeven, veel kleiner deel voor stuntstepjes en bmx’ers. Omdat stuntstepjes mateloos populair zijn, kan het gebeuren dat dit kleine gedeelte overvol is, terwijl het grote deel een stuk leger is. Skateboarden vergt nu eenmaal wat ruimte.

Dat onderscheid is voor veel stuntstepjesrijders niet duidelijk en dus gebeurt het vrijwel dagelijks dat er ineens een koter van een jaar of acht, met verstand op nul en blik op oneindig, op z’n stuntstepje in het verkeerde deel van de hal rondrijdt. Ik rol dan met m’n ogen, verzucht ‘daar gaan we weer’ en probeer omstandig duidelijk te maken dat het joch verkeerd zit. Dat dringt pas na meerdere keren druk wijzen en roepen door, als het al niet voor allerlei vervelende discussies zorgt (wat daarbij niet helpt is dat ik, als 38-jarige, natuurlijk Heel Erg Eng ben).

Het verst ging een jochie dat eerst door mij werd weggestuurd, maar niet wilde geloven dat ie naar elders in de skatehal moest. Hij kwam, aangemoedigd door een vriendje, vijf minuten later doodleuk terug. Dit ging me te ver, dus ik haalde iemand van het personeel erbij. Die stuurde ‘m weg, maar een kwartier later was hij er weer. Zwakbegaafd.

Ook mooi, die ene zaterdag dat vijf of zes stuntstepjes (en een paar bmx’ers, voor de afwisseling) in de skatebowl rondhingen. Ik stond naast de bowl m’n ollies te oefenen en hoefde er niet bij, maar zag één jonge skater ruziën met die gasten. Ik vind dat kinderen zelf hun problemen op moeten lossen maar hier was de verhouding zoek, dus ik haalde het personeel erbij. Die stuurde ze weg. Ik ging daarna elders in de hal skateboarden, maar toen ik een uur later terug kwam, hing hetzelfde groepje weer rond in de bowl. En nu wilde ik er wél bij.

‘Jullie mogen hier niet zijn, jullie moeten daar heen,’ zei ik en wees nadrukkelijk naar het deel van de hal dat specifiek voor stepjes en bmx is bedoeld.
‘Niet waar,’ antwoordde eentje brutaal.
‘Jawel,’ zei ik en wees naar de jongen met de grootste mond, ‘en jij moet dat zeker weten, want jij bent een uur geleden al weggestuurd.’
‘Ik?,’ zei hij met gespeelde verontwaardiging, ‘echt niet.’
‘Dat was je wel, en als je het niet was, dan weet je het nu: je moet dáár heen,’ en opnieuw wees ik welke kant hij op moest.
Ik ging op de rand van de bowl zitten wachten tot ze eruit kwamen. Dat gebeurde met veel misbaar, waarbij eentje klaagde dat hij z’n stepje écht niet uit de bowl getild kreeg. Uh-uh.
‘Geef maar aan,’ verzuchtte ik en ik trok het ding met één ruk uit de bowl.

Het punt is: één stuntstepje is niet zo erg. Als het rustig is, dan vind ik het ook lullig om tegen zo’n knulletje te zeggen dat ie naar elders in de hal moet. Het kind heeft er lol in, is zich van geen kwaad bewust, ach, dan is het toch niet zo erg? Maar wat gebeurt er? Er komt een tweede kind met een stepje binnen, die ziet iemand in het verkeerde gedeelte van de hal op een stuntstepje rijden en denkt: o, het mag en voor je het weet rijden er tien van die krengen rond.

Om de stuntstepjes en bmx’ers ter wille te zijn is op maandag alles gemengd: alles en iedereen rijdt kriskras door elkaar. Ik mijd het park dan als de pest, en met mij veel andere skateboarders. Het is simpelweg te gevaarlijk om te skateboarden als de stuntstepjes in kolonne van hellinkjes af komen snellen. Ze rijden de meest vreemde lijnen (bij skateboarders kan ik meestal wel lezen hoe ze rijden) en zwiepen vervaarlijk met hun platforms.

Afgelopen kerstvakantie waagde ik toch een poging en ging op een maandag naar de skatehal. Ik stond op een verhoging, klaar om in te droppen (dat, even een skate-update tussendoor, steeds beter gaat) toen een uk op een stuntstepje me tegemoet kwam rijden. Nadat hij met het ding op de coping naast mij was geland draaide hij nog even z’n platformpje rond (dat dient geen enkel nut, maar hoort zo) en lette daarbij totaal niet op wat hij deed, waardoor het stepje rakelings m’n enkel miste. Je weet wel, die ene enkel waar ik sinds een paar maanden een prachtig litteken heb. Ik keek het joch zo vernietigend aan dat hij de rest van de dag niet meer in een straal van vijftig meter bij me in de buurt durfde te komen.

Ook op de laatste dag van het jaar was alles gemixt. Dat wist ik vooraf, toch was ik geschokt door het Armageddon dat ik in de skatehal aantrof. Het enige rustige plekje was een minibowl die zo klein is, dat ie amper skatebaar is. Maar nood breekt wet, elke dag oefenen betekent elke dag oefenen, ik hou die discipline toch al sinds januari 2019 vol, dus ik ging uit arren moede in dat ding rondrijden. Binnen twee minuten stonden twee ukken met stuntstepjes aan de rand. Eerst negeerde ik ze. Dat kon makkelijk, want ik had muziek opstaan. Na een minuut of vijf liet ik ze knarsetandend in de bowl.

Twee minuten later wilden ze er weer uit. De ene klauterde er met stepje en al in no time uit, maar de ander had meer moeite. Ik zag dat ze iets tegen me zei, dus ik zette m’n koptelefoon af.
‘Meneer, kunt u m’n stuntstepje aanpakken, ik kom er niet uit,’ vroeg ze.
Stik erin, dacht ik, blijf lekker in die bowl tot na de jaarwisseling, ik gooi er wel wat eten in.

Tussen droom en daad staan praktische bezwaren, dus ik hielp haar er toch maar uit. Maar na twee minuten op de rand van de bowl te hebben gestaan, sprong ze er weer in. In diezelfde bowl waar ze net nog per se uit wilde.

Wijsheid komt met de jaren en dus valt bij veel stuntstepjes na verloop van tijd het kwartje: stuntsteppen is een infantiele bezigheid. Als ze een beetje slim zijn, stappen ze natuurlijk over naar skateboarden, want een volwassene op een stuntstepje is pas écht sneu. Een pluspunt: die weten wel waar ze mee bezig zijn.

Vanaf maandag gaat de skatehal voor zeven maanden dicht voor een grondige verbouwing. Vanaf de heropening is alles gemengd: Area 51 wordt één grote punica-oase. Dan is het sowieso gedaan met skateboarden in het weekend, want ik voorspel: de stuntstepjes nemen overdag het hele park over. Ik zie het somber in.

Vooruit, er is één pluspunt. Stuntstepjes moeten voor het donker thuis zijn.

Posted in Skateboarden, Uncategorized | Tagged , , | Comments Off on Pleuriskutstuntstepjes

Audioronde

Op de middelbare school had ik ieder kwartaal de Krant in de Klas-nieuwsquiz. Een quiz, uiteraard, met daarin tien vragen over de actualiteit. Ik haalde standaard een tien en de toets was ook nog onderdeel van Maatschappijleer, toch al een favoriet vak van me. Daarin was ik de enige. Net zoals ik de enige in de klas was (op havo én vwo) met een beetje algemene ontwikkeling, maar de verhalen daarover bewaar ik wel voor een andere blog.

De leraar Maatschappijleer had bedongen dat áls hij de toets afnam, dit in alle klassen tegelijkertijd diende te gebeuren. Dit betekende dat een collega-docent werd gedwongen zo’n twintig minuten van diens les af te staan, iets wat de docent in kwestie knarsetandend toeliet. Misschien dat dat ertoe bijdroeg dat die docent een oogje toekneep als het op spieken of valsspelen aankwam.

Als ik m’n eigen toets had gemaakt, een klusje dat ik in enkele minuten had geklaard, keek ik naar de leerling naast me, die mij verwachtingsvol aankeek. We wisselden dan snel de toetsen, en ik maakte de toets van m’n buurman- of vrouw. Als de docent echt niet goed oplette, wat veelvuldig voorkwam, kreeg ik ook nog de toetsen van de klasgenoten voor en achter me in de rij, plus die dáárnaast en dáárvoor. Het gevolg was dat zo’n acht leerlingen tienen had maar, ik vertelde al dat de algemene ontwikkeling bij de meeste klasgenoten nihil was, de rest van de klas haalde enen en tweeën.

Misschien vond ik dat nog wel het grappigste: er was een opvallende discrepantie in de cijfers, maar de docent is dat nooit opgevallen. Of hij heeft er in elk geval nooit iets over gezegd.

Ik moest afgelopen dinsdag tijdens de pubquiz aan die toets op de middelbare school terugdenken. De audioronde van de pubquiz is voor m’n team een invuloefening. Eigenlijk scoren we daarbij standaard tien punten. Heel soms gaat het mis bij een titel of artiest (met name het wat plattere Nederlandstalige genre is een manco), maar dat zijn uitzonderingen.

Dit keer was geen uitzondering op die regel. Sick & Tired van Anastacia, The Rhythm Of The Night van Corona, China In Your Hand van T’Pau, Die Young van Sheppard, maar ook Dokter Bernhard van Bonnie St. Claire en Ron Brandsteder. (U merkt: er zat een coronavirusthema in de audioronde.)

Naast ons zat een team van vijf studenten, type corpsbal. Ze hadden niet de illusie mee te doen voor de overwinning, maar ze hadden wel de grootste lol (in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, hebben wij dat ook; goed quizzen en lol hebben sluiten elkaar niet uit). Ik kon vanuit onze tafel zien dat ze nog wat lege gaten op het antwoordformulier hadden staan. Omdat de sfeer er goed inzat, we cruiseten rechtstreeks op een makkelijke overwinning af, vroeg ik aan de teamgenoot die het dichtst bij het andere team zat of ze niet wilde helpen. Daarop gaf de speler het formulier aan m’n teamgenoot. Net op dat moment klonk Dokter Bernhard door de kroeg.

‘Ja,’ lachte de speler die het formulier aan m’n teamgenoot had gegeven hard, ‘jullie hebben nog meegemaakt dat dit een hit was, voor jullie is dit makkelijk.’
‘Pardon,’ riep ik quasi verontwaardigd, ‘dat nummer is uit 1976, toen was ik nog niet eens geboren.’
En, tegen m’n medespeler: ‘Geef dat formulier gauw terug.’
Tegen deze tijd kwam de medespeler helemaal niet meer bij van het lachen, stamelde iets van vage excuses en dat wij allicht iets ouder waren dan zij, dus ik nam het formulier van het team naast me toch maar aan. Ik vulde de lege plekken in en corrigeerde een al gegeven antwoord.
‘Hij verbetert zelfs jullie antwoorden,’ kraaide m’n teamgenoot vrolijk uit.
‘Hier,’ zei ik, terwijl ik het formulier teruggooide naar de tafel naast me, ‘tien punten.’

Zoals traditie is, las de presentator de namen van de teams voor die tien punten hadden gescoord in de audioronde. Dat waren ik, een ander team uit de top én onze buren.

Hij had niks in de gaten.

Posted in Quizzen | Tagged , | Comments Off on Audioronde

Meer durven

Een van m’n voornemens van 2020 is meer te durven. In gedachten haal ik steevast de mooiste skatetrucjes uit, maar als puntje bij paaltje komt stel ik, thrillseeker tegen wil en dank, dat ene nieuwe trucje toch maar uit. Frustrerend, want ik had al zoveel verder kunnen zijn met skateboarden als ik niet zo’n enorme schijterd ben.

De skatehal gaat vanaf maart zeven maanden dicht voor een grote verbouwing. Ik weet niet of dat de aanleiding was, maar deze zondag was een groot springkussen in de hal geplaatst. Voor één euro mocht je van een stellage van zo’n vijf à zes meter hoogte in het kussen springen. Je mocht ook zes keer springen voor vijf euro. Koopje, en de kans om revanche op mezelf te nemen. Meer durven Guido. Nou moet je wel. Daarbij, je hebt het meest spijt van dingen die je niet hebt gedaan.

Toch, door schade en schande wijs geworden zeg ik niet vooraf ‘dat ik wel even die sprong ga maken.’ Ik ken mezelf.
‘Ga jij?,’ vroeg ik aan mede-skateboarder Sjors.
‘Ik denk het wel,’ zei hij schouderophalend. Hij leek niet onder de indruk.
‘Oké,’ stelde ik voor, ‘jij springt, zegt dan na afloop dat het heel erg meevalt en dan ga ik ook.’
‘Ik kan nu ook wel zeggen dat het heel erg meevalt,’ lachte hij.

Sjors sprong en, zo kon hij bevestigen, het stelde niks voor. Maar net toen hij dat aan me vertelde, maakte een jochie van een jaar of tien een lelijke val. Hij kwam slecht op z’n onderbeen terecht en lag met een van pijn vertrokken gezicht midden op het springkussen. Daar werd hij met moeite vanaf gehaald, waarna hij nog lang op een mat naast het kussen lag te creperen. Vaders kwam snel ter plaatse en een ambulance werd gebeld. Die consternatie duurde zo’n drie kwartier en ik vroeg me af of het gebeuren niet afgelast zou worden. Om 14.30 uur zou een wedstrijd beginnen en om 14.45 uur lag het evenement nog steeds stil. Tegen die tijd zaten we aan de bar.

‘Heej, ze springen weer,’ stootte Sjors me aan en hij wees naar de stellage.
Shit, dacht ik, nu moet ik wel.
‘Tot wanneer kan ik nog springen?,’ informeerde ik bij de jongen achter de bar.
‘Tot 15.00 uur,’ antwoordde hij.
Oké, dan ga ik, dacht ik, en ik vulde een aansprakelijkheidsverklaring in.
‘Chris,’ riep ik tegen een meisje achter de bar, ‘wens me even succes.’
‘Succes,’ zei ze, ‘je kunt het.’

Daarna liep ik naar de trap onder aan de stellage. Ik bekeek de instructie die op de muur was geplakt: niet op je hoofd of voeten landen, niet deelnemen bij hartproblemen of zwangerschap. Dat leek me logisch. Onder aan de trap stond een medewerker. Hij liep telkens met de springers naar boven en gaf instructies. Ik zag voor mij menig skater van amper twee turven hoog mooie sprongen maken. Dan kan je denken ‘o, dan kan ik het zeker,’ maar ik weet inmiddels dat dit niks zegt. Dit zijn dezelfde gasten die zonder enige schroom van drie meter of hoger indroppen. Ik stond hier met zweet in m’n handen.

‘Is dit de eerste keer?,’ informeerde de medewerker.
‘Yup,’ knikte ik.
‘Weet u hoe u moet springen?’ vroeg hij.
Ik voel me altijd zo oud als ze u tegen me zeggen. Daar helpt zelfs een beanie niet tegen.
‘Yep,’ zei ik en wees op het plakkaat aan de muur achter me.
‘Niet, en dit is heel belangrijk, niet op uw benen of hoofd landen,’ benadrukte hij.
‘Hoe voorkom ik dat ik op m’n benen land?,’ vroeg ik.
‘De benen naar voren gooien,’ antwoordde hij, ‘of maak een bommetje.’

Terwijl ik de trap op liep, prentte ik mezelf in dat ik m’n benen naar voren zou gooien. Of een bommetje maken, dat kon niet al te moeilijk zijn. Al wist ik niet of ik daar aan zou denken als ik op de rand stond om de sprong te maken.
‘Wacht even als je boven bent,’ riep de medewerker, ‘niet meteen springen.’
‘Daar hoef je niet bang voor te zijn hoor,’ lachte ik zenuwachtig.

Boven op de stellage tuurde ik over de rand. Mijn God, wat is dit hoog, schoot het door m’n hoofd. Ik heb geen hoogtevrees, maar om nou te zeggen dat ik hier graag stond: nou nee. Ik dacht aan alle mensen die vanaf het balkon naar me keken. Oké, redeneerde ik, ik kan maar beter niet te lang blijven staan. Hoe langer ik wacht, hoe enger het wordt. Zonder verder na te denken sprong ik. Niet met m’n benen naar voren, maar gewoon, zoals ik vroeger, toen ik nog geregeld zwom, wel eens van de hoge duikplank was gesprongen. Ik landde min of meer op m’n voeten en benen. Het zag er niet zo charmant uit, maar ik was vooral blij dat het was gelukt. En dat springkussen lag heerlijk.

Ik klom van het springkussen af.
‘Euh… probeer de volgende keer minder op uw benen te landen,’ zei een medewerker die naast het kussen stond vertwijfeld.
‘Volgende keer,’ antwoordde ik opgelucht, ‘van mij heb je geen last meer hoor.’

Een beetje beschaamd omdat de sprong niet heel mooi was, maar vooral trots dat ik het toch had gedurfd, liep ik terug naar het balkon.

‘Ha,’ zei ik even later tegen Sjors, ‘ik ben wel mooi de oudste deelnemer.’
Ook dat besef vervulde me met trots, maar voelde tegelijkertijd ongemakkelijk.

Posted in Overig, Uncategorized | Tagged , | 1 Comment

Song Top 20 2019

Dit jaar gebeurde er iets vreemd met de hitlijsten. De Mega Top 50 en de Top 40 verschilden altijd al van elkaar. Die eerste is de lijst van 3FM, en daarmee net iets alternatiever, die andere was van 538 en is tegenwoordig van Q-Music en meer mainstream. Maar dit jaar werd de kloof wel heel groot. Het kon gebeuren dat een plaat die hoog in de Mega Top 50 stond, bij die andere lijst in de Tipparade bivakkeerde. Nu gebeurde het dat een grote hit volledig in één van de twee lijsten ontbrak.

Dat maakte het samenstellen van deze Song Top 20 een hachelijk klusje. Ik nam altijd de Top 40 als uitgangspunt, maar er zitten vreemde mechanismen in die lijst. Hoe kan Sheppard wél hoog scoren in de Top 40, maar in de Mega Top 30 schitteren door afwezigheid, terwijl ik de plaat juist in die laatste lijst had verwacht. En waar Will We Talk? een grote hit was in de Mega Top 30 (en één van m’n favoriete singles van het jaar), haalde het niet eens de Tipparade. Ook Wies, die met Soms Is Het Te Laat al weken een grote hit heeft in de Mega Top 30, ontbreekt volledig in de Top 40. Vreemd.

Ik weet niet welke lijst ik volgend jaar ga aanhouden. Voorlopig hou ik het maar even bij de Top 40. Soms hoor je in die lijst door de autotune de hits niet meer, maar er viel zat moois te ontdekken. Afwisselend ook; zelfs smartlappen, country en gospel haalden dit jaar de hitlijsten. Er was zoveel moois dat ik wat aardig werk (zoals Someone You Loved van Lewis Capaldi, dat 42 weken in de Top 40 stond, of die leuke single Nice To Meet Ya van Niall Horan) buiten de lijst heb moeten laten. Dat is wel eens anders geweest.

De strijd om de nr. 1 positie was hevig. Koos ik in voorgaande jaren een nr. 1 by default, dit jaar waren er vier of vijf kanshebbers. Dat de uiteindelijke keuze is gevallen op een zanger waar zelfs ik begin dit jaar nog nooit van had gehoord, zal uiteindelijk geen verrassing zijn. Zoals er wel meer nieuwe namen in deze lijst staan. De omloopsnelheid van popartiesten wordt steeds hoger.

Nieuwsgierig naar de muziek in deze Song Top 20? Ik heb een playlist op Spotify gemaakt.

20. The Weeknd – Blinding Lights

The Weeknd levert op de valreep van 2019 één van de gaafste tracks van het jaar af. Blinding Lights is schaamteloos retro; a-ha meets The War On Drugs. Het is niet alleen retro, ook is het enorm catchy, een oorwurm die je na één keer draaien niet meer uit je hoofd krijgt (en daarna, zoals het een echte oorwurm betaamt, ook een beetje irritant wordt). Het is, hoe kan het ook anders, geproduceerd door Max Martin. Eigenlijk had ik Lost In The Fire, de samenwerking van The Weeknd met de Franse producer Gesaffelstein, op nr. 20 staan, dus met Blinding Lights kegelt The Weeknd zichzelf uit deze Song Top 20.

19. George Ezra – Pretty Shining People

Tot dit jaar waren de singles van George Ezra hit or miss. Letterlijk. Was het raak, dan was het ook goed raak (Budapest, Shotgun), was het mis, dan bleef de single troosteloos in de Tipparade steken (Blame It On Me, Barcelona, Don’t Matter Now). Die ijzeren wet werd dit jaar doorbroken met Pretty Shining People dat de Top 40 haalde en anderhalve maand in de onderste regionen van de hitlijst rondzwierf. Dat is typerend voor het liedje: een leuk niemendalletje. Te goed voor de Tipparade, niet goed genoeg voor een toppositie.

18. Sheppard – Die Young

Ik schreef vorig jaar al dat ik Sheppard niet kon afschrijven na hun hit Geronimo en een matig optreden op Pinkpop, want toen was er die hit Coming Home. Dit jaar bleek Sheppard echt een blijvertje, want met Die Young bereikte het Australische gezelschap opnieuw de Nederlandse Top 40. Niet verrassend, wel lekker. Waarom klinken Australische bands (Cut Copy, Empire Of The Sun, The Cat Empire) toch zo heerlijk euforisch? Zelfs over jong sterven schrijven die Aussies nog een vrolijk liedje. Zou dat door het (momenteel weliswaar iets te overvloedige) zonlicht komen?

17. Coldplay – Everyday Life

Coldplay is de band you love to hate. De groep die begin deze eeuw zo veelbelovend begon met prachtalbums als Parachutes en A Rush Of Blood To The Head raakte de laatste jaren danig de weg kwijt (een samenwerking met The Chainsmokers, really?). Van zo’n band mag je niet veel meer verwachten. Toch weet de groep rond Chris Martin (niemand die de andere drie bandleden kent) je te raken op het nieuwste album Everyday Life. Er staan zowaar een paar mooie songs op, zoals de titeltrack. Een klein, ontroerend liedje met mooie, subtiele strijkers. Ze kunnen het nog.

16. Tino Martin – Zij Weet Het

‘Als je mij niet kent, dan heb je onder een steen gelegen.’ Was getekend: Tino Martin. Dus toen de redactie van Met Het Mes Op Tafel vroeg of ik nog Nederlandstalige muziek wist, wist ik meteen welke zanger ik ging vragen. Klaas en Mylou stelden niet teleur en brachten een gloedvolle uitvoering van Jij Liet Me Vallen. Dit alles was nog voordat Zij Weet Het de Top 40 haalde. Dat laatste is een unicum, want smartlappen in de hitlijsten zijn een zeldzaamheid geworden. Owja, beide deelnemers aan Met Het Mes Op Tafel hadden niet onder een steen gelegen.

15. Kensington – Bats

Kensington is natuurlijk een verschrikkelijke band. Een groep die ten onder gaat aan bombast en pathos en al jaren exact dezelfde single maakt (Home Again, Streets, Riddles, Bridges, Fiji). De fans slikken het voor zoete koek, maar dat kan ook niet anders in een land waar Queen en Muse tot het summum van rockmuziek worden gerekend. Kudo’s voor Kensington dus om het met Bats over een andere boeg te gooien. Een grote hit werd het niet (Bats kwam niet hoger dan een 34ste plaats), maar dat waren Home Again (nr. 33), Streets (nr. 22), Riddles (nr. 23), Bridges (nr. 30) en Fiji (nr. 31) evenmin.

14. Daddy Yankee ft. Snow – Con Calma

Op de hoek van het winkelcentrum zat jaren terug een filiaal van Music Store. Elke woensdag, als ik met m’n ouders mee boodschappen ging doen, haalde ik daar een exemplaar van de nieuwe Top 40. En er was een bak met cd-singles die, zo gauw ze uit de lijst waren verdwenen, in de uitverkoop gingen. Als singles in de Top 40 stonden waren ze voor mij te duur, tenzij ik ze cadeau kreeg. Zo kreeg ik voor m’n twaalfde verjaardag de cd-single van Snows Informer. Cool nummer. Kon ik weten dat 26 jaar later dat nummer nog eens door de mangel zou worden gehaald door een puertoricaanse reggaetonzanger met de naam Daddy Yankee? Maar goed. Ik wist wel meer niet op m’n twaalfde.

13. Joe Buck – The Way You Take Time

Reclames zijn de levensader van de muziekindustrie. Wil je je muziek aan de man brengen? Laat je song gebruiken in een commercial. Joe Buck, artiestennaam van Sjoerd de Buck, deed het en kreeg (naast een vorstelijke vergoeding) daarmee gratis reclame voor z’n muziek. Met dank aan Plus. Buck, een protégé van Ilse DeLange, die de zanger ontdekte dankzij z’n deelname aan Beste Singer-songwriter van Nederland, nam z’n song op in Nashville, en dat hoor je. The Way You Take Time heeft een onvervalste country vibe. Leuk dus dat zo’n rootsy plaatje het tot de Top 40 schopt.

12. Mabel – Don’t Call Me Up

Bent u bekend met de Zweedse familie Cherry? Don Cherry was trompettist en speelde met alle grote jazzhelden. Stiefdochter Neneh speelde een pioniersrol in de hiphop van de jaren tachtig, zoonlief Eagle-Eye had eind jaren negentig een hit met Save Tonight. Neneh heeft op haar beurt weer een halfzusje, Titiyo, die rond de eeuwwisseling wat hitsucces had. Volgt u het nog? Mooi, want nu is er een nieuwe generatie opgestaan: Neneh heeft een dochter met de naam Mabel. En zij scoorde dit jaar een wereldhit met Don’t Call Me Up (blijkbaar is ‘calling up’ correct Engels, ik leer nog elke dag bij). Een fijn liedje waarin Mabel aan haar ex-vriendje uitlegt hoe de verhoudingen liggen. Daarmee staat ze net zo stevig in haar schoenen als moeders, die ooit de single Manchild had. You go girl.

11. Tones and I – Dance Monkey

Er zijn mensen die Tones and I, de artiestennaam van Toni Watson, als de Australische Billie Eilish beschouwen. Dat vind ik te veel eer voor de Australische, al scoorde Tones and I (in tegenstelling tot Eilish) wél een nr. 1-hit in Nederland: Dance Monkey staat op dit moment al dertien weken rotsvast bovenaan de Top 40. Waar de vergelijking opgaat is dat Tones and I net zo’n stormachtige carrière als Eilish heeft doorgemaakt. Een jaar geleden begon ze met straatoptredens in Melbourne en eind 2019 kent iedereen Tones and I. Dat komt door het ultracatchy Dance Monkey en haar chipmunk-achtige stem. Maar die stem is een gimmick. Gimmicks zijn nooit lang leuk.

10. Post Malone – Circles

Een tijdje terug stond in de skatehal Post Malone op. En niet één liedje, maar de volledige playlist. Twee uur lang dezelfde monotone beat, met daarover die lome, door autotune onherkenbaar misvormde stem van de rapper. De hiphop van Post Malone is mateloos populair, maar ik word er flauw van. Hijzelf blijkbaar ook, want dit jaar ging de rapper zingen (hij was niet de enige, ook Snelle ging zingen). Nog steeds is de stem van de rapper, nouja, nu dus zanger, volledig vervormd door een overdaad aan autotune, maar er zit meer melodie in de muziek. Ja, ik zou zelfs durven zeggen dat ik Circles (mooiste regel: ‘seasons change and our love went cold’) af en toe voor m’n plezier opzet. Meer van dit graag.

9. Krezip – Lost Without You

Wil je je oud voelen? In de week dat Lost Without You in de Top 40 binnenkwam was Krezip de act in die Top 40 die het langst geleden een hit scoorde. In 2000 brak de groep rond Jacqueline Govaert door dankzij een optreden op Pinkpop (yours truly stond in het publiek) en de hit I Would Stay. Latere hits vond ik minder, maar toen de groep in 2009 afscheid nam met Go To Sleep en Sweet Goodbyes stemde dat weemoedig. We zijn weer tien jaar verder. De pubers van 2000 zijn volwassen geworden, hebben zelf kinderen en maken een geslaagde comeback dankzij de lieve single Lost Without You. Krezip anno 2019 in de hitlijsten voelt niet alleen als een anachronisme, het ís er één. Ja, ik voel me oud.

8. Lizzo – Juice

Ik kan niet zoveel met jeuktermen als ‘body positivity’. Natuurlijk, iedereen moet doen wat ie wil en als dat met 180 kilo in een string over het podium paraderen behelst: be my guest. Maar wees niet verbaasd als mensen dan nouja, vreemd kijken. Lizzo is zo’n vrouw die er niks om geeft. Ze heeft een maatje meer, steekt daar de draak mee in de clip bij haar single Juice en gaat ook op het podium het liefst zo bloot mogelijk gekleed. Prachtmens dus. Die openheid werkt aanstekelijk en ontwapenend, je gúnt Lizzo dat succes (ze scoorde dit jaar een Amerikaanse nr. 1 hit met Truth Hurts). Daarmee zouden we voorbij gaan aan het feit dat Juice één van de leukste singles van 2019 is, met grappige regels als ‘The juice ain’t worth the squeeze if the juice don’t look like this’ en ‘I’m like chardonnay, get better over time.’ Wat ik al zei: prachtmens.

7. Lauren Daigle – You Say

Het is de schuld van Hillsong United. Blije jongeren die heel blije muziek zingen teneinde Nog Veel Blijerderer te worden. En de Heer te prijzen, dat vooral. Dat is waar we Lauren Daigle aan te danken hebben. Daigle is gezegend (pun intended) met een stem die als twee druppels water op die van Adele lijkt, maar aan de weinig subtiele christelijke tekst (‘When I don’t belong, oh You say that I’m Yours, and I believe, oh I believe’) hoor je meteen uit welke hoek de wind waait. Alhoewel, je wilt niet weten hoeveel mensen denken dat Daigle over haar vriendje zingt. Relipop, of CCM, in de Top 40 is een zeldzaamheid; Mary Mary, P.O.D., Sixpence None The Richer, Evanescence, Amy Grant, Bob Carlisle en dan heb je het wel zo’n beetje gehad. Maar ja, You Say stond niet voor niets 65 (ja, dat leest u goed) weken op nr. 1 in de christelijke hitlijsten in de States. Dit is gewiekste worship. Zelfs in mijn hart gaat er een kaarsje van branden. Een heel klein kaarsje, dat wel.

6. Shawn Mendes & Camila Cabello – Señorita

Het is natuurlijk schaamteloos opportunisme: één van de grote sterren uit het Engelse taalgebied die een duet opneemt met één van de populairste zangeressen uit de Spaanstalige muziekwereld. Naar verluidt zei Shawn Mendes toen hij Señorita voor het eerst hoorde dat hij het per se met Camila Cabello op wilde nemen. Yeah right. En intussen keken de platenbonzen handenwrijvend toe en mompelden: ‘Goed bezig jochie.’ Señorita klinkt dan ook alsof het op het kantoor van een grote platenmaatschappij in elkaar is gezet. Een refreintje dat zo eenvoudig is (‘I love it when you call me ‘señorita”) dat iedereen op de wereld het verstaat (de teller staat op meer dan één miljard streamsand counting) en ook al zou dat níet zo zijn, de verleidelijke zang van Cabello laat niks aan duidelijkheid te wensen over. Laten we eerlijk zijn: dit is knappe pop. Om cynisch van te worden zo knap.

5. Ed Sheeran & Justin Bieber – I Don’t Care

Voordat Ed Sheeran multimiljonair werd met het zingen van lieve liedjes was hij roadie bij Nizlopi. Die (inmiddels vergeten) groep zag ik ooit op Lowlands, waardoor ik dus in theorie Sheeran in het echt gezien kan hebben. Nizlopi maakte een olijke mix van singer-songwriter en hiphop, een geluid waar Sheeran goed naar lijkt te hebben geluisterd. Maar alleen is maar alleen en dus is de zanger op No. 6 Collaborations Project de samenwerking aangegaan met andere muzikanten. Mooi, die samenwerking met Khalid in Beautiful People, of met Camila Cabello en Cardi B in South Of The Border. Het mooiste is de schaamteloze pop van I Don’t Care, waarin Sheeran en Bieber zingen hoe zwaar hun leven is als ze weer naar een feestje moeten (ik leef met ze mee). Geproduceerd door grootmeester Max Martin, die in 2019 eindelijk weer eens een flinke wereldhit had.

4. Lil Nas X ft. Billy Ray Cyrus – Old Town Road

Old Town Road is de belichaming van popmuziek anno 2019. Een volslagen onbekende rapper koopt online een beat van een al even onbekende Nederlandse producer (YoungKio, onthoud die naam). Hij maakt daarmee een liedje, promoot het schaamteloos en veelvuldig via Instagram en TikTok, bedenkt daar de YeeHaw Challenge bij waarna het, maanden later, een gigantische hit wordt: nr. 1 in de Billboard Hot 100 (en tot op heden een opbrengst van twee miljard dollar). Maar daar blijft het niet bij. Om er zeker van te zijn dat de plaat zolang mogelijk op nr. 1 blijft, neemt Lil Nas X nieuwe versies op: met Billy Ray Cyrus, later met Young Thug en weer later RM (van BTS). Je moet die streams op Spotify toch hoog houden. Daarbij gaan we bijna voorbij aan het feit dat Old Town Road een heel fijne single is, eentje waar Stereogum, halverwege die recordlange periode van negentien weken op nr. 1 in de Billboard Hot 100, dit aardige stuk over schreef. Met name die anekdote uit de eerste alinea spreekt boekdelen. Old Town Road is here to stay.

3. Danny Vera – Roller Coaster

Kent iemand Monja van Roland W. nog? Je moet dan in 1967/1968 de Top 40 goed hebben gevolgd of een muzieknerd zijn (lees: ik). Monja was tot dit jaar de langstgenoteerde top-40-hit die niet de bovenste helft van de hitlijst wist te halen. Was, want dit jaar verpulverde Danny Vera dat record. Zijn single Roller Coaster (ja, die titel wordt echt zo geschreven) stond, met een beetje hulp van Rob Stenders, 27 weken in de Top 40 en kwam nooit hoger dan plaats 21 (maak daar maar 28 weken van, het kwam deze week opnieuw binnen, op nr. 27). Dat is tekenend voor dit liedje, een typische slow burner, die langzaam heel Nederland wist te ontroeren (ik hoorde op Radio 2 een beller ontroerend vertellen dat ze het had gedraaid op de uitvaart van haar man). Voorlopig hoogtepunt van die zegetocht is een vierde plaats in de Top 2000 van dit jaar. De enige die niet onder de indruk lijkt te zijn, is Vera zelf. Voor hem is Roller Coaster het zoveelste liedje.

2. Billie Eilish – bad guy

De Jeugd doet alleen nog maar aan streaming (en dus is 3FM ten dode opgeschreven, maar dat terzijde). Om te weten wat onder jongeren leeft, moet je Spotify op. M’n oudste nichtje (13) liet me eerder dit jaar haar Spotifyplaylist zien. De helft van de liedjes (ja echt, de hélft) waren van Billie Eilish. Eigenlijk stond elke scheet die Eilish ooit heeft gelaten in die lijst. (Die liedjes hebben ook nog allemaal titels die met kleine letters zijn geschreven, de nachtmerrie van iedere eindredacteur.) Daar kan je van alles van vinden, het geeft bovenal aan hoe bijzonder de hegemonie is van een zangeres die vorige week haar achttiende verjaardag vierde (en die ik in 2020, met m’n nichtje, live ga zien in de Ziggo Dome). En, eerlijk is eerlijk, bad guy is een heerlijke, vreemde hit. Een plaatje waarvan je je afvraagt wat het in hemelsnaam in de Top 40 doet. En in de Spotifyplaylist van m’n nichtje, dat ook.

1. Duncan Laurence – Arcade

Waar was u op 18 mei 2019? Ik weet waar ik was. Ik zat met klamme handjes op de bank. Bij m’n ouders in dit geval. Die handjes kwam vooral door de spanning: zou Nederland het dan, na 45 fuckin’ jaar, eindelijk flikken? Het antwoord was ja. Toen de buit binnen was sprong ik van de bank: de juichkreet was tot in Tel Aviv te horen. Zelfs m’n vader juichte mee. Ik was zo trots. En wat is Arcade een fijn liedje. Een knappe song die door de ingenieuze opbouw (wisselende maatsoorten) en goede zang (falsetstem) de jury’s aan wist te spreken, en door een pakkende melodie en liefdevolle boodschap ook het grote publiek raakte (maar, grappig genoeg, in beide categorieën niet won). Dat Laurence anderhalf jaar aan Arcade had gewerkt betaalde zich dubbel en dwars uit. De opvolger, Love Don’t Hate It, is ook al zo goed. Nee, Duncan Laurence is een blijvertje. Knappe kop wie dat aan het begin van het jaar had gedacht. Ik in elk geval niet.

Posted in Lijstjes, Muziek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Song Top 20 2019

Kersthit

Vijftien jaar geleden rondde ik omstreeks Kerst m’n stage bij Radio 1 af. Een enorm leuke en leerzame tijd, die moest worden bekroond met een eigen reportage. Of nouja, dat was het enige dat ik nog niet had gedaan en dat ik, behept met een aangeboren schuchterheid, zo lang mogelijk voor me had uitgeschoven. Dit overigens tot geruststelling van een collega die verzuchtte het een verademing te vinden eens een stagiair te hebben die níet op dag 1 met een MD-recorder klaar stond om op reportage te gaan.

Vlak voor het einde van m’n stage moest ik er dus aan geloven. Ook ik moest een reportage maken. Het ding hoefde maar een minuut of zes te duren, maar m’n maag keerde al om bij het idee dat ik mensen een microfoon onder hun neus moest duwen. Nee, Journalistiek, en dan ook nog de specialisatie Radio, was niet de beste studiekeuze.

Wat je in zo’n situatie het beste kunt doen, is een onderwerp zoeken dat dicht bij je staat. In dit geval: muziek. Had ik even mazzel. Een groep muzikanten uit Amsterdam rond het label Transformed Dreams had de anti-kerstsingle They Don’t Give a Damn it’s Christmas uitgebracht. Dit in een reactie of Band Aid 20, die dat jaar een derde versie van Do They Know It’s Christmas hadden opgenomen. Ik besloot twee leden van de St.Alones, zoals de gelegenheidsformatie heette, te interviewen en Gerard ‘Mr. Christmas’ Ekdom, toen nog presentator van Arbeidsvitaminen, de single te laten horen. Hij zou het finale oordeel geven of de single van de Amsterdammers mee zou kunnen met de kerst evergreens (spoiler alert: nee, dat kon ie niet).

Ik ontmoette de bandleden in een achterafzaaltje van balletschool De Toverfluit in Amsterdam (ik kon door het plafond de danspassen van de ballerina’s horen). Ik stelde de muzikanten wat vragen, al maakten ze een verveelde indruk (heej jongens, dit is wel fuckin’ Radio 1 ja?!). Op de terugreis naar Eindhoven gebeurde wat me altijd overkwam tijdens m’n studie Journalistiek. Eerst dacht ik: best een oké interview, vervolgens zakte bij elke kilometer die de trein me dichter bij huis bracht de moed me verder in de schoenen. Eenmaal thuisgekomen wist ik zeker dat dit de slechtste reportage ooit op Radio 1 zou worden.

De ochtend erna mocht ik op audiëntie bij 3FM. De redacteur had me gevraagd vroeg te komen, dus ik stond braaf om 9.30 uur buiten de studio bij 3FM te wachten. Ik had een steen in m’n maag toen ik de MD-recorder in elkaar zette. Een medewerker van het programma Arbeidsvitaminen groette me vriendelijk en vertelde me dat ik gewoon binnen kon komen als ik klaar was. Ik stuntelde me door het interview heen, terwijl Gerard Ekdom geroutineerd m’n vragen over They Don’t Give A Damn It’s Christmas én de nieuwste versie van Do They Know It’s Christmas beantwoordde. Just another day at the office. Toen ik klaar was, bedacht ik me nog dat ik een vraag was vergeten te stellen (wat ik, gezien de omstandigheden, best scherp van mezelf vond) en stelde nog snel die ene vraag, daarna reed ik terug naar het AKN-Gebouw. Opnieuw sloeg de grootst mogelijke twijfel toe. Ik had mezelf natuurlijk volstrekt belachelijk gemaakt.

De reportage zou de maandag na het weekend worden uitgezonden, en dus zat ik de rest van de dag in de montageruimte met m’n materiaal te klooien. Dat ging niet geweldig. Net die avond had ik drie kerstborrels- en feesten gepland staan, dus ik besloot het op een zuipen te zetten. De eerste borrel was bij de hoofdredacteur thuis in Hilversum, waar de voltallige redactie in het zonnetje werd gezet. Ook ik werd geprezen, ik was een heel goede stagiair geweest (er spookte een stemmetje door m’n hoofd dat zei: ‘Wacht maar tot je m’n reportage hebt gehoord’). Daarna had ik, terug in Eindhoven, een borrel bij PopEye, een lokaal muziekblad waarvoor ik indertijd schreef. De avond werd afgesloten in een studentenhuis waar ik, inmiddels nogal dronken, een halve spacecake verorberde, waardoor ik de rest van het weekend deels in coma heb doorgebracht.

Die maandag sleepte ik me, het zelfvertrouwen inmiddels tot het absolute nulpunt gedaald, naar Hilversum. Gelukkig had ik een geweldige stagebegeleider, Dick Klees, die me hielp bij de montage. Binnen een paar uur hadden we een reportage van vijf à zes minuten die acceptabel was. Ik was er iets geruster op geworden.

‘s Middags, toen m’n reportage werd uitgezonden, sloot ik me op in een geluiddichte ruimte ergens diep in het AKN-Gebouw. Ik wachtte tot ik zeker wist dat de kust veilig was en liep de redactie weer op.
‘Heej, nu heb je de reportage gemist, Guido,’ zei een collega teleurgesteld.
‘Ow nouja, dat was ook de bedoeling,’ zei ik schuchter.
‘Hij was leuk hoor,’ stelde ze me gerust.

Na afloop bespraken we de uitzending.
‘En, hoe vond je je eerste reportage op Radio 1?,’ vroeg een collega.
‘Ik heb niet durven luisteren,’ zei ik, terwijl ik rood aanliep.
Een collega moest lachen: ‘Terwijl dít eigenlijk veel spannender is.’
‘Ja,’ viel iemand anders haar bij, ‘nu gaan we zeggen wat we ervan vinden.’

Er was niks om aan te merken. Het was, gewoon, een goede reportage geweest. Natuurlijk had ik me druk gemaakt om niks.

Het spreekt voor zich dat het niks meer is geworden met m’n carrière bij de landelijke radio. Maar ik kan wel zeggen dat ooit een reportage van mij op Radio 1 is uitgezonden.

Posted in Media, Muziek | Tagged , , | Comments Off on Kersthit

Stickers

Omdat ik voor de muziekquiz van de personeelsvereniging (waar op zich al een blog in zit, die houdt u nog van me tegoed) toch al in Rosmalen moest zijn, besloot ik een middagje te gaan skateboarden in Den Bosch. Ik kan natuurlijk weer naar de plaatselijke skatehal gaan, maar daar ben ik al kind aan huis en ook al vindt niemand het daar een probleem dat ik inmiddels tot het interieur behoor, verandering van spijs doet eten. Daarbij, het World Skate Center (goede naam) heeft een vert ramp en ik kom weliswaar nog steeds niet écht hoog in dat ding, het blijft leuk om af en toe uit te proberen.

Misschien nog wel het leukste aan het skatepark van Den Bosch is dat ze er Thrasher verkopen. Thrasher is hét skateboardblad (dat heel gave filmpjes op YouTube post) en is tegenwoordig vooral bekend van de vele jongeren (en ouderen) die in merchandise van dat tijdschrift lopen. Met dank aan (en tot afgrijzen van de übercoole redactie van het blad) – hoe kan het ook anders – Justin Bieber. De ironie is dat kleding van Thrasher overal te krijgen is, maar dat het tijdschrift zo goed als onvindbaar is. Ik maakte er eerder dit jaar een queeste van om een nummer van het blad te scoren. Uiteindelijk vond ik zowaar een exemplaar, op vakantie in Zweden, in een zaak op het station van Göteborg.

Trouwens, zelfs ik heb tegenwoordig een t-shirt én hoodie van Thrasher en dat is, om het in goed Nederlands te zeggen, best obnoxious, voor iemand die godbetert net kan olliën. Maar ook ik moet op m’n oude dag aan m’n skate cred werken; met alleen een beanie om die wijkende haargrens te verbergen kom ik er niet.

De vert ramp wilde deze vrijdag nog steeds niet echt lukken, voor de rest reed ik best lekker rond. Na afloop bestelde ik aan de bar in het café een worstenbroodje; ik had nog een lange dag voor de boeg.

‘Heb je de Thrasher van oktober daar staan?,’ informeerde ik bij de barmedewerkster. Ik knikte naar twee rijen tijdschriften langs de kassa. Aan de kaften te zien waren het verschillende nummers. Ze zocht door de Thrashers en vond nog één exemplaar van oktober, in cellofaan verpakt omdat er een stickervel bij zat. Naast mij zaten twee jochies van een jaar of elf. Ze overlegden hoe laat de trein naar Geldermalsen zou vertrekken.
‘Wow, stickers,’ riep eentje verrukt toen hij de Thrashers zag staan.
De ander viel hem bij: ‘Jaaa, gaaf.’
‘Hoe kan je die krijgen?,’ vroeg de eerste met grote ogen aan een andere medewerker achter de bar.
‘Die krijg je bij de Thrasher,’ legde hij uit en hij liet ze een ander nummer, ook met stickers, zien.
Ze keken met grote ogen naar de stickers, mompelden hoe cool ze waren en legden zich er schoorvoetend bij neer dat hun zakgeld niet toereikend zou zijn om een Thrasher te kopen.

Intussen was m’n worstenbroodje klaar. De medewerkster zette het voor me op de bar en gaf me de Thrasher van oktober. Ik haalde het blad uit de verpakking en zag naast me twee paar ogen heel belangstellend naar me kijken. Aan de andere kant van de bar keken twee medewerkers heel verwachtingsvol toe wat er zou gebeuren.

Ik bekeek het stickervel of er nog een leuk exemplaar bij zat voor op m’n skateboardhelm. Er zat niks boeiends bij, maar al was dat wel het geval geweest, het voelde alsof ik nu niet meer terug kon.
‘Heej jongens, willen jullie die stickers hebben?,’ vroeg ik aan de jochies die naast me zaten.
Ik had m’n zin amper afgemaakt of eentje riep dolblij uit: ‘Heel graag! Mag dat meneer?’
‘Natuurlijk,’ antwoordde ik lachend, ‘ik doe er toch niks mee.’
Hij griste het vel uit m’n handen en rende enthousiast pratend met z’n vriendje naar een tafel elders in het café om de skateboards te pakken.

Terwijl ik het cellofaan in de prullenbak gooide, plakten de jochies hun decks onder met stickers, onderwijl met elkaar pratend over hoe mooi ze waren en wat voor een geluk ze hadden gehad. Eentje riep in het voorbijgaan nog een keer naar me: ‘Echt, enorm bedankt meneer.’
‘Graag gedaan hoor,’ lachte ik.

‘Je hebt die twee jongens heel blij gemaakt,’ zei de barmedewerkster lachend tegen me.

Posted in Skateboarden | Tagged , | 1 Comment

Johan

Ik was bij Johan in de Effenaar. Dat was niet geheel vrijwillig. We hadden weer eens vrijkaartjes gewonnen met het pubquizzen en om niet heel blasé thuis te blijven of die kaartjes weg te geven, besloten een medequizzer en ik dit keer wél te gaan. We wilden niet ondankbaar zijn, al vroegen we ons tijdens het concert wel af bij welke quiz we de kaartjes ook alweer hadden gewonnen. Toch een beetje blasé.

Johan en ik gaan ver terug. Om meer precies te zijn: tot 2001, toen ik de groep in een jaar tijd vier keer live zag. Dat was min of meer toeval. Ik was 19 jaar oud en verslond elk Nederlands, Engels of Amerikaans muziektijdschrift dat ik in handen kon krijgen en bezocht zoveel mogelijk concerten of festivals. Het was mij ter ore gekomen dat Caesar en Johan een try-out zouden geven in de Altstadt. Dat was met Pasen en een concertje meepikken leek me beter dan een middag bankhangen.

‘Johan, bestaan die nog?,’ vroeg m’n buurman, die al wat langer ingewijd was in de gitaarmuziek. Hij was gaarne bereid mij, toen nog een groentje in de alternatieve muziek, bij te praten.
‘Blijkbaar,’ zei ik, want ik had nog niet eerder van ze gehoord. Ik ging vooral naar de Altstadt voor Caesar.
‘Goede band,’ zei m’n buurman, terwijl hij nog een trek aan z’n sigaret nam.

Hoe kon ik weten dat Johan vijf jaar eerder al een plaat had uitgebracht? Een meesterwerk, naar het scheen. Vijf jaar was in die tijd een eeuwigheid. Om meer precies te zijn: het verschil tussen 3havo en het eerste jaar van de School voor Journalistiek. Bovendien kwam m’n muzikale belangstelling in 1996 amper verder dan Ace of Base, Clannad en Roxette, bands die hun beste tijd toen echt wel hadden gehad.

Johan bleek inderdaad een goede band. Veel liedjes kende ik nog niet, maar ik downloadde wat muziek via Napster. Al vond ik Caesar beter, want die waren bekender.

Een paar weken later verscheen Pergola, de tweede plaat van Johan, met liedjes over het saaie leven in een vinexwijk in Hoorn, vernoemd naar de straat waar de zanger van de groep woonde. Ik snelde naar de platenzaak en draaide de cd grijs. Tumble and Fall, Day is Done, I Mean I Guess, Here, Paper Planes, de titelsong, met die fijne regel ‘kill a Kane’; ze kwamen on repeat voorbij.

Ik zag Johan een tweede keer, op het Virus Festival. Daarna ging ik met een vriend naar Pinkpop.
‘Johan is eerste reserve,’ wist hij te melden. ‘Dus als er een band uitvalt, gaan we Johan nog een keer zien.’
Natuurlijk viel er een band uit en zo stonden we met z’n tweeën vooraan bij Johan. Omdat ik de cd al weken draaide kon ik, waarschijnlijk als één van de weinige bezoekers, alle liedjes woord voor woord meezingen. Dat was de NOS, die een live registratie van Pinkpop verzorgde, niet ontgaan en ze brachten me nogal prominent in beeld. Dat begreep ik pas een dag later, toen ik op school kwam. Ik was nog geen minuut binnen toen een wildvreemde medestudent me aansprak: ‘Jij was op Pinkpop he?’
‘Euh… ja,’ stamelde ik.
En zo ging dat de rest van de dag nog even door.

‘Owja, je komt wel een paar keer close-up in beeld,’ zei m’n vriend, die z’n vader had gevraagd alles op videoband op te nemen.
Die opname heb ik nooit gezien. Dat is maar beter ook.

Later dat jaar zag ik Johan nog een keertje in de Effenaar, met m’n buurman. Daarna raakte de band een beetje uit het zicht. Ik kocht nog wel de plaat erna, THX JHN, vervolgens verwaterde m’n belangstelling. Er is al zoveel muziek om van te houden.

Voor het optreden bladerde ik door de muziek van Johan op Spotify. About Time, Oceans, Everybody Knows, Coming In From The Cold, She’s Got A Way With Men, Walking Away, It’s Five O’Clock (een cover van Aphrodite’s Child) en natuurlijk alle liedjes van Pergola. Bij het lezen van de titels alleen al kon ik ze neuriën.

Het concert was mooi, al was frontman Jacob de Greeuw niet altijd even stemvast. Ik keek om me heen en zag mannen met beginnende bierbuiken, wijkende haarlijnen en te strak zittende t-shirts met de muziek meeknikken. Veertigplussers, zwelgend in nostalgie. Dit was m’n voorland, en het stemde me droevig. Ineens besefte ik dat het achttien jaar geleden was dat ik Johan vier keer in één jaar tijd live had gezien. Achttien jaar die voorbij waren gevlogen. Dat is bijkans de helft van m’n leven tot nu toe, wat me nog droeviger stemde. M’n gedachten dwaalden af naar een scène uit Fawlty Towers waarin Basil mistroostig tegen zichzelf zit te praten: ‘Woesh.’ ‘Wat was dat?’ ‘Je leven.’ ‘Kan ik het nog een keer over doen?’ ‘Sorry jongen, je krijgt maar één kans.’

Gelukkig was er muziek van Johan, met die fijne liedjes van Pergola. Die zijn onsterfelijk.

Posted in Muziek | Tagged , , | Comments Off on Johan

November nineties

Deze maand deed ik op Twitter aan November Nineties. Elke dag postte ik een favoriete videoclip uit de jaren negentig met een korte toelichting waarom die clip me bij is gebleven. Veel film- en muziekliefhebbers vinden de jaren tachtig het gouden tijdperk van de videoclip, maar daar ben ik het niet mee eens. Natuurlijk, in de jaren tachtig is veel moois gemaakt. Maar goede videoclips maken was voorbehouden aan de grote namen: Michael Jackson, Madonna, Duran Duran. Met name de alternatieve muziekscene kwam er bekaaid vanaf.

Waarom clips in de jaren negentig zoveel beter werden heeft volgens mij twee redenen. Allereerst drong het na het succes van Smells Like Teen Spirit tot de grote platenbonzen door dat je aan alternatieve muziek goed kon verdienen. Hierdoor kwam voor artiesten in de alternatieve scene meer geld beschikbaar om clips op te nemen. En waar popartiesten liever voor een standaard videoclip gingen, beschouwden alternatieve acts de muziekvideo als kunstvorm. Regisseurs als Chris Cunningham, Mark Romanek, Roman Coppola, Michel Gondry, Jonathan Glazer, Anton Corbijn, Spike Jonze en Sophie Muller hebben allemaal goede videoclips gemaakt, waarna ze later in hun carrière vaak de overstap naar de filmwereld hebben gemaakt.

Een tweede reden is dat de computertechnologie een vlucht nam in de loop van de jaren negentig. Videoclips maken werd goedkoper, maar ook de kwaliteit ging omhoog. Kijk maar eens naar de knappe computeranimaties van Cunningham in Aphex Twins Windowlicker of Björks All Is Full Of Love, en vergelijk dat met de Claymation van Three Little Pigs van Green Jellÿ.

Bovenal speelt mee dat ik een kind van de jaren negentig ben. Ik ben opgegroeid met MTV en doordat de radio bij ons thuis niet veel aanstond, kende ik veel liedjes alleen van de videoclips (om aan te geven hoe dat je beeld vertekent: van de liedjes in de top-10 van m’n lijst hebben er maar vier in de Nederlandse Top 40 gestaan, waarvan slechts eentje in de top-10). Eerst was dat de dagprogrammering, maar toen ik een eigen TV op m’n slaapkamer had, keek ik twee keer in de week tot ver in de nacht naar Alternative Nation op MTV. Paranoid Android van Radiohead, Too Many DJ’s van Soulwax en Revolution 909 van Daft Punk waren daar vaste prik; stuk voor stuk klassiekers.

Waar ik in deze lijst voor heb gekozen zijn die dertig clips die op een bepaalde manier opvielen. Originele concepten, verrassende beelden, clips die de tand des tijds (meestal) hebben doorstaan, of iconisch zijn voor de jaren negentig. De top-10 staat buiten kijf, daaronder heb ik gekeken naar welke clips het decennium het beste weergeven. Daarbij heb ik maximaal één clip per act gekozen, ook al grossierden met name Massive Attack, Daft Punk, Radiohead, Fatboy Slim, George Michael en Björk in knappe clips. Daardoor is er meer ruimte voor ander moois. En zelfs dan nog ontbreken enkele favorieten.

30. 2Pac ft. Snoop Dogg – California Love (1995)

Hype Williams is de grote man van de hiphopvideo. Goedgemaakt, maar na verloop van tijd wel clichématig met weer grote auto’s en schaarsgeklede vrouwen. In het begin van z’n carrière was hij iets creatiever en zette hij in California Love een door Mad Max geïnspireerde dystopie neer. Het idee kwam van Jada Pinkett Smith. Het leukste zijn de cameo’s; George Clinton als leider van de bende die de opnamemetertjes in het rood schreeuwt en acteur Chris Tucker. What’s there not to like?

29. Unsane – Scrape (1995)

Wie niet rijk is, moet slim zijn. De noiserockers van Unsane lieten voor 169 dollar een videoclip maken die vrijwel volledig bestaat uit skateboardongelukken, met tussendoor zo’n zes seconden aan live footage. MTV pikte de clip op en draaide ‘m tussen het iets duurdere werk van Janet Jackson en Duran Duran. Beperkt budget, maximaal resultaat. Missie geslaagd. Dat de muziek van Unsane uitermate geschikt is voor skaters bleek later, toen hun song Committed werd gebruikt in het computerspel Tony Hawk’s Pro Skater.

28. Shakespear’s Sister – Stay (1992)

Shakespear’s Sister kwam voort uit Bananarama, de bandnaam is een verwijzing naar een single van The Smiths met dezelfde titel. In Stay vechten zangeressen Siobhan Fahey en Marcella Detroit met elkaar om het leven van een jonge adonis (die wel wat weg heeft van Robert Pattinson). Gothic melodrama in het kwadraat dat non-stop op MTV was te zien. Het stond dan ook acht weken op nr. 1 in de Britse Top 40. Stay is een vroeg werkje van Sophie Muller, de grande dame van de videoclip. Ze heeft honderden clips gemaakt.

27. Green Jellÿ – Three Little Pigs (1992)

Niets schreeuwt zo nineties als klei-animatie en dus maakte Green Jellÿ bij hun hit Three Little Pigs (niet te verwarren met De 3 Biggetjes van K3) een verrassend gewelddadige en bloederige ‘Claymation’ clip. Die clip was het unique selling point, want bij de eerste release was de single in Amerika alleen als video verkrijgbaar. Dankzij die clip kwam het zelfs tot nr. 15 in de Nederlandse Top 40. Goed feitje: de toch zeer respectabele Maynard James Keenan van Tool verzorgde de stem van één van de varkentjes.

26. Enigma – Return To Innocence (1994)

Michael Cretu, het brein achter Enigma, deed z’n naam eer aan en trad niet op in z’n eigen videoclips. In plaats daarvan is de hoofdrol in Return To Innocence weggelegd voor een oude man die z’n leven achterstevoren aan ‘m voorbij ziet trekken. Het einde is het begin is het einde, of zoiets. Kitsch (een eenhoorn, really?) maar goed gemaakt. Geregisseerd door Julien Temple, die voor de Sex Pistols The Great Rock and Roll Swindle maakte, evenals legendarische filmflop Absolute Beginners.

25. Soulwax – Too Many DJ’s (1998)

Kan niet anders of DJ Jos weet een puik feestje neer te zetten. En anders z’n bril wel. DJ Loveboat gaat ook lekker los op z’n plaatjes. En wat te denken van DJ Cees van Hees (goed shirt)? Ze zijn allemaal te boeken, net als de (te) vele andere DJ’s in deze olijke clip van Soulwax. De broertjes Dewaele zagen de ironie van de titel in en noemden hun DJ-act 2 Many DJ’s. Vaste prik in Alternative Nation en @lter8, m’n favoriete programma’s op MTV en TMF.

24. Sparks – When Do I Get To Sing ‘My Way’ (1994)

Sparks bestaat uit de broers Ron en Russell Mael, dus dat ze in de videoclip bij When Do I Get To Sing ‘My Way’ rivaliserende broers zouden spelen lag voor de hand. Sophie Muller, we kwamen haar al op nr. 28 tegen, koos vorm de van een zwart-wit drama in jarenveertigstijl, compleet met ronkende aankondigingen (Two brothers torn apart by ambition!!!). De strijd tussen de broers heeft nog het meest weg van een mannelijke variant van de jarenlange vete tussen Joan Fontaine en Olivia De Havilland.

23. Sinéad O’Connor – Nothing Compares 2 U (1990)

Geen beeld zo iconisch voor de vroege jaren negentig als Sinéad O’Connor met kort piekhaar die al haar woede en verdriet er in vijf minuten uitgooit. Tussendoor zitten fragmenten van de zangeres die door een park in Parijs loopt. Het was nog sterker geweest als we ruim vijf minuten lang alleen maar in het gezicht van O’Connor hadden gekeken, maar zelfs Van Kooten en De Bie besteedden in Keek op de Week aandacht aan de clip en, vooral, De Traan. Dan tel je mee. Geregisseerd door John Maybury, die ook (heel erg eighties) Buffalo Stance van Neneh Cherry maakte.

22. George Michael – Outside (1998)

George Michael had seks met een undercoveragent in een openbaar toilet en een schandaal was geboren. Michael was uit de kast, of hij wilde of niet. De zanger nam wraak met de single Outside. De tekst is sardonisch, in de videoclip gaan alle remmen los. Michael (die eerder in de jaren negentig al topclips maakte bij Freedom! 90 en Too Funky) staat in politieuniform, met leren handschoenen en een wapenstok te dansen in een toilet dat in een handomdraai verandert in een discotheek. De zanger was out and proud en gaf er geen fuck meer om. Keep on funking.

21. Soul Asylum – Runaway Train (1993)

Ik was als kind een enorme piekeraar. Dat je als kind zomaar kon verdwijnen, zoals bleek uit de videoclip bij Runaway Train, maakte m’n zorgen niet bepaald minder. Ik kon maar het beste binnenblijven, met een boek op de bank. Het idee van Soul Asylum om in een videoclip aandacht te vragen voor vermiste kinderen was nobel en heeft nut gehad: van de 36 gevallen zijn 26 kinderen teruggevonden. De afloop was niet altijd positief. Twee kinderen bleken vermoord, een ander was gevlucht voor een moeilijke thuissituatie.

20. Depeche Mode – Enjoy The Silence (1990)

Anton Corbijn zei ooit alleen met bands en artiesten te werken die hij goed vindt. Dan heeft hij smaak, met werk voor Nirvana, Roxette en Metallica op z’n palmares. En deze clip van Depeche Mode, waarin Dave Gahan als een mistroostige Le Petit Prince, met strandstoel onder z’n arm, door Europa struint. Het valt niet mee prins zonder onderdanen te zijn. Achttien jaar later maakte Corbijn een sequel voor Viva la Vida van Coldplay. Chris Martin struint nu met een schilderij onder z’n arm door Den Haag. De prins is danig aan lager wal geraakt.

19. Daft Punk – Revolution 909 (1998)

Alle vroege clips van Daft Punk (Burnin, Around The World, Da Funk) zijn briljant, maar ik kies voor Revolution 909. Een illegaal housefeest wordt door de politie ontruimd. Er volgen arrestaties, maar één meisje weet te ontkomen doordat ze is afgeleid door een vlek tomatensaus op het shirt van de politieagent. Hoe kwam die vlek daar? Een goed idee slim uitgewerkt, inclusief recept voor tomatensaus. Geregisseerd door Roman Coppola, zoon van (en broer van). Hij maakte ook clips voor Green Day, Moby en The Presidents of the United States of America.

18. R.E.M. – Drive (1992)

R.E.M. heeft veel mooie clips gemaakt, maar Drive is mijn favoriet. Die verstilde slow-motion zwart-wit beelden, het crowdsurfen van Michael Stipe, de kolkende mensenmassa (waar een jonge Adam Scott zich in schuilhoudt), die elektrische gitaarriff op 2 minuut 02, het tegenlicht, de gitarist die wordt natgespoten met een brandslang. Dat alles maakte een liveconcert in mijn belevenis een mythische ervaring. Dit wilde ik meemaken. Ik wilde ook zo cool zijn.

17. Aerosmith – Crazy (1994)

Dat oude rockers in videoclips geen platen verkopen wist Steven Tyler best. Maar hij had wel een knappe dochter met acteerambities, dus na twee videoclips met alleen Alicia Silverstone (Amazing en Cryin’) als lekker hapje, kreeg zij hulp van Stevens dochter Liv. Het resultaat is een roadmovie à la Thelma & Louise, waarbij beide dames bij menig man het hoofd op hol weten te brengen (de scène bij de benzinepomp is favoriet). Al loopt Crazy, in tegenstelling tot Thelma & Louise, wel goed af.

16. Massive Attack – Unfinished Sympathy (1991)

Op een dag in 1991 liep zangeres Shara Nelson van 1311 South New Hampshire Avenue naar 2632 West Pico Boulevard in Los Angeles. De Steadicam van cameraman Dan Kneece (bekend van Blue Velvet) volgde haar in één onafgebroken camerabeweging op de voet. Zo’n lange take is niet uniek (denk aan U2’s Sweetest Thing en Wannabe van Spice Girls), maar nooit werd het zo mooi als met Nelson in dat Californische zonlicht. Richard Ashcroft zou later eer betonen met Bitter Sweet Symphony. Ook hij deed het net wat minder goed.

15. Crash Test Dummies – Mmm Mmm Mmm Mmm (1993)

One hit wonder (al heeft Crash Test Dummies echt meer goede liedjes gemaakt), met een toneelvoorstelling met kinderen in de videoclip. Die kinderen spelen scènes uit hun eigen leven na. Een jochie dat een auto-ongeluk heeft gehad, of een meisje dat altijd blauwe plekken heeft. Ik had altijd medelijden met het jongetje dat elke dag na school met z’n ouders naar de kerk moet. Die kerk leek me al vreselijk, maar aan de blik van de ouders te zien waren ze ook nog eens allesbehalve blij met dit toneelstuk.

14. Jamiroquai – Virtual Insanity (1996)

De maffe dansjes van Jay Kay kenden we al vanaf de eerste clips van Jamiroquai, maar ze kwamen pas het beste tot hun recht in een kamer waar de meubels uit zichzelf lijken te bewegen (spoiler: dat doen ze niet). Ook de andere bandleden komen hier en daar voorbij. Virtual insanity indeed. Jonathan Glazer (bekend van de briljante film Under the Skin) heeft niet zo gek veel videoclips gemaakt, wel zijn het stuk voor stuk klassiekers. Een van de clips die is geparodieerd in FIDLAR’s geweldige 40oz. On Repeat (op 1:57).

13. The Connells – ’74-’75 (1993)

‘Class of ’74-75, Broughton High School, Raleigh, N.C.’ Aldus de korte mededeling aan het begin van de clip. Wat volgt is een parade van oud-klasgenoten van The Connells, met foto’s van toen en nu. Probeer uit de beelden op te maken of de ambities die er ooit waren, zijn uitgekomen. Tijd is altijd de vijand. Vier jaar geleden verscheen een nieuwe versie, met dezelfde hoofdrolspelers. Eveneens ontroerend, want één klasgenoot is inmiddels overleden. Gemaakt door Mark Pellington, die onder andere ook Drive van R.E.M. (zie nr. 18) regisseerde.

12. Blur – Coffee & TV (1999)

Dat Blur net even wat slimmer was dan Oasis bleek uit de videoclips. Damien Hirst regisseerde de clip bij Country House en in The Universal werd A Clockwork Orange geparodieerd. Het mooiste kwam aan het einde van het decennium. Met Graham Coxon, als vermist persoon opgegeven op een melkpak. Het pak gaat zelf op zoek naar de verdwenen gitarist van Blur. En Wat Er Toen Gebeurde Zal Je Verbazen. Van Hammer & Tongs, die ook de clips bij Pumping On Your Stereo van Supergrass en Right Here, Right Now van Fatboy Slim maakten.

11. Guns N’ Roses – November Rain (1992)

Niemand deed de epische videoclip in de jaren negentig beter dan Guns N’ Roses. Don’t Cry en Estranged zijn klassiekers, November Rain is de allerbeste. Met een budget van een miljoen dollar trok regisseur Andy Morahan alle registers open. De bruiloft, het feest na die bruiloft, zelfs de uitvaart: alles is over the top. Enkel voor de gitaarsolo’s van Slash werd midden in de woestijn een kerkje nagebouwd. Toegegeven, November Rain heeft de tand des tijds goed doorstaan. Het is de eerste clip uit de jaren negentig met meer dan een miljard views op YouTube.

10. Annie Lennox – Walking On Broken Glass (1992)

Wat is er leuker dan één bekende acteur in een videoclip? Twee bekende acteurs. In Annie Lennox’ Walking On Broken Glass gaat de zangeres (in wie een begenadigd actrice schuilgaat) door het lint omdat ze met Hugh Laurie is, maar John Malkovich wil. En dit alles in een setting die losjes is gebaseerd op de film Dangerous Liaisons. De ongemakkelijke blikken van Laurie en Malkovich terwijl Lennox de boel op stelten zet zijn meesterlijk. Van de hand van Sophie Muller, we kwamen haar al vaker tegen, en te onbekend.

9. Aphex Twin – Windowlicker (1999)

Windowlicker heeft op een haar na de Top 40 gehaald. En dat voor een act als Aphex Twin, die niet eens in de buurt van de Tipparade zou mogen komen. Dan heb je buiten Chris Cunningham, grootmeester van de alternatieve videoclip, gerekend. Hij voorzag het redelijk toegankelijke Windowlicker van een bizarre, zwoele clip. Met Richard D. James zelf die met z’n uitgestreken grimas iedereen de stuipen op het lijf jaagt. Het kwam elke nacht wel een keer voorbij op muziekzender The Box (de clip duurde tien minuten, dus je kreeg waar voor je geld), wat de cultstatus nog groter maakt.

8. Weezer – Buddy Holly (1994)

Of Happy Days een revival beleefde door deze clip, of dat Weezer de clip op de set van Happy Days opnam vanwege een Happy Days-revival weet ik niet. Wel dat het succes van Buddy Holly voor een groot deel op het conto van deze retro videoclip kan worden geschreven. Bekendheid werd nog groter toen de videoclip op de Windows 95 cd-rom verscheen. Dat laatste wisten de leden van Weezer niet; ze hadden geen computers. Geregisseerd door Spike Jonze, we komen ‘m nog een paar keer tegen. Stay tuned, for more happy days!

7. Fatboy Slim – Praise You (1999)

Als iemand het belang van videoclips begreep, dan was (en is) het Fatboy Slim. The Rockafeller Skank en Gangster Trippin waren al goed, maar Praise You is de klassieker. Met Spike Jonze als frontman van de Torrance Community Dance Group die een geïmproviseerd optreden voor de ingang van een bioscoop in Los Angeles verzorgt. Zijn die danspasjes opzettelijk slecht, of zijn ze eigenlijk briljant? Jonze baalde dat hij de clip bij The Rockafeller Skank niet kon regisseren en maakte als goedmakertje deze clip (kosten: 800 dollar) voor Norman Cook. Die nam het dankbaar in ontvangst.

6. Radiohead – Paranoid Android (1997)

Radiohead zag een aflevering de Zweedse animatieserie Robin en wist wat voor clip Paranoid Android nodig had. Animator Magnus Carlsson kreeg de muziek, sloot zich op in z’n werkkamer en draaide het urenlang op repeat. Daaarna kwam hij met deze absurdistische clip, met cameo van de band zelf (op 2:33). In m’n herinnering heeft de man (die veel wegheeft van toenmalig Belgisch premier Jean-Luc Dehaene) op 1:58 een vlaggetje van de EU vast. Dat had de clip, met de aanstaande Brexit, nog navranter gemaakt.

5. Air – All I Need (1998)

Regisseur Mike Mills maakte geen videoclip, maar een mini-documentaire over prille liefde. Mills geeft een inkijkje in het leven van een jong stel dat skateboarden als passie heeft en alles net even anders doet, iets dat ik als tiener heel inspirerend vond. All I Need is daarbij de soundtrack. Twintig jaar later zou ik zelf voor het eerst op een skateboard stappen, dus pas toen viel die Anti-Hero sticker op de voorruit van de auto me op. Dat het koppel snel na de opnames van deze clip uit elkaar ging was een desillusie. Alles gaat kapot.

4. Nirvana – In Bloom (1992)

Nirvana speelt In Bloom in een jarenzestigsetting, geïnspireerd door The Ed Sullivan Show. Halverwege de set speelt Nirvana niet meer in keurige maatpakken, maar in jurken. De band nam twee versies op: eentje in pak, eentje in jurken. Kurt Cobain wilde de nette versie na een tijdje vervangen door de ‘drag’ versie, maar koos uiteindelijk voor dit compromis, wat alles nog verwarrender (en leuker) maakte. De presentator deert het niet dat het decor is gesloopt: ‘I really can’t say enough nice things about them. They’re gonna be really big stars!’

3. Chris Isaak – Wicked Game (1990)

Chris Isaak en fotomodel Helena Christensen rollen vier minuten lang door het zand van een palmenstrand op The Big Island, Hawaï, in een weinig subtiele verwijzing naar jarenvijftigfilmklassieker From Here To Eternity. Meer is het niet, maar dat alleen al is onweerstaanbaar zwoel en sexy en daarom vaste prik op MTV in de jaren negentig. Van de hand van Herb Ritts, die vooral naam maakte als regisseur van commercials voor Calvin Klein, Levi’s en Victoria’s Secret. Wie Wicked Game ziet, snapt waarom.

2. Beastie Boys – Sabotage (1994)

Er is nooit een volledige aflevering van Sabotage gemaakt, maar het had geweldige televisie opgeleverd. De Beastie Boys figureren in de openingscredits van een spoof op jarenzeventigmisdaadseries (Baretta, Hawaii Five-O) en hebben ronkende namen als Cochese, The Rookie en The Chief. De beelden beloven ook veel goeds: iets met een koffertje, vermommingen, een autobom en verschillende knokpartijen. Volgens de overlevering trok Spike Jonze na afloop van de opnames de tape uit de camera en rekte die hier en daar uit voor vintage special effects.

1. Björk – All Is Full Of Love (1999)

Vier minuten kijken we mee hoe twee robots in elkaar worden gezet om seks met elkaar te hebben. Voyeurisme. Robotporno. Hebben robots seksuele gevoelens? Zetten ze zichzelf in elkaar? Maar waarom dan? Of gaat het erom dat je van jezelf moet houden? Chris Cunningham maakte een meesterwerk met, voor die tijd, state of the art computeranimaties. Twintig jaar later bezorgt de clip mij nog steeds kippenvel. Wie denkt dat videoclips geen kunst zijn, moet deze clip zien. Het is dan ook opgenomen in de collectie van het MoMA in New York.

Posted in Lijstjes, Media, Muziek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on November nineties

Litteken

Het stoere verhaal zou zijn dat ik in een vert ramp ben ingedropt, of dat ik een kickflip wilde maken en dat het een beetje misging. Het minder stoere, maar iets meer realistische verhaal is dat ik een ramp in de skatehal op wilde lopen, of meer, springen, dat daarbij de neus van m’n schoen weggleed en ik hard met m’n onderbeen op een stenen rand landde. Het zag er ongetwijfeld klungelig uit maar het deed niet eens heel erg pijn, dus ik wuifde de bezorgde ‘gaat hets?’ van vrienden in eerste instantie weg.

Toen ik een halve minuut later naar m’n broek keek, bleek daar een gat in te zitten. Shit, dacht ik, ik heb al zo weinig broeken. Er liep bloed in m’n sokken.
‘Ik zou dat maar even gaan uitspoelen,’ zei een vriend. ‘Ik neem je board wel mee.’

Even later stond ik achter de bar in de skatehal met m’n broek omlaag terwijl een medewerker goedbedoeld met servetjes aan kwam lopen. Een andere medewerker wees ‘m terecht: ‘Dat gaat toch niet helpen man, het bloed loopt eruit.’

Dat het bloed eruit liep was overdreven, het bloeden stopte snel genoeg. Wel zat halverwege m’n rechteronderbeen een gapend gat van drie centimeter lang en zeker een centimeter diep. De medewerker kon naar binnen kijken in m’n lijf.
‘Je kan je bot zien man,’ riep ze geschokt.
‘Echt? Gaaf,’ zei ik, nog steeds niet onder de indruk. ‘Maak eens een foto.’
‘Ik zou maar even langs de huisartsenpost gaan,’ zei de medewerker.
‘Nee he, dat is toch niet nodig?,’ antwoordde ik. Ik zag m’n plannen voor de rest van de avond al in de soep lopen. Kon ik in dat koude kloteweer naar het ziekenhuis fietsen.
‘Nou, het is best een diepe wond,’ zei ze.
Ze legde een verband aan en ik liep een beetje rond. Ik had eigenlijk nergens last van. Ik kon lopen, springen, nouja, alles. Maar dan met een gapend gat in m’n onderbeen.

Gelaten belde ik de huisartsenpost. Lekker tegen het einde van het jaar nog even dat eigen risico er doorheen jassen. Eerst kreeg ik een keuzemenu: ‘bevindt u zich in een levensbedreigende situatie? Toets dan 1.’
‘Ik bevind me niet in een levensbedreigende situatie he?,’ grapte ik tegen de medewerker van de skatehal.

Het keuzemenu verordonneerde dat ik 2 moest kiezen en ik kreeg, nadat ik m’n burgerservicenummer had ingetoetst, een medewerker aan de lijn. Wie m’n huisarts is? Euh… even denken. Ik heb die man al jaren niet gezien. Van der Wouden? Woudstra? Wouma? Ownee, Wouda. Omstandig legde ik uit dat ik was gevallen in de skatehal en dat ik nu een wond in m’n onderbeen had. Ja, het zat aan de voorkant van m’n onderbeen. Het scheenbeen? Owja, dat heet zo. Nee, het bloedde niet meer. Nee, ik was niet duizelig, ik kon m’n voet goed bewegen. Ik kan zeker geen foto sturen? Is m’n rechtervoet witter dan m’n linkervoet? Geen idee. Dan moet ik m’n schoenen uittrekken. Heeft u een momentje? Nee, de voeten zien er hetzelfde uit. U overlegt met de huisarts? Oké, ik wacht. Ow, ik moet toch langskomen op de huisartsenpost?

Ik kon pas later op de avond bij de huisartsenpost terecht, dus terwijl ik zat te wachten, bekeek ik eens rustig de foto. Ik had nog nooit m’n lijf van de binnenkant gezien. Ik zag iets lopen dat op een spiertje of pees leek. Best cool eigenlijk.

Later die avond zat ik bij de huisartsenpost. Nadat ik de vragen die de medewerker aan de telefoon had gesteld nogmaals had beantwoord belandde ik, met ontbloot rechterbeen, op een bed. Ze bekeek de wond aandachtig. ‘Dat moet zeker gehecht worden.’
Ze dacht even na en zei: ‘Het is wel een brede wond.’ Ze kneep er een beetje in.
Ik keek mee. ‘Het is een beetje een V-vorm he?,’ zei ik.
‘Beweeg je voet eens?,’ vroeg ze.
Ik bewoog m’n voet een paar keer heen en weer. Ik zag iets bewegen in m’n onderbeen.
‘En je tenen?’
Ik bewoog m’n tenen en weer spande iets in m’n onderbeen zich aan. Grappig om te zien hoe je eigen lijf werkt.
‘Je kunt wat peesjes zien lopen. En hier zit een beetje vet,’ wees ze.
‘Daar ook al?,’ lachte ik.
‘Maar alleen het kapseltje is geraakt,’ zei ze. ‘Je bot kan je niet zien.’
Geen idee wat een kapseltje is, maar het klonk niet al te ernstig.

Nu ging ze ontsmetten (au) en de wond verdoven. De wond hechten was geen probleem, ze had het snel gedicht. Daarna kreeg ik een drukverband, met nog een verband eromheen. Ondertussen praatten we over m’n longboard, en dat ik sinds een jaar skateboardde. En dat ik, omdat ik geen auto heb (en ook niet wil), op de fiets was gekomen.
‘Je houdt er wel een litteken aan over,’ zei ze toen ze klaar was.
‘Dat is m’n eerste. Nouja, dat moet dan maar,’ antwoordde ik.
‘Ik heb een brede draad gebruikt, dus je kunt er gewoon mee fietsen,’ zei ze. ‘Maar niet te hard.’

Eenmaal aan het bureau praatten we verder.
‘Over tien dagen mogen de hechtingen eruit. Dus morgen even een afspraak maken bij de huisarts voor volgende week maandag. En je moet nog een tetanusprik halen. Antibiotica lijkt me niet nodig. Laat het lijf het zelf maar oplossen,’ zei ze.
Dat laatste leek me een goed plan.
Ik pakte m’n rugtas, ze knikte naar m’n board.
‘Dus dit is je longboard?,’ zei ze.
‘Nee, dit is m’n skateboard,’ antwoordde ik en legde uit dat een longboard ruim een meter lang is.

Ik bedankte haar voor haar hulp.
‘Doe het de komende dagen rustig aan,’ besloot ze.

Terwijl ik met een slakkentempo van twintig kilometer per uur naar huis fietste, schoten de woorden van de arts door m’n hoofd. Het rustig aan doen. Ik?

Posted in Skateboarden | Tagged , , , , | Comments Off on Litteken