Madeira

DSC_4758X

Hare Koninklijke Hoogheid, op een droogrek in de Zona Velha, Funchal.

Het klopt niet. Net zoals Amerika niet ontdekt werd door Christopher Columbus maar door Leif Eriksson, en Marco Polo niet de eerste westerling was die China bezocht, waren het niet João Gonçalves Zarco en Tristão Vaz Teixeira die Madeira in 1418 ontdekten. Het eiland was al eeuwen bekend. Het is op Arabische zeekaarten terug te vinden; zelfs de Vikingen voeren rond voor de Atlantische kust en moeten de archipel waar Madeira deel van uitmaakt hebben bezocht. Het nabijgelegen (en veel kleinere) Porto Santo was sowieso al veel langer bewoond. Alleen had nog nooit iemand geprobeerd om Madeira te koloniseren. Simpelweg omdat het te lastig was vanwege de hoge kliffen rond de kust: geen enkele fatsoenlijke plek om aan land te komen. Bovendien was het eiland volledig bebost. Vandaar de naam Madeira: houteiland.

De rotsachtige kust draagt ertoe bij dat Madeira geen standaard zonbestemming als Kreta, Spanje of Italië is. Het heeft tegenwoordig twee strandjes, waarvan eentje kunstmatig is aangelegd. Daar staat tegenover dat die hotels die aan de kust grenzen een trapje kunnen plaatsen voor de zeezwemmers. De rest van de hotels heeft standaard een zwembad. Hotels hebben ze veel in Madeira, maar slim genoeg liggen die allemaal in wat in de volksmond de ‘hotelwijk’ wordt genoemd. Praktisch, bij elkaar aan de westkant van hoofdstad Funchal, en niet eens zo heel tacky. De boulevard die je een half uur moet aflopen om in het centrum is niet onaardig.

Het komt allemaal door de vulkanische oorsprong van Madeira. De rotskust is zó steil dat die vrijwel meteen kilometers de diepte van de Atlantische Oceaan induikt. Van dat vulkanisme is niks meer te merken, al zou er diep onder Madeira een vulkaan liggen die al duizenden jaren slaapt. Een ander gevolg is dat weggetjes door de bergen enórm steil zijn. Bij aankomst, toen ik vanuit het vliegveld naar mijn hotel werd gereden, maakte het minibusje een afslag waarbij ik oprecht even dacht dat de weg ophield. Het bleek bij nader inzien ongeveer de steilste weg te zijn die ik ooit had gezien. De grap is dat heel het eiland tegenwoordig ondertunneld is. In krap twintig jaar tijd zijn over het hele eiland zo’n 140 tunnels aangelegd. Dat heeft de economie en het toerisme een enorme boost gegeven, al is wat van de charme van het eiland verloren gegaan. Zoals een Engelse toerist die al jaren op het eiland komt me vertelde: ‘vroeger deed ik er twee uur over om van het vliegveld in Funchal te komen. Nu ben ik er in vijftien minuten.’ Niet dat het haar ervan weerhield om terug te komen. Ze zou er het liefste heel het jaar wonen.

DSC_4131X

DSC_4150X - kopie

DSC_4144X

DSC_4147X - kopie

DSC_4174

DSC_4179X - kopie

DSC_4180X

DSC_4185X

DSC_4835X

DSC_4840X

DSC_4561X - kopie

DSC_4173X

DSC_4827X

DSC_4814X

DSC_4810X

DSC_4800X

Downtown Funchal, met de Sé Kathedraal en wat straatbeelden. Het beschilderde plafond is van de Igreja do Colégio. De meeste kerken op Madeira zijn te donker om fatsoenlijk foto’s te kunnen maken, maar de plafonds zijn zonder uitzondering prachtig. Op de onderste foto’s de tropische tuinen van Monte (in niet zo tropisch weer).

Funchal zelf is een aardig stadje, qua inwoneraantal ongeveer de helft van Eindhoven. Het heeft een paar kleine musea, een paar kerkjes, waaronder eentje die de titel kathedraal mag dragen en een mooie volksbuurt: de Zona Velha. De wijk ligt achter de boulevard en was jarenlang in verval. De laatste jaren is het opgeknapt en behoren de straten tot de hipste van Madeira. Niet in het minste vanwege de beschilderde deuren (waardoor de buurt een modern openluchtmuseum is), maar wie naar het oosten doorloopt, ziet dat de wijk wordt afgesloten door een fort, het Fortaleza São Tiago, tussen 1614 en 1637 gebouwd als bescherming tegen Engelse en Franse piraten. Met de uitkijkposten doe het denken aan de veel bekendere Torre de Belém bij Lissabon, al is dit fort prachtig felgeel geverfd. Voor het fort is een aanmeerplek dat door de bevolking als strandje wordt gebruikt.

De hoofdplaats van het eiland is bovenal groen. Op veel plekken in de stad zijn parkjes te vinden. Hier vind je honderden hagedissen. Ze zoeken de verkoeling van de schaduw op tijdens hete dagen, al valt het met die hitte nog best mee. Madeira ligt op dezelfde breedtegraad als Agadir in Marokko, maar door de noord-Atlantische zeestroming is het er nooit bloedheet. Zoals een gids op één van de dagen opmerkte: ‘is het kouder dan twintig graden, dan vinden we het te koud, is het warmer dan vijfentwintig graden, dan vinden we het te heet.’ Dat klopt aardig. In de week dat ik er ben loopt de temperatuur een paar keer op tegen de dertig graden. Eigenlijk is het te heet om te wandelen, maar het zwembad biedt dan prima verkoeling.

Hoog boven Funchal ligt het dorpje Monte. Het is makkelijk te bereiken met een kabelbaan vanaf de boulevard. De tocht is ruim vijftien minuten en biedt mooi uitzicht over Funchal, maar de ochtend die ik heb uitgekozen is het net bewolkt. Het dorp vanuit de kust gezien in wolken gehuld, en blijken de tropische tuinen van Monte, de reden waarom ik naar het dorp ben gegaan, een stuk minder uit de verf te komen. Voor de rest heeft Monte een kerk met een barokke façade én heeft het de toboganrit als toeristische attractie. De tobogan, een soort slee met mand waarin twee personen kunnen zitten, wordt door twee mannen achterop door de scherpe bochten naar beneden gestuurd. Het gaat niet harder dan tien kilometer per uur, maar de wegen rond Monte zijn steil en Ernest Hemingway omschreef het als ‘de meest enerverende ervaring in z’n leven.’

DSC_4726 - kopie

DSC_4730X

DSC_4731 - kopie

DSC_4737X

DSC_4741X

DSC_4750X - kopie

DSC_4871X

DSC_4845X - kopie

DSC_4847X - kopie

DSC_4853X - kopie

DSC_4890X

DSC_4857X - kopie

DSC_4882X

DSC_4883X

DSC_4866X - kopie

DSC_4754X

DSC_4775X - kopie

DSC_4896X - kopie

De Zona Velha. Een oude volksbuurt die tot een paar jaar terug was vervallen, maar tegenwoordig dé toeristische trekpleister van Funchal. En het felgeel geschilderde Fortaleza São Tiago.

Aangezien ik nog steeds niet over een rijbewijs beschik en het eiland te bergachtig is om rond te fietsen (al zie ik een enkele waaghals het wel proberen) ben ik tijdens mijn vakantie overgeleverd aan georganiseerde tours. Dat is geen straf. Het is een leuke manier om het eiland te bekijken en het is bovendien sportgoedkoop. De procedure is telkens dezelfde: je wordt ergens rond 9.00 uur door een non-descript wit bestelbusje opgehaald bij je hotel en wordt de rest van de dag rondgereden door een deel van het eiland, met tussendoor voldoende tussenstops. Die minibusjes zijn een vondst – nee, geen grote touringcars, al zal je die hier en daar wel aantreffen op het eiland – ze zijn enorm praktisch op de steile en smalle weggetjes van het eiland. En gegarandeerd dat je daarmee met een klein groepje reist. Het probleem is wel dat je bij de eerste tussenstop tien andere minibusjes aantreft, doordat de bedrijfjes allemaal exact dezelfde route over het eiland aanbieden; ik zou als organisator denken dat het leuker is om de route andersom te rijden, teneinde die drommen toeristen te ontlopen, maar niemand is nog op dat idee gekomen.

Je moet een beetje geluk hebben met de bezetting tijdens zo’n rondreis. Op de dag na aankomst ga ik met een busje mee door het westelijk deel van het eiland. De enige andere deelnemer van mijn leeftijd is een Duitse jongedame, met wie ik af en toe een praatje maak over de reizen die we allebei gemaakt hebben. Maar het meest spraakzaam is een Britse man die mij vanwege mijn digitale camera als een pro ziet en van allerlei specificaties van mijn toestel wil weten. Daarin moet ik ‘m teleurstellen. Dan wil hij weten wat ik fotografeer. Ik hou het er, ietwat pretentieus, maar op dat ik meer conceptueel werk. Dus ik fotografeer veel close-ups? Euh… nee. Vooral plafonds van gebouwen. En zo min mogelijk mensen.

De reis door de westkant van het eiland is niet de meest spannende van de reizen die worden aangeboden. Het meest indrukwekkend is de hoogste klif van Madeira, de 580 meter hoge Cabo Girão. Het is – het ligt eraan aan wie je het vraagt – de hoogste, op-één-na hoogste of op-twee-na hoogste klif van Europa. Ook mooi is Paul da Serra, het plateau aan de westkant van het eiland. Het ligt boven de wolken en oogt als een woestijn. Vanwege het spectaculaire uitzicht met het wolkendek dat de helft van de heuvels bedekt, maken we hier een geïmproviseerde stop. Het grootste deel van de dagtrip gaat op aan stops in kleine dorpjes. Die zijn niet allemaal bijster interessant. Câmara de Lobos is tegen Funchal aangegroeid en heeft als claim to fame dat Winston Churchill er verbleef. Later volgen nog Ribeira Brave, waar gezien de rommel op het strand een avond eerder nog feest is gevierd, Porto Moniz, een dorpje aan de noordkant van het eiland met een donkergekleurde, rotsachtige kust en São Vicente, vooral bekend vanwege de grotten in de buurt. De dorpjes hebben steevast een plein met een mozaïekvloer van zwarte en witte tegeltjes en een hagelwitte kerk (die van binnen juist pikdonker is).

DSC_4190

DSC_4203X

DSC_4206X

DSC_4210X - kopie

DSC_4221X

DSC_4229X

DSC_4231X

DSC_4241X

DSC_4247X

DSC_4251X

DSC_4258X

DSC_4276X - kopie

DSC_4272X

Een tochtje door de westkant van Madeira. Van boven naar beneden Câmara de Lobos, Cabo Girão, Ribeira Brave, de hoogvlakte Paul da Serra met uitzicht op de toppen van de Pico Ruivo en de Pico do Arieiro, een hagedis in Porto Moniz en één van de (vele) watervallen op Madeira.

Op een tweede busreis, later in de week, heb ik minder aanspraak, behalve dan – opnieuw – met een Brits stel. Zij komt al dertig jaar op Madeira – ze doet er aan timeshare – hij is voor de eerste keer overgekomen. Als we tijdens de dagtrip voorbij het vliegveld van Madeira komen (wereldberoemd, omdat het één van de tien gevaarlijkste vliegvelden ter wereld is én omdat een deel van de start- en landingsbaan is gebouwd op 180 palen) vertelt hij dat er bij harde wind niet geland wordt. Soms wordt er uitgeweken naar het nabijgelegen Porto Santo. Niet om de reizigers dan vanuit daar met een ferry naar Madeira te brengen, maar om te wachten. En als het weer niet verbetert, gaat het vliegtuig onverrichter zake terug naar Engeland.

Deze tweede reis door de oostkant van het eiland spreekt me meer aan. Dat komt deels door onze gids, Emanuel. De hele dag heeft hij ruzie met z’n geluidsinstallatie, wat gaandeweg steeds kolderieker wordt, vooral omdat Emanuel nogal temperamentvol is. Het letterlijke hoogtepunt is een bezoek aan de Pico do Arieiro, met 1818 meter net niet de hoogste piek van Madeira. Bij bewolkt weer kijk je hier weg over de wolken, bij zonnig weer kan je de andere eilanden van de archipel zien liggen: Porto Santo en de onbewoonde rotspunten van de Ilhas Desertas. Kijk naar de westkant en je ziet de hoogvlakte Paul da Serra. Dan valt pas op hoe klein Madeira eigenlijk is (801 vierkante kilometer) en wat een verscheidenheid aan landschappen het herbergt. Op de top stormt het en de wind is ijskoud. Dat is niet vreemd; de dichtstbijzijnde landmassa is 550 kilometer verderop (het continent Afrika) en de wind heeft op deze hoogte duizenden kilometers vrij spel gehad.

Tijdens een ritje door de bergen vertelt Emanuel honderduit over de tientallen groente- en fruitsoorten die op het eiland worden verbouwd: tomaten, bananen, passievruchten, avocado’s, appels. Het eiland is grotendeels zelfvoorzienend en door de vele zonuren kan er gerust vier keer per jaar geoogst worden. Elke steile rotswand waar iets verbouwd kán worden, wordt gebruikt voor de landbouw. Het oerbos, dat tot de kolonisatie door de Portugezen het eiland bedekte, heeft daarvoor grotendeels moeten wijken. In plaats daarvan zijn terrassen aangelegd. Maar in de negentiende eeuw ging dat mis; overvloedige regenval zorgde voor landverschuivingen, waarop de overheid eucalyptusbomen aanplantte, die nu in grote delen van het eiland terug zijn te vinden.

Aan de oostpunt van het eiland is die aanplant voorbij gegaan. Ponta de São Lourenco kan het beste worden omschreven als een woestijn. Hier groeit niks. Het nabijgelegen Santana, waar we eerder op de dag zijn geweest, is een alleraardigst dorpje, het leukste dat ik deze reis zie. Het ligt wat hoger, maar niet ver van de kust. Het resultaat is een koel briesje van de zee, maar met veel zon. Santana is niet zo toeristisch, al heeft het een soort openluchtmuseum met typisch Madeireese huisjes. Boven het dorpsplein zijn vlaggetjes in vele kleuren opgehangen. Waarvoor weet Emanuel niet te vertellen, vermoedelijk voor een feest voor één of andere heilige, ‘maar daar zijn er zoveel van.’

DSC_4434X

DSC_4293X

DSC_4295X

DSC_4442X

DSC_4449X

DSC_4457X

DSC_4466X

DSC_4474X - kopie

DSC_4478X

DSC_4503X - kopie

DSC_4512X

DSC_4523X

DSC_4534X

DSC_4545X

Een tochtje door de oostkant van het eiland. Op de bovenste foto het uitzicht vanuit het rietvlechtersdorp Camacha, waar in 1875 de eerste voetbalwedstrijd ooit in Portugal werd gespeeld. Daaronder Santana, met typisch Madeireense huisjes, het uitzicht op de Pico do Arieiro, Ponta de São Lourenco, de woestijn van Madeira en uitzicht op Machico, de derde stad van Madeira.

Een dag eerder ben ik al in Santana geweest, op één van twee wandelingen die ik deze week maak. Deze eerste wandeling gaat langs een levada; een must voor iedereen die het eiland bezoekt. De levada’s zijn het unique selling point van het eiland. Door de eeuwen heen is een netwerk van ruim tweeduizend kilometer aan irrigatiekanalen aangelegd om regenwater van de noordkant van het eiland naar de zuidelijke helft van het eiland te vervoeren. Vandaar de naam levada; ‘levar’ is Portugees voor vervoeren. Het is een slim en bijzonder duurzaam systeem dat de eerste bewoners waarschijnlijk hebben afgekeken van de Moren. Het levadasysteem werkt ook vandaag nog uitstekend. Voor het onderhoud zijn naast de moeilijker toegankelijke levada’s paden aangelegd, zodat eens keer per jaar de levada kan worden stilgelegd om het kanaal schoon te vegen. Het zijn die paden die nu steeds populairder worden bij toeristen.

Daar zijn die paden niet voor gemaakt, waardoor mijn wandeling vanuit het boshut bij Queimadas naar de waterval van Caldeirão Verde over een hobbelig pad gaat. Soms gaat de tocht over de kade van de lavada en onderweg naar de waterval komen we ook nog drie tunnels tegen. Daarbij is de laatste de meest uitdagende: het plafond is dermate laag dat ik er diep bukkend doorheen moet. Portugezen zijn niet zo groot. Een paar keer gedurende de wandeling loop ik op een richel van dertig centimeter breed langs een afgrond. Het is maar goed dat ik geen hoogtevrees heb, want het hekwerk oogt niet al te stabiel.

In de groep zit één Fries stel. Ze praten honderduit, in het Fries, maar als na een paar kilometer ze iets aan haar man vraagt waar hij het antwoord niet weet, help ik hem. Ze schrikt zich wild: ‘jij verstaat Fries.’ Ach, zo moeilijk is dat nu ook weer niet. De rest van de wandeling is ze beduidend stiller. De waterval is prachtig gesitueerd in een cirkelvormige inham. Wie zin heeft kan nog twee kilometer verder klauteren naar een andere waterval, de Caldeirão do Inferno, die minder spectaculair is als hij klinkt. Dat vindt onze gids Nunu tenminste. Als we bij de waterval de tijd nemen voor een lunch vraag ik hem naar een andere wandeling, die van de Pico Ruivo naar de Pico do Arieiro. Hij waarschuwt vooraf: het wordt heet. En het wordt zwaar.

DSC_4303X - kopie

DSC_4313X

DSC_4330X - kopie

DSC_4361X

DSC_4337X - kopie

DSC_4367X

DSC_4370X - kopie

DSC_4392X

DSC_4375X - kopie

DSC_4391X - kopie

DSC_4395X - kopie

DSC_4401X

DSC_4415

DSC_4426X - kopie

Levadawandeling van Queimadas naar de Caldeirão Verde. En weer terug.

Daar had de organisatie me al voor gewaarschuwd. Het bedrijfje waarbij ik mijn bustrips en wandelingen boek heeft de wandelingen onderverdeeld in ‘very easy’, ‘easy’ en ‘moderate’. Dat is een beetje volksverlakkerij, omdat ik eerder op hun site een indeling heb gezien in ‘easy’, ‘moderate’ en ‘challenging.’ Maar die laatste term schrikte wellicht wat reizigers af. Tijdens deze, inderdaad hete zaterdag, is dan ook een aardige groep op komen dagen voor de spectaculaire wandeling tussen de hoogste en de op-twee-na hoogste piek van Madeira (de op-één-na hoogste piek, de Pico das Torres, ligt ertussen in, maar daar lopen we omheen). Die wandeling houdt vijftien kilometer klimmen en dalen is. Het pad is daarbij prima; dit is geen levadawandeling, dit is een traject dat is aangelegd door professionals. Al snel loop ik met een groep jongeren en twintigers uit Scandinavië voorop op het pad naar de Pico Ruivo. Een van de twee gidsen moet ons afremmen omdat blijkt dat niet alle wandelaars gezegend zijn met een topconditie.

Bij een boshut een paar honderd meter van de top van de Pico Ruivo besluiten een aantal wandelaars daarom ook om de laatste tocht naar de top aan hen voorbij te laten gaan. Dat is het begin van de ellende. Een Brits stel blijkt dan eigenlijk al niet fit genoeg te zijn om de overige dertien kilometer af te leggen. Ach, de Britten. Als ze uit de EU stappen kan het niet anders dan dat het gemiddelde IQ in de overgebleven landen gaat stijgen. Een dag eerder heeft de medewerker in het boekingskantoor me verteld over een Britse vrouw die zonder zonnebrandcrème een dag lang in de zon had gelegen. Ze had tweedegraads brandwonden en mocht de rest van de vakantie niet meer in de zon komen.

Voor in de wandelgroep gaat het er gezellig aan toe. Een Deens stelletje, amper de basisschoolleeftijd ontgroeid, maakt aan de lopende band selfies. Een andere soloreiziger, een Noorse, is mijn voornaamste gesprekspartner vandaag. Ze komt uit Trondheim maar verhuist na de vakantie naar Oslo om te promoveren in de nanotechnologie. Ik probeer ‘r nog te verleiden naar Eindhoven te komen. Ze is bekend met de reputatie van mijn woonplaats, maar ging tijdens haar studie liever naar San Diego en Japan. Daar kan ik me iets bij voorstellen. Omdat we beiden alleen reizen maken we tijdens de wandeling wat foto’s bij elkaar. Later op de dag, als we bij het uitkijkpunt van de Pico do Arieiro zijn, mag ik ook een andere wandelaar uit het gezelschap fotograferen. ‘I can see you’re a pro,’ zegt hij vleiend. Dat schept verwachtingen, maar hij is tevreden met het resultaat. (Dat is beter dan twee jaar terug op Santorini. Toen maakte ik een werkelijk heel geslaagde foto van een Chinees stelletje, met op de achtergrond de krater. Blijkbaar waren ze niet tevreden, want toen ze de foto zagen, gaven ze de camera snel aan een andere toerist.)

Het uitzicht tussen de Pico Ruivo en de Pico do Arieiro is schitterend. Om elke bocht is een nieuw vergezicht van Madeira te zien. Kijk weg over de zee en je ziet in de verte Porto Santo liggen, kijk een andere kant op en je ziet de Ilhas Desertas uit de Noordzee omhoog steken. Langs het wandelpad staan zowaar wat planten in bloei, Madeira is weliswaar het bloemeneiland, maar voor de ware kleurenpracht is het nog te vroeg in het seizoen, waaronder de Pride of Madeira, letterlijk en figuurlijk de trots van het eiland. Er is alle tijd om foto’s te maken omdat onze twee gidsen nog steeds hun handen vol hebben aan het reisgezelschap. Even denk ik dat ze ons afremmen om de achterblijvers bij te laten komen, iets wat me nutteloos lijkt, maar gelukkig heeft de voorste gids snel genoeg in de gaten dat dit zinloos is.

Maar dit is ook een gebied dat in 2010 is getroffen door een grote bosbrand. De sporen daarvan zijn nog terug te vinden in de kale, afgebladderde bomen langs het pad naar de Pico Ruivo. Ook een paar weken na mijn vertrek wordt Madeira geteisterd door bosbranden. Doordat het zo’n klein eiland is, heeft een brand van kleine omvang al een verwoestend effect. Net zoals eilanden als Nieuw-Zeeland, of Hawaï, heeft Madeira een unieke flora en fauna. De freira, of madeirastormvogel, nestelt alleen op enkele rotsrichels rond de hoogste toppen van het eiland en heeft een fragiel klein leefgebied. Door de bosbrand is 65% van de jongen gestorven, zijn nesten vernield en bovendien een hoop volwassen vogels gestorven.

DSC_4564X

DSC_4565

DSC_4569X

DSC_4580X - kopie

DSC_4604X

DSC_4611X

DSC_4624X

DSC_4638X

DSC_4643X

DSC_4654X - kopie

DSC_4658X

DSC_4667X

DSC_4675X

DSC_4684X

Wandeling van de Pico Ruivo, de hoogste piek van Madeira, naar de Pico do Arieiro, de op-twee-na-hoogste piek van het eiland. Op de vijfde foto van boven kan je in de verte de onbewoonde Ilhas Desertas zien liggen. De plant op de achtste foto van boven heet de Pride of Madeira. Tussendoor nog een actiefoto van uw blogger.

Een dag voor vertrek boek ik nog één keer een tripje, maar dan van een halve dag. Tot mijn (en zijn) verbazing is het Emanuel die weer mijn gids van de dag is. Dit keer heeft ie een zwart busje. Met een wegwuifgebaar legt hij uit dat dit z’n andere busje is. Ik begin het systeem van de dagtrips eindelijk door te krijgen. Veel van de gidsen zijn zelfstandigen, die enkel worden opgetrommeld als er voldoende belangstelling is voor een tripje. Dit busje zit vandaag redelijk vol voor een bezoekje in de morgen naar het Curral de Freiras, letterlijk: de stal van de nonnen. De naam dankt het dal aan de nonnen die, in 1566 op de vlucht voor Franse kapers, hun klooster ontvluchtten en bij de herders in dit afgelegen dal domicilie vonden. Tot vijftig jaar geleden lag het nog steeds zó afgelegen dat het alleen via een wandelpad te bereiken was. Daarna werd een weg aangelegd en tegenwoordig loopt er zelfs een tunnel naar het dal. Aan de spectaculaire ligging van het dorp doet deze vooruitgang niks af.

Het dorpje zelf is aardig, maar het is vooral de volop aanwezige drank die tegenwoordig toeristen trekt. Het is de kastanjelikeur die het bekendste is, maar wordt van alles wat op Madeira te krijgen is wel likeur gestookt. En het liefste met een extreem hoog alcoholpercentage. Later die dag, als ik met een gezelschap langs de zuidkust van Madeira vaar, weet één van de gidsen te melden dat de in de supermarkt te krijgen rum veel te slap is. Een van de passagiers krijgt een adresje aan de noordkust, waar heerlijke (illegaal gestookte) rum te krijgen is, met een alcoholpercentage van boven de tachtig procent. Gezien de alomtegenwoordigheid van de drank in de supermarkten krijg ik de indruk dat de toeristenindustrie vooral inzet op poncha, een mix van rum, honing, citroen en suiker.

Aan het einde van de tocht vraagt Emanuel aan z’n reizigers wie in het centrum van Funchal afgedropt wil worden. Dat klinkt als een goed idee. Hij biedt aan me af te droppen bij het museum van Cristiano Ronaldo. Z’n redenering is logisch: een jonge man houdt vast van voetbal, en wie van voetbal houdt, houdt van de beste voetballer aller tijden. Althans, dat vindt Cristiano Ronaldo zelf, en met hem heel Madeira. Heel het eiland is geobsedeerd door de voetballer die in 1985 in de arme wijk Santo António werd geboren. Het verhaal van CR7 is natuurlijk een typisch rags to riches verhaal en ik zal niet ontkennen dat de man een aardig balletje kan trappen, maar ik vind Ronaldo een vreselijk irritant en pedant kereltje. Dat blijkt wel uit het museum, gelegen aan de boulevard van Madeira, met voor de ingang een larger than life verguld standbeeld van de voetballer. In een ongebruikelijke pose; hij trekt niet eens z’n shirt omhoog om z’n sixpack te showen.

Voordat ik naar Madeira reisde hoopte ik hartgrondig dat Portugal niet het EK Voetbal zou winnen. Be careful what you wish for. Als ik per se wil dat iets niet gebeurt, gebeurt het juist wel. Toch, ondanks de hekel die ik aan Cristiano Ronaldo heb, is het de Madeirezen gegund. Al was het maar omdat na het laatste fluitsignaal van de EK-finale er amper toeterende auto’s in de straten te horen waren. Het is tekenend voor de volksaard. Rustig en gereserveerd, en niet al te borstklopperig. Die houding bevalt me wel.

DSC_4691X

DSC_4690 - kopie

DSC_4689X

DSC_4696X

DSC_4708X - kopie

DSC_4717X

DSC_4721X

DSC_4723X

DSC_4911X

DSC_4913X

DSC_4921X

DSC_4936X

Op weg naar Curral de Freiras, de stal van de nonnen. Met bovenaan uitzicht op Funchal, verder naar onderen uitzicht op de vallei met het dorp. De vogel op de hoek van het dak is om het ongeluk af te zweren. Op de onderste foto’s de dolfijnen tijdens de tocht met de catamaran langs de zuidkust van Madeira.

Even overwoog ik nog tijdens mijn verblijf een reis naar Porto Santo, het andere bewoonde eiland in de Madeira-archipel, te maken. Ik zag er uiteindelijk toch vanaf. Om de boot te halen moest ik vroeg op, de reis zou tweeëneenhalf uur duren en meer dan één dorpje en een zandstand leek het eiland niet te bieden. Ik zou me al snel stierlijk vervelen. Wel reserveerde ik op mijn laatste middag een tochtje met een catamaran langs de zuidkust van Madeira. Het doel was om dolfijnen te spotten, maar die beesten zijn veel te slim om met zich te laten sollen. Maar, na een speurtocht van een slordige drie kwartier waren er zowaar een paar dolfijnen die zich lieten zien.

Eerlijk gezegd ging het me niet zo zeer om de dolfijnen. Wat me meer aansprak was de mogelijkheid om een stukje te gaan zwemmen. Nadat de dolfijnen gespot waren zette de catamaran koers naar Cabo Girão, de (al dan niet) op-één-na-hoogste klif van Europa. Bij de klif dook ik in het water voor een kwartiertje zwemmen. Het water was fris en kraakhelder; de diepte onderwater leek oneindig. Op de terugweg langs de kust vertelde de gids honderduit over de steile rotskust en de boeren die zelfs op de meest steile plekken nog fruit en groente verbouwen. Desnoods wordt de oogst via kabelbaantjes naar boven getakeld. Ik begreep de Britse vrouw die ik eerder in de week had getroffen wel. Ik zou hier best kunnen wonen.

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Madeira

Zegeltjes

Waarom ze geen mandje heeft gepakt weet ik niet. De oudere vrouw voor me vindt het blijkbaar praktischer om haar boodschappen in twee zakjes te stoppen die ze van de groenteafdeling heeft gegapt. Óf ze is vergeten haar boodschappentas mee te nemen, óf ze is te krenterig om een plastic tas van 25 cent bij de kassa af te rekenen. Nu ze aan de beurt is peutert ze één voor één de boodschappen uit de zakjes, waarna ze deze snel in de zakken van haar jas propt.

Afrekenen gaat al even moeizaam. Als ze vijftien euro moet afrekenen komt uit haar jaszakken eerst het ene na het andere bonnetje tevoorschijn. Het hele ritueel neemt nogal wat tijd in beslag, dus ik zucht een keertje en wissel een blik van verstandhouding uit met de dame achter me in de rij. Ik heb pauze, ruim voldoende tijd om heen en terug naar de Albert Heijn te lopen, maar dan moeten de klanten wel een beetje opschieten. Na lang zoeken tovert ze een briefje van tien euro tevoorschijn. Een verfrommeld briefje van vijf volgt.

Dan gaat het mis.

‘Och,’ zegt de caissière, ‘ik ben vergeten te vragen of u zegeltjes wilt.’
‘Ja, die wil ik! Die moet ik hebben! Jij móet dat vragen!,’ brult de vrouw.
De caissière twijfelt en wil de klant naar de servicebalie verwijzen. Daar neemt de vrouw geen genoegen mee. ‘Nee, ik wil zegeltjes, daar heb ik recht op!,’ herhaalt ze.
‘Euh… ja, ik kijk wel of ik nog iets kan doen,’ zegt de caissière beduusd. Ze drukt op een paar knopjes op de kassa en vraagt de klant om geld voor de zegeltjes. Die is nu nog bozer.
‘Nee, niet díe zegeltjes. Die restaurantzegeltjes bedoel ik! Verdorie. Daar heb ik recht op! Toch?’
Terwijl ze dat laatste woord uitspreekt kijkt ze mij aan. De vrouw is op zoek naar steun. Ik heb enorm veel zin om ‘r aan te spreken op haar belachelijke gedrag, maar weet niet wat ik moet zeggen. Even kijk ik haar heel indringend boos aan. Blijkbaar spreekt mijn blik boekdelen, want ze valt stil. Nouja, bijna dan. Ze mompelt alleen nog ‘o’, neemt snel het ene schamele zegeltje aan en druipt af met haar boodschappen, schielijk in de twee groentezakjes gepropt.

Als de dame na me aan de beurt is roept ze lachend tegen de caissière: ‘ik wil geen zegeltjes. Geen restaurantzegeltjes, geen koopzegeltjes: helemaal géén zegeltjes.’

Posted in Eindhoven | Comments Off on Zegeltjes

Klein relatieleed

Het huis valt niet bijzonder op. Een vooroorlogs rijtjeshuis langs een drukke weg in Eindhoven. Twee deuren naast de sportschool, dus ik loop er een paar keer per week langs. Het zou me nooit zijn opgevallen, totdat mijn oog een keer viel op het naambordje van het huis. Op ongeveer een meter hoogte waren naast de voordeur, in kleine tegeltjes met letters, de namen van twee mensen op de muur geplakt: een man en een vrouw. Ik had ze wel eens gezien; een paar dagen voor kerst zag ik ze, terwijl ik aan het fietsen was op een hometrainer, hun auto inladen voor de wintersport.

Gisteren liep ik er langs en viel me het bord op dat op de bovenverdieping hing: het huis staat te koop. Meteen daarna viel mijn oog op de tegeltjes naast de voordeur. Of beter, de restanten ervan. Er stond nog één naam. De andere was er bruusk afgebikt, de lijmresten nog zichtbaar.

Posted in Eindhoven | Comments Off on Klein relatieleed

Zweden Muziekland

blog42YearsofMusic1

We zullen het niet over de uitslag van het Songfestival hebben. Dat een liedje wint dat zowel bij de jury als bij het publiek op de tweede plek eindigt is toe te schrijven aan de merkwaardige manier van punten tellen. Waar we het wél eventjes over kunnen hebben is die nieuwe manier van punten tellen, ingevoerd om het wat spannender te maken. Dat is begrijpelijk; voorgaande jaren was vier of vijf landen voor het einde van de puntentelling wel bekend welk land zou winnen. Maar met het splitsen van de punten van de jury en de televoting worden onbedoeld twee dingen duidelijk gemaakt. Dat ten eerste de jury soms heel vreemde beslissingen neemt, wat de autoriteit van de leden niet ten goede komt. En ten tweede dat wederom wordt aangetoond hoeveel het helpt als de inwoners van je land over heel Europa zijn uitgewaaid. Zie Polen: vrijwel onderaan bij de jury’s, maar gigantisch populair bij het publiek. Dat onderscheid was er de laatste jaren altijd al, maar alleen zichtbaar als je als nerd de statistieken van de uitslagen indook. Op deze manier komen alle oude sentimenten van vriendjespolitiek weer open te liggen: geen vooruitgang. Daarnaast had met de oude puntentelling Australië gewonnen, wat een veel beter liedje is.

Nee, het állerbeste van het Songfestival was dit filmpje van videoclipregisseur Jonas Åkerlund waarin hij in vier minuten tijd het succes van de Zweedse popmuziek illustreert aan de hand van 71 hits, beginnend bij de winst van ABBA met Waterloo in 1974 en eindigend bij de overwinning van Måns Zelmerlöw op het Songfestival vorig jaar (maar waar hij in het filmpje gemakshalve maar 2016 van heeft gemaakt): 42 Years of Music. Het was alsof ik mijn (melig getitelde) iTunes-playlist Zwöden voorbij hoorde komen. In het filmpje van Åkerlund, zelf één van de belangrijkste videoclipregisseurs van de afgelopen twintig jaar, komen uiteraard de grote namen voorbij: Roxette, Ace Of Base, The Cardigans, plus alle zes Zweedse songfestivalwinnaars, maar nog leuker zijn onbekendere namen als Whale, Caesars Palace en The Ark; ik ken ze allemaal van nachtenlang Alternative Nation op MTV kijken.

blog42YearsofMusic2

Op Twitter pochte ik dat ik alle artiesten wist te noemen, waarop ik van de weeromstuit als vraag kreeg ‘wie dan die Arabier achter in die taxi was’. Touché. Die had ik gemist en een dag later zocht ik het filmpje op via Vimeo. Het blijkt Dr. Bombay te zijn met het liedje Calcutta (Taxi Taxi Taxi). Maar bij het terugkijken kwam ik op het idee om te proberen alle 71 fragmenten te achterhalen. Bij een eerste keer kijken had ik er 47 herkend, nu ploos ik de rest uit. Zo blijkt het fragment Oh Susie van de groep Secret Service te zijn. Het liedje was in Scandinavië een grote hit, maar het enige wapenfeit in Nederland is een tipparadenotering in 1982 voor de single Flash In The Night. Ik kende het niet. En die man met die bril en baard die zo zorgelijk kijkend ‘here’s a way to take you down’ zingt blijkt de frontman te zijn van The Soundtrack Of Our Lives, een groep die ik ooit een geweldig concert zag geven op Eurosonic, maar om onbegrijpelijke redenen nooit is doorgebroken buiten Scandinavië en bij mij uit beeld was verdwenen.

Het slimme van dit filmpje van Åkerlund zit ‘m in de details: in één fragment zie je Denniz PoP een broekie naast ‘m introduceren: Max Martin. De twee mannen hebben honderden wereldhits geschreven en/of geproduceerd. Dat bedoel ik letterlijk: honderden wereldhits. PoP was in de jaren negentig de producer van Zweedse acts als Dr. Alban, Ace Of Base, Robyn en Jessica Folcker, maar werd al snel internationaal opgepikt en produceerde megahits voor Backstreet Boys, N’Sync en 5ive. PoP overleed tragisch jong op 35-jarige leeftijd, maar in dit fragment draagt de leermeester figuurlijk het stokje over aan een jongere generatie. Martin had goed opgelet; een jaar na het overlijden van PoP had hij al een wereldwijde hit met Spears’ …Baby One More Time. Inmiddels heeft hij 22 Amerikaanse nr. 1 hits (mede) geschreven (nr. 22, Can’t Stop The Feeling! van Justin Timberlake, komt deze week op nr. 1 binnen in de Billboard Hot 100), waarmee hij op de ranglijst van meest succesvolle songschrijvers aller tijden alleen nog John Lennon en Paul McCartney voor zich moet dulden. Het is een kwestie van tijd voordat hij die inhaalt.

blog42YearsofMusic3

Martin is notoir publiciteitsschuw, maar wie iets wil lezen over zijn werkwijze moet voor de aardigheid dit artikel op Stereogum lezen. Het is niet alleen interessant als introductie over wat een producer nu eigenlijk doet (in het geval van Martin: veul), maar het is ook verplichte kost voor wie wil weten hoe de muziekindustrie anno 2016 werkt. En het stomme is: het is geen formulepop. Producers als Timbaland, William Orbit of Pharrell Williams hebben, hoe subtiel ook, een gimmick. Een bepaald geluidje, of een trucje dat in al hun hits terugkomt. De enige gemene deler bij Martin is dat het verdomd catchy, maar nooit gemakzuchtig is. Wat uit dat artikel van Stereogum blijkt is dat het vooral het resultaat is van wekenlang ploeteren om een goed liedje te transformeren tot een perfect liedje. Dat gaat tot in het kleinste detail, waarbij zelfs de lettergrepen perfect bij de melodie moeten passen: vakwerk tot op de nanometer.

De producer en songschrijver is Zweden allang ontgroeid en schreef inmiddels met Bon Jovi (It’s My Life), Celine Dion (That’s The Way It Is) Katy Perry (I Kissed A Girl, Last Friday Night (TGIF), Roar), P!nk (Raise Your Glass), Kelly Clarkson (Since U Been Gone, Behind These Hazel Eyes), Ellie Goulding (Love Me Like You Do), Taylor Swift (Shake It Off, Blank Space, Style) en The Weeknd (Can’t Feel My Face). En dan laat ik de song waarvan iedere jongen in 1999 niet durfde toe te geven het eigenlijk steengoed te vinden, I Want It That Way van de Backstreet Boys, nog onvermeld. De nieuwste single van Justin Timberlake, Can’t Stop The Feeling!, die als intervalact werd gebracht is mede geschreven en geproduceerd door Martin (op zijn beurt weer bijgestaan door z’n protegé Shellback). Om maar te zeggen: zo vreemd was het niet om de Amerikaanse zanger als intervalact op te voeren op een Zweedse editie van het Songfestival.

blog42YearsofMusic7

In Åkerlunds filmpje komen slechts een paar producties van PoP en/of Martin voorbij, zoals It’s My Life van Dr. Alban en Show Me Love van Robyn (zij had ongetwijfeld liever wat recenter werk als With Every Heartbeat of Dancing On My Own in dit filmpje gezien), maar ook zonder hun bijdragen is dit een indrukwekkende lijst. Van rocker Yngwie Malmsteen in de jaren tachtig, waarover OOR ooit schreef dat ie vaker van begeleidingsband wisselde dan van onderbroek, via een stortvloed aan danceproducties van Avicci en Swedish House Mafia tot singer-songwriter José González en het folkduo First Aid Kit (in deze video zit Wolf, maar hun mooiste liedje is Emmylou). Zelfs Günther en Basshunter worden vermeld, niet bepaald het beste wat Zweden heeft voortgebracht, al laat de maker Crazy Frog en AronChupa wijselijk achterwege.

Met wie verder ontbreken zou je met gemak een tweede filmpje kunnen maken: Kent, Meshuggah, Rednex, Broder Daniel, Jessica Folcker, Ebba Forsberg, Sahara Hotnights, Fireside, The Radio Dept., The Wannadies, Dungen, Ana Johnson, Shout Out Louds, Christian Walz, The Concretes, Jens Lekman, Loney, Dear, Carolina Liar, Little Dragon, The Knife, Johnossi, Eric Prydz, Friska Viljor, Mohombi, Eric Saade, Miike Snow en The Tallest Man On Earth. Om maar te zeggen: het is nog verre van compleet.

Aan het einde van deze clip staat het groot in beeld: and we’re just getting started. Dat is geen dreigement. Het is een mededeling.

blog42YearsofMusic4

Inmiddels staat er wel een lijst online, waarmee ik de ontbrekende namen kan invullen. Veel grote internationale artiesten, maar ter compensatie ook een enkele Zweedstalige acts. Grappig genoeg waren het juist de hardste acts die ik nooit had kunnen achterhalen.

1. Blue Swede – Hooked On A Feeling
2. ABBA – Waterloo, Mamma Mia, Gimme! Gimme! Gimme! (A Man After Midnight)
3. Harpo – Moviestar
4. Secret Service – Oh Susie
5. Herreys – Diggi-Loo Diggi-Ley
6. Anders Glenmark & Murray Head – One Night In Bangkok
7. Tommy Körberg – Anthem
8. Yngwie Malmsteen – Rising Force
9. Europe – The Final Countdown
10. Neneh Cherry – Buffalo Stance
11. Roxette – The Look, It Must Have Been Love
12. Bathory – One Rode To Asa Bay
13. Electric Boys – All Lips ‘n Hips
14. Rob ‘n Raz ft. Leila K – Got To Get
15. Army Of Lovers – Crucified
16. Dr. Alban – It’s My Life
17. Carola – Fångad Av En Stormvind
18. Ace Of Base – All That She Wants
19. Stakka Bo – Here We Go
20. Peter Jöback – Guldet Blev Till Sand
21. E-Type – This Is The Way
22. Leila K – Electric
23. The Soundtrack Of Our Lives – Instant Repeater ’99
24. Robyn – Show Me Love
25. Whale – Hobo Humpin’ Slobo Babe
26. Backyard Babies – Look At You
27. Clawfinger – Biggest & The Best
28. Eagle-Eye Cherry – Save Tonight
29. The Cardigans – Lovefool
30. Refused – New Noise
31. Emilia – Big Big World
32. Meja – All ‘Bout The Money
33. Dr. Bombay – Calcutta (Taxi Taxi Taxi)
34. Charlotte Nilsson – Take Me To Your Heaven
35. Andreas Johnson – Glorious
36. Alcazar – Crying At The Discoteque
37. Thomas Rusiak & Teddybears STHLM – Hiphopper
38. The Hellacopters – By The Grace Of God
39. The Ark – It Takes A Fool To Remain Sane
40. Titiyo – Come Along
41. Caesars Palace – Jerk It Out
42. A-Teens – Halfway Around The World
43. José González – Heartbeats
44. The Hives – Walk Idiot Walk
45. Opeth – The Grand Conjuration
46. Hammerfall – Hearts On Fire
47. Günther – Ding Dong Song
48. Arash – Boro Boro
49. Basshunter – Boten Anna
50. September – Cry For You
51. Sabaton – Ghost Division
52. Peter, Björn & John – Young Folks
53. Teddybears STHLM ft. Mad Cobra – Cobrastyle
54. Agnes – Release Me
55. Mando Diao – Dance With Somebody
56. Swedish House Mafia – One (Your Name), Don’t You Worry Child
57. Rebecca & Fiona – Bullets
58. Avicii – Levels
59. Laleh – Some Die Young
60. Lykke Li – No Rest For The Wicked
61. Loreen – Euphoria
62. Icona Pop ft. Charlie XCX – I Love It
63. Zara Larsson – Lush Life
64. Yung Lean – Kyoto
65. First Aid Kit – Wolf
66. Tove Lo – Habits (Stay High)
67. Seinabo Sey – Younger
68. Sabina Ddumba – Not Too Young
69. Hammerfall – Hector’s Hymn
70. Ghost – Cirice
71. Måns Zelmerlöw – Heroes

blog42YearsofMusic5

Posted in Media, Muziek | Tagged , | Comments Off on Zweden Muziekland

Tien keer Songfestivalwinnaars

Het is weer die tijd van het jaar. Die periode van het jaar dat ik zonder enige schaamte op mijn iPod de Songfestivalplaylist opzoek en met veel plezier draai. Zwelgen in de meest drakerige popmuziek die er is gemaakt. Ja, alleen nu kan het en durf ik zonder ironie te zeggen dat ik de muziek nog leuk vind ook. Het is een periode die hooguit een paar weken duurt, al zijn er mensen die het hele jaar door Songfestivalmuziek draaien. Ik raad iedereen aan bij deze mensen ver uit de buurt te blijven.

Het fijne is dat het Songfestival zich perfect leent voor lijstjes. De lijst met winnaars vanaf 1956 alleen al (ik ken alle winnende landen uit het hoofd, bij de meeste met de juiste artiest en songtitel). Daar zitten prachtige winnaars bij. En bij de niet-winnende liedjes zit nog veel meer moois. Songfestivalmuziek is bijna een genre op zich. Het bestaat in een geheel eigen universum, blissfully unaware van alle muzikale trends in de grote boze buitenwereld. Maar de állerbeste liedjes weten het Songfestival te ontstijgen en bereiken een evergreen status. Waarmee ik niet wil zeggen dat deze top-10 uit onverwoestbare kwaliteitsmuziek bestaat. Ja, ik weet het, Zweden is oververtegenwoordigd. Ik ben nu eenmaal een sucker voor aalgladde, superslim geproduceerde hitjes. En de Nederlandse winnaars ontbreken. Ik vind ze niet sterk genoeg. Niemand zet Ding-a-Dong voor z’n plezier op. Echt. Niemand. Ik had graag Hemel en Aarde van Edsilia Rombley of Calm After the Storm van The Common Linnets hier genoemd, maar iedereen weet: die hebben niet gewonnen (al zou dat in beide gevallen wel verdiend zijn geweest). Toch durf ik met stelligheid te zeggen dat aan de top-3 niet valt te toornen. Al heb ik ABBA daar net buiten gelaten.

10. Udo Jürgens – Merci Chérie (Oostenrijk, 1966)10xSongfestivalwinnaars10

Dan maar meteen met de billen bloot. Merci Chérie is een guilty pleasure in optima forma. De voornaamste reden: de orkestpartij. Ik moet bekennen dat ik de andere inzendingen van het Songfestival van 1966 niet ken, maar ik kan me moeilijk voorstellen dat er een compositie is met een betere muzikale begeleiding. Luister alleen al naar dat pianoriedeltje en die strijkers, net nadat de Oostenrijkse zanger ‘die liebe, die liebe allein’ heeft gezongen. Geen wonder dat Jürgens won, de enige Oostenrijkse overwinning tot Conchita Wurst in 2014. Jürgens zou later dat jaar plotseling overlijden aan een hartaanval (wat geen toeval kan zijn). Op mijn iPod staat Merci Chérie in mijn 60’s playlist perfect tussen Lea van The Cats en Vésoul van Jacques Brel. Brellisten zullen dat heiligschennis vinden, maar de schlagerzanger tussen de Volendamse palingpop en het Franse chanson, twee andere typisch Europese bijdragen aan de wereldmuziek, dat past perfect.

10xSongfestivalwinnaars99. Ell & Nikki – Running Scared (Azerbeidzjan, 2011)

Songfestivalafficionado’s, althans degene die ik ken, plaatsen Running Scared steevast in de onderste regionen van favoriete inzendingen. Ergens begrijpelijk; het is niet camp, het duo zong tijdens de live uitzending niet bepaald zuiver en dan is het ook nog de inzending van Azerbeidzjan, een land waarvan je je kunt afvragen of het wel in Europa ligt (nouja, dat liggen Israël en Australië ook niet). Toch, het is een perfect popliedje. Die strategisch geplaatste ‘oh-oh ohs’, de stotterende synthesizer die elk refrein op de achtergrond te horen is: aan alles hoor je dat er heel goed over deze song is nagedacht. Zweeds vakwerk. Azerbeidzjan moest en zou het Songfestival een keertje winnen. De oliestaat mag er dan een paar ton aan Manats tegenaan hebben gegooid: het land heeft z’n plaats in de annalen van het Songfestival verdiend. Zelfs Douwe Bob lijkt het liedje te kennen; hij citeert Running Scared in zijn bijdrage Slow Down.

10xSongfestivalwinnaars88. Helena Paparizou – My Number One (Griekenland, 2005)

Ik wilde iets uit de jaren nul in deze top-10 hebben, maar dat valt niet mee. Het waren de donkere jaren van het festival, waar het Oostblok de macht leek te hebben gegrepen. Griekenland had in dat geweld het geluk dat het politiek, geografisch én muzikaal zowel tot West- als Oost-Europa gerekend kan worden. Vandaar dat het land het in die jaren formidabel deed; van 2001 tot en met 2011 eindigde het land maar twee keer buiten de top-10. In 2005 won Helena Paparizou zelfs. De formule was geslepen; veel van de Griekse inzendingen waren een melting pot van allerlei muzikale stijlen. De melodielijn van My Number One is deels Enrique Iglesias’ Rhythm Divine, deels een Balkantraditional, de bouzouki en lier zijn traditioneel en de beats zorgen ervoor dat de song ook in de nachtclubs aan de Griekse kust gedraaid kan worden. Aan iedere noot is te horen: hier is goed over nagedacht. Nu de stofwolken van een decennium met matige winnaars zijn opgetrokken zijn er maar twee die fier overeind blijven: de Noorse Alexander Rybak, en Paparizou.

10xSongfestivalwinnaars77. Herreys – Diggi-Loo Diggi-Ley (Zweden, 1984)

Veel winnaars uit de jaren tachtig zijn vergeten. Riva met Rock Me en Corinne Hermès met Si La Vie Est Un Cadeau: alleen de diehard songfestivalkenners herkennen ze. Terwijl de jaren tachtig toch het decennium van de schaamteloos catchy popmuziek is. Er is een reden dat popsterren van Taylor Swift tot Carly Rae Jepsen en van Katy Perry tot Ellie Goulding blijven meeliften op de jarentachtigrevival. Diggi-Loo Diggi-Ley is natuurlijk een onzinhit van jewelste, waarmee het een ultieme songfestivalinzending is. Titels als Boom-Bang-a-Bang, La La La en Ding-a-Dong zijn meerdere keren de snelste weg naar de overwinning gebleken. Komt nog bij dat de Herreys, drie mormoonse broers, er zó keurig uitzagen dat niemand er aanstoot aan kon nemen. Wel kregen ze van een andere Zweedse songfestival als bijnaam ‘de dansende deodorants’. Dat hebben de broers er wel voor over gehad.

10xSongfestivalwinnaars66. Anne-Marie David – Tu te Reconnaîtras (Luxemburg, 1973)

De vroege jaren zeventig waren de hoogtijdagen van het Songfestival. En van die jaren is de editie van 1973 het sterkste bezet. Cliff Richard werd derde met Power to All Our Friends, Mocedades eindigde als runner-up met Eres Tú en de Franse, maar namens Luxemburg deelnemende Anne-Marie David won met Tu te Reconnaîtras. Het verschil tussen de nrs. 1 en 3 was maar zes punten, dus laten we 43 jaar later kijken of die uitslag terecht is. Alle drie werden het grote hits (Eres Tú haalde zelfs de Amerikaanse top-10) en alle drie zijn het meezingers. Ik denk dat de muzikale begeleiding van David en Mocedades net iets sterker is dan bij Richard, dus de derde plek voor Cliff is terecht. Maar hoe prachtig ik Tu te Reconnaîtras ook vind, eigenlijk had Mocedades moeten winnen. Luxemburg had een thuisvoordeel, het had in 1972 met Vicky Leandros gewonnen. Dat, of het staande slot met die uithaal van David, moet het verschil hebben gemaakt. Hoe belangrijk een hoge uithaal is kan Gerard Joling ons vertellen. En Justine Pelmelay.

10xSongfestivalwinnaars55. Frida Boccara – Un Jour, Un Enfant (Frankrijk, 1969)

In het Romeinse Rijk is 69 het vierkeizerjaar. In de Songfestivalwereld is 1969 het jaar van de vier winnaars. Een van die vier was de Eindhovense Lenny Kuhr, dus daar heb ik altijd een zwak voor gehouden. Maar ik val nog net iets meer voor deze gedragen ballade waarmee de Franse, maar in Marokko uit Tunesische ouders met Italiaanse en joodse wortels geboren (volgt u het nog?) Frida Boccara namens Frankrijk meedeed. En óók won. De muziek is vol dramatiek, de tekst is weinig substantieel en gaat over het met verwondering naar de wereld kijken door de ogen van een kind. Maar de overtuiging en het timbre waarmee Boccara zingt doen denken aan Edith Piaf. Un Jour, Un Enfant werd niet eens een hit in Nederland, maar het vormde wel een blauwdruk voor chansons in Boccara’s verdere carrière. Een paar maanden later haalde het eveneens zwaar georkestreerde Cent Mille Chansons wel de Nederlandse top-10. Terecht; Cent Mille Chansons is bloedmooi.

4. ABBA – Waterloo (Zweden, 1974)10xSongfestivalwinnaars4

Bij het maken van deze top-10 was ik Waterloo aanvankelijk vergeten. Dat klinkt absurd, maar waar alle andere songfestivalwinnaars wonnen met het beste liedje uit hun carrière, heeft ABBA na Waterloo nog veel betere en grotere hits geschreven. ABBA zette met Waterloo simpelweg een formule neer die het in latere jaren perfectioneerde en sindsdien door diverse succesvolle Zweedse popacts is gekopieerd: de muziek is altijd herkenbaar, maar klinkt nooit gedateerd. Neem alleen Waterloo al dat, zeker als je de uitvoering op de avond zelf (die outfits!) erbij ziet, een hoog glamrockgehalte heeft: typisch 1974. Later flirtte het kwartet met muziektrends als disco en synthipop. Afgezien van de muziek – het stampende ritme, de saxofoons en die pianoriedel – is het de tekst die zo heerlijk is: ‘my my, at Waterloo Napoleon did surrender. Oh yeah, I have met my destiny in quite a similar way.’ De slag bij Waterloo als metafoor voor totale overgave in de liefde, in dat typisch Zweedse schoolboekenengels. Ik ga nog altijd overstag.

Waterloo kreeg geen punten van de jury van Frankrijk. Niet omdat de Fransen een liedje met de titel Waterloo niet konden waarderen, maar omdat het land niet meedeed na het plotselinge overlijden van president Georges Pompidou.

10xSongfestivalwinnaars33. Loreen – Euphoria (Zweden, 2012)

Euphoria is niet alleen by far het beste liedje van 2012, het is het beste liedje van de laatste vijftien jaar Songfestival, period. De reden? Euphoria overstijgt op alle fronten de songfestivalparafernalia. Waar de gemiddelde winnaar tegenwoordig nog amper de hitlijsten haalt, was Euphoria een pan-Europese hit: het stond in achttien landen op de eerste plaats en haalde in nog eens negen andere landen de top-3. In Nederland was het de op drie na grootste hit van het jaar. Dat het zo’n megahit werd is niet vreemd; het is een platte eurohouse stamper (op de plaatselijke kermis achter mijn ouderlijk huis was het in de zomer van 2012 minimaal één keer per uur te horen) met een titel die precies het doel van de song omschrijft: de luisteraar een euforisch gevoel geven. Zo simpel kan popmuziek zijn. Jammer dan dat Loreen haar oorspronkelijke succes vooralsnog geen vervolg heeft kunnen geven, al komt later dit jaar haar tweede album uit.

Wat Loreen extra sympathiek maakt is dat ze in 2013 aan de BBC vertelde dat Anouk haar favoriete inzending voor die editie van het Songfestival was.

10xSongfestivalwinnaars22. Eimear Quinn – The Voice (Ierland, 1996)

Nog een bekentenis. Ik heb tot ver in mijn puberteit een nogal hoge stem gehad. Ik zat er niet zo mee, al gebeurde het geregeld dat als ik de telefoon opnam ik de vraag kreeg ‘of mijn man thuis was.’ Ik heb het ijl hoog gezongen The Voice dan ook nog lang kunnen meezingen. Ja, echt waar. Ierland wilde na drie keer in vier jaar tijd te hebben gewonnen écht niet nog een keer winnen en dus stuurden ze een traditionele folksong die kansloos zou zijn. Eimear Quinn won met overmacht. Vermoedelijk waren de Ieren even vergeten dat ze twee jaar eerder op het Songfestival Riverdance als interval-act hadden opgevoerd, één van de aanjagers van een revival van traditionele Ierse muziek in de jaren negentig. Indertijd vervloekte ik het land voor wéér een songfestivaloverwinning (ik was niet de enige want Ierland heeft sindsdien nooit meer gewonnen) maar als folkie moet ik toegeven: The Voice is en blijft prachtig. Al kan ik het niet meer zingen.

10xSongfestivalwinnaars11. France Gall – Poupée de Cire, Poupée de Son (Luxemburg, 1965)

Het succes van Poupée de Cire, Poupée de Son is allereerst het succes van France Gall. Maar de echte kenners weten dat het aandeel in het succes van meester-provocateur en songschrijver Serge Gainsbourg minstens zo groot is. Hij is het die in de tienerzangeres Gall het perfecte vehikel zag om zijn liedjes, vol met dubbele bodems en seksuele toespelingen, aan een groot publiek te presenteren. Poupée de Cire, Poupée de Son is zijn meesterwerk: Gall zingt hierin dat ze een mooi popje is dat een liedje zingt, zonder de dubbele betekenis van de tekst door te hebben: een popje is ook een marionet, aangestuurd door de muziekindustrie. Daarnaast, die tieners die de plaatjes kopen, weten die eigenlijk wel waar de muziek over gaat? Zijn die niet net zo goed marionetten? En dan die muziek. Het intro op dwarsfluit is uit duizenden herkenbaar. Frankrijk zag de potentie van Poupée de Cire, Poupée de Son niet en dus weken Gall en Gainsbourg uit naar Luxemburg, dat het Songfestival met gemak won. Een jaar later was de samenwerking subiet over toen de songschrijver z’n hand overspeelde door Gall Les Sucettes te laten zingen. Wie de videoclip ziet, begrijpt meteen waarom.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , , , , , , , | Comments Off on Tien keer Songfestivalwinnaars

Quizhooligans

Sinds enige tijd doe ik niet alleen mee aan quizzen, ik help ook mee met de organisatie. Immers, wie vragen bedenkt voor een televisiequiz kan ook vragen bedenken voor een pubquiz. Daarnaast is het leuk om af en toe mee te helpen op een quizavond. Het houdt je van de straat en er is niks leuker dan anderen helpen.

Zo kon het gebeuren dat ik vrijdagavond met twee organisatoren van een quiz in een niet nader te noemen Brabants dorp terechtkwam. Een dorp waar dit weekend een festival werd georganiseerd en, om de feestvreugde op te luisteren, een quiz werd gehouden. Zoals iedereen die wel eens een pubquiz heeft bezocht kan beamen zijn de meest fanatieke quizzers keurige, bedeesde en ietwat wereldvreemde types aan wie elke hype of trend geruisloos voorbijgaat (ik ben hierop een uitzondering). Zo niet bij deze quiz. Het lijkt me daarom het beste om alle opmerkelijke gebeurtenissen op deze avond puntsgewijs, en in een strikt chronologisch verslag te verwerken, vrij naar Adrian Moles verslag van het bezoek van z’n schoolklas aan het British Museum. Ook lijkt het me voor alle betrokken partijen goed dat dit in alle anonimiteit gebeurt, teneinde de situatie niet erger te maken dan deze al is.

17.30 uur
Verzamelen in Eindhoven. Vanwege mijn hulp bij wat quizzen de laatste tijd is me een etentje beloofd. Het lijkt de twee makers van de quiz het beste om op de festivallocatie iets te eten. Dat lijkt me prima. Ik hoef geen super-de-luxe driegangenmenu.
17.40 uur
Onderweg wordt de gelegenheid doorgesproken. Volgens de plaatselijke organisatie moest de quiz niet te moeilijk zijn, omdat de deelnemers rond deze tijd al stomdronken zijn. De presentatrice maakt zich zorgen: ‘ik ben voortdurend bang dat ze straks gaan zingen ‘daar moet een piemel in.” Ze heeft de vragen voor de zekerheid zo eenvoudig mogelijk gehouden en we spelen vanavond maar vier rondes. Eventueel kan er nog een ronde geschrapt worden. Ik maak me geen zorgen. Op mijn palmares staan bezoekjes aan vele festivals: op Haldern heb ik tot m’n knieën in de modder gestaan. Op Pinkpop heb ik buren gehad die om 4 uur ‘s nachts het alfabet gingen boeren. Op Noorderslag zag ik ooit de zanger van The Spades voor op het podium met z’n snikkel zwaaien (er werd een biertje overheen gekeild). Ik ben wel wat gewend; voor de zekerheid heb ik een oude spijkerbroek en m’n legerkistjes aangetrokken.
18.10 uur
We arriveren op het festivalterrein. Buiten het pand staat een jongen in het wit gekleed met vleugeltjes op z’n rug een sigaretje te roken.
18.12 uur
Een medewerker van de festivalorganisatie komt ons ophalen. Hij waarschuwt ons nogmaals: er is nogal wat drank doorheen gegaan. De volledige voorraad Jägermeister is in één middag opgedronken. Zelf lijkt hij ook al aardig wat op te hebben. Onderweg naar de zaal waar de quiz wordt gehouden blijkt niet alleen iedereen dronken, maar ook nog verkleed te zijn. Ik spot indiaantjes, jongens in lederhosen, meisjes in badpakken, een KISS-bandlid, een paar Sneeuwwitjes en diverse rastafari’s. Carnaval valt vroeg dit jaar.
18.15 uur
De zaal is overzichtelijk ingericht met statafels die op enige afstand van elkaar staan. Achter het podium is een groot scherm geplaatst waarop straks de vragen worden geprojecteerd. De rest van de avond is hierop een videoshow te zien die de pompende dancemuziek moet ondersteunen. Ik zet alvast de plastic houdertjes met de teamnamen op de statafels. De organisator stelt ons gerust: ‘ze hebben allemaal een polsbandje met hun teamnaam. Dat kan niet misgaan.’
18.45 uur
Het wordt tijd om eten te halen. Onze presentatrice lijkt het geen goed idee dat zij dit zelf gaat doen, want dan zien de bezoekers misschien al wat de activiteit van de avond wordt. Dat is de medewerker van het festival met haar eens. Hij bekijkt mij es onderzoekend van boven naar beneden en zegt dan tegen haar: ‘dan gaat hij met je mee. Dan zeg je dat hij de stripper is en jij z’n manager bent.’ Nu weet ik het zeker: hij is dronken.
18.47 uur
Magic Mike gaat in z’n eentje eten halen.
18.50 uur
De barbecue met het eten staat buiten. De salades zijn verregend. Ik kan nog kiezen uit brood, hamburgers en pulled pork. Het is maar goed dat ik niet te strikt ben met mijn vegetarisme.
19.30 uur
De statafels staan allemaal klaar, op elke tafel is een bordje met de teamnaam geplaatst. Omdat de sfeer er al enorm goed in zit, wat niet bevorderlijk is voor de quizprestaties, wordt besloten de quiz drie kwartier eerder dan gepland te starten. Het zal toch nog een heel gedoe zijn om iedereen op tijd in de zaal te krijgen.
19.40 uur
De eerste groepjes komen binnen. Deelnemers dragen plantenbakken (met planten) mee. Een andere bezoeker heeft een sanseveria meegenomen. Een paar spelers gooien alle statafels door elkaar. In twee minuten tijd is de zorgvuldig ingedeelde zaal overhoop gegooid. Niemand weet of de deelnemers wel bij de juiste tafels staan. In een hoek staat een meisje in badpak op een statafel te dansen. De presentatrice kijkt verschrikt de zaal in. ‘Dat worden drie rondes vanavond,’ zegt ze.
19.42 uur
Een meisje in badpak voor het podium knipoogt naar me en likt haar lippen af. Ik lach vriendelijk terug.
19.45 uur
Ik sta aan een kant van het podium achter een statafel om later op de avond de formulieren na te kijken en de scores te verwerken. Een paar bezoekers zijn overgegaan tot een podiuminvasie. Ze worden door een medewerker van het festival met zachte dwang van het podium afgeduwd. Uit de speakers klinkt harde dancemuziek, op het scherm komen foto’s voorbij die zijn voorzien van grappen van kakhiel.
19.50 uur
De festivalorganisator neemt het woord en legt uit dat we vanavond een quizje gaan houden. Hij zegt verbaasd te zijn dat er nog niemand in het publiek ‘kut!’ heeft geroepen. Hierop roept iemand uit het publiek: ‘kutquiz!’
19.52 uur
Het lijkt goed te gaan. Ondanks de vreemde uitdossingen staat iedereen redelijk serieus te quizzen. Wel springt bij elke gitaargerelateerde vraag het KISS-bandlid het podium op om op z’n gitaar te spelen.
19.55 uur
Een medewerker van het festival breekt in om ook een paar vragen te stellen. Na afloop draagt hij symbolisch het stokje over aan de presentatrice. Het stokje blijkt een zwarte dildo te zijn. Ze plaatst hem op de statafel op het podium.
20.00 uur
De eerste ronde zit erop. Gemiddeld scoren de teams vijf punten.
20.02 uur
Een speler klimt op het podium en probeert een medewerker van de quizorganisatie om te kopen. Hij geeft hem zijn bankpas en pincode.
20.07 uur
De speler klimt opnieuw op het podium. Hij wil z’n bankpas terug.
20.20 uur
Pauze.
20.30 uur
Het gaat nu zo goed dat besloten wordt de volledige quiz te spelen. Wel is de dildo gestolen. De presentatrice zegt die wel graag terug te willen. Er is inmiddels menig biertje naar het podium gegooid. Sommige antwoordformulieren zijn doorweekt van het bier.
20.32 uur
Ik besluit een team voor het podium te helpen. Op de vraag in welk land de Día de Muertos is ontstaan, roept een meisje hard: ‘Mexico!’ Een jongen in het team is het daar niet mee eens en roept even hard: ‘nee joh!’ Ik vertrouw de jongen toe: ‘ik zou maar naar haar luisteren.’ Het meisje reageert: ‘maar ik zei helemaal niks.’
20.35 uur
Op de vraag in welke vier fruitsmaken een bepaald type condoom van Durex verkrijgbaar is roept iemand in het publiek heel hard: ‘pruimen!’
20.37 uur
Een team heeft de letter A achter de teamnaam verbasterd tot ‘Anabolen.’
20.45 uur
De muziekronde. Als Let It Be van de Beatles (zoals gezegd: het niveau mocht niet te hoog zijn) wordt gespeeld lalt de zaal mee. Hetzelfde gebeurt bij Drank & Drugs.
20.55 uur
Klaar. Uit de speakers klinkt inmiddels weer op vol volume dancemuziek. Besloten wordt om de einduitslag niet meer voor te lezen. De aandachtsspanne van het publiek is te kort.
21.00 uur
Een medewerker heeft vier plastic houdertjes met de teamnamen van de statafels kunnen redden. Die dingen zijn net nieuw, dus we willen ze wel graag terug. Ik besluit nog een duik in het publiek te doen om de overgebleven houdertjes te zoeken. Ik vind er nog een stuk of tien. De vloer is spekglad van het bier. Op een tafel ligt een klein hoopje wit poeder.
21.05 uur
Ik sta achter de bar, de veiligste plek in de ruimte. Een bezoeker plaatst de eerder op de avond ontvreemde dildo op de bar. Als hij een biertje krijgt, doopt hij de dildo in het biertje. De presentatrice hoeft de dildo niet meer.
21.30 uur
Als we weggaan blijkt het brandalarm af te zijn gegaan. Alle ramen in het complex zijn opengezet. Bij het wegrijden kunnen we tot op honderden meters afstand het alarm nog horen. De quizorganisatoren zijn niet ontevreden: vorig jaar hebben de bezoekers nog een boot gesloopt.
21.45 uur
Onderweg naar huis wordt me verzekerd: dat etentje hou ik nog tegoed.

Posted in Quizzen | Tagged , | Comments Off on Quizhooligans

Song Top 20 2015

In Amerika hebben ze er een schertsende term voor: poptimism. Poptimism is het idee onder muziekjournalisten dat popmuziek ook góed kan zijn. Goede muziek wordt niet per se alleen gemaakt door graatmagere, ongelukkig voor zich uitstarende junks in skinny jeans en vaalgewassen t-shirts met godbetert hipsterbaardjes en gekke hoedjes. Nee, ook heel knappe jongens en meisjes, met nog veel knappere producers kunnen Heel Goede Muziek maken. En dus verschijnen de laatste paar jaren albums van Taylor Swift, Lorde of Carly Rae Jepsen in de eindejaarslijstjes van serieuze muziekbladen en blogs. Tot groot afgrijzen van de meer puriteinse lezers van zulke media. Die lezers hebben natuurlijk ongelijk. Een goed geproduceerd popliedje is net zo knap als een twintig minuten episch werk van Godspeed You! Black Emperor. Het is alleen niet met elkaar te vergelijken.

Over 2014 was ik vrij somber, wat me door sommige muziekliefhebbers werd verweten. Ik moest echt es wat (p)optimistischer over muziek gaan bloggen. Maar teruglezend vind ik mezelf helemaal niet zo negatief. Ik schreef toen al dat er tegen het einde van het jaar licht aan het einde van de tunnel was. En zie hier: 2015 was een geweldig popjaar. De domme danceplaten zijn er nog wel, maar zijn op hun retour en de Top 40 is gekaapt door Zweden. Echt, een derde van de platen in deze top-20 is van Zweedse makelij. Als poptimist weet ik dat al jaren, maar nu lijkt de rest van de wereld het ook eindelijk door te hebben: de beste muziek wordt geproduceerd door mannen met namen als Max Martin, Peter Svensson en Shellback.

Voordat je aan deze volstrekt arbitraire lijst van leuke top-40 hits begint, eerst nog de Bubblin’ Under: King van Years & Years had de lijst bijna gehaald, ware het niet dat die zanger live geen fatsoenlijke noot uit z’n strot kan krijgen: strafpunten. Shut Up + Dance With Me van Walk The Moon was dit jaar niet van de radio af te slaan, maar kwam aan het eind van vorig jaar al binnen in de Top 40 en mag dus niet mee in mijn lijst. Ik moet streng zijn. Watch Me van Silentó en Hotline Bling van Drake waren in Amerika enorme knijters van hits en veroorzaakten diverse memes, maar hadden aan deze kant van de Atlantische Oceaan beduidend minder impact.

En er waren nog die plaatjes die geweldig zijn, maar die om onverklaarbare redenen de hitlijsten niet hebben gehaald. Shots van Imagine Dragons is vermoedelijk de single die ik dit jaar het meeste heb gedraaid, maar die maar geen hit wilde worden, zelfs niet in de Broiler Remix. Let It Happen van Tame Impala haalde natuurlijk niet de Top 40, maar won tot mijn grote vreugde wel de Song van het Jaar verkiezing op 3voor12 (en staat dit jaar zelfs in de Top 2000). En West Coast van FIDLAR heeft alles in zich om uit te groeien tot een nieuwe Bro Hymn, al heeft het de Top 40 vooralsnog niet weten te vinden.

Over FIDLAR gesproken, hun 40 oz. On Repeat heeft de beste videoclip van het jaar.

20. Måns Zelmerlöw – Heroessongtop20-2015-20

Natuurlijk was 2014 songfestivalwijs een freak of nature. Oostenrijk dat het festival wint en Nederland dat tweede wordt. Belachelijk. Gelukkig waren de natuurwetten dit jaar hersteld: Oostenrijk eindigde roemloos onderaan, Nederland kwam niet eens door de halve finale. Zweden won. Voor de zesde keer én tot opluchting van de voltallige homogemeenschap die zweentjes peette over de goede prestatie van Rusland (en toegegeven, ze was érg goed en verdiende het niet uitgefloten te worden. Ook haar liedje was trouwens een grotendeels Zweedse productie). We zullen het Måns Zelmerlöw dan maar niet verwijten dat Heroes van de clichés aan elkaar hangt (‘we are the heroes of our time, but we’re dancing with the demons in our mind’).

Ik denk dat we niet veel meer van Zelmerlöw gaan horen. Wel presenteert hij volgend jaar het Songfestival. En hij maakt voor de Zweedse TV het programma Allsång på Skansen. Ik ken het niet, maar het klinkt verontrustend veel als Tros Muziekfeest op het Plein.

songtop20-2015-1919. The Common Linnets – We Don’t Make The Wind Blow

Begin dit jaar kwam ik op Feesboek in een fittie terecht met boze Kensingtonfans. Aanleiding was de uitreiking van de Popprijs aan The Common Linnets en niet aan de favoriete band van de gemiddelde Nederlandse, soppende bakvis. Verblind door hun liefde voor die mannen met hun hippe baardjes en gekke hoedjes zagen de tienermeisjes over het hoofd dat The Common Linnets in 2014 een megaprestatie hebben neergezet, iets waar ik de fans fijntjes op wees. Ilse DeLange, J.B. Meyers en consorten werden niet alleen tweede bij het Eurovisie Songfestival (hallo?! Tweede!), maar toerden ook nog es zeer succesvol door Europa. Dit jaar volgde een tweede album, met daarop wat meer Fleetwood Mac-invloeden en een iets hardere rocksound. We Don’t Make The Wind Blow is een sterke single, die helaas niet verder kwam dan de onderste regionen van de vaderlandse hitlijsten; ondanks dat het is gebruikt als tune bij de tv-serie Wayward Pines.

De Kensingtonfans kunnen gerust zijn; hun band wint in 2016 vast alsnog de Popprijs.

songtop20-2015-1818. Maroon 5 – This Summer’s Gonna Hurt Like A Motherfucker

Met het heengaan van de fysieke single is niet alleen het b-kantje verdwenen, ook het artwork heeft een dreun gekregen. Omdat het enkel nog voor streaming audio wordt gebruikt heeft het tegenwoordig een postzegelformaat, wat op z’n beurt weer niet uitnodigt voor een spannend design. De grap is dat artwork nog wel altijd de vorm van een vierkant heeft. Macht der gewoonte. Het leukste aan This Summer’s Gonna Hurt Like A Motherfucker is de hoes, die de hoesjes van de Beach Boys en Dick Dale in herinnering roept. Vooruit, ook die stuiterende synthesizerlijn is prettig, waarmee het een stuk beter is dan de zoetsappige (ha ha) voorganger Sugar. De olijke videoclip met jackass-achtige bloopers mag er ook zijn. Had ik gezegd dat dit een Zweedse productie is?

songtop20-2015-1717. Robin Schulz – Headlights

Het lome gevoel van een warme zomeravond vangen in een danceplaat. Voorgaande jaren ook al succesvol gedaan door Watermät (Bullit) en Chris Malinchak (So Good To Me), maar dit keer ook nog es voorzien van een werkelijk wonderschone videoclip. Dat er lelijkheid in verval zit, weten we. Maar dat er ook schoonheid in kan zitten, wordt duidelijk gemaakt in de videoclip bij Headlights. De video werd opgenomen in een leegstaand zwemparadijs in Portugal. Dat is prachtig, maar ik moet altijd weer grinniken bij die bruinverbrande oude vellen (denk: tan mom) die verlekkerd naar de jongeman kijken. Jammer van die product placement aan het einde. Schulz zal er niet mee zitten, maar dat kost ‘m een paar plekken in deze top-20.

songtop20-2015-1616. Fifth Harmony ft. Kid Ink – Worth It

In de jaren negentig had je Solid HarmoniE. Het verhaal ging dat de vier leden van verschillende continenten afkomstig waren. Over schaamteloos nep gesproken (ze waren trouwens een vroeg projectje van Max Martin). Anno 2015 is popmuziek de schaamte voorbij; de vijf leden van Fifth Harmony deden mee aan het tweede seizoen van The Voice USA en zijn, net als One Direction en Little Mix, door een handige platenbaas bij elkaar gezet. Zet er een slimme producer op (in dit geval het Noorse StarGate) en je hebt een hitfabriek. Want probeer die saxofoonloop uit Worth It maar es uit je hoofd te krijgen. Je wilt het niet goed vinden, maar zonder te merken neurie je Worth It binnen de kortste keren mee.

songtop20-2015-1515. Causes – Teach Me How To Dance With You

Begin dit jaar trad Causes op bij De Wereld Draait Door. Ze mochten de roemruchte minuut vol spelen, wat vandaag de dag sowieso de interessantste minuut van het hele programma is (op Teletekst werd Causes aangekondigd als ‘indië-popband’ waardoor ik even dacht dat de Indorock aan een revival toe was). Teach Me How To Dance With You bleek een keurige ballad te zijn van een Utrechtse band met de Britse zanger Rupert Blackman, die eerder al liedjes had geschreven voor Alain Clark en MainStreet. Buitengewoon keurig zelfs, let maar es op hoe netjes Blackman ‘dance’ zingt. Causes was zo ineens doorgebroken dat de band op dat moment niet eens een eigen pagina op wikipedia had. Dat euvel is inmiddels verholpen.

songtop20-2015-1414. Sam Hunt – Take Your Time

Je kunt niet je hele leven blijven surfen. Of nouja, het kan fysiek wel; ik heb een keertje surfles gehad en het is fysiek niet heel zwaar, maar het lichaam van een aantrekkelijke surfdude, tja, dat wordt na een tijdje nu eenmaal wat minder. Nobody beats gravity. En dan word je zanger. Zie Jack Johnson, Ben Howard of Pete Murray. Een voormalig professioneel american footballspeler heeft een soortgelijk probleem. Je kunt natuurlijk acteur worden. En daarna nog decennialang het nieuws domineren als wel/niet moordenaar van je ex. Sam Hunt besloot singer-songwriter te worden en scoorde verrassend een hit in Nederland met z’n praatgezongen Take Your Time, waarmee ie misschien iets te opzichtig leentjebuur speelt bij Shawn Mullins’ Lullaby. Niettemin, in Nederland een hit scoren met een countrysong is zeldzaam; tenzij je Taylor Swift heet. Die broodjes in z’n bovenarmen zijn nog steeds aardig.

songtop20-2015-1313. Charlie Puth & Meghan Trainor – Marvin Gaye

Er is een tijd geweest dat platen in de Top 40 niet lager dan plaats 36 binnenkwamen. Vreemd. Empirisch is het onmogelijk dat er niet es een plaatje op nr. 39 of 40 binnen komt. Marvin Gaye kwam dit jaar wél op nr. 40 binnen. Ik hoopte stiekem dat de single daar één week zou blijven staan en daarna zou verdwijnen. Gewoon. Omdat het kan. Dat deed het niet. Gelukkig ook maar, daarvoor is het een te leuke single. Charlie Puth oogt in de videoclip als de keurige boy next door en op het eerste gehoor klinkt Marvin Gaye vrij onschuldig, maar de tekst staat bol van de seksuele toespelingen (‘it’s kama sutra show and tell’). De gevolgen zijn niet te overzien. In de videoclip dan. De openingsregel is de beste van het jaar: ‘let’s marvin gaye and get it on’.

songtop20-2015-1212. Taylor Swift – Style

Eigenlijk stamt Style al uit 2014; het is net als andere geweldige popsingles als Shake It Off en Blank Space afkomstig van Taylor Swifts meesterwerk 1989. Dat bedoel ik zonder ironie: ik ben een Swiftie. Er zijn meer popartiesten die precies weten hoe hun popmuziek moet klinken, maar er zijn er weinig die er zo’n romantische kijk op hebben. 1989 is Swifts geboortejaar, maar voor de zangeres ook year zero voor Goede Popmuziek. Dat houdt niet op bij het perfecte liedje, daar horen ook mooi artwork én een goede videoclip bij. Alles klopt. Ik hou van die klassieke stijl. Daarnaast is Style één van de beste singles van het jaar: een ballad, met een fijne, stuiterende baslijn en een tekst die omfloerst over Swifts relatie met One Direction-lid Harry Styles gaat: ‘you got that James Dean daydream look in your eyes’. Parels voor de zwijnen: het kwam maar tot de 22ste plaats in de Top 40. Ook in de versie van Ryan Adams blijft het overeind al heeft hij, om een homo-erotische lading in de tekst te voorkomen, die regel aangepast naar ‘you got that Daydream Nation look in your eyes’.

songtop20-2015-1111. Zara Larsson – Lush Life

Het leuke van het schrijven van dit overzicht is dat je soms op merkwaardige nieuwsberichten stuit. Zo heeft Zara Larsson begin dit jaar op haar Instagram-account een foto geplaatst met een condoom over haar been: ‘to all the guys saying “my dick is too big for condoms”‘. Ja, echt waar.

Zara Larsson had met Lush Life in Zweden dé zomerhit van het jaar (het staat daar inmiddels op vijf keer platina), dit najaar gingen Nederland en de rest van de wereld ook overstag. Dat is begrijpelijk: Lush Life heeft een heerlijk stuiterend baslijntje en is zo godsnakend pakkend dat je het na één keer horen niet meer uit je hoofd krijgt. Een ode aan de eindeloze Zweedse zomeravonden: ‘yeah I’m a dance my heart out ’til the dawn, but I won’t be done when morning comes’. Even niet aan denken dat het kind pas deze maand achttien is geworden en al zo’n acht jaar met muziek bezig is.

Oja, Larsson doet net als Zelmerlöw mee aan Allsång på Skansen, wat bij nader inzien sterk lijkt op de Musical Sing-a-Long (en dus eigenlijk héél erg Avrotros is).

songtop20-2015-1010. Adele – Hello

Ga er maar aan staan. Van je vorige album, vier jaar geleden verschenen, zijn wereldwijd 31 miljoen exemplaren verkocht. Daarmee is het het bestverkochte album van de 21ste eeuw en ben je in je eentje verantwoordelijk voor de redding van de volledige muziekindustrie. De platenwereld smacht, ja smácht naar nieuw werk. En dan, augustus dit jaar zijn er ineens de geruchten. She Who Will Not Be Named zou een nieuw album af hebben. En het zou dit jaar uitkomen. Dit. Jaar. En verrek, in oktober verschijnt de videoclip bij Hello op Joetjoep. Geregisseerd door de piepjonge regisseur Xavier Dolan die best met Adele wilde werken, mits ze over kwam vliegen naar Canada. De single én het album 25 breken vervolgens alle denkbare records. Je zou bijna vergeten dat Hello een ijzersterke powerballad is. Nee, het is absoluut niet verrassend. Maar waarom zou Adele ook?

songtop20-2015-99. Skrillex & Diplo & Justin Bieber – Where Are Ü Now

Adele mag dan alle verkooprecords hebben gebroken, wie over tien jaar naar de hitlijsten van 2015 kijkt zal denken dat Justin Bieber de belangrijkste artiest van het jaar is. Hij stond dit jaar met drie singles tegelijk in de top-5 in Nederland. In Amerika ook trouwens. Daar zag het begin dit jaar niet naar uit: Bieber stond meer op gossipsites dan in de hitlijsten. De ommekeer kwam met deze productie. Met de nadruk op het woord ‘productie’. Het is een opvallende song, niet echt catchy, maar wel eentje die stiekem onder je huid kruipt en daar niet meer weg gaat. Het stond een half jaar in de Top 40, maar bereikte net niet de top-10: een typische sleeper hit. Bieber nam vervolgens een heel album op met Skrillex en Diplo en belooft op dat album in elke track dat hij zich voortaan zal gedragen. Uit de goede recensies blijkt dat in iedere muziekjournalist een belieber schuilt.

songtop20-2015-88. Kenny B – Parijs

Ik geef het toe. Ik vond het aanvankelijk wat ongemakkelijk om heel hard ‘praat Nederlands met me’ mee te blèren. Ik kreeg er vervelende, ultranationalistische Wildersassociaties van. Onterecht. Parijs is de sympathiekste hit van 2015, gezongen door de sympathiekste artiest die dit jaar doorbrak. Kenny B zingt al jaren, heeft een carrière als diplomaat en vredesonderhandelaar achter de rug, maar was in Nederland al die tijd een (te) goed bewaard muzikaal geheim. Met Parijs kreeg hij z’n fifteen minutes of fame. Dat hij goed zat, bleek uit de vele parodieën die in korte tijd verschenen: lul Haags met me, praot Drèents met mij, praot Mestreechs mèt miech of praat Rotterdams met me; Joetjoep staat vol met parodieën. Volgens z’n platenbaas heeft Kenny B nog tien songs met dezelfde hitpotentie als Parijs in z’n achterzak, maar inmiddels blijft het wel erg lang stil.

songtop20-2015-77. Carly Rae Jepsen – I Really Like You

De vloek van Die Ene Wereldhit. Carly Rae Jepsen begrijpt zelf ook wel dat ze het wereldwijde succes van Call Me Maybe nooit zal overtreffen. Ze maakte dit jaar Emotion, door critici lovend ontvangen, maar commercieel geflopt. Er bestaat geen gerechtigheid. Oké, Jepsen kan de rest van haar leven rentenieren van het succes van Call Me Maybe, maar ze verdient het om meer hits te scoren. I Really Like You deed het redelijk in de hitlijsten, met dank aan een handige Zweedse producer (Peter Svensson, hij maakte ook Love Me Harder van Arianna Grande & The Weeknd) en een gedistingeerde oudere heer, beter bekend als Tom Hanks, in de videoclip. Ook mattie Justin Bieber duikt nog even op. Het is een keurige oorwurm, met van die typische retro-eighties big drums. Nét niet zo pakkend als Call Me Maybe, al scheelt het niet veel.

songtop20-2015-66. Christine and the Queens – Christine

MTV zendt tegenwoordig vrijwel non-stop Geordie Shore en Ridiculousness uit, maar wie ‘s morgens de voormalige muziekzender opzet, komt nog wel es een verdwaalde videoclip tegen. Begin dit jaar stuitte ik op de kunstzinnige video bij Christine, van Christine & The Queens. Een aangename verrassing. Een liedje als een voorjaarsbriesje; vederlicht, met net niet voldoende hitpotentie om echt een onmisbare wereldhit te worden en een clip die veel te artistiek is voor kijkers die niet verder kijken dan de sixpacks en spierbundels van Geordie Shore. Het optreden van Héloïse Letissier, haar echte naam, en haar mannen (dat bedoel ik genderneutraal, dat vindt de zangeres nogal belangrijk) op Lowlands later in het jaar schijnt dermate kunstzinnig te zijn geweest dat een scribent van 3voor12 vond dat bezoekers van haar optreden CJP-korting zouden moeten krijgen. Mooi.

songtop20-2015-55. Adam Lambert – Ghost Town

De eerste keer dat ik Ghost Town hoorde dacht ik dat Adam Lambert gek was geworden. Een rustig gitaarintro, een fluitje dat uit een western afkomstig lijkt te zijn mixen met een dance beat. En dan nog iets zingen als ‘my heart is a ghost town’ (of, zoals een collega niet ongeestig opmerkte toen ze het een andere collega hoorde zingen: ‘nee nee, jouw hartje is geen spookstad’). Maar ja. Het is wel een productie van Max Martin. En die levert geen half werk. Nooit. Toch, ook de tweede keer was ik niet overtuigd, maar na een tijd viel het kwartje: Ghost Town is briljant. Het is compleet geschift en het zou niet mogen werken en toch doet het dat. Omdat het zolang duurde voordat je als luisteraar door hebt hoe gehaaid Ghost Town is, werd het de ultieme sleeper hit: in Amerika kwam het niet hoger dan een 64ste plaats, maar in Nederland groeide Ghost Town sluipenderwijs uit tot een knoeperd van een hit: een zesde plaats en bijna een half jaar Top 40.

songtop20-2015-33. Ellie Goulding – Love Me Like You Do
4. The Weeknd – Earned It

Recensenten renden gillend de bioscoop uit, vrouwen renden massaal de zalen in. Fifty Shades Of Grey zal niet de geschiedenis in gaan als cinematografisch meesterwerkje, het heeft wel twee geweldige popsingles opgeleverd. Ik ben er nog niet uit welke van de twee ik het lekkerste vind, daarom plaats ik ze maar bij elkaar. Dat songtop20-2015-4een vreemde single als Earned It een grote hit wordt, is van een heerlijke perversiteit. Over vet aangezette strijkers zingt Abel Tesfaye smachtend dat z’n vriendin het echt verdiend heeft. Wat ‘het’ is laat zich raden. Natuurlijk haalt de zanger z’n inspiratie bij de aalgadde, überzwoele pornosoul van D’Angelo, maar wat maakt dat uit als dit het resultaat is. De clip op Joetjoep is dermate risqué dat hij alleen voor de oogjes van achttienplussers bestemd is. Het fijne van een goede filmsoundtrack is dat zo’n song ineens bij een groot publiek bekend wordt. The Weeknd beleefde dankzij Fifty Shades Of Grey zijn welverdiende doorbraak en scoorde later in 2015 een megahit met Can’t Feel My Face.

Stiekem vindt de popfan in mij Love Me Like You Do net iets lekkerder. Superslim geproduceerd door hitfabrikant Max Martin die de spanning in de song langzaam (en een tikkeltje sadistisch, om in de stijl van de film te blijven) opbouwt: eerst twee coupletten en dan, ingetogen, dat geweldige refrein. Dan volgt er eerst nog een couplet, maar dan breekt Love Me Like You Do open en is er enkel nog dat hemelse refrein, met het stotterende ‘la-la-love me like you do’ en ‘ta-ta-touch me like you do’, gezongen met Gouldings lichthese stem. Engelsen hebben een mooi woord voor zo’n zwoel liedje: sultry. Love Me Like You Do is een meesterwerkje.

Het is lang geleden dat één soundtrack twee goede hits opleverde, maar het is de makers van Fifty Shades Of Grey gelukt.

songtop20-2015-22. Lil’ Kleine & Ronnie Flex – Drank & Drugs

Misschien is het doordat de verkoop van platen dermate is gekelderd en dat je er dus geen droog brood meer mee kan verdienen. Of misschien komt het doordat heel de westerse wereld is bevangen door een verstikkende keurigheid waarin alles wat riekt naar controverse of gevaar moet worden weggemoffeld. Toch, het muzikale dieptepunt van 2015 is Drank & Drugs. En dan bedoel ik niet het liedje, dat in al z’n eenvoud geniaal is. Nee, het feit dat het beste zinnetje uit de hit, ‘alle tieners zeggen ja tegen MDMA’ is aangepast naar ‘alle tieners zeggen ja tegen lekker gaan’. Ik weet niet wat erger is: dat ‘jongerenzender’ 3FM alleen de gekuiste versie draait, of dat platenmaatschappij Top Notch besluit überhaupt een nette versie op te nemen. So far voor de rock ‘n roll. Dat terwijl de videoclip toch niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. Een clip die zelfs werd opgepikt door Amerikaanse blogs, wat overenthousiaste Nederlandse media eventjes deed hopen dat Drank & Drugs een Gangnam Style-achtige wereldhit ging worden. Natuurlijk niet. Daarvoor is het te gek.

songtop20-2015-11. Major Lazor & DJ Snake feat. MØ – Lean On

Dus, voor wie niet heeft opgelet, even recapituleren: Justin Bieber stond dit jaar met drie singles tegelijkertijd in de top-5. Adele brak alle verkooprecords. Is er überhaupt nog een te breken record over? Jazeker: Major Lazers Lean On is de meest gestreamde song op Spotify. Aller tijden (al zegt dat laatste misschien niet zoveel). Is het daarmee ook een goede song? Ja, eigenlijk wel. Lean On heeft een crossover appeal die zeer weinig hitsongs hebben: niet alleen Slam! FM draait het, ook op 3FM is het te horen. MØ had met Lean On een knaller van een hit tijdens haar set op Lowlands, maar ook op dancefeesten gaat het dak eraf. En dan te bedenken dat Lean On aan zowel Rihanna als Nicki Minaj was aangeboden. Beiden zagen er geen brood in, waarna producers Major Lazer en DJ Snake besloten dan de demoversie maar te gebruiken. Goed voor MØ. En goed voor ons, want achteraf moest Major Lazer toegeven dat die oerversie toch niet overtroffen kon worden. Hij heeft gelijk.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Song Top 20 2015

Kathedraal

DSC_2401X

Radio Kootwijk. Ook wel de Kathedraal van de Veluwe genoemd.

In 1922 kreeg architect Jules Luthmann de opdracht Radio Kootwijk te ontwerpen. Het doel was om een langegolfverbinding met Nederlands Indië tot stand te brengen. Tot die tijd had Nederland voor contact met de Oost gebruik gemaakt van een kabelverbinding, maar tijdens de Eerste Wereldoorlog was dat problematisch gebleken. Het moest een gigantisch gebouw worden, waarbij bovendien geen geleidende materialen mochten worden gebruikt. Luthmann koos voor massieve betonbouw. Daardoor maakt het gebouw een monumentale indruk; het lijkt model te staan voor een dystopie kan zo figureren in films als Metropolis of Nineteen Eighty-Four. De desolate ligging – Radio Kootwijk ligt zo’n acht kilometer van Apeldoorn en wordt omringd door een paar grote parkeerplaatsen met betonplaten waartussen het onkruid welig tiert – draagt hier nog extra aan bij. Niet voor niets wordt Radio Kootwijk vanwege de imposante proporties de Kathedraal van de Veluwe genoemd. Die desolate omgeving was bewust zo gekozen; de stilte en ruimte van de Veluwe was nodig voor de ongestoorde verbindingen. In 1929 werd de radiotelefoondienst in gebruik genomen door koningin-moeder Emma met de woorden ‘hallo Bandoeng, hoort u mij?’ (het is wat minder pikant dan Alexander Graham Bell die tijdens het eerste telefoongesprek tegen z’n assistent zei: ‘Mr. Watson. Come here, I want to see you’). In de Tweede Wereldoorloog gebruikten de Duitsers het gebouw om contact te leggen met onderzeeboten. Eind 1998 ging Radio Kootwijk definitief uit de lucht.

Ik kende Radio Kootwijk alleen van foto’s en in het echt blijkt het iets kleiner dan ik me had voorgesteld. Niettemin is het een erg mooi gebouw. Ik schreef een paar weken terug over kubistische architectuur die in Praag z’n sporen heeft nagelaten maar daarbuiten amper bekend is, maar je zou met een beetje fantasie dit werk van Luthmann best kubistisch kunnen noemen. Kijk maar es naar die vormen boven de deuren aan de zijkant van het gebouw. Boven de ingang is een sculptuur te zien van twee luisterende vrouwen, beiden met de mond open. Ze symboliseren de verbinding tussen de Oost en de West. Aan de achterkant is bovenop de gevel een klein beeldhouwwerk van een adelaar te zien. Het symboliseert de vrijheid van radiogolven in de lucht en de vlucht van het geluid.

Ik kan me niet herinneren dat ik ooit eerder op de Veluwe was geweest. Er was geen reden om er niet heen te gaan, maar er was ook geen reden om er wél heen te gaan. Mijn fietstochtjes bewaar ik voor mooie zomerdagen en dan is het aantrekkelijk om een ritje te combineren met een frisse duik in zee. Er is geen zee op de Veluwe. Maar het Kröller-Müller Museum én Radio Kootwijk waren nochtans goede redenen om een keer die kant op te gaan. Radio Kootwijk is vanuit Apeldoorn een stief half uurtje fietsen. En vanuit Radio Kootwijk is er een prachtig kronkelend fietspad dat je kunt volgen om een half uur later bij de ingang van Nationaal Park De Hoge Veluwe te geraken.

DSC_2371X

DSC_2368X

DSC_2374X

DSC_2380X

DSC_2379X

DSC_2396X (428x640)

DSC_2389X

DSC_2398X

Radio Kootwijk. Op de tweede foto de toffe lichtval op het gebouw. Op de vierde foto de achterkant van het gebouw met daaronder het sculptuur van een adelaar. Op de onderste foto een sculptuur boven in de gang van Radio Kootwijk, met twee dames, eentje uit Nederlands Indië en eentje uit Nederland, waarmee de verbinding tussen de Oost en de West wordt gesymboliseerd.

Nationaal Park De Hoge Veluwe is op een zonnige dag een prachtig dagje uit; het jachtslot St. Hubertus, gebouwd naar een ontwerp van Berlage, ligt relatief dichtbij de ingang. Maar van daaruit kan je over de heide en door de bossen naar het centrale deel van het park. Hier zit een restaurant, een museum over het park en het Kröller-Müller Museum met beeldentuin. Het museum heeft de grootste collectie werken van Van Gogh buiten het naar hem genoemde museum in Amsterdam. Een van de twee versies van De Aardappeleters hangt er, evenals een portret van Joseph Roulin, de postbode waar Van Gogh in Arles mee bevriend raakte. Het heeft sculpturen van Constantin Brancusi en Pablo Picasso en het bekende schilderij De Cycloop van Odilon Redon. Met dank aan kunstmecenas Hélène Kröller-Müller. Het is mede aan haar te danken dat Van Gogh wereldwijd zo beroemd is geworden. Zo organiseerde ze tentoonstellingen van z’n werk in Amerika.

Ik vermoed dat het juist die roem is die ertoe heeft bijgedragen dat wie nu in het Kröller-Müller Museum komt zoveel verschillende talen door elkaar heen hoort. Ondanks de afgelegen ligging, zeker als toerist moet het met het openbaar vervoer een heel karwei zijn om naar De Hoge Veluwe te komen, trekt het museum veel bezoekers. Terecht. Het heeft een prachtig gebouw met veel glas en licht, maar daarnaast is het de beeldentuin die tot de verbeelding spreekt. De beeldentuin is in 1961 op initiatief van directeur Bram Hammacher geopend en telt inmiddels werken van vele beroemde kunstenaars. De Jardin d’émail van Jean Dubuffet is een favoriet bij het publiek, maar de Needle Tower van de vrij onbekende Kenneth Snelson spreekt eveneens tot de verbeelding. Het is een metershoge toren die door de dunne metalen staven desondanks uiterst fragiel oogt.

Het fijne aan Nationaal Park De Hoge Veluwe is dat het drie ingangen heeft. Ik hoefde dus niet terug naar Apeldoorn te fietsen, maar kon mijn fietstocht doortrekken richting Arnhem. De ingang van Schaarsbergen ligt daar in de buurt. Nooit bij stilgestaan, maar de afstand tussen Apeldoorn en Arnhem is maar dertig kilometer. Weer wat bijgeleerd. Om maar te zeggen: voor de afstand hoef je het niet te laten.

DSC_2414

DSC_2417X

DSC_2421X

DSC_2429X

DSC_2432

DSC_2437X

DSC_2438X (428x640)

DSC_2445X

DSC_2461X

DSC_2465X (428x640)

DSC_2467X

DSC_2476X

DSC_2483X

Nationaal Park De Hoge Veluwe. Op de bovenste foto jachtslot St. Hubertus, naar een ontwerp van Berlage. Op de vierde foto een beeldhouwwerk in het Aldo van Eyck-paviljoen dat ook populair is bij een spinnetje. Op de foto daaronder een doorkijkje in een door Per Kirkeby ontworpen gebouwtje. Daaronder conceptuele kunst van Stanley Brouwn. Op de foto daaronder de spectaculaire Needle Tower van Kenneth Snelson en de niet minder spectaculaire Jardin d’émail van Jean Dubuffet en de grote badeend van Marta Pan. In het echt heet het Sculpture Flottante. Op de onderste foto een wildobservatieplaats. Wild had er niet zoveel zin in om geobserveerd te worden.

Posted in Foto's, Kunst | Tagged , , , , , , , | Comments Off on Kathedraal

Selfiesticks en segwaytours

DSC_2093

Ook Praag blijft de slotjesterreur van geliefden niet bespaard.

Ik was al eens eerder in Praag geweest. In de vorige eeuw. Om preciezer te zijn: in 1999. Ik was een paar dagen op pad met school. We logeerden in een hotel in een buitenwijk, bij metrostation Opatov (zo’n naam vergeet je niet). Het hotel was een betonblok in de best denkbare Oost-Europese traditie: de kamers waren gehorig en de twee tweepersoonskamers waren zo ingericht dat de gasten van één centrale badkamer gebruik moesten maken. Het kantelraam was zo groot dat je er – een Praagse traditie – heel gemakkelijk uit zou kunnen vallen, maar het spannendste was de lift. Die deed het wel, maar het was telkens de vraag of de liftcabine op gelijke hoogte met de verdieping zou eindigen of dat dit tien of twintig centimeter zou schelen. Boven een foto van de lift in mijn fotoalbum plaatste ik in een horrorlettertype en met een knaloranje achtergrond de naam ‘de lift’. Dat fotoalbum bevatte sowieso vooral de standaardkiekjes die je op zo’n reis maakt, maar de leukste foto, die me tot op de dag van vandaag bij is gebleven, maakte ik uit het raam van onze hotelkamer. Die van een foeilelijke blokkendoos aan de andere kant van de parkeerplaats. Een parkeerplaats die volstond met Trabantjes en Lada’s.

Natuurlijk, Praag was veranderd. Toen kon je voor vijf gulden uit eten op het Wenceslasplein, tegenwoordig ben je iets meer kwijt. Het Wenceslasplein is sowieso een best vervelende tourist trap geworden waar ik één keer overheen gelopen ben. Toch, als je weggaat uit het centrum, kan je voor tien euro met gemak uit eten. Bijkomend voordeel is dat je je Tsjechisch (of Duits) kunt oefenen. In Staré Město, Nové Město en Malá Strana red je je prima met het Engels. Maar woensdagavond kwam ik een kroeg in de wijk Žižkov terecht en ik werd domweg in het Tsjechisch aangesproken. Ook het menu was Tsjechisch en cola hadden ze niet. Echt. Er bestaan nog plekken op deze aardbol die geen cola hebben. Wel limonade. En bier. Bier hebben ze in Tsjechië in overvloed, maar ik drink geen alcohol (ik weet het, naar Tsjechië gaan en geen bier drinken is een no-go).

Toevallig zat mijn hotel ook in een buitenwijk. Omdat mijn reis low-budget (of beter: no-budget) was, hield ik het zo goedkoop mogelijk. Mijn hotelletje rekende dertig euro per nacht en met tramlijn 9 was ik in tien minuten op het Wenceslasplein. Prima. Want Praag is tegenwoordig nogal toeristisch. En dat is een understatement. De Karelsbrug en het plein voor de astronomische klok waren altijd al druk, maar nu zijn ook de straten rondom verstopt door toeristen. In Malá Strana is het veredeld file lopen en moet je constant op je hoede zijn. Niet alleen voor zakkenrollers, wel voor selfiesticks en segwayrijders. Er zijn zelfs plekken in Praag waar een verbod voor segwayrijders geldt. De ergste drukte kan je nog mijden door vroeg op de dag te gaan. Op dinsdagochtend ging ik naar de joodse buurt en was ik er rond het middaguur weg: juist toen het écht druk begon te worden. Op woensdagmorgen hielp het niet om meteen naar de Praagse burcht te gaan; in de tram omhoog was een Duitse gids al nadrukkelijk z’n veertig reizigers aan het instrueren waar ze zo dadelijk uit moesten stappen. Ik had graag de Karelsbrug es ‘s morgens bezocht, zoals ik in Rome ooit es vroeg in de ochtend de Spaanse trappen uitgestorven aantrof, maar het is niet gelukt.

DSC_2015

DSC_2028

DSC_2027

DSC_2034X (428x640)

DSC_2033

DSC_2306X (428x640)

DSC_2309

DSC_2270 (428x640)

DSC_2273 (428x640)

DSC_2289X

DSC_2278 (428x640)

DSC_2284 (428x640)

DSC_2291

DSC_2298 (428x640)

Op de bovenste foto’s het Strahovský klášter, wat figureerde als locatie in de film Amadeus. Je moet betalen om er foto’s te mogen maken, dus me dunkt dat ik die foto’s op m’n blog plaats. Je mag deze zaal overigens niet eens binnen. Wat doen die mensen daar dan? Die hebben een paar duizend Tsjechische kronen betaald voor een uitgebreide rondleiding. Moet je weken van tevoren boeken. Op de onderste foto’s de burcht Vyšehrad, waar volgens de overlevering de geschiedenis van Praag begint. Helemaal onderaan een beeldhouwwerk van Premysl en Libuse, de legendarische stichters van Praag. De begraafplaats in Vyšehrad is prachtig; het engeltje is een favoriet.

Toerisme betekent commercie. Je kunt het de lokale bevolking niet kwalijk nemen dat ze zoveel mogelijk geld willen verdienen aan die irritante toeristen, maar hier en daar is het ronduit obsceen. Het meest ridicule is de photo permit: als je foto’s wilt maken, betaal je een paar euro meer. En dan heb je dus toestemming om foto’s te maken. Dit fenomeen was ik een paar jaar terug tegengekomen toen ik naar de Dom in Aken ging. Ik vond het toen niet onredelijk, omdat katholieke kerken geen entree mogen rekenen en ze op die manier toch een beetje extra inkomsten genereren. Maar in Praag is het verworden tot een melkkoe. O, je wilt foto’s maken? Prima, betaal maar vijftig of honderd kroon extra. In het Strahovský klášter werd een Duitse jongen bestraffend toegesproken die toch een foto maakte: dan koop je maar een ansichtkaart. Blijkbaar is de redenering dat foto’s maken inkomstenderving is; iemand die een foto maakt, koopt geen poster of ansichtkaart. Een denkfout: wie zegt dat door die foto niet meer mensen nieuwsgierig worden en ook naar Praag willen komen, entree betalen, ook foto’s maken, etc. Als je er zo nodig aan wilt verdienen, kun je beter de toegangsprijs standaard met twintig kroon verhogen en iedereen foto’s laten maken. Enfin. Ik leg een en ander graag uit aan de Tsjechische VVV.

Wat die toeristen desondanks massaal naar Praag doet trekken, zie je meteen: ik ken weinig steden die zoveel historie hebben en wat ook grotendeels nog intact is gebleven. Je kunt een uitstekende week in Praag doorbrengen en daarbij alleen aandacht besteden aan de bouwstijlen die in de stad zijn terug te vinden. Te beginnen bij de oudste gebouwen, de Praagse burcht en, een paar kilometer stroomopwaarts en veel onbekender, de burcht Vyšehrad. Die laatste is niet meer dan een oude vesting met binnen de ommuring een negentiende-eeuwse neoclassicistische kerk, maar ook een prachtig kerkhof, dat met graven van Alfons Mucha, Antonín Dvořák en Bedřich Smetana als een soort nationale begraafplaats geldt. Dat ze juist hier begraven liggen, is niet gek; Vyšehrad heeft in de Tsjechische geschiedenis een mythische status: hier zou de eerste Slavische stam zich in de zevende of achtste eeuw hebben gevestigd. Iets prozaïscher: de burcht is gebouwd door Přemysl Vratislav II, die vanuit hier goed zicht had op z’n jongere broer, die domicilie in de Praagse burcht had gevonden. Niettemin, in de negentiende eeuw, toen heel Europa in de greep was van het nationalisme, groeide Vyšehrad uit tot het startpunt van de geschiedenis van de Bohemen.

Spoel een paar eeuwen verder en je kunt niet om de Praagse burcht heen. Voor de stokoude, Romaanse Sint-Jorisbasiliek of de veel beroemdere Sint-Vitus kathedraal (de naam is te herleiden tot de heidense vruchtbaarheidsgod Svantovit). Leuker dan een bezoekje aan de kerk zelf is om via de Zuidtoren van de kerk naar boven te gaan voor een mooi uitzicht over Praag, met die andere torens die boven het centrum uittorenen: de televisietoren van Žižkov, de mini-Eiffeltoren op de heuvel Petřín en de kerktorens van de Týnkerk. De Praagse burcht is niet alleen het religieuze centrum van Praag, maar ook het politieke: wie het kasteel in bezit heeft, heeft de macht in Tsjechië. Of het nu de Habsburgers waren of, meer recent, het communistische regime. En de Praagse burcht is de plek waar de eerste en tweede defenestratie plaats hebben gehad. Zowel in 1419 als in 1618 werden politieke tegenstanders uit het raam gegooid, waarmee een Praagse traditie werd ingesteld.

Of defenestraties definitief verleden tijd zijn is de vraag; ook de diplomaat en minister van Buitenlandse Zaken Jan Masaryk zou in 1948 uit het raam zijn gegooid. Voor de zekerheid staat in een ruimte vlakbij Vladislavhal waar één van de beroemdste defenestraties heeft plaatsgevonden een bordje: of bezoekers de ramen alsjeblieft dicht willen houden.

DSC_2237

DSC_1785X

DSC_1793

DSC_1795

DSC_1808

DSC_1832

DSC_1845 (428x640)

DSC_1849

DSC_1854

DSC_1882X

DSC_1862X

DSC_1865

DSC_1883 (428x640)

DSC_1885

DSC_1889

DSC_1919

DSC_1926X

DSC_1938

DSC_1953

De Praagse burcht. Op de bovenste foto zicht de Sint-Vitusbasiliek vanaf de heuvel Petřín, daaronder de kerk van dichtbij, van binnen en van bovenop. Op de vierde foto van onderen een trompe l’oeil in Starý královský palác. Op de onderste drie foto’s details uit het gouden straatje.

Wie verder wil reizen door geschiedenis kan een stapje naar de andere kant van de Moldau nemen. Hier ligt de joodse wijk met zes synagoges én een joodse begraafplaats. Het heeft de Tweede Wereldoorlog wonderwel overleefd, al waren de beweegredenen van de Nazi’s navrant. De joodse buurt moest als afschrikwekkend voorbeeld dienen. Vooral de Oude Nieuwe Synagoge, de oudste die nog in gebruik is, is een bijzonder bouwwerk. Het werd in de veertiende eeuw gebouwd en het heeft geen standaard kruisgewelf met vier ribben, zoals in die tijd gebruikelijk, maar met vijf ribben. Zo zou elke suggestie van een kruis worden voorkomen. Bovenal is de synagoge onlosmakelijk verbonden met de legende van de Golem van Praag. De Golem, uit klei gebouwd door de rabbi Löw als beschermer van de joodse bevolking, zou op de zolder van de synagoge liggen. Wie aan de achterkant van het bouwwerk kijkt, kan een ladder in de muur zien zitten die naar een luikje leidt. Helaas voor wie in de legende gelooft: in 1984 is er een cameraploeg geweest en ze troffen geen Golem aan.

Nog meer tot de verbeelding spreekt de joodse begraafplaats, waar naar schatting honderdduizend mensen begraven liggen. De begraafplaats was in gebruik sinds de vijftiende eeuw, de laatste persoon werd in 1787 begraven. Volgens joodse traditie mogen graven niet geruimd worden en omdat er geen extra land kon worden aangekocht werden regelmatig grafstenen weggehaald om bovenop een nieuwe graf te kunnen maken. De grafzerk werd hierin dan teruggeplaatst, met als gevolg dat er nu twaalf lagen met graven zijn. Volgens schattingen zijn er twaalfduizend grafzerken te zien.

DSC_1583 - kopie - KL (417x640)

DSC_1606

DSC_1590 (428x640)

DSC_1617

DSC_1673 - kopie (428x640)

DSC_1624

DSC_1628

DSC_1669

DSC_1687 - kopie (430x640)

DSC_1668

DSC_1688

DSC_1715

DSC_1712X

DSC_1710

DSC_1722 (428x640)

DSC_1703

DSC_1707

Op de bovenste drie foto’s de joodse begraafplaats. Daaronder de Oude Nieuwe Synagoge, met op de zevende foto van boven de duidelijk zichtbare vijfde rib in het kruisgewelf. Daaronder het joodse gemeenschapshuis, met klok in het Hebreeuws. Op de foto’s daaronder het uitzicht vanaf het Klementinum in Staré Město. Op de onderste twee foto’s het spiegelende plafond van de kerk in het complex.

Veruit het grootste deel van het Praagse centrum is opgebouwd uit barokke gevels. Zowel Staré Město als Malá Strana telt tientallen kerken, de ene nog protseriger dan de andere: elk minuscuul klein stukje oppervlak is beschilderd. De nauwe straatjes zijn in de zomer overvol met toeristen en leiden allemaal naar het oude stadsplein, met de astronomische klok als de grootste publiekstrekker. Wie van de Karelsbrug naar het oude stadsplein loopt, komt langs het Klementinum, in 1556 opgericht door de Jezuïeten. Het complex herbergt een kerk met een gespiegeld plafond, de grootste bibliotheek van Tsjechië en de astronomische toren. Hier worden sinds 1775 meteorologische gegevens bijgehouden. Een unicum; nergens in de wereld gebeurt dit al zo lang. Wat misschien nog wel meer tot de verbeelding spreekt, is dat tot 1928 vanaf de toren een vlag werd gezwaaid als het twaalf uur ‘s middags was. Vervolgens werd dan vanaf de heuvel Petřín een kanon afgeschoten.

Spoel een paar eeuwen verder en je komt bij de art nouveau. Pièce de résistance is het Obecní dům: het gemeenschapshuis. Het werd geopend in 1911 en is in nagenoeg originele staat gebleven. Tegenwoordig is het een soort van tourist trap: je moet het gezien (en het liefste ook gegeten) hebben, maar de prijzen zijn er dan ook naar. En foto’s maken van een van de eetgelegenheden in het gemeenschapshuis mag niet. Toch, wie een idee wil krijgen hoe de gegoede burgerij van het fin-de-siècle van Praag leefde, kan geen beter beeld krijgen dan in het Obecní dům.

Voor de meeste gebouwen die rond 1900 zijn gebouwd, moet je verder het centrum uit. Op de heuvel Petřín staat een replica van de Eiffeltoren, in 1891 gebouwd in het kader van de tentoonstelling van dat jaar. Het ding telt 229 treden en is qua omvang eenvijfde van de echte Eiffeltoren, maar bovenop de heuvel biedt het een goed uitzicht op de stad. Om er te komen moet je bovendien omhoog via een leuke kabelspoorweg. Het ding gaat elk kwartier omhoog vanuit een stationnetje in Malá Strana. Stap halverwege uit (iets wat niemand doet) en je hebt ook al mooi zicht op Praag. Verbazingwekkend hoe snel je uit de drukte van het centrum van Praag verwijderd bent.

DSC_2327

DSC_2113 (428x640)

DSC_2055 (428x640)

DSC_1732X

DSC_1740 (428x640)

DSC_2262X

DSC_2060 (428x640)

DSC_2063

DSC_1996X (428x640)

DSC_2074

DSC_2078 (428x640)

DSC_2264

DSC_2323 (428x640)

DSC_2229

DSC_2222

DSC_2129 (428x640)

DSC_2109

DSC_2094

DSC_2338X

Doorkijkjes, gevels, ramen, lampen, plafonds en beelden in Staré Město en Malá Strana. En de meer clichéplaatjes van Praag van de Karelsbrug, de astronomische klok en het monument voor Jan Hus. Op de onderste foto de ingang van het Obecní dům.

Wil je echt weg uit de drukte van het centrum, dan kan je ‘s morgens de boot pakken naar Troja. Het is tochtje van anderhalf uur, waarbij je twee sluizen door moet. Het is een typisch Praags dagje uit voor het hele gezin: naar de dierentuin en de botanische tuinen. Op de boot neemt menig vader al een pint Tsjechisch bier. Vanaf de aanmeerplaats in Troja is het een kwartier lopen naar de ingang van de botanische tuinen. Hier hangt een landerige sfeer die helemaal niks te maken heeft met de hectiek van het stadscentrum. En de reis is de moeite waard. Allereerst is er de botanische tuin. Het heeft een mooie kas, maar het echte prijsnummer is de tuin die tegen een heuvel is aangelegd. Het is niet zozeer de tuin die tot de verbeelding spreekt, maar het uitzicht op Praag is onverslaanbaar. Wie naar beneden loopt, komt bovendien langs de wijngaarden. Ze horen bij het enige chateau van de stad: Troja. Het is eind zeventiende eeuw gebouwd en heeft een grote tuin, uiteraard in Franse stijl.

Zo ver van het centrum verwijderd moet je een bus pakken om weer in de bewoonde wereld te komen. Onderweg kom je langs het park Stromovka. Het meest in het oog springend is het Průmyslovy palac, een gigantisch paleis van glas, net als de replica Eiffeltoren op de heuvel van Petřín in 1891 gebouwd voor de tentoonstelling. Het was geliefd bij de communistische partij, die hier van 1948 tot 1970 het jaarlijkse congres hield. Het gebied schijnt vooral in het weekend geliefd te zijn bij de lokale bevolking, doordeweeks maakt het een desolate indruk. Jammer dat er niet meer met zo’n prachtig bouwwerk gebeurt. Het doet qua omvang denken aan Crystal Palace in Londen, of het Paleis van Volksvlijt in Amsterdam, twee bouwwerken die niet meer bestaan. Herontwikkel dit gebied en je hebt er een toeristische attractie van jewelste bij. Bovendien een mooie manier om die bezoekers eens uit het centrum te krijgen

 

Al was het maar voor een bezoek aan het prachtige museum voor twintigste-eeuwse kunst, dat vanwege de ligging off the beaten track gauw vergeten wordt. Het museum is gevestigd in het Veletržní palác, het gebouw geldt als een hoogtepunt van het functionalisme. Het ging open in 1928 en had in Le Corbusier zelfs een grote fan. Het is vooral de collectie Franse negentiende-eeuwse kunst die de meeste aandacht krijgt, maar het gebouw is net zo’n bijzondere attractie. Wie op de eerste verdieping de eerste zaal betreedt wordt automatisch naar een schilderij van Gustav Klimt (een hoogtepunt uit de collectie) getrokken: een prachtig beeld.

DSC_2234X (428x640)

DSC_2248

DSC_2241

DSC_2136

DSC_2141 (428x640)

DSC_2142

DSC_2144

DSC_2145 (428x640)

DSC_2153

DSC_2158 (416x640)

DSC_2162

DSC_2170 (428x640)

DSC_2172

DSC_2186 (428x640)

DSC_2177X

Off the beaten track: de replica van de Eiffeltoren op de heuvel Petřín, de botanische tuin in Troja en het enige chateau van Praag, waar je je in Frankrijk waant.

Wil je echt weg uit de drukte van het centrum, dan kan je ‘s morgens de boot pakken naar Troja. Het is tochtje van anderhalf uur, waarbij je twee sluizen door moet. Het is een typisch Praags dagje uit voor het hele gezin: naar de dierentuin en de botanische tuinen. Op de boot neemt menig vader al een pint Tsjechisch bier. Vanaf de aanmeerplaats in Troja is het een kwartier lopen naar de ingang van de botanische tuinen. Hier hangt een landerige sfeer die helemaal niks te maken heeft met de hectiek van het stadscentrum. En de reis is de moeite waard. Allereerst is er de botanische tuin. Het heeft een mooie kas, maar het echte prijsnummer is de tuin die tegen een heuvel is aangelegd. Het is niet zozeer de tuin die tot de verbeelding spreekt, maar het uitzicht op Praag is onverslaanbaar. Wie naar beneden loopt, komt bovendien langs de wijngaarden. Ze horen bij het enige chateau van de stad: Troja. Het is eind zeventiende eeuw gebouwd en heeft een grote tuin, uiteraard in Franse stijl.

Zo ver van het centrum verwijderd moet je een bus pakken om weer in de bewoonde wereld te komen. Onderweg kom je langs het park Stromovka. Het meest in het oog springend is het Průmyslovy palac, een gigantisch paleis van glas, net als de replica Eiffeltoren op de heuvel van Petřín in 1891 gebouwd voor de tentoonstelling. Het was geliefd bij de communistische partij, die hier van 1948 tot 1970 het jaarlijkse congres hield. Het gebied schijnt vooral in het weekend geliefd te zijn bij de lokale bevolking, doordeweeks maakt het een desolate indruk. Jammer dat er niet meer met zo’n prachtig bouwwerk gebeurt. Het doet qua omvang denken aan Crystal Palace in Londen, of het Paleis van Volksvlijt in Amsterdam, twee bouwwerken die niet meer bestaan. Herontwikkel dit gebied en je hebt er een toeristische attractie van jewelste bij.

Bovendien een mooie manier om die bezoekers eens uit het centrum te krijgen. Al was het maar voor een bezoek aan het prachtige museum voor twintigste-eeuwse kunst, dat vanwege de ligging off the beaten track gauw vergeten wordt. Het museum is gevestigd in het Veletržní palác, het gebouw geldt als een hoogtepunt van het functionalisme. Het ging open in 1928 en had in Le Corbusier zelfs een grote fan. Het is vooral de collectie Franse negentiende-eeuwse kunst die de meeste aandacht krijgt, maar het gebouw is net zo’n bijzondere attractie. Wie op de eerste verdieping de eerste zaal betreedt wordt automatisch naar een schilderij van Gustav Klimt (een hoogtepunt uit de collectie) getrokken: een prachtig beeld.

DSC_2193 (428x640)

DSC_2203X

DSC_2202X (428x640)

DSC_2194

DSC_2317X (428x640)

DSC_2313

DSC_1552X

DSC_1542

DSC_1556X

Op de bovenste foto de top van het Průmyslovy palac, daaronder het Veletržní palác. Daaronder kubistische architectuur en op de onderste foto’s de televisietoren van Žižkov, inclusief de baby’s van David Černý.

Zelfs het kubisme heeft z’n sporen nagelaten in de architectuur van Praag, al is het op kleine schaal. Aan de Neklanova, een straat aan de voet van de heuvel waarop de burcht Vyšehrad, vind je een paar kubistische bouwwerken. Ze zijn voor het merendeel vlak voor de Eerste Wereldoorlog gebouwd, wat meteen de geringe invloed van deze stijl op de rest van de architectuurgeschiedenis verklaart: na de Eerste Wereldoorlog waren het andere stromingen die de overhand kregen.

Voor het Praag van na de Tweede Wereldoorlog moet je naar buitenwijken van de stad. In buurten waar menig toerist niet komt. Maar de televisietoren in Žižkov torent zo hoog boven Praag uit dat het bouwwerk niet te missen is. Met de bouw werd in 1970 begonnen, maar het was pas in de jaren negentig af. Van het oorspronkelijke doel, de televisie-uitzendingen uit het westen blokkeren, zal tegen die tijd weinig meer over zijn geweest. Het is, met z’n 216 meter, een indrukwekkend hoog gevaarte dat tegenwoordig voornamelijk dienst doet als uitzichtpunt. In de ruimtes bovenin de toren zitten restaurants gevestigd. Het zicht vanaf de grond is overigens niet minder opvallend: sinds enige tijd wordt de toren gesierd door gigantische, omhoog kruipende baby’s van de kunstenaar David Černý. Het was bedoeld als tijdelijk kunstwerk, maar ze bevielen de Praagse bevolking zo goed dat ze zijn gebleven. Een beetje macaber is het wel, maar in een park op Kampa zijn drie van de baby’s van dichtbij te bewonderen en ze zijn mateloos populair; kinderen gebruiken ze als klimtoestel.

Langs de oever van de Moldau, enigszins ten zuiden van het stadscentrum, staat een van de modernste gebouwen van Praag: het Tančicí dům. Het dansende huis heeft als bijnaam Fred & Ginger en is mede ontworpen door Frank Gehry. De meningen erover zijn verdeeld. Ik mag Gehry wel. Z’n stijl is uit duizenden herkenbaar en is speels, iets dat ik wel kan waarderen. Het Massachusetts Institute for Technology in Boston en het Neuer Zollhof in Düsseldorf zijn leuke bouwwerken, al worden beiden geplaagd door problemen met de ventilatie. Is dit de toekomst van de architectuur van Praag? Ik denk van niet. Mijn reisgids is niet bepaald positief over Tančicí dům: ‘it represents the worst excesses of post-Communist architecture that plagued Czech cityscapes in the 1990’s. It would not get planning permission in today’s Prague, which quickly smartened up about its historical heritage in the late 1990’s.’ Ik betwijfel of de architectuur uit de communistische tijd zoveel beter is. Ik denk terug aan de blokkendoos waar ik in 1999 verbleef, en het uitzicht op de parkeerplaats, met aan de overkant nog veel meer blokkendozen. Of de buurt waar mijn hotel staat, Žižkov, met menig bouwwerk dat in die stijl is neergezet.

Toch. Een rotte peer in de moderne architectuur, op een stad met miljoenen bouwwerken. Er zijn steden die het minder goed doen.

DSC_1758

DSC_1762 (428x640)

DSC_1769X

Verguisd en geliefd: het Tančicí dům.

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , , | Comments Off on Selfiesticks en segwaytours

Fijn eiland

DSC_1520 - kopieHet was niet de eerste keer dat ik op Texel was geweest. Jaren geleden, toen gevraagd werd waar het jaarlijks terugkerende vader-zoon uitje naartoe moest gaan, had ik Texel geantwoord. Omdat ik van eilanden hou (als ik ooit nog es de hoofdprijs in de loterij win (ha ha), boek ik een reis naar Pitcairn. Meer afgelegen dan dat eiland tref je ze niet aan). Zo geschiede. ‘s Morgens vroeg waren we in de trein naar Den Helder gestapt, we hadden het veer naar ‘t Horntje (een gehucht waarvan ik me altijd heb afgevraagd of er meer was dan een aanmeerplaats, maar nu weet ik het zeker: er staan ook een paar huizen) genomen en daar een rondje gefietst: een stukje langs de dijk aan de oostkant en via Den Burg en De Koog hadden we Ecomare bezocht. Als ik me goed herinner, hebben we op de terugweg op Schiphol gegeten.

Jaren later ging ik eens voor m’n studie op bezoek op Schiermonnikoog. Vanwege de verkiezingen wilde ik de burgemeester interviewen over het wandelende eiland: aan de oostkant was er inmiddels zoveel eiland bijgekomen, dat het de provincie Groningen binnenwandelde. En wat te doen als op dat oostelijkste puntje nu nét een potvis zou stranden? Ik belde vooraf om een afspraak te maken. Dat ging ongeveer zo:

‘Goedemiddag, u spreekt met Guido de Greef, ik ben student aan de Hogeschool voor Journalistiek en wil graag morgen langskomen voor een interview met de burgemeester. Het gaat erover dat het eiland aan de oostkant de provincie Groningen binnenwandelt.’
‘Oké, ik verbind u door met de burgemeester.’

Of het nu nog steeds zo makkelijk gaat, weet ik niet, maar het tekent het prettig kleinschalige karakter van de eilanden. U wilt de burgemeester spreken? Prima, ik verbind u door. (Iets soortgelijks overkwam me toen ik een wethouder van (de inmiddels opgeheven gemeente) Reiderland wilde spreken. Ik had een gemeenteraadslid gebeld en die zei ‘o, belt u hem thuis even, z’n nummer staat in de telefoongids.’)

Enfin. Ik ging terug naar Texel en nam m’n fiets mee in de trein (het is een gesleep, maar uiteindelijk goedkoper om je eigen fiets mee te nemen dan ter plekke een fiets te huren. Bovendien is het prettiger fietsen op je eigen brik dan op een huurfiets). Om de Eindhovense hitte te ontvluchten en om een rondje over het eiland te fietsen. Texel is het grootste Waddeneiland en tevens het enige eiland met een tweebaansweg (de provinciale N501 die de aanmeerplaats van het veer met hoofdplaats Den Burg en feestoord De Koog verbindt) die de idylle van een rustiek eiland wel enigszins verstoort. Maar wie vanuit ‘t Horntje snel rechtsaf slaat, komt snel genoeg in de rustige natuur. Langs de oostkant van het eiland fietste ik via Oudeschild, het op-één-na grootste dorpje van Texel, naar de IJzeren Kaap, een negentiende eeuws vuurloos baken bij Oosterend. Daarna voer de tocht via De Cocksdorp door naar de vuurtoren op het noordelijkste puntje van Texel. Van bovenop heb je uitzicht op Vlieland: van bovenaf gezien lijkt het alsof je er naartoe kan zwemmen. Door de duinen voer de tocht terug langs het natuurgebied van De Slufter, het strand van De Koog, een redelijk uitgestorven Den Burg en een stil Den Hoorn.

Die laatste plaats heeft naar verluidt het meest gefotografeerde kerkje van Nederland binnen de dorpsgrenzen en het is eenvoudig te zien waarom: het ligt zo mooi aan de rand van het dorp. Dat is sowieso prettig aan Texel. De meeste dorpjes zijn niet verruïneerd door de witte schimmel: nieuwbouw aan de buitengrenzen van het dorp die de authentieke sfeer danig verstoren. Zowat elk Brabants dorp heeft eronder te lijden. Hier zag ik alleen aan de rand van Den Burg nieuwbouw. Prettig.

Ik moet gauw teruggaan; met zo’n dagtripje doe je zo’n fijn eiland eigenlijk geen recht. Misschien wordt het tijd voor eilandhoppen. De Tv-tas-route.

DSC_1426XDSC_1433XDSC_1452XDSC_1430XDSC_1466XDSC_1476XDSC_1479XDSC_1483XDSC_1487XDSC_1485DSC_1500XDSC_1506X - kopie (428x640)

 

DSC_1514 - kopie

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , , , , , | 3 Comments