Kerkepad

Mauritiuskerk. Oud kerkje van Marsum.

M’n collega, afkomstig uit Groningen, deed wat lacherig toen ik vertelde dat ik dit jaar op vakantie ging naar zijn thuisprovincie. Ik was op mijn beurt verbaasd. Groningen is de provincie met de hoogste postcode van Nederland (9999 ZZ, in Stitswerd), het heeft slechts één hunebed (in tegenstelling tot Drenthe, waar je over die dingen struikelt), je vindt er het enige treinstation met een Q in de naam (Usquert), Oost-Groningen is het laatste communistische bolwerk van Nederland (er ligt zelfs een Hamer en Sikkellaan) en het oostelijkste punt van Nederland ligt in Groningen (veel mensen denken dat Nederland de vorm van een rechthoek heeft, maar het is eigenlijk een trapezium). What’s there not to like?

Echter, de voornaamste reden om naar Groningen te gaan zijn de oude kerkjes. Die heeft Groningen heel veel. Dat is buiten de provincie amper bekend, maar begin tegen een Grûnner over de kerkjes van het Hogeland en hij weet meteen waar je het over hebt. Misschien is dat de reden dat ze worden omschreven als het bestbewaarde geheim van Nederland.

Ik hou van kerkjes. Als ik op vakantie ben moet ik ze bekijken. In IJsland bijvoorbeeld, kwetsbaar ogende houten bouwwerkjes met op de achtergrond een rotswand van ijs en sneeuw. Of Italië, met de Santa Maria in Trastevere in Rome, waarvan de bouw startte in de vierde eeuw; ik denk niet dat ik ooit een oudere kerk heb gezien. Alhoewel, op Kreta staan bouwsels van duizenden jaren oud. Maar er is ook Gallarus Oratory in Ierland, waarvan niemand weet hoe oud het is. Duitsland heeft de Dom van Aken, waar Karel de Grote in 800 is gekroond. Engeland heeft verrassend veel stokoude kerkjes. In Canterbury staat St. Martin’s Church, misschien al gebouwd in de tijd van de Romeinen. Bij een volgend bezoek aan Engeland wil ik eigenlijk naar de Chapel of St Peter-on-the-Wall bij Bradwell-on-Sea, uit de zevende eeuw.

Wat bij de meeste stokoude kerkjes opvalt, is dat ze op afgelegen plekken liggen. St. Martin’s Church ligt buiten het huidige centrum van Canterbury, waar de wereldberoemde kathedraal boven alles uittorent. En de Chapel of St Peter-on-the-Wall ligt tegenwoordig midden in een weiland, aan de Engelse oostkust. Gallarus Oratory ligt in de heuvels van het schiereiland Dingle, aan de Ierse westkust. De bewoners uit de streek namen het bestaan van het kerkje voor kennisgeving aan. Het was er altijd al.

Nederland komt er bekaaid af. Ja, ook wij hebben stokoude kerkjes, maar de kerken van voor het jaar 1000 zijn op de vingers van één hand te tellen. Ook hier gaat het om bouwwerken aan de randen van het land: in Oosterbeek bij Arnhem staat de Oude Kerk, gebouwd in de tweede helft van de tiende eeuw. In Mesch, in het zuidelijkste puntje van Limburg, staat de Sint-Pancratiuskerk, gebouwd in de negende eeuw. En op het Valkhof in Nijmegen staat de Sint-Nicolaaskapel, volgens een recente theorie aan het einde van de tiende eeuw gebouwd in opdracht van keizer Otto III.

Het is logisch dat de kerkjes juist op deze afgelegen plekken hebben weten te overleven. Veel middeleeuwse kerken zijn door de eeuwen heen verloren gegaan doordat ze zijn vervangen door grotere, modernere exemplaren: dorpen en steden groeiden en die nieuwe zieltjes hadden meer ruimte nodig. Vooral in het zuiden zijn in de negentiende eeuw veel oude kerkjes afgebroken en vervangen door grotere exemplaren. Ik hoef alleen al naar m’n eigen geliefde Tongelre te kijken: de grote Sint-Martinuskerk stamt uit 1890, maar er stond in 1220 al een kerkje.

Op de bovenste zes foto’s kerkje van Marsum, van buiten en binnen. Op de derde foto van boven de hagioscoop. Op de onderste foto een boodschap in het kerkje van Eenum.

Maar de grootste concentratie oude kerkjes in Nederland vind je dus in het noorden. In Friesland, maar vooral in Groningen. Iedere wierde, de plaatselijke naam voor een terp, herbergt een dorpje met 100 tot 200 inwoners, met in het centrum een kerkje uit de elfde of twaalfde eeuw. Deze streek was in de middeleeuwen zeer welvarend. De grond tussen de wierden was vruchtbaar, het land was in bezit van de kloosters die overal in de streek kerken bouwden. De bouwstijl heet in de meeste gevallen romanogotiek, een mix van de twee bekende middeleeuwse bouwstijlen.

De VVV van Groningen heeft er een fietsroute voor uitgezet. Toen ik augustus vorig jaar in Groningen was, stuitte ik op een blad over Groningen, met die fietsroute. Die wilde ik fietsen, maar de tocht stelde ik uit naar oktober. Het leek me mooi foto’s maken in het najaar. Toen barstte de coronapleuris weer uit, dus liet ik het schieten. Die kerkjes staan er al acht eeuwen, ze lopen niet weg.

Ik trok een dag uit voor deze fietstocht. Ik begon in Appingedam en zou al slingerend tussen alle wierden door naar Bedum fietsen. Op de route ligt elke twee à drie kilometer een dorpje met een oud kerkje. Dat de kerk open is wordt vaak aangegeven met mooi vormgegeven bordjes, in sommige gevallen kan je bij een omwonende aanbellen voor de sleutel.

Wat opvalt is hoe prachtig de kerkjes vaak liggen. Neem de Mauritiuskerk van Marsum, m’n favoriet. Het ligt midden op de wierde, omringd door weilanden. Dat het boven de omgeving uittorent heeft een trieste reden. Het dorpje is vrijwel volledig weggevaagd tijdens het Beleg van Delfzijl van 1813 en 1814. Er is een pad van een paar honderd meter dat naar de ingang leidt. Het kerkje is stokoud, uit het begin van de twaalfde eeuw. Wat het uniek maakt, is dat het sinds die tijd amper is veranderd. Op het dak liggen nonnen en monniken, in een hoekje langs het altaar zit een hagioscoop. Via dit kleine raampje konden mensen die de kerk niet binnen mochten (kluizenaars, lepralijders) toch de mis volgen. Je vindt ze alleen in heel oude kerken en zijn dus zeldzaam. De tijd staat hier stil, alleen het blauwe plafond is een latere toevoeging. De bouwstijl is stoer, functioneel.

De Sebastiaankerk van Bierum en de Antoniuskerk van Kantens zijn een stuk groter dan het kerkje van Marsum en hebben beiden een enorme steunbeer, in beide gevallen pas eeuwen later toegevoegd als extra versteviging (en niet vanwege aardbevingen door aardgaswinning). De Donatuskerk van Leermens, één van de oudste kerken van noord-Nederland, heeft een bijna massief koor dat in stijl doet denken aan een Noorse stavkirke. Misschien dat de strenge stijl samenhangt met het feit dat de kerk eeuwenlang fungeerde als seendstoel, een soort kerkelijke rechtbank. De muur heeft kleine ramen, maar de kerk oogt opvallend licht van binnen.

Op de bovenste vijf foto’s de kerk van Krewerd, gebouwd in opdracht van Tyadeke, op de onderste drie foto’s de kerk van Leermens.

Het loont de moeite om naar binnen te gaan. Aan de muur hangen bordjes met boodschappen. In Marsum staat ‘Hopende dat het virus voorbijgaat. Dat de goede tijden terugkeren.’ Ik kan alleen maar amen zeggen. In de romaanse kerk van Eenum, een andere favoriet, hangt ‘Blied dat joe der binn’n’, Gronings voor ‘Blij dat u er bent’. Om de tekst in de Mariakerk te Krewerd, ‘Menco & Tete’ te begrijpen, moet je de voorgeschiedenis van de kerk kennen.

De bouw van de Mariakerk hangt samen met de belofte van Tyadeke, de bewoonster van de inmiddels verdwenen Steenhuizerborg. Zij zou een kapel op haar landgoed bouwen als haar ernstig zieke zoon Menco zou herstellen, maar kwam haar belofte niet na. In plaats daarvan zocht ze een huwelijkspartner voor Menco, dat werd Tete, de dochter van de deken van Loppersum, die op haar beurt had beloofd het klooster in te gaan. Het liep natuurlijk anders. Tete werd zwanger, Menco overleed alsnog, Tete verloor haar kindje en stierf ook, waarbij ze al haar bezittingen naliet aan het klooster. Tyadeke liet alsnog de kerk bouwen.

Veel kerkjes hebben muurschilderingen. Die variëren van bescheiden, zoals in de kerk van Krewerd, tot meer uitgebreid, zoals in de Bartholomeuskerk van Stedum. In de kerk staat het plafond vol met scholastieke schilderingen, van bijvoorbeeld de vier aartsengelen. De beheerder vertelt dat ze in de vijftiende eeuw zijn geschilderd, vermoedelijk door een groep kunstenaars onder leiding van Jan van Aken, de grootvader van Jeroen Bosch (geboren als Jeroen van Aken). Zij trokken door de regio om de kerken van muur- en plafondschilderingen te voorzien. Ze zijn in de jaren dertig van de twintigste eeuw voorbeeldig gerestaureerd en aan de gedetailleerde informatie van de beheerder te horen lijkt het er op dat hij erbij is geweest. De tijd lijkt dan stil te hebben gestaan in deze kerken, tegelijkertijd herbergen ze eeuwen aan historie.

De laatste kerk op de route is de Georgiuskerk van Stitswerd. Tegen die tijd heb ik tien kerkjes bezocht. Dit is niet het meest spectaculaire kerkje, omdat je hier ziet wat met een aantal andere kerken ook is gebeurd: de buitenkant is lichtgeel of wit geverfd, waardoor de zo authentieke baksteenstijl niet meer zichtbaar is. Ook de muren aan de binnenkant zijn witgepleisterd. Maar het kerkje stamt wel degelijk uit de dertiende eeuw en ademt nog steeds die sfeer.

Tien kerkjes, maar er zijn er nog veel meer. Later in de week kom ik nog in de de Der Aa-kerk in Groningen en volgen kerkjes in Garmerwolde, Finsterwolde, Pieterburen, Westernieland (waar Freek de Jonge in de pastorie is geboren) en Usquert.

Had ik al gezegd dat Usquert het enige treinstation van Nederland is met een Q in de naam?

Op de bovenste vier foto’s de Bartholomeuskerk van Stedum, met schilderingen van (vermoedelijk) Jan van Aken. Daaronder de indrukwekkende steunbeer van de Antoniuskerk van Kantens, met buurtkat, en tot slot de Georgiuskerk in Stitswerd, de kerk met de hoogste postcode van Nederland.

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , | Comments Off on Kerkepad

Telefoon

‘Heej, hier ligt een telefoon,’ riep het jochie.
Ik was bij Helperzoom, een skateparkje in Groningen. Aan de kant zat een moeder, twee kinderen reden rond op stuntstepjes. Verder was er niemand.

Ik reed naar de plek achter een skate-obstakel waar het jochie had gestaan. Inderdaad, daar lag een telefoon naast een flesje water. Ik bekeek de telefoon, vol krassen en barsten.
‘Er ligt inderdaad een telefoon,’ riep ik naar de vrouw. ‘Zo te zien van een skater,’ lachte ik.

‘s Middags was ik langs het skatespotje gereden en had ik een groep jongeren zien zitten. Ik had toen geen zin om te skaten met al dat publiek. Tien tegen één dat de telefoon van één van hen was. Wat te doen? Skaters zijn net zo vergroeid met hun telefoons als andere jongeren. Deze telefoon was minstens een uur niet gebruikt, voor de gemiddelde puber een eeuwigheid. De eigenaar had allang terug moeten zijn geweest. Ik kon ‘m laten liggen, maar dan wist ik niet wat ermee zou gebeuren. Ik kan instaan voor m’n eigen eerlijkheid en al deugen de meeste mensen echt wel, m’n vertrouwen in de mensheid is niet grenzeloos.

‘Ik bel straks wel even met de politie,’ zei ik tegen de moeder. Ze stond op het punt naar huis te gaan.

Dat deed ik, en ik vroeg of ik de telefoon af kon geven op het bureau.
‘We nemen dat niet meer aan sinds 2012,’ sprak de medewerkster vriendelijk doch resoluut. ‘U kunt een melding doen bij de gemeente.’
Ik vond een site waar ik melding kon maken van een gevonden voorwerp: wat ik had gevonden. Waar ik het had gevonden. Wanneer ik het had gevonden. Hoe de eigenaar met me in contact kon komen. Waar ik woonde. Of ik een foto wilde meesturen. Toen ik alles had ingevuld kreeg ik een bevestiging per e-mail. Ik was nu verantwoordelijk voor het gevonden voorwerp. Als het na een jaar niet was opgehaald, mocht ik het houden.

Nu zat ik met een telefoon opgescheept. Ik had meteen spijt. Had ik dat ding maar laten liggen.

Er kwam een groep oudere skaters die ik vorig jaar ook in het parkje had zien rijden. Ze zijn heel goed, dus ik besloot er voor die avond mee op te houden en naar het enige hunebed in de provincie Groningen (net ten zuiden van Noordlaren) te fietsen. Wel sprak ik nog één van de skaters aan: ‘Mocht iemand z’n telefoon komen zoeken, wil je dan doorgeven dat ik de telefoon heb, dat ik in The Student Hotel verblijf en dat ik het als gevonden voorwerp heb doorgegeven bij de gemeente?’
Geen probleem, hij zou het doorgeven.

De volgende ochtend kreeg ik per e-mail een bevestiging van de gemeente Groningen. M’n gevonden voorwerp stond op hun website. Wel met als af te halen adres m’n woonadres in Eindhoven. Lekker handig. En wat moest ik nu met die telefoon? Ik wilde een dagje weg, maar wilde ook dat ding afgeven bij de gemeente. Dat kon pas na 9.00 uur en alleen op afspraak. Ik besloot de telefoon op m’n hotelkamer te laten liggen. Mocht ie aan het einde van de week niet zijn opgehaald, dan kon ik ‘m altijd nog afgeven op het gemeentehuis.

De rest van de dag hield ik angstvallig m’n telefoon in de gaten of de rechtmatige eigenaar me zou bellen. Ik hoorde niks. ‘s Avonds ging ik weer naar het skatespotje. Er was een klein groepje skaters aanwezig. Het leken me coole gasten, dus ik waagde het er op. We groetten elkaar kort. Ik besloot de eerste de beste aan te spreken: ‘Weet jij een skater die hier gisteren z’n telefoon is verloren?’
‘Ja,’ antwoordde hij, ‘ik.’
‘Ow,’ zei ik blij verrast. ‘Die heb ik. Ligt bij mij in The Student Hotel. Kom straks maar even ophalen.’

Voor de zekerheid stelde ik nog een paar controlevragen, maar er was geen twijfel mogelijk. Die telefoon was van hem. Ja, hij was dezelfde avond nog teruggegaan. En nee, de andere skaters hadden ‘m niet verteld dat ie even naar The Student Hotel moest komen.

Een uur later stond ie met z’n maat bij de receptie van het hotel en kon ik de telefoon teruggeven.

Ik vraag me nog steeds af of ik het ding niet beter had kunnen laten liggen.

Posted in Overig, Skateboarden | Comments Off on Telefoon

Baasje

Op vakantie in Groningen appte m’n moeder een foto van een oude ansichtkaart. Op de voorkant stond een tekening van een kind op een skateboard, op de achterkant een boodschap van m’n opa en oma: ‘Dag Baasje.’
De kaart hadden m’n grootouders aan m’n moeders kant, oma Toos en opa Frans, in 1986 gestuurd, toen we op de camping in Luxemburg stonden. Ik kon me de kaart niet meer herinneren, maar moest lachen om de voorkant en appte terug dat het was voorbestemd.

Terwijl ik door het Groningse landschap fietste, dacht ik aan ‘Dag baasje’. Het raakte me, alsof m’n oma me 35 jaar na deze kaart nog een keer groette. Oma Toos noemde mij haar baasje. Ik vond dat niet leuk, omdat ik het woord baasje associeerde met bazig. Pas later begreep ik dat baasje voor haar een koosnaam was, zoals knaapje, ventje of kereltje.

Toen ik zondag bij m’n ouders op bezoek was, ging de telefoon. De vader van m’n zwager was overleden. Hij was al lange tijd ziek. M’n zus en haar man belden om dat te vertellen, en om te vragen of ze m’n neefje Sjors (5) mochten komen brengen. Hij was terug van scoutingkamp en stuiterde aan alle kanten.

‘Opa is in de ruimte,’ vertelde hij me in de huiskamer, terwijl m’n zus en zwager in de hal de condoleances van m’n ouders in ontvangst namen. Sjors vertelde het droogjes, alsof het vanzelfsprekend was.
Ah ja, dacht ik, mensen die overlijden worden tegenwoordig sterretjes.
‘Als Vlekkie doodgaat, gaat ie ook naar de ruimte. Dan kan opa met Vlekkie spelen,’ ging hij verder. Vlekkie is de hond van de ouders van m’n zwager.
‘Dat kan zeker,’ beaamde ik.
‘Opa kan nu met Karel spelen, die is al in de ruimte,’ vervolgde hij. Karel was de kater van m’n zus die vorig jaar, vlak voordat de coronashit losbarstte, overleed. M’n zus denkt dat ie is overleden aan corona. Dat zou kunnen, Karel was obees en op leeftijd. Hij zat in de risicogroep.
‘Ik mis Karel,’ zei hij.
‘Dat snap ik,’ zei ik. ‘Karel was een heel lieve poes.’
‘Maar Fientje leeft nog. Ik hoop dat ze nog heel lang bij ons blijft,’ zei Sjors.
‘Dat hoop ik ook,’ zei ik, al is Fientje vermoedelijk tegen de 20 en loopt ze op haar laatste pootjes. Sjors is dol op de poes. Hij had haar het liefst meegenomen op kamp. Dat vond m’n zus geen goed idee.

‘Iedereen gaat naar de ruimte,’ concludeerde hij.
‘Dat klopt,’ zei ik. ‘Er zijn dan ook heel veel sterren. Maar er is heel veel ruimte in de ruimte.’
‘Veel ruimte in de ruimte,’ zei hij me lachend na.

‘s Avonds at Sjors mee. Hij had geen trek in warm eten en at een broodje kaas dat hij in de appelmoes en de ‘mooienaise’ depte. Waarom ook niet.

In gedachten was ik in de zomer van 1987. Ik was 6 en opa Frans was overleden. Om m’n ouders te ontzien logeerde ik bij juf Henny, m’n kleuterjuf, en haar man Dieter (die ik Gieter noemde). Henny en Dieter waren een jong stel, nog zonder kinderen, en ze vonden het prima om mij een paar dagen te verwennen. Ik herinner het me als een leuke tijd. Henny en Dieter woonden in een groot, oud huis. Ik mocht m’n bord vol met appelmoes smeren, en Gieter beweerde dat hij tot 10 kon tellen, wat hij vervolgens helemaal niet goed deed.

Na het overlijden van opa Frans heb ik jarenlang bij elke vallende ster gewenst dat opa weer ‘laf’. Het was een groot verzoek, dus ik had berekend dat het duizend vallende sterren kostte voor m’n wens zou uitkomen.

Na het eten haalde m’n zus Sjors op. Ik ging ook naar huis. Thuis zette ik Find The River van R.E.M. op.

The ocean is the river’s goal,
we need to leave, the water knows’

Posted in Overig | 1 Comment

Assistent

Jaren geleden nam ik deel aan een rondleiding van Westminster Abbey. De rondleiding werd verzorgd door London Walks en het verzamelpunt voor de start van de wandeling was een metrostation schuin tegenover de kerk. Om veilig naar de ingang te lopen had de gids, een kordate dame, een vrijwilliger nodig die aan het einde van de rij met een leaflet van London Walks in de lucht zou lopen. Zo wist ze wie de rij sloot.
‘You’re the volunteer,’ zei ze tegen me en duwde een folder in m’n handen. Dat krijg je als je de langste in het gezelschap bent.

Dat zorgde vervolgens nog voor de nodige verwarring toen een verlate toerist me zag lopen en per se bij mij wilde afrekenen voor deelname aan deze wandeling. Hij wilde niet accepteren dat hij niet bij mij, maar bij de dame voor in de stoet moest zijn.

Afgelopen week ging ik wadlopen. Omdat ik met de fiets naar het wadloopcentrum in Pieterburen was gekomen, had ik geen eigen vervoer om naar het startpunt van de tocht achter de dijk te rijden. Daarom mocht ik met de gids meerijden. Ik nam plaats in de auto. Tussen de bijrijdersstoel en die van de gids lagen twee rood-wit gestreepte stokken van een slordige twee meter.
‘Wilt u mijn assistent zijn?,’ vroeg de gids tijdens het ritje.
‘Ja hoor,’ antwoordde ik, zonder te vragen wat het eigenlijk inhield. Ik heb in een grijs verleden strandwacht gelopen. Zo moeilijk kon het niet zijn.
De gids legde uit: ‘Bij een groep van meer dan twaalf wadlopers moeten twee begeleiders mee. Dit is een grote groep. Als u uw gegevens op dit formulier invult, dan is het wel in orde.’

Bij het startpunt van de wandeling stond ik met één van de stokken in de hand. Terwijl we door de kwelder liepen, een stuk land waar de schapen zich te goed doen aan plaatselijke lekkernijen als zeekraal en slijkgras, kwamen nieuwsgierige wadlopers op me af lopen die wilden weten wat mijn taak inhield. M’n antwoorden varieerden van ‘ik heb in de vijf minuten naar de startplaats een boek van vijftig pagina’s uit m’n hoofd geleerd’ tot ‘ik prik met de stok in de bodem of er geen verdronken wadlopers liggen’ of ‘fierljeppen’.

Ik besloot, indachtig mijn ervaring bij Westminster Abbey, de rij wandelaars dan maar te sluiten. Zo hield ik het overzicht terwijl de wadlopers zich een weg door het slik baanden en kon ik achterblijvers een beetje helpen. Daardoor miste ik wel soms de uitleg van de gids. Die stok was een mixed blessing. Ik had m’n handen al vol aan het overeind blijven, en dan droeg ik ook nog een rugtas én een tas met m’n digitale camera. Zo’n stok is dan extra ballast. Maar die ene keer dat de moed me in de schoenen zonk omdat ik tot m’n knieën was weggezakt in de smurrie, mezelf vacuüm had gezogen en ik met geen mogelijkheid los leek te komen uit het slik, was de stok zeer welkom.

Eenmaal weinig elegant door het slik en over de rijsdammen heen geklauterd was het wadlopen goed te doen. We liepen zo’n tweeënhalf uur. In de verte lagen Schiermonnikoog en Rottumerplaat, en Borkum, het meest westelijke Duitse Waddeneiland. In het water vonden we kreeftjes, Japanse oesters en kokkels. De zeehonden waren vandaag met verlof.

Op de terugweg naar het vasteland wees de gids aan waar we aan land moesten komen. Een aantal wadlopers stapte voor de groep uit. Dat deden ze zo flink, dat ze verkeerd dreigden te lopen. De gids, een bescheiden man met een niet al te luide stem, riep naar ze maar ze hoorden niks. De gids riep nogmaals, tevergeefs. Toen deed ik m’n mond open: ‘Heej, even stoppen daar voor!’
De wadlopers die bij me in de buurt stonden keken me verbaasd aan. Ik haalde m’n schouders op: ‘Tja. Assistent he.’

In de auto terug naar Pieterburen vertelde ik hoe ik met die stok was gevaren, en dat het nut ervan me nog niet helemaal duidelijk was.
‘Als een loper in de problemen komt, kunnen we met de stokken een brancard maken,’ legde de gids uit.
‘Is dat ooit gebeurd?,’ vroeg ik.
‘Nee, gelukkig niet,’ zei hij.

Goed dat ik dat niet van tevoren wist.

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , , , | 2 Comments

Opa

Ik was in het skatepark in Amsterdam. Ik was er een maand geleden al een keer geweest en toen was het geweldig. We waren er op een vrijdagochtend, het zonnetje scheen en de meeste andere skaters waren ook volwassenen. Het merendeel was een stuk minder ervaren dan ik, waardoor ik het respect van de enkele jongere aanwezige skaters verdiende, iets dat m’n zelfvertrouwen een niet te onderschatten boost gaf. Ik kon zelfs een oudere skater iets leren, waarna hij gelaten opmerkte dat hij het trucje na drie maanden eindelijk kon. I feel you, man.

Ik was dus in het skatepark. Eigenlijk wilden we in de ochtend gaan, maar eenmaal in Zeeburgereiland lag het park er verregend bij. We reserveerden daarom een spot in het indoor skatepark in Utrecht, maar toen we aan de lunch in de Tolhuistuin zaten brak de zon door en besloten we nog een poging te wagen. Er gaat niks boven buiten skaten.

Het aanzicht was nu anders dan een maand geleden. Het was vroeg in de middag, dus de jongste stuntstepjes waren er nog niet. Wel waren er veel jongeren. Intimiderend goed skatende jongeren zelfs. Ik bewonder dat soort gasten. Skateboarden is, naast zelf aanklooien, net zo goed kunnen genieten van wat andere skaters op tafel leggen. Al is dat ook in het treurig stemmende doch realistische besef dat ik nooit meer zo goed zal worden. Had ik maar wat zinnigs met m’n leven gedaan.

In de loop van de middag werd het drukker. Dat maakte het lastig een lijn te skaten die ik graag wilde oefenen. Er kwamen steeds meer stuntstepjes bij die, zoals stuntstepjes betaamt, altijd in de weg rijden. Daardoor moest ik een keer minutenlang wachten.

Op een verhoging stonden twee gastjes van een jaar of twaalf, klaar om in te droppen. Ik had ze al zien rijden en ze waren goed. Heel goed. Nu wilden ze bij mij voorlangs rijden, maar moesten wachten.
‘Laat opa maar voorgaan,’ merkte eentje op.
Misschien beeldde ik het me in, maar ik bespeurde enig dédain in die opmerking. Negen van de tien keer had ik het van me af laten glijden, maar dit keer niet. Ik had z’n vader kunnen zijn, maar niet z’n opa.
‘Noemde één van jullie me nou net opa?,’ zei ik verbaasd.
‘Nee, echt niet hoor,’ ontkenden ze allebei geschrokken.
Ik ben dan wel oud, maar doof ben ik nog niet.
‘Vreemd. Dan zal ik het wel verkeerd verstaan hebben,’ zei ik.
Er viel een ongemakkelijke stilte.

Ik reed m’n lijn, die voor geen meter liep, want het was niet m’n beste dag. Toen ik aan de andere kant van het park stond, zag ik dat de twee skaters ineens stil aan de kant stonden.

En dat stonden ze een half uur later, toen opa vertrok, nog steeds.

Posted in Skateboarden | Tagged , , , | 1 Comment

V-Day

En toen was V-Day ineens daar. Goed, het had allemaal veel te lang geduurd, maar op 1 juni mocht ik, bouwjaar 1981, een afspraak maken. Tot mijn stomme verbazing kon ik de volgende dag al terecht voor Pfizer. Liever had ik Janssen gehad, want dan was ik in één keer klaar geweest, maar ach, de tweede prik zat er op deze manier toch nog voor de zomervakantie in. Daarbij, wat klaag ik? Het was gratis. En met die vaccinatie zou eindelijk een einde komen aan deze anderhalf jaar durende doffe ellende. Eindelijk. Licht aan het einde van de tunnel.

Het voelde een beetje als de Efteling. Eerst de halve nacht wakker liggen van de spanning (‘als ik me maar niet verslaap’), daarna in de file naar de vaccinatielocatie en dan in de rij voor de nieuwste attractie. Er was een heus parcours in het sportcentrum uitgezet waarbij ik bij een poortje moest wachten, werd doorverwezen, gecontroleerd (‘bekend gezicht, jij bent toch van de pubquiz?’), een brief kreeg met een grote oranje sticker met ‘Pfizer’ en toen was het prikmoment daar.

‘Komt u maar hoor,’ sprak de medewerkster geroutineerd vanuit haar cubicle.
Gedwee nam ik plaats. De medewerkster gaf me een folder en wees me op de brief die ik zojuist had gekregen: ‘Die moet u goed bewaren. Sommige mensen maken er een foto van.’
Nog voor ik kon reageren, vervolgde ze: ‘U bent klaar. Nu nog even vijftien minuten wachten en dan kunt u gaan. Fijne dag.’
Ik had de prik niet gevoeld.

Terwijl ik beduusd plaatsnam op één van de stoeltjes moest ik aan onze kat Saartje denken. Als ze bij de dierenarts een prik kreeg aaide hij haar altijd even over haar bolletje, terwijl aan de andere kant van haar niet al te slanke lijf (‘model theemuts’, aldus de dierenarts) de injectienaald erin gleed.
‘Katten zijn niet zo slim. Zo merkt ze niet dat ze wordt geprikt,’ zei de dierenarts.

Ik dacht dat ik intelligenter was dan onze kat, maar ik heb mezelf overschat.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged | 1 Comment

Indianenbegraafplaats

Als ik op een verjaardagsfeestje kom, is het eerste dat ik doe op de klok kijken wanneer ik met goed fatsoen weer naar huis mag. Het tweede dat ik doe is checken waar de nooduitgang is. In de tussentijd kan je niks anders doen dan een beetje slap lullen met de persoon die het dichtst bij je zit, iets waar ik inmiddels behoorlijk bedreven in ben geworden. Al doende leert men.

Wel moet ik beter op m’n woorden letten.

Ooit was ik op een verjaardag van een kennis. Het is lang geleden, ik was met m’n ouders mee. Ik kende de jarige niet heel goed, anders had ik me een beetje ingehouden. Ik luisterde indertijd naar AVRO Nachtdienst, een programma waar luisteraars vragen stelden en beantwoorden. In een recente aflevering was aan bod gekomen dat het syndroom van Down ook onder katten voorkomt. Een gast merkte op: ‘Maar hoe merk je dat dan?’
Ik: ‘Geen idee, misschien houden ze van BZN?’
Op dat moment merkte de jarige, niet eens beledigd, droogjes op: ‘Maar dat is toch heel leuke muziek?’

Recent verhuisde de zus van een vriend naar een nieuwbouwwoning. De wijk waarin ze nu woont is gebouwd op de fundamenten van m’n vroegere middelbare school. Ik heb daar menig coopertest gezwoegd en geploeterd. Ze postte foto’s en video’s van de verhuizing op haar Insta Stories; ik kon het niet laten te reageren: ‘Je weet dat onder de fundamenten van je huis de stoffelijke resten van Augustinianum-leerlingen liggen die de coopertest niet hebben overleefd he?’
Ze moest lachen om m’n suggestie. Nee, ze hadden nog geen last van spoken gehad.
‘Wacht maar,’ waarschuwde ik met een knipoog.

Ik dacht dat m’n grappen doorgaans wel duidelijk waren. Maar een paar weken terug kreeg ik een appje van de partner van een vriendin.
‘Jij hebt ooit verteld dat ons huis is gebouwd op een oude indianenbegraafplaats. Heb je daar meer informatie over?’, luidde de tekst.
Ojee, dacht ik, ik heb jaren terug in een melige bui weer eens iets geroepen (een grapje dat ik blijkbaar nog steeds maak, zo origineel ben ik niet), in de vaste overtuiging dat de ontvanger de grap wel zou snappen.
‘Nee joh, dat is een grapje,’ lachte ik.

Een paar minuten later ging de telefoon.
‘Hoezo is dat een grapje?’, vroeg de partner van m’n vriendin.
‘Nou,’ legde ik voorzichtig uit, ‘heb je ooit The Shining gezien?’
‘Euh… ik denk het wel. Dat is toch die film met Jack Nicholson die doordraait in een hotel?,’ vroeg hij.
Dat bevestigde ik. ‘En hij draait door omdat het hotel is gebouwd op een oude indianenbegraafplaats.’ Ik liet een korte stilte vallen. Daarna vervolgde ik: ‘Dus het was een verwijzing naar die film.’
Even bleef het stil aan de andere kant van de lijn. Toen zei hij: ‘Dus het is niet waar?’
‘Nee joh, natuurlijk niet,’ zei ik lachend.
‘O. Want ik vroeg me al af: er woonden vroeger toch helemaal geen indianen in Nederland?,’ ging hij verder.
‘Nou precies,’ zei ik, ‘dat was juist de grap.’
‘Maar waar is ons huis dán op gebouwd?’ vervolgde hij.
Even dacht ik hier een grapje te maken over een verdwaalde Cananefaat of Nerviër, maar ik was op m’n hoede.
‘Geen idee,’ zei ik, ‘waarschijnlijk gewoon braakliggend terrein. Weilanden ofzo.’
Teleurgesteld hing mijn gesprekspartner op.

Verbaasd vertelde ik m’n ouders, toevallig op bezoek, over het merkwaardige telefoontje. De partner van m’n vriendin heeft een goede opleiding gehad en doet iets heel ingewikkelds bij een heel groot bedrijf; het leek me een intelligente man en het verbaasde me dat de grap zo langs ‘m heen was gegaan.

Toen ging de telefoon. Weer was het de partner van de vriendin.

‘Dus het huis is écht niet gebouwd op een oude indianenbegraafplaats?,’ vroeg hij.
‘Nee, echt niet,’ verzekerde ik.
Het bleef stil aan de andere kant van de lijn.
‘O,’ zei hij teleurgesteld. ‘Nou, tot de volgende keer dan maar.’
‘Tot de volgende keer,’ besloot ik.

Ik moet echt beter op m’n woorden letten.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged | Comments Off on Indianenbegraafplaats

Kleuter

Het heeft een paar nichtjes en een neefje geduurd, maar nu weet ik het zeker: de kleuterleeftijd is de leukste leeftijd. Oud genoeg om een fatsoenlijk gesprek te kunnen voeren en om meegevoerd te worden in de fantasiewereld van een kind van die leeftijd (en terug te denken aan je eigen jeugd), maar te jong om wijsneuzerige praatjes te krijgen.

Ik kwam daar afgelopen paasweekend achter. Omdat m’n ouders gaan verhuizen, mogen alle vier nichtjes én het ene neefje nog één keer bij opa en oma in het grote huis logeren. De jongste drie, Lise (8), Sophie (6) en Sjors (5) komen met z’n allen, omdat het zulke goede vriendjes zijn. Ik was er ook bij, want ik zie de kinderen veel te weinig, en omdat er pannenkoeken op het menu stonden. Ik had goede gesprekken met Sjors. Ik geef ‘m een beetje extra aandacht omdat het de enige jongen én de jongste van de hele bups is; ik weet hoe klote dat is.

Daarnaast kletste ie me de oren van de kop.

Dat begon al in de speeltuin, waar een groot speeltoestel in de vorm van een schip tot de verbeelding sprak.
‘Een echt piratenschip,’ verklaarde m’n neefje verrukt.
‘Owja?,’ vroeg ik nieuwsgierig. Ik wilde, zoals een piraat betaamt, ‘ARRRRRR!!!’ roepen, maar daar kreeg ik de kans niet voor.
‘Ja, want hier was vroeger zee en toen die is verdwenen is het piratenschip vast komen te zitten,’ legde hij uit. Ter illustratie maakte hij er een sissend geluid bij, alsof het schip zich vacuüm had gezogen in het zand van de zandbak.
‘Waar de gaten zitten, zat vroeger glas. En weet je waarom ik kan zien dat dit een écht piratenschip is? Omdat het hout hier groen is,’ ging hij verder.
‘Ah,’ zei ik begrijpend, ‘dat komt natuurlijk van het zeewater. Ik snap het helemaal.’

Ik dacht aan m’n op-één-na oudste nichtje dat, toen ze zo oud was als Sjors, de iPad chronologisch vóór de televisie had geplaatst. Wat ik evolutionair gezien helemaal niet zo onlogisch vind.

‘s Avonds aten we pannenkoeken, met soep vooraf.
‘Kippenvlees komt van de kip, rundvlees komt van het rund, varkensvlees van het varken en soepvlees van de soep,’ probeerde ik.
‘Ja ja,’ zei Lise spottend.
Dat je van pannenkoeken groot en sterk wordt, gelooft ze niet meer; ondanks mijn toch niet geringe 1 meter 88 aan bewijsmateriaal. Dat de pannenkoeken van opa echt heel vies zijn, zoals ik standaard beweer, gelooft ze evenmin: ‘Daar trappen wij niet meer in hoor.’
‘Wij’ omdat Lise ook spreekt namens haar nichtje (en hartsvriendin) Sophie. Twee handen op één buik.
‘Tja, dan moet je het zelf weten,’ riep ik gespeeld verontwaardigd. ‘Maar zeg niet dat ik je niet heb gewaarschuwd.’

M’n neefje was er niet helemaal gerust op. Nadat iedereen een eerste pannenkoek met stroop (of, in het geval van Sjors, een stroop met pannenkoek) had gegeten, kwam ie op me af lopen.
‘Papa?,’ versprak ie zich eerst, tot grote hilariteit van z’n zus en nichtje. Hij herpakte zich.
‘Guido, zijn de pannenkoeken echt vies?,’ vroeg hij, z’n blik verlegen naar beneden gericht.
‘Heb je er al eentje op?,’ antwoordde ik.
Dat bleek het geval.
‘Was ie vies?,’ vroeg ik.
‘Nee,’ zei hij lachend.
‘Dan zijn ze toch lekker?,’ legde ik uit.
‘Ja,’ antwoordde hij.

Opgelucht liep hij terug naar de eettafel. Op naar een volgende stroop met pannenkoek. Een lekkere.

Posted in Overig | Comments Off on Kleuter

Slurvenparade

Waar het mee begon.

‘U hebt nogal veel olifantenbeeldjes,’ zei de verslaggever. Het was december 2019 en ik had een cameraploeg van Man Bijt Hond over de vloer voor een reportage over pubquizzen. De beeldjes vallen me zelf niet eens op. Ze horen bij me, net zoals quizzen, skateboarden, muziek, eilandjes, hardlopen, cola light en afgeragde Vans.
‘U weet wat ze zeggen over olifanten he?,’ probeerde de verslaggever. Ik hapte niet. Ik was op m’n hoede; het blijft toch Man Bijt Hond.

Afgelopen januari deed ik mee aan Pauls Popduel op Radio 2.
‘Verzamel je iets of heb je ooit iets verzameld?,’ kreeg ik ter introductie als vraag voorgelegd.
Ik vertelde over m’n olifantenbeeldjes. Ik haastte me erbij te zeggen dat m’n huiskamer nu ook weer niet vol staat met beeldjes. Ik ga er gedoseerd mee om.
‘O, hoe dat zo?,’ vroeg de sidekick van Paul Rabbering.

Tja, hoe is dat zo gekomen. Goede vraag.

‘Waarom schrijf je niet een keer over je olifantjes?,’ vroeg m’n moeder. Tja. Dat kan wel. Maar waar moet ik dan over schrijven? Ik weet van lang niet alle olifantjes meer hoe ik eraan ben gekomen. Aan de olifantjes die me het meest dierbaar zijn, en daarom een vaste plek hebben verdiend, zit soms een verhaal verbonden. Maar ik heb veel olifantjes en weinig plek, dus zijn er ook olifantjes die rouleren. Die mogen af en toe uitrusten in een schoenendoos om een paar maanden later weer te kunnen pronken. Ook zijn er nog een paar prints van olifanten; op batik of zijde, en op ansichtkaarten. M’n gieter heeft de vorm van een olifant. Het skateboardmerk Black Label heeft een olifant als logo, dus daar heb ik een t-shirt van gekocht.

Maar hoe is dat nou zo gekomen?

De korte uitleg is dat olifanten de liefste dieren in de wereld zijn.

Glazen olifantje, gekregen voor m’n achttiende verjaardag. Uit Praag.

Er is ook een langere uitleg.

Het begon met het mergelolifantje dat ik kreeg voor m’n tiende verjaardag. We waren op bezoek geweest in de mergelgrotten in Valkenburg; sowieso een uitje waar je me op die leeftijd heel blij mee kon maken. Na afloop kwamen we in een winkel waar ze beeldjes van mergel verkochten. Ik keek m’n ogen uit. M’n ouders hadden geld gekregen van een oudtante om een cadeautje voor me te kopen. Dat werd een olifantje van mergel.

Het olifantje is een beetje anders dan zoals het in de winkel stond. Toen had ie nog geen oogjes, inkepingen in slurf en poten en een staart. Ik vond ‘m zonder die details al heel mooi (het deed een beetje Egyptisch aan), maar de medewerker in de winkel bood aan het olifantje helemaal af te maken. Ik kon zelf beslissen of ik ‘m dan nog wilde. De verkoper pakte een boortje en begon te slijpen. Hij begon bij de slurf. Die vond ik leuk. Daarna de oogjes. Aardig. Toen maakte hij de inkepingen in de poten. Ook aardig, maar ik was nog niet om. Pas toen hij het staartje in de kont kerfde, wist ik het zeker: dit olifantje is van mij.

Daarna kocht ik af en toe olifantenbeeldjes. Goedkope dingen van de Hema of de Blokker, want het moest van m’n zakgeld. Maar je weet hoe het gaat: familie en vrienden horen van de verzameling en dus krijg je via-via nieuwe beeldjes toegestopt. Heel soms ging er iets verloren (het slurfje van m’n mergelolifantje is een keer afgebroken. M’n neefje vond ‘m ook heel mooi), maar ik ben heel zuinig op m’n spullen.

Dat geldt zeker voor het glazen olifantje dat, nadat ik uit huis was gegaan, nog jarenlang bij m’n ouders heeft gestaan. De inrichting van m’n huiskamer was nog niet naar m’n zin en ik wilde dit olifantje een ereplek geven. Ik heb het pas recent meegenomen, en daarbij ging ik uiterst voorzichtig te werk. Ook dit olifantje was een verjaardagscadeau, nu van m’n moeder. Ik was 18 geworden en net op m’n verjaardag was ze met haar koor op reis naar Praag. Ik werd er meteen verliefd op. Een paar jaar terug was ik zelf in Praag en kwam ik het olifantje in een winkel tegen, maar niet meer in de kleur groen.

Zelf kocht ik jarenlang geen olifantenbeeldjes meer. Maar ik kreeg er nog geregeld cadeau. Souvenirs van m’n ouders, gekocht op vakantie in Berlijn, Oostenrijk, Italië, Engeland, of van vrienden die nog beeldjes hadden staan en wist dat ik ze verzamelde.

Deens design: het olifantje van Kay Bojesen.

Pas drie jaar geleden kocht ik zelf weer een olifantje, ditmaal in Kopenhagen. Het is een ontwerp van Kay Bojesen (vooral bekend van dit aapje). Niet goedkoop, maar nadat ik een exemplaar had gezien in Tussen Kunst en Kitsch moest ik dit olifantje hebben. Denen hebben iets met olifanten. Op zich is dat merkwaardig; ik geloof niet dat ze daar in het wild voorkomen. Wat wel gebruikelijk is, is dat Scandinavische ontwerpers zich niet beperken tot het maken van bijvoorbeeld meubels maar, als ze een lijn ontwerpen, daar ook houten speelgoed of andere decoratieve voorwerpen in opnemen. En olifanten zijn daarbij favoriet.

De zoektocht naar een olifantje van Kay Bojesen groeide, toen ik in 2018 in Kopenhagen was, uit tot een heuse queeste. Aanvankelijk kon ik nergens een exemplaar vinden. Vreemd, want de taxateur had bij Tussen Kunst en Kitsch verteld dat ze nog steeds worden geproduceerd. De Deense hoofdstad heeft veel interieurwinkels, maar het olifantje van Bojesen bleek zeer exclusief. Uiteindelijk vond ik een winkel die producten van Deense makelij verkocht. Ik legde aan de verkoper uit dat ik speciaal voor het olifantje naar Kopenhagen was gekomen, waarop ze verbaasd opmerkte dat ik het toch ook online had kunnen bestellen. Al begreep ze dat het leuk is om er meteen een vakantie aan vast te knopen. Een olifantje met verhaal is nog leuker.

Op mijn zoektocht naar het olifantje van Bojesen was ik een ander model, van de ontwerper Gunnar Flørning, tegengekomen. Ook lief, maar ook prijzig. Ik onthield de naam voor een volgend bezoek aan Scandinavië. Dat bezoek kwam sneller dan ik dacht; een jaar later was ik een week in Malmö en bezocht ook Kopenhagen. Maar waar ik een jaar eerder over de olifantjes van Flørning was gestruikeld, waren het nu de olifantjes van Bojesen die ik overal tegenkwam. Ik vond het olifantje van Flørning uiteindelijk in dezelfde winkel waar ik een jaar eerder het andere olifantje had gekocht. De verkoopster haalde meerdere exemplaren uit het magazijn. Ik koos deze, vanwege de mooie tekening in het hout op het slurfje.

Nog meer Deens design: een ontwerp van Gunnar Flørning.

Inmiddels ben ik een derde houten olifantje van Deense makelij op het spoor gekomen, dus ik moet nog een keer die kant op; wat geen straf is.

De verzameling is nooit compleet, maar de ruimte in de huiskamer is beperkt. Daarom ben ik kritisch in m’n aankoopbeleid. Drie grotere exemplaren in de vensterbank hebben hun plekje veroverd, al is het maar omdat kinderen uit de buurt ze zo leuk vinden. Laatst nog stond een peuter minutenlang blij lachend naar mijn legpuzzelolifantje, door m’n ouders meegenomen uit het Lake District, te kijken. Op een ander olifantje, eigenlijk een presse-papier, zit een klein knuffelbeertje; een overblijfsel van de berenjacht van de eerste lockdown. M’n dierbare mergelolifantje heeft een veilige plek buiten het bereik van gretige kinderhandjes gekregen.

Maar als ik in die schoenendoos op de logeerkamer zoek en olifantjes uit het keukenpapier haal, voel ik me ook een beetje schuldig. Ik gun ze allemaal hun fifteen minutes of fame. Sommige was ik bijna vergeten (so far voor dat olifantengeheugen), andere herkende ik meteen. Er is een groot exemplaar van wassteen, er zijn verschillende andere houten olifantjes, net als een paar kleine glazen olifantjes en er zijn twee kleine olifantjes van klei die ik kocht tijdens een dagje uit naar Buren.

Een olifantje, door m’n ouders gekocht in Oostenrijk, slaapt inmiddels op twee Boskabouters.

Stiekem staan er nog best wat olifantjes in de porseleinkast.

Door m’n ouders meegebracht uit Oostenrijk.

Posted in Overig | Tagged | 1 Comment

40

De dochter van een vriendin was met haar stepje in het skatepark geweest, had daar een jongen zien skateboarden en was nieuwsgierig geworden. De vriendin deed wat elke verstandige ouder van een kind met een stepje doet: hulp inschakelen. Kon ik haar dochter niet de basisbeginselen van skateboarden bijbrengen? Met alle plezier natuurlijk, want met elk kind dat het stuntstepje verwisselt voor een skateboard komt wereldvrede een stukje dichterbij.

We spraken af in een skatepark en omdat ik m’n stuntstepjesexorcisme grondig aanpak, had ik twee skatevrienden meegenomen. Terwijl ik wat rondreed, vroeg m’n vriendin, een oud-klasgenoot die ik al ken sinds de brugklas en inmiddels is getrouwd en drie dochters heeft: ‘Hoelang skate je eigenlijk? Was je daar niet eind twintig mee begonnen?’
‘Nou, ik ben tweeëneenhalf jaar geleden begonnen en word volgende maand 40,’ antwoordde ik lachend. ‘Wij hebben bij elkaar in de klas gezeten, weet je nog?’
Ze schrok: ‘Och, ik vergeet dat wij even oud zijn.’

Tja, dacht ik. Ik ook.

Haar dochter bleek een gewillige leerling. Ze reed al beter dan ik na een maand oefenen deed, en wilde best de quarter in rijden. Ik deed het een paar keer voor, waarna ze – weliswaar met hulp – wat beter meeleunde.
‘Ik heb goed gekeken hoe jij het doet,’ zei ze.
‘Heel goed,’ complimenteerde ik haar, want je leert heel veel van naar andere skaters kijken (soms zie ik jongere skaters kijken hoe ik skateboard. Daarna proberen ze me na te doen, iets wat me vervult met enorme trots).

‘s Avonds week ik uit naar het Stadhuisplein. Lekker skaten tot Sperrzeit om de coronagestapo te stangen. Ik sprak een meisje dat ik wel eens in de area zag. Het skatepark wordt nog steeds verbouwd en ik vermoed dat ze pas opengaan als de coronamaatregelen zijn opgeheven; in 2034 ofzo. In het verbouwde park moet de ruimte straks worden gedeeld met bmx’ers, inlineskaters en stuntstepjes. De bmx’ers hebben een riant deel van de hal opgeëist, iets dat in de skatescene met argusogen wordt bekeken.

‘Wat vind je van de nieuwe area?,’ vroeg ze.
‘Wel oké,’ zei ik schouderophalend.
‘Nee man,’ het is een bmx-park geworden,’ lachte ze.
‘Tja, zij hebben het overgenomen he,’ legde ik uit. ‘Nouja, figuurlijk dan.’
Ik ben oud genoeg om te weten dat vechten tegen windmolens geen zin heeft. Alles wat mooi is moet kapot.
‘Ach, zoveel zal ik er niet meer heengaan,’ zei ik. ‘Zeker niet als het straks zomer is. Buiten is veel leuker.’
Ze moest lachen, omdat ik het eerste jaar bijna alleen maar indoor had geskatet.
‘Ja heej,’ verdedigde ik me, ‘als je op mijn leeftijd gaat skateboarden, ben je voorzichtig. Je wilt niet dat iedereen je ziet stuntelen. Ik word volgende maand 40 he.’

Ze keek me verbaasd aan. Even was ze stil.
‘Ik zou willen dat ik 40 was,’ zei ze.
‘Ownee, dat wil je echt niet,’ antwoordde ik. ‘Het is verschrikkelijk. Het besef dat de helft van je leven er al op zit, dat je beste jaren achter je liggen. Dat je helemaal niks nuttigs met die tijd hebt gedaan, dat het alleen maar minder wordt. Ik kan niet eens olliën.’
‘Je hebt nog een maand,’ zei ze.
‘Hoe oud ben jij?,’ vroeg ik.
’16,’ lachte ze.
’16? Djiezus,’ zei ik.

Ik wilde zeggen dat ik jaloers was, maar dacht aan problemen waar jongeren anno 2021 mee kampen: studieschulden, woningnood, baanonzekerheid, klimaatproblemen – en een overheid die daar geen fuck om geeft. Ik wist niet of ik nu nog 16 zou willen zijn.

’16 zijn heeft ook z’n voordelen,’ besloot ik. ‘Al mag je nog niet stemmen.’

Maar skateboarden gaat een stuk makkelijker als je jong bent.

Posted in Skateboarden | Tagged , | 1 Comment