Engel

Ik kom de laatste weken de naam Lonneke Engel veel tegen. Ze wordt in nieuwsberichten aangehaald als ‘Nederlands fotomodel, woonachtig te New York’. Vanuit haar ongetwijfeld luxueuze loft in Manhattan geeft ze haar mening over de coronacrisis. Die mening komt erop neer dat we niet zo gemeen moeten doen tegen die arme meneer Donald Trump en dat z’n ideeën over het injecteren van UV-licht of het bestralen met bleekmiddel (of andersom) helemaal niet zo gek zijn. Ik weet oprecht niet wat de nieuwswaarde is van Lonnekes mening, ik hecht nog altijd meer waarde aan de mening van virologen (al vraag ik me steeds meer af of zij nog weten waar ze mee bezig zijn), maar kranten en nieuwssites moeten gevuld worden, desnoods met de ideeën van een Nederlands fotomodel, woonachtig te New York.

Het toeval wil dat ik bij Lonneke in de klas heb gezeten. Dat was één jaar, in Groep 8 van basisschool ‘t Karregat. Ik herinner me haar niet als bovenmatig intelligent (dat waren, getuige hun Citoscores, Barbara, Jelmer en Annemarie) noch als buitengewoon achterlijk (dat was Wensely). Het enige dat ik nog van haar weet is dat ze gek was op zeehondjes (dat zijn trouwens krengen van beesten), wat dan weer een reden was voor andere klasgenoten om haar te pesten. Ik werd ook gepest en nam het een keer voor haar op, waarop ze mij afsnauwde. Het was meteen de laatste keer dat ik voor haar opkwam.

Lonneke ging naar een andere middelbare school dan ik, dus ik verloor haar uit het oog. Via-via hoorde ik dat ze aan een carrière als fotomodel werkte. Vreemd. Ik had haar nooit bijzonder knap gevonden, maar ik vind fotomodellen zelden mooi (de enige uitzondering is Elle Macpherson, maar zij heet niet voor niets The Body).

Ik zou Lonneke allang vergeten zijn, ware het niet dat een paar jaar later, aan het begin van de Engelse les in 3havo, een meisje met in haar handen een glossy op me af kwam gerend. Ze wees dwingend op een foto in het tijdschrift: ‘Hoe heet zij?!’
Amper van de schrik bekomen stamelde ik: ‘Euh… dat is Lonneke, daar heb ik bij in de klas geze…’
‘En haar achternaam?,’ onderbrak ze me.
‘Lonneke? Euh… Engel geloof ik,’ antwoordde ik.
‘Oké doei. Dat moest ik even weten,’ zei ze, waarna ze weer snel was vertrokken.

Niet lang daarna begreep ik waarom de klasgenoot zo enthousiast op me af was gestormd. Lonnekes vader had, om de modellencarrière van haar dochter een boost te geven, bedacht dat ze alleen onder haar voornaam bekend mocht worden. Dat zou haar (ik verzin dit niet) een kinderlijk, naïef imago geven. Lonnekes achternaam was een goedbewaard geheim.

Ik haalde deze herinnering op in een reactie op een nieuwsbericht op Facebook. Daarop reageerde een man verbaasd: waarom zou je uit marketingdoeleinden níet gebruikmaken van de achternaam Engel? Daar had hij een punt, al is Lonneke als fotomodel behoorlijk succesvol. Zelfs mijn premature onthulling van haar achternaam heeft die carrière niet gefnuikt.

Als ze zich nou maar niet met het coronavirus gaat bezighouden.

Posted in Eindhoven, Media | Tagged , , | Comments Off on Engel

Lockdown

Toen een paar weken terug de scholen dichtgingen, was het asfaltveldje voor m’n huis de favoriete hangplek voor zo’n beetje elke jongere uit de buurt. Zo’n twintig jongeren voetbalden daar de eerste dagen van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat. Niet de lockdown die ik voor ogen had, maar ze hadden de grootste lol, en het overgrote deel was minderjarig en toch niet te besmetten, dus wat zou het. Het zou een belediging voor het zonnige weer zijn er niet van te genieten.

Na een paar dagen werd het stil. Er hingen geen kinderen meer rond, hooguit kwam een ouder een kwartiertje met zoon of dochter voetballen. Dat bood perspectief. Omdat de skate-objecten op het Stadhuisplein zijn weggehaald, een misdaad tegen de menselijkheid van de burgemeester die z’n weerga niet kent, skate ik noodgedwongen op het veldje voor m’n huis.

Alleen een jochie van een jaar of tien hing nog elke dag op het veldje rond. Hij deed dat als hij samen met z’n moeder m’n huis voorbijliep. Hij had niks om mee te spelen, dus veel had ie niet te doen. Het deerde ‘m niet. Vrijheid is al genoeg vermaak.

Ze leken me Eritrees, Somalisch of Ethiopisch. Ik vroeg me af of de moeder besefte in welke situatie Nederland zich op dit moment bevindt. Zou ze elke dag dat kind naar school brengen, waar de docenten het jochie mee zouden nemen in de les, ook al had de moeder misschien geen vitaal beroep? Of zou ze onverrichter zake naar huis terugkeren? Zou ze goed genoeg Nederlands spreken voor thuisonderwijs?

Afgelopen week was ik voor het huis op m’n ollies en manuals aan het oefenen. Die worden niet beter, maar meer dan m’n best kan ik niet doen. De moeder en haar zoontje liepen het veldje voorbij. Zij ging op een bankje zitten, het jochie hing rond bij het veldje. Hij keek nieuwsgierig wat ik aan het doen was. Eerst probeerde ik het te negeren, die ollies zijn al moeilijk zat, maar al snel hing hij binnen een straal van anderhalve meter bij me rond.

‘Kan jij skateboarden?,’ vroeg ik.
Hij knikte bevestigend.
‘Ja?,’ antwoordde ik blij verrast. ‘Laat maar zien dan.’
Ik duwde het skateboard naar hem toe en zette een paar stappen achteruit. Aarzelend zette hij een voet op het deck, daarna volgde voorzichtig de andere voet. Het board reed schokkend een meter vooruit. Toen hij z’n evenwicht dreigde te verliezen sprong hij er snel af.
‘Het is moeilijk,’ zei hij.
‘Dat is zo. Daarom oefen ik veel,’ zei ik lachend.
‘Het is groot,’ ging hij verder.
‘Dat klopt. Het is voor mij gemaakt. En ik ben iets groter,’ legde ik uit.
Hij knikte. Daarna liep hij terug naar z’n moeder. Het gesprekje stelde me een beetje gerust. Het ventje leek me schrander genoeg om een paar weken school te kunnen missen.

Een dag later liep ik naar de Albert Heijn toen ik in het speeltuintje verderop in de straat de moeder en haar zoontje zag zitten. Hij zwaaide, ik zwaaide terug. Dat ritueel herhaalde zich toen ik tien minuten later terugkwam van de supermarkt en opnieuw de speeltuin passeerde.

Ik heb er een vriend bij. Mogen de basisscholen weer open?

Posted in Eindhoven, Skateboarden | Tagged , , | Comments Off on Lockdown

Symboolpolitiek

Ik laat de coronacrisis maar gelaten over me heen komen. Het is allemaal heel vervelend, maar het heeft niet zo’n grote impact op m’n leven. Ik kan een paar weken niet pubquizzen, maar dat doe ik nu online. Een beetje quiz detox op z’n tijd is niet zo erg. Erger vind ik dat ik niet naar de sportschool kan, wat ik, heel gedisciplineerd, drie keer in de week deed. Nu improviseer ik thuis wat met gewichten, en ik heb m’n hardlopen weer opgepakt. De skatehal is toch dicht (de verbouwing gaat gelukkig gewoon door), dus ik skateboard op het veldje voor m’n huis. Thuiswerken deed ik toch al twee dagen in de week. Het komt wel weer goed.

Als ik me al ergens druk over maak, dan is het over onze burgemeester die zich in de landelijke media heeft ontpopt als een tough on crime populist. In de strijd tegen corona is alles geoorloofd, zoals het flink inspelen op de onderbuik. Vorige week riep hij bij Op1 nog trots hoeveel jongeren een boete hadden gehad wegens samenscholen. Stoer hoor. Ik ging afgelopen weekend fietsen en zag met name de risicogroep de regels met voeten treden. Maar het klinkt toch minder stoer om te zeggen dat je zoveel zeventigplussers hebt beboet.

Om aan te geven hoe stoer en rigide hij is, waren nog geen 24 uur nadat de strengere maatregelen waren afgekondigd de skate-objecten op het Stadhuisplein weggehaald. Dat is pure symboolpolitiek, maar daar grossiert onze burgemeester in. Er waren wat skaters die daar samenklitten, maar veruit de meesten hielden netjes anderhalve meter afstand, inclusief ikzelf. Door die objecten weg te halen dupeert hij veel kinderen die het Stadhuisplein juist hadden uitgezocht om tijdens deze crisis te leren skateboarden of inlineskaten. Skaters willen skaten, hangjongeren willen hangen. Beiden zoeken een andere plek op, waar het dan weer te druk wordt, en zo gaan we nog even door.

Nee, Jorritsma is mijn sympathie kwijt en die gaat hij niet meer terugverdienen.

Er zijn trouwens nog zat mensen die het beleid van de burgemeester steunen. Die vinden het helemaal niet gek dat Jorritsma nu al roept dat er half juni niet gevoetbald mag worden in Eindhoven (‘terwijl er nog mensen op de IC liggen’; de burgemeester is niet vies van wat demagogiek). De KNVB heeft nog helemaal niks besloten en zal zich zeker goed laten informeren door het RIVM voordat ze überhaupt iets beslissen, maar Jorritsma loopt alvast voor de troepen uit. Gelukkig werd hij teruggefloten door Paul Depla, burgemeester van Breda. Een verstandige man, afkomstig uit een stad die heel wat zwaarder is getroffen dan Eindhoven.

Het ergste zijn de moraalridders op sociale media die zo bang gemaakt zijn dat ze voortdurend pleiten voor zo streng mogelijke maatregelen. Ze hebben hun profielfoto aangepast met de hashtag #blijfthuis, waarmee ze aantonen hoe keurig ze zijn. Zíj wel. Ze spreken schande van mensen die naar doe-het-zelfzaken gaan, terwijl het heel pragmatisch is om juist nu te gaan klussen. Ze sturen gretig foto’s rond met mensen die een fractie minder dan anderhalve meter van elkaar staan, daarbij vergezeld van rellerige teksten als ‘Zie je wel! Die lockdown werkt niet! Ze kunnen zich niet aan de regels houden!’

Hollandse nuchterheid? M’n reet. Dit land begint steeds meer op Dogville te lijken.

Het gaat zover dat ik overweeg om voortaan met een Venetiaans plaagmasker boodschappen te doen. Al vrees ik dat andere klanten denken dat ik het serieus meen.

Eerlijk gezegd denk ik dat de regering met de invoer van de regels rekening heeft gehouden met enige burgerlijke ongehoorzaamheid. We blijven toch Nederlanders. En wat let de mensen die graag anderen de maat nemen om zelf binnen te blijven? Als ze dan ook een paar maanden van sociale media afgaan, dan zou dat wel zo prettig zijn.

Niets illustreert die massahysterie zo goed als de roep om mondkapjes. Er is echt iets is met mensen die met mondkapjes over straat gaan zijn. Van die vieze dingen die je in grootverpakking bij de drogisterij koopt. Menig expert heeft al gezegd dat ze niet helpen, sterker, dat het averechts kan werken (dus ‘baat het niet, dan schaadt het niet’ gaat ook niet op). De enige mondkapjes die echt helpen, zijn degene die ze in het ziekenhuis dragen, en daar is nu juist een schrijnend tekort aan. Je zou dus je ogen uit je kop moeten schamen als je zo’n ding draagt. Het enige dat ze bieden is schijnveiligheid.

Net stond ik in de rij bij de bakker. De bakker heeft een strikt beleid van maximaal drie klanten tegelijkertijd in de winkel. Het was druk, dus ik stond buiten in de rij. Voor me stond een man die tot de risicogroep behoort. Hij stond, volstrekt onnodig, half op het fietspad, waardoor fietsers die erlangs wilden wel binnen een straal van anderhalve meter bij ‘m móesten komen. Toen hij bijna naar binnen mocht, ging hij pal naast de deuropening staan. Ook dat was niet nodig. Hij liet een briefje van vijf euro vallen, bukte om het op te rapen en miste daardoor dat een klant de winkel verliet. Een klant die hem noodgedwongen ook weer binnen een straal van anderhalve meter moest passeren. Toen ik even later achter hem in de winkel stond, rekende hij contant af, iets waarvan de bakker vriendelijk had verzocht het niet te doen.

Maar hij droeg wel een mondkapje.

Posted in Eindhoven, Politiek | Tagged , , , , | 2 Comments

Puck

Les 1 voor bejaarde skateboarders: don’t mingle with the kids. Je kunt jezelf wel cool vinden (nee, dat vind ik niet van mezelf), maar je zult nooit zo cool als hen zijn. Dat besef hebben veel van die jonge gastjes trouwens niet. Zo probeerde een jonge instructeur me ooit te leren met een aanloopje op m’n board te springen, want dat was veel cooler dan zoals ik het deed.
‘Gast,’ zei ik gelaten tegen de instructeur, ‘ik ben 38. Ik ben vorig jaar begonnen met skateboarden. Op mijn leeftijd geef je geen fuck meer om wat cool is.’

De meeste van die pubers zijn veel te socially awkward om iets tegen me te zeggen. Volwassenen zijn eng. Ik vind dat prima, en zie het van een afstandje aan. Er is een groepje dat ik grappend de terror youth noem omdat ze, toen de skatehal nog open was en ik in een rustig hoekje op m’n ollies stond te oefenen, met z’n allen in een rotvaart achter elkaar van ramps af skateten. Pure intimidatie, maar ik trok het me niet aan. Ik vind het vooral frustrerend om te zien dat ze zo achterlijk goed zijn. Zo goed zal ik nooit meer worden.

Af en toe ontstaan er romances. Dan zie je een nieuw meisje bij het clubje verschijnen waarbij je meteen ziet dat de interesse in skateboarden vooral is ingegeven door romantische gevoelens voor a certain special someone. Terwijl hij z’n best doet haar de basisbeginselen van het skateboarden bij te brengen, kijkt zij vooral naar z’n ogen.

Zo’n anderhalve maand geleden, de skatehal was nog open, kwam een lid van de terror youth de kantine binnengestormd. Hij riep op vol volume naar een ander lid van dit gezelschap, een jongen die verveeld onderuitgezakt op een bank op z’n telefoon zat te kijken: ‘Heeft Puck jou gepijpt?’
Ik zat aan de bar met een vriendin wat te drinken en verslikte me bijna in m’n cola light. Ik ben zulke vrijpostigheid niet gewend. Ik keek m’n medeskateboarder aan en stamelde een geschokt en geamuseerd ‘euh… oké?’.
‘Hoorde jij dat ook?,’ reageerde ze lachend.

Afgelopen week was ik in de stad voor nieuwe Vans. Skateboarden gaat gewoon door, ook in quarantaine. De skatewinkel is één van de weinige zaken in het centrum die nog wel open is. Gelukkig maar, want ik was bijna door m’n zolen heen. Terwijl ik schoenen paste, braaf op anderhalve meter afstand van een andere klant die op het punt stond te vertrekken, kwam de jongen die nog niet zo lang geleden door Puck tot een hoogtepunt was gebracht de winkel binnen.

Hij bleef in de deuropening staan en zag mij zitten. Eerst wist hij zich geen houding aan te nemen, toen draaide hij zich om en riep naar een man op straat: ‘Papa?’
De man reageerde niet.
‘Papa,’ herhaalde hij, nu een beetje beschaamd. Zichtbaar ongemak is het leukste ongemak.
Weer reageerde z’n vader niet. Hij zuchtte een keer diep en vroeg nogmaals, zo vriendelijk mogelijk: ‘Papa?’
Nu kwam z’n vader de winkel binnenlopen. Het gesprek met de verkoper dat volgde ging over nieuwe onderdelen voor z’n skateboard. Z’n vader luisterde aandachtig, al was hij louter mee voor de financiële ondersteuning.

Zo groot, maar nog zo klein.

Posted in Eindhoven, Skateboarden | Tagged , | Comments Off on Puck

Bushalte

Vanavond was ik aan het skateboarden voor m’n huis toen ik een man zoekend zag rondlopen. De meeste mensen die in de buurt aan het zoeken zijn spelen Pokémon Go (er bevindt zich een gym voor m’n huis), of zijn op weg naar de coffeeshop op de hoek (de Highlander is sinds dit weekend weer open, dus alle enthousiaste blowers hoeven niet meer naar de Sindbad, een stukje verder, in de Hobbemastraat).

De man liep op me af en liet z’n telefoon zien. Hij legde in gebrekkig Engels uit dat hij de opstapplaats voor de bus naar Polen zocht. Die zou zich in de buurt van de Van Goghstraat en de Ruysdaelbaan bevinden, bij het tankstation van de Tango. Ik ken geen Van Goghstraat, wel de Ruysdaelbaan. Ook dat tankstation ken ik, dus ik bood aan een stukje mee te lopen. Ik ben de kwaadste niet.

Onderweg vertelde hij gelaten dat hij z’n vlucht had gemist, en dat z’n vrouw en kinderen nu thuis op ‘m zaten te wachten. Hij was al twee uur in rondjes aan het lopen, wanhopig op zoek naar die bushalte. Ik knikte begripvol en zei dat het moeilijk kan zijn je te oriënteren in een vreemd land. Hij vertelde waar hij vandaan kwam in Polen, vlak bij de grens met Litouwen en Rusland, en wilde weten hoe het leven in Eindhoven was. De man zei nog nooit zo’n aardige Nederlander te zijn tegengekomen. I’ll take that. Hij was vijf jaar terug voor het laatst in Eindhoven geweest en alles was veranderd. Dat verbaasde me, net zoals het me verbaasde dat zich bij mij in de buurt een opstapplaats voor de bus naar Polen zou bevinden. Het leek me dat hij toch écht bij het busstation bij Eindhoven Centraal moest zijn maar nee, hij wist het zéker, er bevond zich een internationale bushalte in de buurt.

‘So that’s your… exercise?,’ vroeg hij, terwijl hij naar m’n skateboard knikte.
‘Yes,’ lachte ik en legde uit dat ik anderhalf jaar geleden was begonnen. ‘Actually, one of my teachers is Polish.’
Hij vertelde dat z’n zoon ook een skateboard had: ‘But it’s electric.’

De navigatie op z’n telefoon gaf aan dat we toch niet bij dat tankstation moesten zijn, dus we liepen verder de Ruysdaelbaan af. Maar toen we de doe-het-zelfzaken achter ons hadden gelaten en in een woonwijk terecht waren gekomen, begon ik wel heel erg te twijfelen aan die opstapplaats. Daarnaast dacht ik dat, als hij al twee uur aan het dwalen was, die bus toch allang vertrokken zou zijn. Ik hield wijselijk m’n mond. Hij vond het allemaal al vervelend genoeg.

Ik vroeg of ik op z’n telefoon mocht kijken. Ik zag dat we in de buurt zaten, maar dat we weer van ons einddoel aan het weglopen waren. We moesten in de Hobbemastraat zijn.
‘There are some shops there,’ zei ik schouderophalend, al kon ik me niet herinneren daar ooit een kantoor voor busreizen te hebben gezien, laat staan een halte voor internationale bussen.
We liepen door de Hobbemastraat: voorbij de Turkse groentewinkel, de avondwinkel en de coffeeshop. Maar geen bushalte. De man was inmiddels behoorlijk overstuur.
‘But I have already been here two times,’ stamelde hij.
‘What’s the name of the bus company? Flixbus?,’ vroeg ik.
‘No, Sindbad,’ reageerde hij gelaten.

Nee, de mededeling dat hij twee uur lang naar een coffeeshop in plaats van de opstapplaats voor de bus naar Polen had gezocht viel niet helemaal in goede aarde. Toch kostte het nog heel wat moeite de man te overtuigen dat hij beter de eerstvolgende bus naar Eindhoven Centraal kon nemen.

Want toen ik het op m’n telefoon opzocht, had ik binnen een minuut uitgevogeld dat de bussen van het Poolse busbedrijf Sindbad vanaf de John F. Kennedylaan vertrekken. Wel pas morgenochtend, maar dat mag iemand anders ‘m vertellen.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged , , , | Comments Off on Bushalte

Pleuriskutstuntstepjes

Er is een speciaal plekje in de diepste hel gereserveerd voor de uitvinder van het stuntstepje. Of, zoals ik het noem: het pleuriskutstuntstepje. Pleuriskutstuntstepjes zijn het afvoerputje van de jeugdcultuur. Het speeltje van veel te jonge gappen die in nepkleding van In Gold We Trust, Stone Island of Black Bananas (met heuptasje om de schouders, want dat is swag) paraderen.

Je denkt misschien dat ik als skateboarder per definitie een pesthekel aan stuntstepjes heb. Dat is niet waar. Ik wist voordat ik begon met skateboarden niet eens dat de aversie tussen skaters en stuntstepjes een dingetje is. Nee, ik kwam er simpelweg al heel snel achter dat het ondingen zijn.

Op zich kan het stuntstepje zelf daar weinig aan doen. Het probleem zit ‘m in de bestuurder van het ding. Die is nog zeer jong, zwakbegaafd, of allebei. Al snap zelfs ik de appeal van het stuntstepje: het gaat lekker snel en het is, in tegenstelling tot skateboarden, vrij makkelijk te leren. Waar het heel wat schaafwonden, blauwe plekken, ja zelfs hechtingen kost voordat je een beetje zelfverzekerd op een skateboard staat (hier spreekt een ervaringsdeskundige), is het rijden van een stuntstepje niet al te moeilijk. Niettemin dragen alle bestuurders een helm. Waarom is mij een raadsel; een hersenbeschadiging zullen ze niet oplopen.

Maar zoals de vader in Boyhood zo mooi zegt als zoonlief wil bowlen met hekjes in de goten: ‘Life doesn’t give you bumpers.’ Je kunt maar beter op jonge leeftijd leren dat het leven kut is. Daar hoort vallen (en weer opstaan) nu eenmaal bij.

In de skatehal is een duidelijk onderscheid gemaakt: er is een groot deel voor skateboarders en inlineskaters en er is een, toegegeven, veel kleiner deel voor stuntstepjes en bmx’ers. Omdat stuntstepjes mateloos populair zijn, kan het gebeuren dat dit kleine gedeelte overvol is, terwijl het grote deel een stuk leger is. Skateboarden vergt nu eenmaal wat ruimte.

Dat onderscheid is voor veel stuntstepjesrijders niet duidelijk en dus gebeurt het vrijwel dagelijks dat er ineens een koter van een jaar of acht, met verstand op nul en blik op oneindig, op z’n stuntstepje in het verkeerde deel van de hal rondrijdt. Ik rol dan met m’n ogen, verzucht ‘daar gaan we weer’ en probeer omstandig duidelijk te maken dat het joch verkeerd zit. Dat dringt pas na meerdere keren druk wijzen en roepen door, als het al niet voor allerlei vervelende discussies zorgt (wat daarbij niet helpt is dat ik, als 38-jarige, natuurlijk Heel Erg Eng ben).

Het verst ging een jochie dat eerst door mij werd weggestuurd, maar niet wilde geloven dat ie naar elders in de skatehal moest. Hij kwam, aangemoedigd door een vriendje, vijf minuten later doodleuk terug. Dit ging me te ver, dus ik haalde iemand van het personeel erbij. Die stuurde ‘m weg, maar een kwartier later was hij er weer. Zwakbegaafd.

Ook mooi, die ene zaterdag dat vijf of zes stuntstepjes (en een paar bmx’ers, voor de afwisseling) in de skatebowl rondhingen. Ik stond naast de bowl m’n ollies te oefenen en hoefde er niet bij, maar zag één jonge skater ruziën met die gasten. Ik vind dat kinderen zelf hun problemen op moeten lossen maar hier was de verhouding zoek, dus ik haalde het personeel erbij. Die stuurde ze weg. Ik ging daarna elders in de hal skateboarden, maar toen ik een uur later terug kwam, hing hetzelfde groepje weer rond in de bowl. En nu wilde ik er wél bij.

‘Jullie mogen hier niet zijn, jullie moeten daar heen,’ zei ik en wees nadrukkelijk naar het deel van de hal dat specifiek voor stepjes en bmx is bedoeld.
‘Niet waar,’ antwoordde eentje brutaal.
‘Jawel,’ zei ik en wees naar de jongen met de grootste mond, ‘en jij moet dat zeker weten, want jij bent een uur geleden al weggestuurd.’
‘Ik?,’ zei hij met gespeelde verontwaardiging, ‘echt niet.’
‘Dat was je wel, en als je het niet was, dan weet je het nu: je moet dáár heen,’ en opnieuw wees ik welke kant hij op moest.
Ik ging op de rand van de bowl zitten wachten tot ze eruit kwamen. Dat gebeurde met veel misbaar, waarbij eentje klaagde dat hij z’n stepje écht niet uit de bowl getild kreeg. Uh-uh.
‘Geef maar aan,’ verzuchtte ik en ik trok het ding met één ruk uit de bowl.

Het punt is: één stuntstepje is niet zo erg. Als het rustig is, dan vind ik het ook lullig om tegen zo’n knulletje te zeggen dat ie naar elders in de hal moet. Het kind heeft er lol in, is zich van geen kwaad bewust, ach, dan is het toch niet zo erg? Maar wat gebeurt er? Er komt een tweede kind met een stepje binnen, die ziet iemand in het verkeerde gedeelte van de hal op een stuntstepje rijden en denkt: o, het mag en voor je het weet rijden er tien van die krengen rond.

Om de stuntstepjes en bmx’ers ter wille te zijn is op maandag alles gemengd: alles en iedereen rijdt kriskras door elkaar. Ik mijd het park dan als de pest, en met mij veel andere skateboarders. Het is simpelweg te gevaarlijk om te skateboarden als de stuntstepjes in kolonne van hellinkjes af komen snellen. Ze rijden de meest vreemde lijnen (bij skateboarders kan ik meestal wel lezen hoe ze rijden) en zwiepen vervaarlijk met hun platforms.

Afgelopen kerstvakantie waagde ik toch een poging en ging op een maandag naar de skatehal. Ik stond op een verhoging, klaar om in te droppen (dat, even een skate-update tussendoor, steeds beter gaat) toen een uk op een stuntstepje me tegemoet kwam rijden. Nadat hij met het ding op de coping naast mij was geland draaide hij nog even z’n platformpje rond (dat dient geen enkel nut, maar hoort zo) en lette daarbij totaal niet op wat hij deed, waardoor het stepje rakelings m’n enkel miste. Je weet wel, die ene enkel waar ik sinds een paar maanden een prachtig litteken heb. Ik keek het joch zo vernietigend aan dat hij de rest van de dag niet meer in een straal van vijftig meter bij me in de buurt durfde te komen.

Ook op de laatste dag van het jaar was alles gemixt. Dat wist ik vooraf, toch was ik geschokt door het Armageddon dat ik in de skatehal aantrof. Het enige rustige plekje was een minibowl die zo klein is, dat ie amper skatebaar is. Maar nood breekt wet, elke dag oefenen betekent elke dag oefenen, ik hou die discipline toch al sinds januari 2019 vol, dus ik ging uit arren moede in dat ding rondrijden. Binnen twee minuten stonden twee ukken met stuntstepjes aan de rand. Eerst negeerde ik ze. Dat kon makkelijk, want ik had muziek opstaan. Na een minuut of vijf liet ik ze knarsetandend in de bowl.

Twee minuten later wilden ze er weer uit. De ene klauterde er met stepje en al in no time uit, maar de ander had meer moeite. Ik zag dat ze iets tegen me zei, dus ik zette m’n koptelefoon af.
‘Meneer, kunt u m’n stuntstepje aanpakken, ik kom er niet uit,’ vroeg ze.
Stik erin, dacht ik, blijf lekker in die bowl tot na de jaarwisseling, ik gooi er wel wat eten in.

Tussen droom en daad staan praktische bezwaren, dus ik hielp haar er toch maar uit. Maar na twee minuten op de rand van de bowl te hebben gestaan, sprong ze er weer in. In diezelfde bowl waar ze net nog per se uit wilde.

Wijsheid komt met de jaren en dus valt bij veel stuntstepjes na verloop van tijd het kwartje: stuntsteppen is een infantiele bezigheid. Als ze een beetje slim zijn, stappen ze natuurlijk over naar skateboarden, want een volwassene op een stuntstepje is pas écht sneu. Een pluspunt: die weten wel waar ze mee bezig zijn.

Vanaf maandag gaat de skatehal voor zeven maanden dicht voor een grondige verbouwing. Vanaf de heropening is alles gemengd: Area 51 wordt één grote punica-oase. Dan is het sowieso gedaan met skateboarden in het weekend, want ik voorspel: de stuntstepjes nemen overdag het hele park over. Ik zie het somber in.

Vooruit, er is één pluspunt. Stuntstepjes moeten voor het donker thuis zijn.

Posted in Skateboarden, Uncategorized | Tagged , , | Comments Off on Pleuriskutstuntstepjes

Audioronde

Op de middelbare school had ik ieder kwartaal de Krant in de Klas-nieuwsquiz. Een quiz, uiteraard, met daarin tien vragen over de actualiteit. Ik haalde standaard een tien en de toets was ook nog onderdeel van Maatschappijleer, toch al een favoriet vak van me. Daarin was ik de enige. Net zoals ik de enige in de klas was (op havo én vwo) met een beetje algemene ontwikkeling, maar de verhalen daarover bewaar ik wel voor een andere blog.

De leraar Maatschappijleer had bedongen dat áls hij de toets afnam, dit in alle klassen tegelijkertijd diende te gebeuren. Dit betekende dat een collega-docent werd gedwongen zo’n twintig minuten van diens les af te staan, iets wat de docent in kwestie knarsetandend toeliet. Misschien dat dat ertoe bijdroeg dat die docent een oogje toekneep als het op spieken of valsspelen aankwam.

Als ik m’n eigen toets had gemaakt, een klusje dat ik in enkele minuten had geklaard, keek ik naar de leerling naast me, die mij verwachtingsvol aankeek. We wisselden dan snel de toetsen, en ik maakte de toets van m’n buurman- of vrouw. Als de docent echt niet goed oplette, wat veelvuldig voorkwam, kreeg ik ook nog de toetsen van de klasgenoten voor en achter me in de rij, plus die dáárnaast en dáárvoor. Het gevolg was dat zo’n acht leerlingen tienen had maar, ik vertelde al dat de algemene ontwikkeling bij de meeste klasgenoten nihil was, de rest van de klas haalde enen en tweeën.

Misschien vond ik dat nog wel het grappigste: er was een opvallende discrepantie in de cijfers, maar de docent is dat nooit opgevallen. Of hij heeft er in elk geval nooit iets over gezegd.

Ik moest afgelopen dinsdag tijdens de pubquiz aan die toets op de middelbare school terugdenken. De audioronde van de pubquiz is voor m’n team een invuloefening. Eigenlijk scoren we daarbij standaard tien punten. Heel soms gaat het mis bij een titel of artiest (met name het wat plattere Nederlandstalige genre is een manco), maar dat zijn uitzonderingen.

Dit keer was geen uitzondering op die regel. Sick & Tired van Anastacia, The Rhythm Of The Night van Corona, China In Your Hand van T’Pau, Die Young van Sheppard, maar ook Dokter Bernhard van Bonnie St. Claire en Ron Brandsteder. (U merkt: er zat een coronavirusthema in de audioronde.)

Naast ons zat een team van vijf studenten, type corpsbal. Ze hadden niet de illusie mee te doen voor de overwinning, maar ze hadden wel de grootste lol (in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, hebben wij dat ook; goed quizzen en lol hebben sluiten elkaar niet uit). Ik kon vanuit onze tafel zien dat ze nog wat lege gaten op het antwoordformulier hadden staan. Omdat de sfeer er goed inzat, we cruiseten rechtstreeks op een makkelijke overwinning af, vroeg ik aan de teamgenoot die het dichtst bij het andere team zat of ze niet wilde helpen. Daarop gaf de speler het formulier aan m’n teamgenoot. Net op dat moment klonk Dokter Bernhard door de kroeg.

‘Ja,’ lachte de speler die het formulier aan m’n teamgenoot had gegeven hard, ‘jullie hebben nog meegemaakt dat dit een hit was, voor jullie is dit makkelijk.’
‘Pardon,’ riep ik quasi verontwaardigd, ‘dat nummer is uit 1976, toen was ik nog niet eens geboren.’
En, tegen m’n medespeler: ‘Geef dat formulier gauw terug.’
Tegen deze tijd kwam de medespeler helemaal niet meer bij van het lachen, stamelde iets van vage excuses en dat wij allicht iets ouder waren dan zij, dus ik nam het formulier van het team naast me toch maar aan. Ik vulde de lege plekken in en corrigeerde een al gegeven antwoord.
‘Hij verbetert zelfs jullie antwoorden,’ kraaide m’n teamgenoot vrolijk uit.
‘Hier,’ zei ik, terwijl ik het formulier teruggooide naar de tafel naast me, ‘tien punten.’

Zoals traditie is, las de presentator de namen van de teams voor die tien punten hadden gescoord in de audioronde. Dat waren ik, een ander team uit de top én onze buren.

Hij had niks in de gaten.

Posted in Quizzen | Tagged , | Comments Off on Audioronde

Meer durven

Een van m’n voornemens van 2020 is meer te durven. In gedachten haal ik steevast de mooiste skatetrucjes uit, maar als puntje bij paaltje komt stel ik, thrillseeker tegen wil en dank, dat ene nieuwe trucje toch maar uit. Frustrerend, want ik had al zoveel verder kunnen zijn met skateboarden als ik niet zo’n enorme schijterd ben.

De skatehal gaat vanaf maart zeven maanden dicht voor een grote verbouwing. Ik weet niet of dat de aanleiding was, maar deze zondag was een groot springkussen in de hal geplaatst. Voor één euro mocht je van een stellage van zo’n vijf à zes meter hoogte in het kussen springen. Je mocht ook zes keer springen voor vijf euro. Koopje, en de kans om revanche op mezelf te nemen. Meer durven Guido. Nou moet je wel. Daarbij, je hebt het meest spijt van dingen die je niet hebt gedaan.

Toch, door schade en schande wijs geworden zeg ik niet vooraf ‘dat ik wel even die sprong ga maken.’ Ik ken mezelf.
‘Ga jij?,’ vroeg ik aan mede-skateboarder Sjors.
‘Ik denk het wel,’ zei hij schouderophalend. Hij leek niet onder de indruk.
‘Oké,’ stelde ik voor, ‘jij springt, zegt dan na afloop dat het heel erg meevalt en dan ga ik ook.’
‘Ik kan nu ook wel zeggen dat het heel erg meevalt,’ lachte hij.

Sjors sprong en, zo kon hij bevestigen, het stelde niks voor. Maar net toen hij dat aan me vertelde, maakte een jochie van een jaar of tien een lelijke val. Hij kwam slecht op z’n onderbeen terecht en lag met een van pijn vertrokken gezicht midden op het springkussen. Daar werd hij met moeite vanaf gehaald, waarna hij nog lang op een mat naast het kussen lag te creperen. Vaders kwam snel ter plaatse en een ambulance werd gebeld. Die consternatie duurde zo’n drie kwartier en ik vroeg me af of het gebeuren niet afgelast zou worden. Om 14.30 uur zou een wedstrijd beginnen en om 14.45 uur lag het evenement nog steeds stil. Tegen die tijd zaten we aan de bar.

‘Heej, ze springen weer,’ stootte Sjors me aan en hij wees naar de stellage.
Shit, dacht ik, nu moet ik wel.
‘Tot wanneer kan ik nog springen?,’ informeerde ik bij de jongen achter de bar.
‘Tot 15.00 uur,’ antwoordde hij.
Oké, dan ga ik, dacht ik, en ik vulde een aansprakelijkheidsverklaring in.
‘Chris,’ riep ik tegen een meisje achter de bar, ‘wens me even succes.’
‘Succes,’ zei ze, ‘je kunt het.’

Daarna liep ik naar de trap onder aan de stellage. Ik bekeek de instructie die op de muur was geplakt: niet op je hoofd of voeten landen, niet deelnemen bij hartproblemen of zwangerschap. Dat leek me logisch. Onder aan de trap stond een medewerker. Hij liep telkens met de springers naar boven en gaf instructies. Ik zag voor mij menig skater van amper twee turven hoog mooie sprongen maken. Dan kan je denken ‘o, dan kan ik het zeker,’ maar ik weet inmiddels dat dit niks zegt. Dit zijn dezelfde gasten die zonder enige schroom van drie meter of hoger indroppen. Ik stond hier met zweet in m’n handen.

‘Is dit de eerste keer?,’ informeerde de medewerker.
‘Yup,’ knikte ik.
‘Weet u hoe u moet springen?’ vroeg hij.
Ik voel me altijd zo oud als ze u tegen me zeggen. Daar helpt zelfs een beanie niet tegen.
‘Yep,’ zei ik en wees op het plakkaat aan de muur achter me.
‘Niet, en dit is heel belangrijk, niet op uw benen of hoofd landen,’ benadrukte hij.
‘Hoe voorkom ik dat ik op m’n benen land?,’ vroeg ik.
‘De benen naar voren gooien,’ antwoordde hij, ‘of maak een bommetje.’

Terwijl ik de trap op liep, prentte ik mezelf in dat ik m’n benen naar voren zou gooien. Of een bommetje maken, dat kon niet al te moeilijk zijn. Al wist ik niet of ik daar aan zou denken als ik op de rand stond om de sprong te maken.
‘Wacht even als je boven bent,’ riep de medewerker, ‘niet meteen springen.’
‘Daar hoef je niet bang voor te zijn hoor,’ lachte ik zenuwachtig.

Boven op de stellage tuurde ik over de rand. Mijn God, wat is dit hoog, schoot het door m’n hoofd. Ik heb geen hoogtevrees, maar om nou te zeggen dat ik hier graag stond: nou nee. Ik dacht aan alle mensen die vanaf het balkon naar me keken. Oké, redeneerde ik, ik kan maar beter niet te lang blijven staan. Hoe langer ik wacht, hoe enger het wordt. Zonder verder na te denken sprong ik. Niet met m’n benen naar voren, maar gewoon, zoals ik vroeger, toen ik nog geregeld zwom, wel eens van de hoge duikplank was gesprongen. Ik landde min of meer op m’n voeten en benen. Het zag er niet zo charmant uit, maar ik was vooral blij dat het was gelukt. En dat springkussen lag heerlijk.

Ik klom van het springkussen af.
‘Euh… probeer de volgende keer minder op uw benen te landen,’ zei een medewerker die naast het kussen stond vertwijfeld.
‘Volgende keer,’ antwoordde ik opgelucht, ‘van mij heb je geen last meer hoor.’

Een beetje beschaamd omdat de sprong niet heel mooi was, maar vooral trots dat ik het toch had gedurfd, liep ik terug naar het balkon.

‘Ha,’ zei ik even later tegen Sjors, ‘ik ben wel mooi de oudste deelnemer.’
Ook dat besef vervulde me met trots, maar voelde tegelijkertijd ongemakkelijk.

Posted in Overig, Uncategorized | Tagged , | 1 Comment

Song Top 20 2019

Dit jaar gebeurde er iets vreemd met de hitlijsten. De Mega Top 50 en de Top 40 verschilden altijd al van elkaar. Die eerste is de lijst van 3FM, en daarmee net iets alternatiever, die andere was van 538 en is tegenwoordig van Q-Music en meer mainstream. Maar dit jaar werd de kloof wel heel groot. Het kon gebeuren dat een plaat die hoog in de Mega Top 50 stond, bij die andere lijst in de Tipparade bivakkeerde. Nu gebeurde het dat een grote hit volledig in één van de twee lijsten ontbrak.

Dat maakte het samenstellen van deze Song Top 20 een hachelijk klusje. Ik nam altijd de Top 40 als uitgangspunt, maar er zitten vreemde mechanismen in die lijst. Hoe kan Sheppard wél hoog scoren in de Top 40, maar in de Mega Top 30 schitteren door afwezigheid, terwijl ik de plaat juist in die laatste lijst had verwacht. En waar Will We Talk? een grote hit was in de Mega Top 30 (en één van m’n favoriete singles van het jaar), haalde het niet eens de Tipparade. Ook Wies, die met Soms Is Het Te Laat al weken een grote hit heeft in de Mega Top 30, ontbreekt volledig in de Top 40. Vreemd.

Ik weet niet welke lijst ik volgend jaar ga aanhouden. Voorlopig hou ik het maar even bij de Top 40. Soms hoor je in die lijst door de autotune de hits niet meer, maar er viel zat moois te ontdekken. Afwisselend ook; zelfs smartlappen, country en gospel haalden dit jaar de hitlijsten. Er was zoveel moois dat ik wat aardig werk (zoals Someone You Loved van Lewis Capaldi, dat 42 weken in de Top 40 stond, of die leuke single Nice To Meet Ya van Niall Horan) buiten de lijst heb moeten laten. Dat is wel eens anders geweest.

De strijd om de nr. 1 positie was hevig. Koos ik in voorgaande jaren een nr. 1 by default, dit jaar waren er vier of vijf kanshebbers. Dat de uiteindelijke keuze is gevallen op een zanger waar zelfs ik begin dit jaar nog nooit van had gehoord, zal uiteindelijk geen verrassing zijn. Zoals er wel meer nieuwe namen in deze lijst staan. De omloopsnelheid van popartiesten wordt steeds hoger.

Nieuwsgierig naar de muziek in deze Song Top 20? Ik heb een playlist op Spotify gemaakt.

20. The Weeknd – Blinding Lights

The Weeknd levert op de valreep van 2019 één van de gaafste tracks van het jaar af. Blinding Lights is schaamteloos retro; a-ha meets The War On Drugs. Het is niet alleen retro, ook is het enorm catchy, een oorwurm die je na één keer draaien niet meer uit je hoofd krijgt (en daarna, zoals het een echte oorwurm betaamt, ook een beetje irritant wordt). Het is, hoe kan het ook anders, geproduceerd door Max Martin. Eigenlijk had ik Lost In The Fire, de samenwerking van The Weeknd met de Franse producer Gesaffelstein, op nr. 20 staan, dus met Blinding Lights kegelt The Weeknd zichzelf uit deze Song Top 20.

19. George Ezra – Pretty Shining People

Tot dit jaar waren de singles van George Ezra hit or miss. Letterlijk. Was het raak, dan was het ook goed raak (Budapest, Shotgun), was het mis, dan bleef de single troosteloos in de Tipparade steken (Blame It On Me, Barcelona, Don’t Matter Now). Die ijzeren wet werd dit jaar doorbroken met Pretty Shining People dat de Top 40 haalde en anderhalve maand in de onderste regionen van de hitlijst rondzwierf. Dat is typerend voor het liedje: een leuk niemendalletje. Te goed voor de Tipparade, niet goed genoeg voor een toppositie.

18. Sheppard – Die Young

Ik schreef vorig jaar al dat ik Sheppard niet kon afschrijven na hun hit Geronimo en een matig optreden op Pinkpop, want toen was er die hit Coming Home. Dit jaar bleek Sheppard echt een blijvertje, want met Die Young bereikte het Australische gezelschap opnieuw de Nederlandse Top 40. Niet verrassend, wel lekker. Waarom klinken Australische bands (Cut Copy, Empire Of The Sun, The Cat Empire) toch zo heerlijk euforisch? Zelfs over jong sterven schrijven die Aussies nog een vrolijk liedje. Zou dat door het (momenteel weliswaar iets te overvloedige) zonlicht komen?

17. Coldplay – Everyday Life

Coldplay is de band you love to hate. De groep die begin deze eeuw zo veelbelovend begon met prachtalbums als Parachutes en A Rush Of Blood To The Head raakte de laatste jaren danig de weg kwijt (een samenwerking met The Chainsmokers, really?). Van zo’n band mag je niet veel meer verwachten. Toch weet de groep rond Chris Martin (niemand die de andere drie bandleden kent) je te raken op het nieuwste album Everyday Life. Er staan zowaar een paar mooie songs op, zoals de titeltrack. Een klein, ontroerend liedje met mooie, subtiele strijkers. Ze kunnen het nog.

16. Tino Martin – Zij Weet Het

‘Als je mij niet kent, dan heb je onder een steen gelegen.’ Was getekend: Tino Martin. Dus toen de redactie van Met Het Mes Op Tafel vroeg of ik nog Nederlandstalige muziek wist, wist ik meteen welke zanger ik ging vragen. Klaas en Mylou stelden niet teleur en brachten een gloedvolle uitvoering van Jij Liet Me Vallen. Dit alles was nog voordat Zij Weet Het de Top 40 haalde. Dat laatste is een unicum, want smartlappen in de hitlijsten zijn een zeldzaamheid geworden. Owja, beide deelnemers aan Met Het Mes Op Tafel hadden niet onder een steen gelegen.

15. Kensington – Bats

Kensington is natuurlijk een verschrikkelijke band. Een groep die ten onder gaat aan bombast en pathos en al jaren exact dezelfde single maakt (Home Again, Streets, Riddles, Bridges, Fiji). De fans slikken het voor zoete koek, maar dat kan ook niet anders in een land waar Queen en Muse tot het summum van rockmuziek worden gerekend. Kudo’s voor Kensington dus om het met Bats over een andere boeg te gooien. Een grote hit werd het niet (Bats kwam niet hoger dan een 34ste plaats), maar dat waren Home Again (nr. 33), Streets (nr. 22), Riddles (nr. 23), Bridges (nr. 30) en Fiji (nr. 31) evenmin.

14. Daddy Yankee ft. Snow – Con Calma

Op de hoek van het winkelcentrum zat jaren terug een filiaal van Music Store. Elke woensdag, als ik met m’n ouders mee boodschappen ging doen, haalde ik daar een exemplaar van de nieuwe Top 40. En er was een bak met cd-singles die, zo gauw ze uit de lijst waren verdwenen, in de uitverkoop gingen. Als singles in de Top 40 stonden waren ze voor mij te duur, tenzij ik ze cadeau kreeg. Zo kreeg ik voor m’n twaalfde verjaardag de cd-single van Snows Informer. Cool nummer. Kon ik weten dat 26 jaar later dat nummer nog eens door de mangel zou worden gehaald door een puertoricaanse reggaetonzanger met de naam Daddy Yankee? Maar goed. Ik wist wel meer niet op m’n twaalfde.

13. Joe Buck – The Way You Take Time

Reclames zijn de levensader van de muziekindustrie. Wil je je muziek aan de man brengen? Laat je song gebruiken in een commercial. Joe Buck, artiestennaam van Sjoerd de Buck, deed het en kreeg (naast een vorstelijke vergoeding) daarmee gratis reclame voor z’n muziek. Met dank aan Plus. Buck, een protégé van Ilse DeLange, die de zanger ontdekte dankzij z’n deelname aan Beste Singer-songwriter van Nederland, nam z’n song op in Nashville, en dat hoor je. The Way You Take Time heeft een onvervalste country vibe. Leuk dus dat zo’n rootsy plaatje het tot de Top 40 schopt.

12. Mabel – Don’t Call Me Up

Bent u bekend met de Zweedse familie Cherry? Don Cherry was trompettist en speelde met alle grote jazzhelden. Stiefdochter Neneh speelde een pioniersrol in de hiphop van de jaren tachtig, zoonlief Eagle-Eye had eind jaren negentig een hit met Save Tonight. Neneh heeft op haar beurt weer een halfzusje, Titiyo, die rond de eeuwwisseling wat hitsucces had. Volgt u het nog? Mooi, want nu is er een nieuwe generatie opgestaan: Neneh heeft een dochter met de naam Mabel. En zij scoorde dit jaar een wereldhit met Don’t Call Me Up (blijkbaar is ‘calling up’ correct Engels, ik leer nog elke dag bij). Een fijn liedje waarin Mabel aan haar ex-vriendje uitlegt hoe de verhoudingen liggen. Daarmee staat ze net zo stevig in haar schoenen als moeders, die ooit de single Manchild had. You go girl.

11. Tones and I – Dance Monkey

Er zijn mensen die Tones and I, de artiestennaam van Toni Watson, als de Australische Billie Eilish beschouwen. Dat vind ik te veel eer voor de Australische, al scoorde Tones and I (in tegenstelling tot Eilish) wél een nr. 1-hit in Nederland: Dance Monkey staat op dit moment al dertien weken rotsvast bovenaan de Top 40. Waar de vergelijking opgaat is dat Tones and I net zo’n stormachtige carrière als Eilish heeft doorgemaakt. Een jaar geleden begon ze met straatoptredens in Melbourne en eind 2019 kent iedereen Tones and I. Dat komt door het ultracatchy Dance Monkey en haar chipmunk-achtige stem. Maar die stem is een gimmick. Gimmicks zijn nooit lang leuk.

10. Post Malone – Circles

Een tijdje terug stond in de skatehal Post Malone op. En niet één liedje, maar de volledige playlist. Twee uur lang dezelfde monotone beat, met daarover die lome, door autotune onherkenbaar misvormde stem van de rapper. De hiphop van Post Malone is mateloos populair, maar ik word er flauw van. Hijzelf blijkbaar ook, want dit jaar ging de rapper zingen (hij was niet de enige, ook Snelle ging zingen). Nog steeds is de stem van de rapper, nouja, nu dus zanger, volledig vervormd door een overdaad aan autotune, maar er zit meer melodie in de muziek. Ja, ik zou zelfs durven zeggen dat ik Circles (mooiste regel: ‘seasons change and our love went cold’) af en toe voor m’n plezier opzet. Meer van dit graag.

9. Krezip – Lost Without You

Wil je je oud voelen? In de week dat Lost Without You in de Top 40 binnenkwam was Krezip de act in die Top 40 die het langst geleden een hit scoorde. In 2000 brak de groep rond Jacqueline Govaert door dankzij een optreden op Pinkpop (yours truly stond in het publiek) en de hit I Would Stay. Latere hits vond ik minder, maar toen de groep in 2009 afscheid nam met Go To Sleep en Sweet Goodbyes stemde dat weemoedig. We zijn weer tien jaar verder. De pubers van 2000 zijn volwassen geworden, hebben zelf kinderen en maken een geslaagde comeback dankzij de lieve single Lost Without You. Krezip anno 2019 in de hitlijsten voelt niet alleen als een anachronisme, het ís er één. Ja, ik voel me oud.

8. Lizzo – Juice

Ik kan niet zoveel met jeuktermen als ‘body positivity’. Natuurlijk, iedereen moet doen wat ie wil en als dat met 180 kilo in een string over het podium paraderen behelst: be my guest. Maar wees niet verbaasd als mensen dan nouja, vreemd kijken. Lizzo is zo’n vrouw die er niks om geeft. Ze heeft een maatje meer, steekt daar de draak mee in de clip bij haar single Juice en gaat ook op het podium het liefst zo bloot mogelijk gekleed. Prachtmens dus. Die openheid werkt aanstekelijk en ontwapenend, je gúnt Lizzo dat succes (ze scoorde dit jaar een Amerikaanse nr. 1 hit met Truth Hurts). Daarmee zouden we voorbij gaan aan het feit dat Juice één van de leukste singles van 2019 is, met grappige regels als ‘The juice ain’t worth the squeeze if the juice don’t look like this’ en ‘I’m like chardonnay, get better over time.’ Wat ik al zei: prachtmens.

7. Lauren Daigle – You Say

Het is de schuld van Hillsong United. Blije jongeren die heel blije muziek zingen teneinde Nog Veel Blijerderer te worden. En de Heer te prijzen, dat vooral. Dat is waar we Lauren Daigle aan te danken hebben. Daigle is gezegend (pun intended) met een stem die als twee druppels water op die van Adele lijkt, maar aan de weinig subtiele christelijke tekst (‘When I don’t belong, oh You say that I’m Yours, and I believe, oh I believe’) hoor je meteen uit welke hoek de wind waait. Alhoewel, je wilt niet weten hoeveel mensen denken dat Daigle over haar vriendje zingt. Relipop, of CCM, in de Top 40 is een zeldzaamheid; Mary Mary, P.O.D., Sixpence None The Richer, Evanescence, Amy Grant, Bob Carlisle en dan heb je het wel zo’n beetje gehad. Maar ja, You Say stond niet voor niets 65 (ja, dat leest u goed) weken op nr. 1 in de christelijke hitlijsten in de States. Dit is gewiekste worship. Zelfs in mijn hart gaat er een kaarsje van branden. Een heel klein kaarsje, dat wel.

6. Shawn Mendes & Camila Cabello – Señorita

Het is natuurlijk schaamteloos opportunisme: één van de grote sterren uit het Engelse taalgebied die een duet opneemt met één van de populairste zangeressen uit de Spaanstalige muziekwereld. Naar verluidt zei Shawn Mendes toen hij Señorita voor het eerst hoorde dat hij het per se met Camila Cabello op wilde nemen. Yeah right. En intussen keken de platenbonzen handenwrijvend toe en mompelden: ‘Goed bezig jochie.’ Señorita klinkt dan ook alsof het op het kantoor van een grote platenmaatschappij in elkaar is gezet. Een refreintje dat zo eenvoudig is (‘I love it when you call me ‘señorita”) dat iedereen op de wereld het verstaat (de teller staat op meer dan één miljard streamsand counting) en ook al zou dat níet zo zijn, de verleidelijke zang van Cabello laat niks aan duidelijkheid te wensen over. Laten we eerlijk zijn: dit is knappe pop. Om cynisch van te worden zo knap.

5. Ed Sheeran & Justin Bieber – I Don’t Care

Voordat Ed Sheeran multimiljonair werd met het zingen van lieve liedjes was hij roadie bij Nizlopi. Die (inmiddels vergeten) groep zag ik ooit op Lowlands, waardoor ik dus in theorie Sheeran in het echt gezien kan hebben. Nizlopi maakte een olijke mix van singer-songwriter en hiphop, een geluid waar Sheeran goed naar lijkt te hebben geluisterd. Maar alleen is maar alleen en dus is de zanger op No. 6 Collaborations Project de samenwerking aangegaan met andere muzikanten. Mooi, die samenwerking met Khalid in Beautiful People, of met Camila Cabello en Cardi B in South Of The Border. Het mooiste is de schaamteloze pop van I Don’t Care, waarin Sheeran en Bieber zingen hoe zwaar hun leven is als ze weer naar een feestje moeten (ik leef met ze mee). Geproduceerd door grootmeester Max Martin, die in 2019 eindelijk weer eens een flinke wereldhit had.

4. Lil Nas X ft. Billy Ray Cyrus – Old Town Road

Old Town Road is de belichaming van popmuziek anno 2019. Een volslagen onbekende rapper koopt online een beat van een al even onbekende Nederlandse producer (YoungKio, onthoud die naam). Hij maakt daarmee een liedje, promoot het schaamteloos en veelvuldig via Instagram en TikTok, bedenkt daar de YeeHaw Challenge bij waarna het, maanden later, een gigantische hit wordt: nr. 1 in de Billboard Hot 100 (en tot op heden een opbrengst van twee miljard dollar). Maar daar blijft het niet bij. Om er zeker van te zijn dat de plaat zolang mogelijk op nr. 1 blijft, neemt Lil Nas X nieuwe versies op: met Billy Ray Cyrus, later met Young Thug en weer later RM (van BTS). Je moet die streams op Spotify toch hoog houden. Daarbij gaan we bijna voorbij aan het feit dat Old Town Road een heel fijne single is, eentje waar Stereogum, halverwege die recordlange periode van negentien weken op nr. 1 in de Billboard Hot 100, dit aardige stuk over schreef. Met name die anekdote uit de eerste alinea spreekt boekdelen. Old Town Road is here to stay.

3. Danny Vera – Roller Coaster

Kent iemand Monja van Roland W. nog? Je moet dan in 1967/1968 de Top 40 goed hebben gevolgd of een muzieknerd zijn (lees: ik). Monja was tot dit jaar de langstgenoteerde top-40-hit die niet de bovenste helft van de hitlijst wist te halen. Was, want dit jaar verpulverde Danny Vera dat record. Zijn single Roller Coaster (ja, die titel wordt echt zo geschreven) stond, met een beetje hulp van Rob Stenders, 27 weken in de Top 40 en kwam nooit hoger dan plaats 21 (maak daar maar 28 weken van, het kwam deze week opnieuw binnen, op nr. 27). Dat is tekenend voor dit liedje, een typische slow burner, die langzaam heel Nederland wist te ontroeren (ik hoorde op Radio 2 een beller ontroerend vertellen dat ze het had gedraaid op de uitvaart van haar man). Voorlopig hoogtepunt van die zegetocht is een vierde plaats in de Top 2000 van dit jaar. De enige die niet onder de indruk lijkt te zijn, is Vera zelf. Voor hem is Roller Coaster het zoveelste liedje.

2. Billie Eilish – bad guy

De Jeugd doet alleen nog maar aan streaming (en dus is 3FM ten dode opgeschreven, maar dat terzijde). Om te weten wat onder jongeren leeft, moet je Spotify op. M’n oudste nichtje (13) liet me eerder dit jaar haar Spotifyplaylist zien. De helft van de liedjes (ja echt, de hélft) waren van Billie Eilish. Eigenlijk stond elke scheet die Eilish ooit heeft gelaten in die lijst. (Die liedjes hebben ook nog allemaal titels die met kleine letters zijn geschreven, de nachtmerrie van iedere eindredacteur.) Daar kan je van alles van vinden, het geeft bovenal aan hoe bijzonder de hegemonie is van een zangeres die vorige week haar achttiende verjaardag vierde (en die ik in 2020, met m’n nichtje, live ga zien in de Ziggo Dome). En, eerlijk is eerlijk, bad guy is een heerlijke, vreemde hit. Een plaatje waarvan je je afvraagt wat het in hemelsnaam in de Top 40 doet. En in de Spotifyplaylist van m’n nichtje, dat ook.

1. Duncan Laurence – Arcade

Waar was u op 18 mei 2019? Ik weet waar ik was. Ik zat met klamme handjes op de bank. Bij m’n ouders in dit geval. Die handjes kwam vooral door de spanning: zou Nederland het dan, na 45 fuckin’ jaar, eindelijk flikken? Het antwoord was ja. Toen de buit binnen was sprong ik van de bank: de juichkreet was tot in Tel Aviv te horen. Zelfs m’n vader juichte mee. Ik was zo trots. En wat is Arcade een fijn liedje. Een knappe song die door de ingenieuze opbouw (wisselende maatsoorten) en goede zang (falsetstem) de jury’s aan wist te spreken, en door een pakkende melodie en liefdevolle boodschap ook het grote publiek raakte (maar, grappig genoeg, in beide categorieën niet won). Dat Laurence anderhalf jaar aan Arcade had gewerkt betaalde zich dubbel en dwars uit. De opvolger, Love Don’t Hate It, is ook al zo goed. Nee, Duncan Laurence is een blijvertje. Knappe kop wie dat aan het begin van het jaar had gedacht. Ik in elk geval niet.

Posted in Lijstjes, Muziek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Song Top 20 2019

Kersthit

Vijftien jaar geleden rondde ik omstreeks Kerst m’n stage bij Radio 1 af. Een enorm leuke en leerzame tijd, die moest worden bekroond met een eigen reportage. Of nouja, dat was het enige dat ik nog niet had gedaan en dat ik, behept met een aangeboren schuchterheid, zo lang mogelijk voor me had uitgeschoven. Dit overigens tot geruststelling van een collega die verzuchtte het een verademing te vinden eens een stagiair te hebben die níet op dag 1 met een MD-recorder klaar stond om op reportage te gaan.

Vlak voor het einde van m’n stage moest ik er dus aan geloven. Ook ik moest een reportage maken. Het ding hoefde maar een minuut of zes te duren, maar m’n maag keerde al om bij het idee dat ik mensen een microfoon onder hun neus moest duwen. Nee, Journalistiek, en dan ook nog de specialisatie Radio, was niet de beste studiekeuze.

Wat je in zo’n situatie het beste kunt doen, is een onderwerp zoeken dat dicht bij je staat. In dit geval: muziek. Had ik even mazzel. Een groep muzikanten uit Amsterdam rond het label Transformed Dreams had de anti-kerstsingle They Don’t Give a Damn it’s Christmas uitgebracht. Dit in een reactie of Band Aid 20, die dat jaar een derde versie van Do They Know It’s Christmas hadden opgenomen. Ik besloot twee leden van de St.Alones, zoals de gelegenheidsformatie heette, te interviewen en Gerard ‘Mr. Christmas’ Ekdom, toen nog presentator van Arbeidsvitaminen, de single te laten horen. Hij zou het finale oordeel geven of de single van de Amsterdammers mee zou kunnen met de kerst evergreens (spoiler alert: nee, dat kon ie niet).

Ik ontmoette de bandleden in een achterafzaaltje van balletschool De Toverfluit in Amsterdam (ik kon door het plafond de danspassen van de ballerina’s horen). Ik stelde de muzikanten wat vragen, al maakten ze een verveelde indruk (heej jongens, dit is wel fuckin’ Radio 1 ja?!). Op de terugreis naar Eindhoven gebeurde wat me altijd overkwam tijdens m’n studie Journalistiek. Eerst dacht ik: best een oké interview, vervolgens zakte bij elke kilometer die de trein me dichter bij huis bracht de moed me verder in de schoenen. Eenmaal thuisgekomen wist ik zeker dat dit de slechtste reportage ooit op Radio 1 zou worden.

De ochtend erna mocht ik op audiëntie bij 3FM. De redacteur had me gevraagd vroeg te komen, dus ik stond braaf om 9.30 uur buiten de studio bij 3FM te wachten. Ik had een steen in m’n maag toen ik de MD-recorder in elkaar zette. Een medewerker van het programma Arbeidsvitaminen groette me vriendelijk en vertelde me dat ik gewoon binnen kon komen als ik klaar was. Ik stuntelde me door het interview heen, terwijl Gerard Ekdom geroutineerd m’n vragen over They Don’t Give A Damn It’s Christmas én de nieuwste versie van Do They Know It’s Christmas beantwoordde. Just another day at the office. Toen ik klaar was, bedacht ik me nog dat ik een vraag was vergeten te stellen (wat ik, gezien de omstandigheden, best scherp van mezelf vond) en stelde nog snel die ene vraag, daarna reed ik terug naar het AKN-Gebouw. Opnieuw sloeg de grootst mogelijke twijfel toe. Ik had mezelf natuurlijk volstrekt belachelijk gemaakt.

De reportage zou de maandag na het weekend worden uitgezonden, en dus zat ik de rest van de dag in de montageruimte met m’n materiaal te klooien. Dat ging niet geweldig. Net die avond had ik drie kerstborrels- en feesten gepland staan, dus ik besloot het op een zuipen te zetten. De eerste borrel was bij de hoofdredacteur thuis in Hilversum, waar de voltallige redactie in het zonnetje werd gezet. Ook ik werd geprezen, ik was een heel goede stagiair geweest (er spookte een stemmetje door m’n hoofd dat zei: ‘Wacht maar tot je m’n reportage hebt gehoord’). Daarna had ik, terug in Eindhoven, een borrel bij PopEye, een lokaal muziekblad waarvoor ik indertijd schreef. De avond werd afgesloten in een studentenhuis waar ik, inmiddels nogal dronken, een halve spacecake verorberde, waardoor ik de rest van het weekend deels in coma heb doorgebracht.

Die maandag sleepte ik me, het zelfvertrouwen inmiddels tot het absolute nulpunt gedaald, naar Hilversum. Gelukkig had ik een geweldige stagebegeleider, Dick Klees, die me hielp bij de montage. Binnen een paar uur hadden we een reportage van vijf à zes minuten die acceptabel was. Ik was er iets geruster op geworden.

‘s Middags, toen m’n reportage werd uitgezonden, sloot ik me op in een geluiddichte ruimte ergens diep in het AKN-Gebouw. Ik wachtte tot ik zeker wist dat de kust veilig was en liep de redactie weer op.
‘Heej, nu heb je de reportage gemist, Guido,’ zei een collega teleurgesteld.
‘Ow nouja, dat was ook de bedoeling,’ zei ik schuchter.
‘Hij was leuk hoor,’ stelde ze me gerust.

Na afloop bespraken we de uitzending.
‘En, hoe vond je je eerste reportage op Radio 1?,’ vroeg een collega.
‘Ik heb niet durven luisteren,’ zei ik, terwijl ik rood aanliep.
Een collega moest lachen: ‘Terwijl dít eigenlijk veel spannender is.’
‘Ja,’ viel iemand anders haar bij, ‘nu gaan we zeggen wat we ervan vinden.’

Er was niks om aan te merken. Het was, gewoon, een goede reportage geweest. Natuurlijk had ik me druk gemaakt om niks.

Het spreekt voor zich dat het niks meer is geworden met m’n carrière bij de landelijke radio. Maar ik kan wel zeggen dat ooit een reportage van mij op Radio 1 is uitgezonden.

Posted in Media, Muziek | Tagged , , | Comments Off on Kersthit