Eind-ho-vuh

Jaren geleden stond ik eens met m’n fiets voor een verkeerslicht te wachten. Voor me stond een oudere man, naast hem stond een vader met z’n zoontje achterop. Het jongetje droeg een PSV-shirt.
‘Wè hedde gij een lillik shirtje an,’ zei de oudere man plagerig lachend tegen het jongetje.
Het jongetje snapte het niet, dus de vader zei dat ie maar moest vragen voor welke club de oudere man dan was. Dat deed het jongetje besmuikt: ‘voor wie bent u dan? Ajax? Feyenoord?’
‘Nee,’ zei de oudere man stralend, ‘FC Eindhoven natuurlijk!’

Ik ben die anekdote nooit vergeten. Zeker voor de oudere garde geldt: er is maar één écht Eindhovense club en dat is FC Eindhoven. Mijn opa was fan. Ik wilde al jaren een keertje naar een wedstrijd van de blauw-witten. Het kwam er nooit van. Wat niet wil zeggen dat ik de prestaties van die andere club uit Eindhoven niet trouw in de gaten hou: de voorgaande seizoenen was FC Eindhoven nog een paar keer dicht bij promotie geweest, dit seizoen zijn ze weer ouderwets grillig; goede wedstrijden worden afgewisseld met euh… mindere periodes. Momenteel zit FC Eindhoven in zo’n mindere periode: van de laatste vier wedstrijden gingen er drie verloren. Scoren doet de ploeg voldoende: dit seizoen al vijftig keer. Dat is slechts twee doelpunten minder dan Jong PSV, dat vierde staat. Het probleem is dat de verdediging zo lek is als een mandje: tegenover die vijftig doelpunten vóór staan 58 tegendoelpunten. Dat is drie minder dan FC Dordrecht, dat voorlaatste staat.

Via The Hub kon ik naar de streekderby FC Eindhoven – FC Den Bosch. Een tientje entree, vervoer van en naar het stadion is bij de prijs inbegrepen en gebeurt met de spelersbus, wat een ongemakkelijk moment oplevert als enkele supporters beginnen te klappen als we bij het Jan Louwers Stadion aan de Aalsterweg arriveren. Bij gebrek aan een FC Eindhoven-shirt (dat er ongetwijfeld nog gaat komen), heb ik voor de gelegenheid een blauw-wit gestreept t-shirt aangetrokken: ik ben op alles voorbereid. Ook mijn medereizigers, expats uit Frankrijk, Ierland en Italië hebben er zin in.

Ik raak aan de praat met onze gastheer, een jonge man die door de KNVB is aangesteld ter promotie van FC Eindhoven. Ik vertel hem dat het niet het beste seizoen van de club is. Dat beaamt hij, al is juist dit seizoen nog zo geïnvesteerd in nieuwe spelers. Toch blijft hij positief: er moet gestreden worden voor een plekje in de nacompetitie. Op dit moment is FC Eindhoven weliswaar gezakt naar de elfde plaats, een plek bij de bovenste acht of negen is mogelijk; zeker nu FC Eindhoven over Leonardo beschikt. De Braziliaan is via Feyenoord, Ajax, Salzburg, Newcastle United Jets (die in Australië) bij FC Eindhoven beland. Hij staat vanavond voor het eerst in de basis en wordt ronkend door de stadionspeaker aangekondigd: ‘onze Braziliaanse sterspeler Leeeeoooonardoooo!’.

Promotie naar de eredivisie, dat klinkt ambitieus. Het laatste seizoen dat FC Eindhoven op het hoogste niveau speelde was 1976-1977: toen was ik nog niet eens geboren. Als ik de borden langs het veld moet geloven is het vertrouwen in de terugkeer van de grote successen er nog altijd. Er staan teksten op als ‘Want in Europa zien ze zeker vroeg of laat blauw-wit’, ‘Hier aan de Aalsterweg, hier voelen wij ons thuis!’, ‘Er is geen club in het zuiden die Eindhoven kan verslaan.’ Dat laatste lijkt voor de buitenstaander wat buitenissig, maar FC Eindhoven won vorig jaar de Lichtstadderby van PSV.

FC Eindhoven begint vanavond niet heel sterk. In de eerste paar minuten is de ploeg vooral aan het verdedigen. Kansen krijgen ze amper. Als een speler van FC Eindhoven de bal terugspeelt naar z’n doelman, stoot mijn Ierse buurman me aan. Hij speelt Gaelic football, een mix van voetbal, handbal en basketball en legt me uit dat hij als doelman bij zo’n terugspeelbal allang was getackeld.

Na twintig minuten zit de bal ineens achter in het net: 1-0 voor FC Eindhoven. Niet snel daarna wordt het 2-0. Het scorebord lijkt te schrikken van die voortvarendheid; het duurt een paar minuten voordat de stand is bijgewerkt. Achter me roept een supporter: ‘aan het doelsaldo werken Eindhoven!’ Wat later gaat een bal van FC Den Bosch richting het doel van FC Eindhoven. ‘Keeper!,’ roept een man in het publiek. Dat vind ik aardig: de doelman ziet de bal van meters afstand aan komen. Bij een mooie pass over de breedte van het veld vindt een toeschouwer de balaanname tegenvallen. ‘Jammer dat hij de bal naar een technisch minder begaafde speler passt,’ zegt hij, met realiteitszin. Hij bespreekt met z’n buurman het falende aankoopbeleid van die club met dat stadion aan de Mathildelaan; met hoorbaar leedvermaak.

Het Jan Louwers Stadion is zó klein dat een te hard gespeelde bal niet alleen buiten de lijnen, maar net zo snel op het dak van een tribune of buiten het stadion (capaciteit: 4300 bezoekers) belandt. Maar elke doelpoging, mooie pass, of wissel wordt met applaus begroet. Hier geen geklaag over duurbetaalde vedettes die te lui zijn om achter een onhaalbaar geachte bal aan te rennen. FC Eindhoven heeft niet eens vedettes. Eigenlijk is er geen reden te bedenken om níet enorm fan van deze sympathieke club te zijn.

De fanatiekste fans zitten bovenin, in een hoek van de tribune. Vooraan hangt een spandoek met een afbeelding van Super Mario met als opschrift Super Dario, een verwijzing naar FC Eindhoven-speler Dario Van den Buijs. De harde kern zingt de hele avond om het hardst: ‘Eind-ho-vuh! Eind-ho-vuh!’
‘Are they really singing ‘Eind-ho-vuh! Eind-ho-vuh!”, vraagt mijn Mexicaanse buurman.
‘Yes, they are,’ zeg ik.
‘Wow,’ zegt hij hoofdschuddend.
Mijn Ierse buurman zegt dat hij niet kan verstaan wat ze nog meer zingen. Hij verstaat Nederlands, met Brabants heeft hij nog problemen. Ik luister eens goed naar de voetbalfans. Ook ik kan er geen chocola van maken.

De ruststand is 2-0, maar ik waarschuw mijn medebezoekers voor te veel optimisme. Het zal niet de eerste keer zijn dat FC Eindhoven een voorsprong verspeelt. Mijn woorden blijken profetisch: vrijwel meteen na rust komt FC Den Bosch op 2-1, niet snel daarna wordt het 2-2. Op de tribune is de spanning voelbaar. Een supporter op de bovenste rij van de tribune slaat een paar keer hard op de golfplaten achterwand van het stadion om z’n aanmoediging kracht bij te zetten: ‘kom op, Eindhoven!’

Mijn Ierse buurman begint steeds meer commentaar te geven: ‘they should change number five.’
‘You’re an expert,’ zeg ik.
‘The more I drink, the more I’m an expert,’ legt hij uit.
Even later is de grensrechter de gebeten hond en roept hij: ‘aye, Britney Spears, pay attention!’
‘Why do you call him Britney Spears?,’ vraag ik.
‘Because of his microphone,’ zegt hij.

Hij vertelt over de tijd dat hij in Aken woonde en eens naar een wedstrijd van Alemannia Aachen tegen Union Berlin was geweest. Niveau: derde Bundesliga. Alemannia Aachen verloor met 1-4, maar toen de thuisploeg op 1-0 was gekomen was het bescheiden stadion ontploft. En heb ik dat filmpje gezien van die supporters van die ene Duitse voetbalploeg? Toen de ploeg maandenlang niet had gescoord hadden ze allemaal pijlen van bordkarton mee naar de wedstrijd genomen, om ze de weg naar het juiste doel te wijzen. Even overwegen we FC Eindhoven ook de juiste kant op te sturen. De gedachte alleen al lijkt te helpen: FC Eindhoven komt uit een knappe counter weer op voorsprong. Nu scanderen alle expats mee: ‘Eind-ho-vuh! Eind-ho-vuh!’

De eerste keer dat ik, ergens halverwege jaren negentig, naar een wedstrijd van die andere Eindhovense club ging, wonnen ze met 3-2 van Willem II. Dat had 4-2 moeten zijn, ware het niet dat een doelpunt (onterecht natuurlijk) werd afgekeurd wegens buitenspel. Mijn eerste wedstrijd van FC Eindhoven lijkt ook in 3-2 te eindigen. Zeker als vlak voor het einde sterspeler Leonardo geblesseerd afhaakt. Als er vier minuten blessuretijd bij komt, slaat de spanning in het publiek opnieuw toe. Maar in blessuretijd maakt FC Eindhoven aan alle twijfels een einde: 4-2.
‘Tien! Tien!,’ roept een supporter achter me enthousiast.

Terwijl de spelers het publiek bedanken, zingt het publiek nu over Zombie Nations Kernkraft 400 opnieuw: ‘Eind-ho-vuh! Eind-ho-vuh!’ Een van de expats is onder de indruk: ‘six goals, wow!’ Bij de fanstore (formaat: bouwkeet) worden sjaaltjes aangeschaft. De drie punten zijn binnen, de negende plek is in zicht. Er is geen club in het zuiden die Eindhoven kan verslaan.

Posted in Eindhoven | Tagged , , , , | Comments Off on Eind-ho-vuh

Kleuterkwartier

Over het belang van hitlijsten anno 2017 kan je een aardige boom opzetten. Tot begin deze eeuw waren bij het samenstellen van hitlijsten de verkoopcijfers leidend, later kwam daar airplay bij, tegenwoordig is de fysieke single zo goed als uitgestorven en wordt het succes van een song bepaald aan de hand van het aantal streams op Spotify, of Joetjoep.

Toch geeft een hitlijst een aardig beeld van de populairste liedjes van het moment en voor mij is het een handige manier om bij te blijven: in elke pubquiz wordt naar hedendaagse hits gevraagd, dus het is verplichte kost om de hitlijsten bij te houden – al is dit allemaal wat ingewikkelder dan in de jaren negentig, toen het volgen van populaire muziek een stuk natuurlijker ging: ik krijg wat dancemeuk mee in de sportschool, waar de zender in het krachthonk staat vastgeroest op Slam! FM, maar voor de rest ben ik aangewezen op de Mega Top 50. Door wat drukke weekenden in de afgelopen maand miste ik die een paar keer en de gevolgen waren niet te overzien: ik wist een paar keer een recente plaat in de audioronde van de pubquiz niet. Dat zijn dure punten (pubquizzen is een teamsport, maar het is een ongeschreven regel in mijn team dat muziek mijn afdeling is).

Af en toe krijg ik het vermoeden dat 3FM met de Mega Top 50 in haar maag zit. Het zit weggestopt op de zaterdagmiddag en een tijd terug werd de zendtijd al teruggebracht van drie naar twee uur. Dat was een teken aan de wand, maar heel erg vond ik het niet. In de praktijk werden alleen de platen onderin niet meer gedraaid: al te platte danceplaten, of Nederhop. Soms is democratie zo slecht nog niet; overgeproduceerde meuk eindigt doorgaans ver buiten de Top 10. Toch, de vernieuwing is daar niet mee opgehouden.

Sinds een paar weken heeft de geplaagde hitlijst een nieuwe presentator: Rob Janssen. Laat ik ermee beginnen dat ik snap dat iedere radiomaker ergens moet beginnen. Van de lokale omroep in één of ander plattelandsdorp, naar een grotere lokale of regionale omroep, naar de nachtprogrammering van 3FM. Ik ben sinds 2001 vrijwilliger bij Studio 040 (dat toen nog heel anders heette trouwens) en ik heb menig radiotalent voorbij zien komen. Ik heb mezelf nooit als radiotalent beschouwd – ik ben nu eenmaal niet het type snelle jongen, bovendien hopeloos niet-technisch – maar ik ben afgestudeerd radiojournalist, hou van het vak en ik hoor wat een goed programma is.

De Mega Top 50 is geen goed programma. De schamele twee uur zendtijd, eerst nog goed gevuld met hits, wordt nu gebruikt voor infantiele radiospelletjes. En als ik bedoel infantiel, dan bedoel ik ook écht infantiel. En het zijn er in totaal drie. Dat zijn er minstens twee te veel, zeker omdat ze ook nog es tergend veel tijd in beslag nemen én niet eens leuk zijn. Er is een spelletje waarbij de luisteraar moet raden hoeveel keer je ‘koekoek’ in een fragment hoort. Een fragment met dierengeluiden die zo te horen door de presentator zelf zijn gemaakt. Ik zal het niet al te spannend maken, het antwoord was: één keer.

In een ander spelletje moeten twee zaken gecombineerd worden. Dat is iedere week anders en wordt bepaald aan de hand van een rad, met deze week: combineer een dier met een televisieprogramma. De leukste inzending was Kalkoenenjacht (heeft u ‘m?). De jingle die hierbij hoort komt uit Rad van Fortuin, jeweetwel, dat programma dat door SBS6 nieuw leven is ingeblazen en wordt gepresenteerd door André Hazes jr., waardoor met terugwerkende kracht duidelijk is geworden hoe goed Hans van der Togt eigenlijk was. Tot slot is er nog een minutenlang item onder de noemer #daarbeniknietblijmee, waarin luisteraars ergens hun beklag over kunnen doen, zodat iedereen lekker klaagvrij het weekend in kan. Even overwoog ik in te bellen en te klagen over de Mega Top 50 anno 2017, maar dat leek me te meta.

Dit alles wordt voorzien van jingles en fillers die het midden houden tussen circusmuziek en hoempapa. Ik snap dat een programma moet worden opgeleukt met spelletjes. Ook de Mega Top 50 oude stijl had radiospelletjes, het hoort erbij, het zorgt voor interactie met de luisteraar: prima. Maar wat hebben een spelletje waarbij iemand moet raden hoeveel koekoeks er worden geroepen, of een rubriek waarin mensen minutenlang kunnen klagen met de hits van het moment te maken? Ik snap dat niet. Als je zulke rubrieken wilt brengen, doe dat dan in een ander programma, bij voorkeur in het weekend tussen 7.00 en 9.00 uur ‘s morgens, en noem dit het kleuterkwartier, maar het hoort niet thuis in een hitlijst: het zorgt niet voor een coherent programma.

Ik kies niet voor niets voor de benaming kleuterkwartier, want de mensen die het meeste lol hebben in de Mega Top 50 zijn de presentator en z’n entourage. Afgelopen uitzending hadden ze zoveel plezier dat de filemelding in de soep liep, waarna ze zich plots zorgen maakten of de filelezer nu boos op ze zou zijn. Ik denk niet dat ie boos was, eerder teleurgesteld. Teleurgesteld dat 3FM zulke sneue kleuters overdag een programma laat maken dat van een bedenkelijk niveau is. Een programma waarvan ook de radioleiding bij Studio 040 zou zeggen dat het voor verbetering vatbaar is.

Nogmaals, ik snap dat jong radiotalent zich moet ontwikkelen. 3FM heeft het zwaar, omdat jongeren steeds minder naar de zender luisteren. En jongeren die niet naar een jongerenzender luisteren, dat is wel een dingetje. 3FM moet verjongen, oude rotten als Gerard Ekdom en Paul Rabbering vertrekken naar Radio 2 (en nemen veel oudere luisteraars mee, ondergetekende incluis), terwijl jong talent zich nog moet ontwikkelen. Dat gaat regelmatig van au. Als zender heb je daar echter een prima kweekvijver voor: de nacht. Het is een harde leerschool, waarbij zat radiomakers zitten die het niet redden. Alle grote jongens van 3FM zijn daar ooit begonnen: van Giel Beelen tot Domien Verschuuren, maar het beste wat de zender momenteel op radiotalent te bieden heeft is Janssen. De spoeling is wel heel dun geworden.

De Mega Top 50 is verworden tot een programma door en voor kleuters. Ja, ik ben al 35 en ja, ik ben ongetwijfeld te oud voor hitlijsten, maar ik ben niet zuur. Nee, echt niet. Wel wil ik een goed radioprogramma horen. Dat ik daarvoor misschien wat te oud ben, neem ik graag voor lief.

Posted in Media, Muziek | Tagged , , | Comments Off on Kleuterkwartier

Song Top 20 2016

Toen ik in 2012 voor de eerste keer een Song Top 20 maakte (deze editie vier ik mijn eerste lustrum), had ik voor de samenstelling wat voorwaarden gesteld. De belangrijkste eis was dat het een hit moest zijn geweest en, om precies te zijn, in de Nederlandse Top 40. De Mega Top 50 is doorgaans beter maar ook het speeltje van 3FM, en daardoor iets alternatiever. Het zorgde ervoor dat een Song Top 20 voor mij behapbaar was, want de beste twintig liedjes van het jaar period op een rij zetten is schier onmogelijk. De beste liedjes halen de hitlijsten niet; het gaat hier immers om pop. Maar ja. Na het overlijden van David Bowie stond diens Lazarus ineens een paar weken in de onderste regionen van de Top 40. Als een vlag op een modderschuit zou ik bijna willen zeggen, al doe ik daarmee de rest van dit popjaar te kort. Ik kan niet om Bowie heen, maar laat ik hem hierbij alvast noemen. Hij is buitencategorie en veel te goed voor deze Song Top 20.

2016 was, ondanks de vele muziekhelden die ons ontvielen, een uitstekend jaar voor de popmuziek. De beats waren minder lomp dan voorgaande jaren. Het toverwoord is tropical. Die muziek hing al een aantal jaren in de lucht, maar dit jaar had het merendeel van de top-40-hits lome, rustige beats die ook buiten de dansvloer prima te pruimen zijn. Bovendien zijn het vaak prima popliedjes; ook al zit er veel formulewerk bij.

Over het allerslechtste van 2016 heb ik al geschreven. Voor de rest was er ook dit jaar de terreur van de veridolsing, ver-x-factoring of, misschien nog wel de beste benaming, vervoicing binnen de popmuziek: het goede, licht alternatieve liedjes omvormen tot brave muzak voor het grote publiek, vaak gedaan door winnaars van talentenjachten die een liedje nodig hebben om hun zangtalent zo goed mogelijk te kunnen etaleren. Het gebeurde eerder met Hallelujah van Leonard Cohen, en Cannonball van Damien Rice. Allebei prachtsongs, maar tot in lengte van dagen bekender in de uitvoeringen van respectievelijk Lisa Lois en Little Mix. Dit jaar was Robyn het slachtoffer. Haar Dancing On My Own kreeg een ‘akoestische’ behandeling van Calum Scott. Ik kan heel veel leuke lijfstraffen bedenken voor mensen die roepen dat Scotts versie van Dancing On My Own beter is dan het origineel van Robyn, of ervoor zorgen dat alleen die Calum Scott-versie in de nieuwste editie van de Top 2000 staat. Maar laat ik beginnen met te verwijzen naar vier van de beste covers die ik de laatste jaren hoorde. Coveren. Doe. Je. Zo.

Maar ja. Die halen niet de Top 40.

Tot slot de videoclip van het jaar. Coldplay is een band om een ontzettende hekel aan te krijgen. Wegens het verloochenen van de wortels in de serieuze pianopop van begin deze eeuw, het opzichtige flirten met popproducers, het met alle populaire muziekwinden meewaaien: alles voor het succes. Maar dan ineens komt de groep met een single als Up & Up, met een videoclip boordevol surrealistische beelden. Een clip om naar te blijven kijken: de skiërs op het hoofdkussen, de racende auto’s op de ring van Saturnus, de planeten die boven het trottoir zweven, de drummer die op het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland zit te drummen – telkens ontdek ik iets nieuws, of heb ik een andere favoriet. Het gaat in een top-20 om de muziek en niet om de video, maar deze wil ik vermeld hebben.

20. Ellie Goulding – Still Falling For You

Ellie Goulding heeft al verrassend veel hits gescoord, maar de echte knijter ontbrak. Tot vorig jaar dan, toen de zangeres een wereldhit had met Love Me Like You Do, de soundtrack van Fifty Shades of Grey en één van de beste popsingles van de laatste jaren. Als je één keer zo’n succes hebt met een filmhit, waarom niet een tweede poging wagen? Dit keer heet de film Bridget Jones’s Baby en het liedje Still Falling For You. Wel ontbreekt ditmaal Max Martin, wat wellicht verklaart dat de single klinkt als het mindere broertje van Love Me Like You Do. Ook dan druipt de hitpotentie er nog vanaf, al haalde Still Falling For You de Top 10 niet. Bij lange na niet.

19. Walking On Cars – Speeding Cars

Het dorpje Dingle aan de Ierse westkust telt amper tweeduizend inwoners, maar al die inwoners spelen een muziekinstrument. Je moet ook wel, want het regent er het grootste deel van het jaar. Het is er trouwens prachtig, ik ben er in 2011 op vakantie geweest. Toen bestond de groep Walking On Cars al een jaar, dit jaar beleefden ze een bescheiden doorbraak met single Speeding Cars. Een slimme popsong zoals ze die in Ierland al decennia weten te schrijven, met die ‘he-ya he-ya he-ya he-ya’ hook in het refrein die je na één keer horen niet meer uit je hoofd krijgt. Het werd zonder noemenswaardige airplay (3FM pikte de single niet op) Alarmschijf en bereikte de onderste regionen van de Top 40. Tijdloze popmuziek, die in het huidige tijdsgewricht aanvoelt als een anachronisme.

18. Drake ft. Wizkid & Kyla – One Dance

De bestverkochte cd van 2016 is in Amerika niet de nieuwste van Drake, Beyoncé of Kanye West, maar van Mozart. Echt waar. Wat zal Drake gebaald hebben. Zijn Views schreeuwde aan alle kanten world dominance, maar de reviews (ha ha) waren matig. Ik snap die twijfel wel. Van de meeste nr. 1 hits snap ik de appeal, maar het succes van single One Dance begreep ik niet toen het eind april in één week van de 25ste naar de eerste plaats van de Top 40 sprong. Ik snap het nog steeds niet. Het pianoriedeltje is aardig, het ritme is prettig in het gehoor liggend, maar er is dit jaar veel betere muziek gemaakt. Er is zelfs betere hiphop gemaakt. Maar het is Drake. En One Dance is een wereldhit. Het is zelfs de meest gestreamde track op Spotify. Het ligt aan mij.

17. Mike Perry ft. Shy Martin – The Ocean

Sinds ik ooit las dat alle films eenzelfde opbouw hebben, ben ik daar op gaan letten. Het klopt. Blockbusters en filmhuisfilms verschillen in wezen weinig van elkaar; het gaat om een formule en het is aan de regisseur om die zodanig te camoufleren dat dit niet te zeer opvalt. Met popmuziek is het niet anders. Vrijwel ieder liedje kent een soortgelijke opbouw, maar de zanger/dj/producer dient die zo aantrekkelijk op dat de luisteraar toch overstag gaat. Ja, The Ocean van de Zweedse producer Mike Perry is paint by numbers tropical house (je kunt Cut Your Teeth van Kygo er overheen leggen), maar ik trap er met beide voeten in. Ik niet alleen. Het stond zes weken op de eerste plaats in Zweden, waar het dé zomerhit van 2016 was. Dan moet je van goede huize komen.

16. Deorro ft. Elvis Crespo – Bailar

Bailar is de platste dancetrack van 2016. Even was er nog, mede dankzij Serious Request, concurrentie van Believer van Major Lazer en Showtek (die bovendien een thuisvoordeel hebben; Showtek is Eindhovens), maar Believer is té plat. Bovendien heeft Bailar een iets hoger feestgehalte. Althans, gedurende de eerste minuut, als Bailar een vrolijke, zomerse meedeiner lijkt te worden. Lijkt, want dan komt de beat erin, de meest platte, ongenuanceerde feestbeat van 2016. Het is tekenend voor de Nederlandse muziekscene dat zo’n song juist hier een grote hit wordt. Want lomper dan Deorro en Elvis Crespo tref je ze anno 2016 niet aan. Behalve bij Major Lazer en Showtek dan.

15. Adele – Send My Love (To Your New Lover)

2015 was het jaar van Adele, in 2016 ging de zangeres met het snelst verkopende album van de 21ste eeuw op haar naam op wereldtournee. De singles van 25 deden de promotie. When We Were Young was een tikkeltje paint by numbers Adele, maar in Send My Love (To Your New Lover) was, met dat ritmische en geloopte gitaartje, een andere kant van de zangeres te horen. Mede geschreven en geproduceerd door Max Martin (en diens protegé Shellback), nadat Adele I Knew You Were Trouble van Taylor Swift hoorde en stante pede ook met de Zweedse grootmeester wilde werken. En dan te bedenken dat de basis van het liedje door de zangeres werd geschreven toen ze dertien jaar oud was. Hoezo 25?

14. Rae Sremmurd ft. Gucci Mane – Black Beatles

Kent iemand Baauer nog? Van de Harlem Shake? Zelden iemand zo niet blij gezien met een wereldhit, toen Baauers hit in 2013 viral ging. Dan waren Rae Sremmurd en Gucci Mane een heel stuk dankbaarder toen Black Beatles eind november de eerste plaats van de Billboard Hot 100 bereikte, vooral dankzij het gebruik van de track in de meme van 2016: de Mannequin Challenge. Die houdt niet veel meer in dan stokstijf stil blijven staan terwijl een camera ze filmt, het liefst met Black Beatles op de achtergrond. Zelfs Macca zelf gaf z’n goedkeuring toen hij een Mannequin Challenge deed. Net als Harlem Shake is Black Beatles overduidelijk trap, de southern hiphopversie die wordt gekenmerkt door donkere synths en rauwe raps. Al lijkt het, als je de videoclip ziet met al die vrolijke beelden van de live shows, wel mee te vallen met het duistere gehalte van Rae Sremmurd en Gucci Mane.

13. Bruno Mars – 24K Magic

Elke zaterdag, als ik in de kleedkamer van de sportschool sta uit te puffen van de grit strength, worden in de aangrenzende zaal breakdance-lessen gegeven. Sinds een paar maanden beginnen ze steevast met Bruno Mars’ 24K Magic. Blijkbaar gaat het niet altijd goed; het wordt geregeld opnieuw ingestart. 24K Magic is een typisch breakdanceplaatje. En Mars is op een missie om de nieuwe King of Pop te worden, met de vrolijke, onbezorgde, schaamteloos retro klinkende jarentachtigsynthfunk van 24K Magic als vehikel. De zanger neemt daarvoor de blauwdruk van het ultieme popmeesterwerk Thriller en komt zelf met een album dat ook negen tracks telt. Het ding heeft een speelduur van nog geen 34 minuten. Ook dat is een statement: álle tracks zijn potentiële hits. Al blijf ik met de vraag zitten of negen liedjes met retro jarentachtigsynthfunk niet te veel van het goede is.

12. Kungs vs. Cookin’ On 3 Burners – This Girl

Remixen zijn de levensader van de muziekindustrie. Is je track geflopt? Geen nood, een dj reanimeert je zorgenkindje et voilà: je hebt alsnog een monsterhit. Dat klinkt cynisch en is in het geval van het o zo zomerse This Girl wellicht zelfs onterecht. Het origineel stamt al uit 2009, is van het Australische funktrio Cookin’ On 3 Burners en werd in die versie ook in het thuisland geen hit. Valentin Brunel, de echte naam van de negentienjarige, uit het Franse Toulon afkomstige dj Kungs, maakte de remix. Hij voerde het tempo iets op, mixte er handclaps, een funky gitaartje én extra trompetjes doorheen en scoorde daarmee de leukste zomerhit van 2016.

11. Fifth Harmony ft. Ty Dolla $ign – Work From Home

Work From Home is de best bekeken videoclip van 2016. Een keer kijken en je snapt waarom: veel te zonnebankbruine, te gespierde en te bezwete mannen, met daartussenin wulps dansende zangeressen. We zijn een eind gekomen sinds Addicted To Love, maar tegelijkertijd zijn we geen meter opgeschoten. Goed, Fifth Harmony dus. De kwade genius achter dit vijftal is Simon Cowell. Stelde hij eerder uit solozangers die meededen aan The X-Factor in Groot-Brittannië One Direction samen, in 2012 deed hij hetzelfde bij The Voice USA al gaat het hier om, niet onbelangrijk, vijf zangeressen. Dinah Jane, die de tweede keer het pre-chorus zingt, is de beste. Als Fifth Harmony na een volgend album al ruziënd uit elkaar dondert (Camila Cabello kondigde haar afscheid afgelopen weekend al aan), dicht ik Jane een glansrijke, Beyoncé-achtige, solocarrière toe. Omdat er – heel erg nineties – ook een rap in het liedje moet, rapt Ty Dolla $ign een moppie mee. Ja, die naam schrijf je echt zo. Ayn Rand zou trots op ‘m zijn geweest.

10. Rag’n’Bone Man – Human

Bestaat authenticiteit in de popmuziek? Ik denk het niet. Ik denk dat het überhaupt nooit bestaan heeft. Een liedje kan wel heel authentiek klínken, vandaar dat muziekcritici lyrisch zijn over het succes van Rag’n’Bone Mans Human. Het is een monster van een track, grotendeels zelf geschreven door Rory Graham. Hij is Rag’n’Bone Man, een singer-songwriter die de woorden funk en soul op z’n handen getatoeëerd heeft staan. De productie is in handen van Two Inch Punch, een man die eerder werkte voor hitfabriekjes Sam Smith en Years & Years. Human is in wezen een bluessong, die door de in your face productie naar een hoger plan wordt getild. Rag’n’Bone Man miste vorige week op een haar na de eerste plaats in de Britse Top 40, waarmee de felbegeerde titel Christmas Nr. 1 nipt aan z’n neus voorbij ging. Dat is nog de minste zorg. De vraag is hoe Rag’n’Bone Man zo’n monsterhit in godsnaam op gaat volgen. Hij is gedoemd een one hit wonder te worden.

9. Desiigner – Panda
8. Broederliefde – Jungle

Er was dit jaar nogal wat te doen rond 3FM. Het verwijt: ze draaien te weinig hiphop. Tja. 3FM zit in een lastig parket. Het is van oudsher een rockzender, gericht op alternatieve muziek, tegelijkertijd ziet ook de leiding dat jongeren steeds minder naar 3FM luisteren. En als jongeren niet meer naar een jongerenzender luisteren, nouja, dat is wel een dingetje.

Als de zender krakers als Panda op high rotation zet ben ik om. Sidney Royel Selby III is de rapper die dit jaar op achttienjarige leeftijd als Desiigner de eerste plaats van de Billboard Hot 100 bereikte. Met dank aan Kanye, die Panda samplede op z’n plaat The Life of Pablo. Niet dat het gaat over de grote troetelbeer die al niezend honderden miljoen views op Joetjoep binnen harkt, maar om Desiigners liefde voor de BMW X6: verkrijgbaar in zwart en wit, vandaar dat hij geregeld ijlend ‘panda, panda’ zegt. Panda is meesterlijk geproduceerd: de omineuze beat en de strijkers op de achtergrond, de rap die mooi naar voren is gehaald in de mix. Hiphop en trap als voer voor de woofers. Het is te maf voor de Top 40, maar kwam daar toch terecht.

Met Broederliefde heb ik minder, maar het valt niet te ontkennen dat 2016 het jaar van deze hiphopgroep uit Spangen was. Het album Hard Work Pays Off 2 stond veertien weken op nr. 1 van de Album Top 100. Alaka en Ik was al Binnen haalden beiden de Top 40, Jungle was de grootste hit. ‘De Nederlandse oorwurm van het jaar,’ aldus 3voor12. Absoluut; Jungle is, eenmaal gehoord, niet meer uit je onderbewustzijn weg te krijgen. Met veel gevoel voor humor ook: kijk alleen maar naar de hoes van dat album dat alle records verbrak. Dan vergeet ik nog het állerbelangrijkste. Er groeit dankzij Jungle een nieuwe generatie op die het acroniem Benelux kent. Kudo’s.

7. Justin Timberlake – Can’t Stop The Feeling!

Max Martin had in 2016 niet z’n beste jaar. Scoorde hij in 2014 nog drie Amerikaanse nr. 1 hits, in 2015 waren het er nog twee. Dit jaar was het er maar eentje: Can’t Stop The Feeling! van Justin Timberlake die we, naar A. F. Th. van der Heijden, alleen nog maar met z’n initialen hoeven aan te duiden: J.T.. Hoewel het in Amerika de bestverkochte single van het jaar was, vind ik Can’t Stop The Feeling! niet de beste van Martin. Hij wil te graag. Of misschien komt het door Timberlake, die net als Mars te dicht bij het muziekidioom van de King of Pop blijft hangen en daardoor niet overtuigt als geloofwaardige troonpretendent. Blijft over dat Timberlakes single een hoog feestgehalte heeft waar niemand zich een buil aan kan vallen. En durfde de zanger het aan om op te treden als pauze-act tijdens het Eurovisie Songfestival. Een primeur; nooit eerder stond zo’n grote Amerikaanse artiest op het podium tijdens het ultieme kitschfestijn.

6. The Chainsmokers ft. Rozes – Roses

The Chainsmokers brachten in 2014 #selfie uit, een song met de levensduur van de gemiddelde noveltyhit: één week leuk. Geen reclame voor de rest van de output van het Amerikaanse DJ-duo. Zoals Stereogum niet ongeestig opmerkte: ‘a song that bad is its own kind of quality control filter: This river is polluted today, and it will probably be polluted for a long time, so don’t even bother looking for refreshment here. The Chainsmokers might as well fuck off forever.’ Maar, zo moest ook deze scribent van Stereogum toegeven, Roses, de single die The Chainsmokers vorig jaar uitbracht (maar in 2016 door toedoen van Justin Bieber alsnog een hit werd) is prachtig. Een productie die niet zomaar de standaard bottebijlmethode toepast met een plat, lomp beukend refrein, maar juist de subtiliteit opzoekt. Misschien is het juist de verbazing dat een groep die zulke bagger kan maken het ook in zich heeft zo’n wonderschone dancetrack te produceren, al begon bij opvolgers Don’t Let Me Down, Closer en All We Know de blauwdruk op te vallen. Wel jammer dat het zulke eikels zijn.

5. ZAYN – Pillowtalk

Leden van boybands houden elkaar constant in gijzeling. De band is bedoeld als springplank voor een succesvolle solocarrière dus de vraag die boven elke boyband hangt is simpel: wie springt als eerste en heeft daarmee een voorsprong op de rest? Zayn Malik was de eerste van de One Directionleden die in maart 2015 aankondigde uit de band te stappen, om een jaar later z’n solodebuut Mind of Mine te droppen. Over dat album had Stereogum een prachtige quote: ‘Malik has delivered a whole album of One Direction minus fun plus sex.’ Uiteindelijk was Pillowtalk de enige single van Mind of Mine met enige impact en zelfs dat liedje is, nu de balans van 2016 wordt opgemaakt, alweer bijna vergeten maar ik breek er, met z’n spijkerharde drums, de ambivalente teksten (‘be in the bed all day, fucking you, and fighting on’) die tegelijkertijd niks aan duidelijkheid te wensen overlaten én de zowel spuuglelijke als fascinerende videoclip (met liefje Gigi Hadid) graag een lans voor.

4. Twenty One Pilots – Stressed Out

Vroeger, toen de aarde nog plat was, en je poepen nog met een lange oe schreef, ja toen was alles beter. Dat hebben Josh Dun en Tyler Joseph goed begrepen. Hun doorbraaksingle Stressed Out is een even melancholieke als vrolijke kijk op het jong zijn, want met het ouder worden verdwijnen de adolescententwijfels geenszins: ‘I was told when I get older all my fears would shrink, but now I’m insecure and care wat people think’. Ik snap Joseph heel goed. Ik niet alleen. Vorige maand stonden ze voor een uitverkochte Heineken Music Hall die, aldus de recensent van de Volkskrant, verdacht leeg oogde, al kwam dat doordat alle meisjes tegen het podium aan stonden gedrukt. Er zijn anno 2016 veel vervelendere groepen waar de gemiddelde bakvis voor kan vallen, dus mij hoor je niet klagen. En Twenty One Pilots behaalde dat succes op eigen kracht. Want Blurryface, het album waar Stressed Out (en andere topsingles als Ride en Lane Boy) van afkomstig zijn, is de vierde plaat van het duo én, net als de voorgangers, grotendeels zelf geschreven. Respect.

3. The Weeknd ft. Daft Punk – Starboy

Sinds het overlijden van Michael Jackson de troon van de King of Pop vacant is doen diverse sterren een greep naar de macht. Mars en Timberlake, we kwamen ze al tegen, blijven daarbij te dicht bij de stijl van de grootmeester zelve, maar Abel Makkonen Tesfaye, lijkt de ethics van Wacko Jacko meer naar de 21ste eeuw te trekken. Iets meer. Hij is in elk geval slim genoeg om een samenwerking met Daft Punk (is het schilderij op 1 minuut 20 een cameo of product placement?) aan te gaan, een duo dat op een dermate hoog niveau musiceert dat zelfs een b-kantje met gemak mijn eindejaarslijstje zou halen. De pulserende beats en de brommende synthbas zijn typisch Daft Punk; Starboy wordt nergens lomp, maar is tegelijkertijd een extreem dansbare track. Het is met afstand de meest mellow track die dit jaar op Slam! FM te horen is geweest. Het enige jammere is dat The Weeknd nog geen fatsoenlijk, coherent album heeft weten uit te brengen. Ook het album Starboy – de titel is een eerbetoon aan Jackson – is, op z’n zachtst gezegd, wisselvallig. Of is het met de titel van King of Pop net zoiets met ouderdom: iedereen wil het worden, niemand wil het zijn?

2. Mike Posner – I Took A Pill In Ibiza (SeeB Remix)

‘Is that really a song?’, aldus een Engelstalige vriendin tegen mij, toen ik eerder dit jaar met haar de meest recente hits doornam. Ja, dit is een song. En een verdomd goede ook nog. Als Drank & Drugs de feestdrugshit van 2015 was, dan is I Took a Pill in Ibiza the day after. De kater komt later: Posner voelde zich ‘ten years older but fuck it, it was something to do.’ Het mooie van I Took a Pill in Ibiza is dat de tekst in tegenspraak is met die hedonistische openingsregels. Die gaat over de tol van de roem van een popster, zo zingt hij dat hij na een one night stand zegt dat ie het druk heeft, ‘but the truth is I can’t open up’. Dat levert in de originele versie een vervelende lamentatie op, dus kudo’s voor het Noorse DJ-duo SeeB dat ze die lamlendige song van Posner hebben verbouwd tot deze remix die zo verraderlijk vrolijk klinkt. Nee, de roem en de drugs die bij het succes horen, daar is niks cool aan. Hoeveel luisteraars zal dat zijn opgevallen.

1. Dua Lipa – Be The One

Alle liedjes van het volgend jaar te verschijnen debuut van Dua Lipa heeft ze zelf geschreven. Allemaal. Behalve Be The One. Maar, zo gaf de zangeres zelf toe, dat liedje is zó goed dat het per se op haar debuut moet. Laat het ook meteen haar beste song zijn, waar latere singles als Hotter Than Hell, Last Dance en Blow Your Mind (Mwah) niet bij in de buurt komen. 2016 is het jaar van de tropical house hausse. Prettig in het gehoor liggende, relaxte dance, met als vaandeldragers The Chainsmokers, Robin Schulz, Kygo, Seeb en Mike Perry: we kwamen een paar van deze jongens al eerder in de lijst tegen. Dua Lipa geeft ze allemaal het nakijken. Ze is niet alleen het mooiste meisje van de klas (bekijk de videoclip bij Be The One en probeer níet te smelten), ze heeft ook nog eens de mooiste track van het jaar. Eigenlijk is dat heel logisch.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Song Top 20 2016

Paspoortleed

In mijn eerste paspoort zullen niet veel stempels hebben gestaan. Het was zo’n exemplaar waarbij onderaan de pagina’s de Nederlandse geschiedenis in vogelvlucht werd verteld. Interessant; alles wat ik weet van de Hoekse en Kabeljauwse twisten heb ik geleerd op vakantie naar Frankrijk, als ik verveeld door mijn paspoort bladerde en de minuscuul kleine, onleesbaar geachte, woordjes uitspelde. Aan mijn voorlaatste paspoort was ik, vanwege de stempels van Australië, Nieuw-Zeeland en Amerika meer gehecht, maar de baliemedewerkster was meedogenloos en nam het paspoort in toen ik een nieuw aan kwam vragen.

Dit keer ging het niet anders. Mijn paspoort verliep op 24 november en omdat het geld bij Guido niet op de rug groeit had hij zich voorgenomen dat hij zich, op de dag dat hij z’n salaris én dertiende maand binnen zou krijgen, naar de kapper, de fotograaf én de gemeente zou spieden ten einde het nieuwe paspoort (à la leges van 64 euro 40) aan te vragen. Dat zou allemaal geen problemen moeten opleveren. Zou. Maar misschien had ik me toch zorgen moeten maken toen het apparaat dat mijn nieuwe pasfoto scande niet zo overtuigd leek van de rechtsgeldigheid van mijn tronie. Tot twee keer toen hield de medewerkster de foto onder de scan en pas na hevig aandringen ging het apparaat schoorvoetend akkoord.

‘Omdat dit paspoort is verlopen moet ik het inhouden meneer,’ sprak de baliemedewerkster ietwat verveeld.
‘Owja?,’ vroeg ik verbaasd, maar ik sputterde niet tegen. Goed, ik had dan tijdelijk geen geldig identiteitsbewijs (nee, ik heb nooit mijn rijbewijs gehaald), maar dat moest te overleven zijn. Uiterlijk volgende week donderdag zou mijn paspoort klaar zijn.

Nog geen uur later bestelde ik in een kledingzaak een t-shirt dat niet in mijn maat voorradig was. Bij het afrekenen zag ik hoe een andere klant een bestelling ophaalde en zich moest legitimeren. Ai, probleempje.
‘Euh, ik heb momenteel helaas geen geldig identiteitsbewijs,’ zei ik tegen de medewerker.
‘Ow, dat is geen probleem hoor,’ verzekerde hij me.
Toch schoot het nu even door m’n hoofd: die paar dagen zonder geldig legitimatiebewijs konden nog knap lastig worden.

Afgelopen weekend wilde ik een dagje met de trein naar Rotterdam. Toen ik het uitgeprinte kaartje, dat ik een paar maanden terug in de Spoordeelwinkel had gekocht, eens goed bekeek zag ik pas de kleine lettertjes: ‘alleen geldig op vertoon van een geldig identiteitsbewijs.’ Lastig. Ik begon me inmiddels toch danig onthand te voelen zonder paspoort. Er werd nooit naar gevraagd, zeker niet als ik met de trein reisde, maar ik vond het geen prettige gedachte om semi-illegaal in de trein te zitten. Voor de zekerheid checkte ik het met de webcare van de NS. Nee, reizen met zo’n treinkaartje zonder geldige legitimatie was eigenlijk niet toegestaan, ‘maar overleg even met de conducteur voordat je in de trein stapt,’ aldus de medewerker van de webcare. Gezagsgetrouw als ik ben wachtte ik bij de trein op de conducteur en toen ik de beste man achteraan bij de trein zag staan, rende ik op ‘m af, waarop hij doodleuk instapte en vertrok: trein gemist. Een half uur later was de conducteur van de volgende trein wel aanspreekbaar, al was hij wat korzelig: ‘dat is niet geldig. Maar waar moet u heen?’
Ik zei dat ik naar Rotterdam moest.
‘Daar gaat u wel komen.’
‘En terug?’
Dat bleek een retorische vraag. Hij haalde z’n schouders op.
‘Oké. Dat moet ik daar dan nog maar vragen.’

‘s Avonds, na zonder problemen uit Rotterdam te zijn teruggereisd, vertelde ik tijdens het eten bij mijn ouders dat ik mij, zo zonder geldige papieren, illegaal voelde. Mijn zwager, ook te gast en iets rechtser dan ik: ‘krijg je nu dan geld?’
Hij kreeg van mij een vernietigende blik toegeworpen.

Vandaag kreeg ik aan het einde van de morgen een telefoontje van een medewerkster van de gemeente: ‘meneer, uw foto is niet goed. Uw voorhoofd is te hoog en u heeft uw mond niet dicht.’
Mijn mond niet dicht? Dat was me niet opgevallen. Sterker, op de eerste foto die de fotograaf had gemaakt had ik m’n mond volgens de beste man nog een beetje open, reden voor hem om ‘m opnieuw te maken. En wat betreft dat voorhoofd, het liefste had ik willen roepen ‘mevrouw, ik word al kaal. Dat komt voor bij mannen, ook op hun 35ste.’ In plaats daarvan stamelde ik dat ik na het werk wel een andere pasfoto af zou komen geven. Ik kon zo naar de balie lopen en naar iemand vragen: geen enkel probleem.

Een paar uur later kreeg ik een mailtje: ‘Beste lezer, uw paspoort of ID-kaart ligt klaar op het Stadskantoor.’ Dat maakte het er niet duidelijker op.

Na het werk fietste ik meteen naar het stadskantoor. Bij de balie legde ik de situatie uit: ‘ik zit met een cryptische situatie. Ik ben vanmorgen gebeld dat de foto voor mijn nieuwe paspoort niet goed zou zijn, én ik kreeg vanmiddag een mailtje dat mijn paspoort klaar ligt.’
‘Oei, dat is wel wat slordig,’ vond de baliemedewerker. ‘Maar ik vrees dat uw pasfoto dan niet correct is,’ vervolgde hij.
Hij ging het nakijken en kwam even later terug. ‘Uw paspoort is vanmorgen binnengekomen en toen bleek dat de pasfoto niet goed was. Er zou te veel voorhoofd op de foto staan. En u heeft uw mond niet dicht.’
‘Dat had ik al begrepen. Wel wat vreemd,’ zei ik, ‘want ik heb m’n mond toch echt dicht op die foto. Daar heeft de fotograaf zelfs nog op gelet.’
‘Tja, dan weet ik het ook niet. Maar gaat u even een nieuwe pasfoto maken en geef die af, dan doen we vandaag de aanvraag nog weg. Dan heeft u woensdag alsnog uw paspoort,’ zo verzekerde de medewerker mij.
‘Woensdag? Dat is toch nog sneller dan ik had verwacht. Eigenlijk zou het donderdag binnenkomen,’ reageerde ik verheugd.

Bij de fotowinkel waar ik vorige week de pasfoto’s had laten maken reageerden ze nuchter op mijn verhaal. Nee, ze hadden geen idee wat er mis kon zijn, maar zonder morren maakte de medewerkster gratis een nieuwe foto.
‘Voor ons is het soms ook een raadsel waarom foto’s worden afgekeurd,’ zo verzekerde ze me.

Terug in het stadskantoor liep ik direct door naar de balies. De medewerker die mij net had geholpen, was met een klant bezig dus ik stond er wat hulpeloos, met de nieuwe pasfoto’s in mijn hand. Een medewerkster vroeg wat ik kwam doen. Ik legde mijn situatie uit. Ze ging overleggen en kwam terug. Nee, de eerste foto was echt niet goed, sprak ze verwijtend. Alsof ik zelf ook niet in had gezien dat de pasfoto helemaal fout was geweest. En trouwens, de foto werd ook nog eens extra groot in mijn paspoort gezet. Het zag er niet uit. Zoals ze het beschreef dacht ik dat ik als een Conehead, of E.T. was afgebeeld.
‘Ik moet een nieuwe aanvraag voor u indienen,’ zei de dame.
‘Ik had begrepen dat ik alleen mijn pasfoto af hoefde te geven,’ antwoordde ik.
‘Nee, dat kan niet meneer,’ zo zei de baliemedewerkster op een toon die geen tegenspraak duldde. ‘Ik moet een nieuwe aanvraag voor u doen. Maar die is dan op kosten van de gemeente Eindhoven.’
Nu volgde de riedel die ik een week eerder al had gehoord: mijn lengte, de handtekening, de pasfoto, de vingerafdrukken.
‘U hoeft toch niet snel weg he? Want dan maak ik er een spoedaanvraag van,’ vroeg de dame.
‘Nee hoor,’ verzekerde ik de medewerkster. ‘Maar het paspoort is toch al woensdag klaar.’
‘Woensdag? Dat is wel erg snel. Dat hadden we nog gehaald als u de foto voor 15.30 uur had aangeleverd. Nee, nu wordt het donderdag,’ zei ze.
Gelaten verliet ik het stadskantoor. In mijn hand had ik het afhaalbewijs waarop de baliemedewerkster in grote letters had geschreven ‘tbv gemeente Eindhoven’.

Thuis bekeek ik de afgekeurde pasfoto. Ik heb mijn hoofd een beetje naar achteren. Maar mijn mond heb ik toch echt dicht.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged , , | Comments Off on Paspoortleed

Bastille

Kunnen we het even hebben over Bastille? Ik wil niet de misantroop uithangen, maar als ik heel eventjes mag: Good Grief moet de allerslechtste single zijn van de allerslechtste band die anno 2016 de Nederlandse ether vervuilt. Het jaar is nog niet voorbij, dus ik neem enig risico met deze boude stelling, maar ik verwacht niet dat er een andere band is die in de buurt komt van de ongekende dieptes die Bastille heeft weten te bereiken. Dat het zo’n verschrikkelijke band is kan niet als een verrassing komen. Pompeii was al een draak van een single, al kon ik me voorstellen dat de ‘hey-hey-oh-hey-oh’ hook in het refrein wel lekker blijft hangen. Je neuriet het meteen mee, geen wonder dat het een wereldhit is geworden. Je kreeg het als argeloze luisteraar sowieso door je strot geduwd, dus of je het wilde of niet, vroeg of laat blèrde je het vanzelf wel mee.

Ik hoopte dat het bij die ene single zou blijven. Dat Bastille in een vlaag van verstandsverbijstering van de voltallige wereldbevolking op een voetstuk was gehesen, dat de groep door de mand zou vallen. De mensheid zou het snel genoeg doorkrijgen: dit is een band gespeend van enig talent. Andere singles van het debuutalbum Bad Blood beloofden nochtans weinig goeds. Laura Palmer, Things We Lost In The Fire: ze hadden dezelfde mix van belabberde teksten, catchy koortjes en, het allerergste, een niet kloppend metrum. De grootste doodzonde moest toen nog komen. De regelrechte verkrachting van twee geweldige jarennegentigeurohousekrakers: The Rhythm Of The Night van Corona en Rhythm Is A Dancer van Snap. Ze werden verbouwd tot Of The Night, waarbij alles wat de originele tracks zo leuk hadden gemaakt werd weggegooid. Dat je zoiets opneemt is ernstig, dat je het uitbrengt is schandalig, dat er radiostations zijn die het draaien gaat alle verstand te boven. Slechter dan Of The Night kon niet.

Tot Good Grief dus.

Good Grief is een aantoonbaar slecht liedje. Alles, werkelijk álles aan deze track is slecht. Het zijn grote woorden, ik weet het, dus laat ik om mijn bewering te onderbouwen een exegese van de tekst maken. Die gaat, zoals in zoveel popliedjes, over de zanger die treurt dat z’n vriendinnetje bij ‘m weg is. Althans, dat denk ik. Want Bastille-zanger Dan Smith beschrijft een en ander in zo’n incoherent relaas dat je je serieus afvraagt of het vriendinnetje niet in stukken gezaagd in de vriezer ligt, of met betonnen voetjes op de bodem van het kanaal de vissen gezelschap houdt. Dat is dan misschien de verklaring voor de regel die zanger Dan Smith keer op keer blijft herhalen:

What’s gonna be left of the world if you’re not in it?

Hou dit in gedachten, want dit refrein is nog het enige begrijpelijke deel van de songtekst. De rest is cryptischer. Zo heeft Smith de helft van de tijd z’n handen voor z’n gezicht en durft hij amper tussen z’n vingers door te kijken:

Watching through my fingers, watching through my fingers
Shut my eyes and count to ten

Laten we dit stukje proza eens verder ontleden. Blijkbaar ziet hij iets traumatisch en slaat hij z’n handen voor z’n ogen. Begrijpelijk. Wie heeft niet als kind met een mengeling van nieuwsgierigheid en angst met z’n handen voor z’n ogen gezeten, of is bij een spannende filmscène achter de bank gekropen? Smith blijkbaar ook. Dat je dan je ogen ook nog dichtdoet en tot tien telt en denkt dat het enge beeld dan weg is, ach. Laten we het erop houden dat logisch redeneren niet de sterkste kant van Smith is. Dit is de man die over Pompeii zong ‘hey-hey-oh-hey-oh’; alsof de inwoners van die stad niks beters te doen hadden dan onzinteksten zingen toen de Vesuvius uitbarstte. Nee, dan het tweede couplet, waarin Smith’s zintuigen niet meer correct lijken te functioneren:

Watching through my fingers, watching through my fingers
In my thoughts you’re far away
And you are whistling the melody, whistling the melody
Crystallizing clear as day
Oh I can picture you so easily, picture you so easily

Je hoopt dat de tekst hier begrijpelijker wordt. Dat Smith zelf ook wel inziet: ‘goed, ik heb net een hoop quatsch gezongen, nu moet ik de luisteraar wel enige houvast bieden.’ Dat is niet het geval. Want volgens bovenstaand fragment kijkt de zanger tussen z’n vingers door en ziet z’n vriendinnetje. Of niet, want in gedachten is ze ver bij hem weg. En hij hoort haar een melodie fluiten. Dat is raar. Als je iets hoort, kan je dan niet beter je oren dichtknijpen, in plaats van je handen voor je ogen houden? Of heel hard een ander liedje zingen? Dat werkt altijd goed als je een oorwurm (zoals Pompeii) kwijt probeert te raken. Vreemd genoeg sluit Smith het couplet af met de regel dat hij haar zo makkelijk voor z’n ogen ziet. Waarom hou je dan überhaupt nog je handen voor je gezicht? Dat heeft weinig nut als je iemand in gedachten voor je ziet. Dan, in het derde couplet, wordt de relatie tussen zanger Smith en z’n vriendinnetje ronduit problematisch:

Watching through my fingers, watching through my fingers
Caught off guard by your favorite song
Oh I’ll be dancing at a funeral, dancing at a funeral
Sleeping in the clothes you love
It’s such a shame we had to see them burn, shame we had to see them burn

Juist. Dus de zanger houdt nog steeds z’n handen voor z’n ogen en schrikt nu als hij plotseling haar favoriete liedje hoort. Dan gaat ie zelfs dansen op een begrafenis. Maar over wiens uitvaart heeft hij het? Die van z’n vriendinnetje? En hoe is zij aan haar einde gekomen? Daarover heeft Smith het niet. Toch ligt hij wel in haar kleren te slapen. De zanger is dus een travestiet. Niet dat dat erg is; anno 2016 doet niemand meer moeilijk over een onderwerp als gender. Maar dat hij in haar kleren slaapt die ze net samen hebben verbrand is wel een tikkeltje, tja, vreemd. Want zijn die kleren verbrand in de crematie van z’n vriendinnetje? Dat kan niet, want ze hebben ze samen verbrand. Gaan we nog even verder, teneinde wat duidelijkheid te krijgen over de strekking van Good Grief.

You might have to excuse me
I’ve lost control of all my senses
And you might have to excuse me
I’ve lost control of all my words
So get drunk, call me a fool

Het heeft even geduurd, maar alles lijkt nu wat duidelijker te worden. Smith is compleet murw van alle emoties. Arme jongen. Hij ziet nu zelf ook in dat ie aan het raaskallen is. Eindelijk heeft Good Grief een zin die hout snijdt: laten we samen dronken worden en elkaar voor gek verklaren. Logisch, want alleen als je starnakel dronken bent begrijp je deze tekst.

Natuurlijk, slechte teksten zijn van alle tijden. Jim Morrison van The Doors, een band die tegenwoordig alom wordt beschouwd als Enorm Belangrijk En Invloedrijk, zong in Riders On The Storm tenenkrommende rijmelarij als ‘there’s a killer on the road, his brain is squirming like a toad’ en kwam er mee weg. In de jaren negentig had je Des’ree, die met Life een nieuwe norm zette wat betreft onzinteksten: ‘I don’t want to see a ghost, it’s a sign that I fear most, I’d rather have a piece of toast, watch the evening news’. Bijna twintig jaar later nog steeds lachwekkend slecht. Of The Killers, die in 2008 de existentiële vraag opwierpen: ‘are we human, or are we dancer?’ Ze werden er hard om uitgelachen, maar Human werd een wereldhit. En er verschijnen zeventien jaar na dato nog geregeld bloedserieuze artikelen over de vraag waar I Want It That Way van de Backstreet Boys nu eigenlijk over gaat. Hoe slecht die teksten dan ook mogen zijn, het zijn wel klassieke pophits gebleken (oké, Des’ree’s Life uitgezonderd).

Toch vermoed ik dat die Smith niet helemaal achterlijk is. Hij heeft een paar hits gescoord, dan zal je allicht iets kunnen. En nee, popzangers hebben niet de ambitie om met hun teksten te kunnen wedijveren met het beste werk van Tolstoj, Shakespeare of Joyce. Maar om eerst drie coupletten lang rabiate nonsens uit te kramen om dan met het excuus te komen dat je aan het raaskallen bent is wat al te makkelijk. Daar trappen we niet zomaar in. En trouwens, als je zo’n onzin uitkraamt, had dan in elk geval voor een tekst gekozen die enigszins in het metrum past. Want geheel in traditie met de rest van het oeuvre van Bastille klopt er werkelijk niks van de tekst als deze over de melodie wordt gezongen. Smith legt continu de klemtoon verkeerd en rekt woorden op om ze in het metrum gepropt te krijgen: whistling, melody, dancing, crystallizing, sleeping. Hij doet het zó vaak dat ik vermoed dat hij het expres doet. Waarom is een raadsel. Het is lelijk en irritant.

Het stomme is: ik ben lang niet de enige die Bastille verschrikkelijk vindt. Zelfs OOR, het muziekblad dat een paar jaar terug nog lovende woorden over had voor SuperHeavy, het volslagen geflopte hobbyproject van Mick Jagger, publiceerde een vernietigende recensie over het laatste Bastille-album Wild World, waar Good Grief de eerste single van is. De recensie zorgde zelfs nog voor enige ophef, want kritische recensies worden bij OOR met uitsterven bedreigd:

‘Bastille maakt namelijk muziek waar geen recensent zich mee wil bezighouden. Dat deed de Britse band al op debuut Bad Blood. Singles Pompeï en Things We Lost In The Fire werden desondanks enorme hits. Ik snap dat nog steeds niet. Deze groep is het debiele broertje van Coldplay. En nu ik dat heb opgeschreven, wil ik meteen mijn excuses aanbieden aan Coldplay. Die band heeft namelijk nog een charismatische frontman, en niet zo’n gebroken dweil als Bastille-zanger Dan Smith.’

Soms word ik mistroostig van de toestand in de wereld. En dan niet vanwege opkomend rechts-extremisme, de opwarming van de aarde of de zwartepietendiscussie. Ja, dat zijn allemaal ernstige zaken. Wat ik minstens zo zorgelijk vind is dat een groep als Bastille voet aan de grond krijgt. Dat een zender als 3FM de groep een podium biedt, dat zo’n band voor een uitverkochte Bijlmer Bier Hal speelt. Ieder tijdperk krijgt de band die het verdient. De jaren tachtig waren van The Smiths, de jaren negentig van Oasis, Blur en Radiohead en de jaren nul van The Libertines en Arctic Monkeys. De Britse alternatieve gitaarmuziek heeft zoveel moois voortgebracht en waar heeft het toe geleid? Tot Bastille. De apocalyps is aanstaande.

Posted in Muziek | Tagged , , | Comments Off on Bastille

Kastanjes

Ik heb haar, toen ik thuiskwam van mijn werk en achterom fietste, voor het huis met de buurman zien praten: een meisje van een jaar of tien, met in haar handen een step. Thuis heb ik mijn sportspullen gepakt: mooi een half uurtje om vijf kilometer te gaan hardlopen in de sportschool. Als ik denk snel weg te zijn, dan kom ik bedrogen uit. Eerst spreekt de buurman mij aan over de heg die hij net heeft gesnoeid (‘dan kunt u weer goed bij de grijze bak, buurman’), dan het meisje dat de buurman al aan de praat heeft gehouden.

‘Wat bent u lang,’ zegt ze met enig ontzag. Ze kijkt me met priemende, bruine ogen aan. Ik heb het al snel in de gaten: het gaat inderdaad nog knap lastig worden om op tijd naar de sportschool te gaan.
‘Nou, dat valt wel mee. Toch?,’ vraag ik. Ik ben 1 meter 88, maar als ik iets aan mijn lichaam kon veranderen is het niet dat ik al kaal word, wel was ik graag nog een paar centimeter langer geweest.
‘Vergeleken met hem dan,’ zegt ze, terwijl ze naar de buurman kijkt.
‘Maar die is misschien heel klein,’ werp ik tegen, terwijl ik de (trouwens helemaal niet zo kleine) buurman lachend aankijk. ‘En jij bent ook niet zo groot want jij staat op straat en ik op de stoe… ownee, je staat ook op de stoep. Nouja, dan nog, zo groot ben ik niet.’

Heel even is ze stil. Dan begint ze te ratelen. ‘Ik ben kastanjes aan het rapen. Dit is de enige kastanjeboom in de hele buurt,’ zegt het meisje. In haar handen heeft ze een wit plastic zakje met kastanjes.
‘Werkelijk? Is dat dan geen kastanje?,’ vraag ik, terwijl ik naar een boom tien meter verderop wijs. Als de bomen in de straat in bloei staan, lijken ze allemaal eenzelfde soort bloemen te dragen.
‘Dát? Nee, natuurlijk niet,’ zegt ze op een toon die geen tegenspraak duldt. ‘Ik weet trouwens alle bomen.’
‘Allemaal?,’ vraag ik met enig ongeloof.
‘Weet u hoe zo’n witte boom heet?,’ vraagt ze dan.
‘Dat is een makkelijke, die weet ik wel. Dat is een berk. En de treurwilg ken ik. En de knotwilg natuurlijk. En… nouja, die dus.’
Ik denk aan de keer dat ik aan Met het Mes op Tafel meedeed en ik de vraag kreeg wat een andere naam voor de iep is. Ik schreef wilg op, maar realiseerde me toen dat wilg sowieso fout is en ik beter een gok kon wagen. Toen was me ineens het liedje De Uil zat in de Olmen te binnen geschoten en had ik olm ingevuld. Nog steeds weet ik niet waar ik die wijsheid vandaan heb gehaald. Ik weet niks van bomen.

Ik besluit haar te testen. Ik wijs een klein, pas geplant boompje in de middenberm aan. ‘Wat voor boom is dat dan?’
Ze kijkt ernaar, denkt even na en zegt dan: ‘dat is gewoon een boom.’
‘Niks speciaals?,’ probeer ik nog.
‘Nee, gewoon. Een boom.’
‘Gewoon een boom,’ herhaal ik. ‘Geen speciale soort?’
‘Nee. Een boom,’ zegt het meisje stellig.
‘Aha, een boom,’ besluit ik.

Het meisje doet me denken aan Esmé, uit het verhaal For Esmé – With Love and Squalor van JD Salinger, één van de mooiste verhalen die ik ken. Het gaat over een man – de schrijver zelf waarschijnlijk – die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Engeland is gestationeerd en in een tearoom met een vroegwijs meisje aan de praat raakt. Qua leeftijd lijken Esmé en dit dwingend doorvragende meisje niet veel van elkaar te verschillen.

Ik wil eigenlijk weg, maar zo makkelijk gaat dat niet.
‘Wat ga je doen?,’ vraagt ze.
‘Ik ga naar de sportschool,’ zeg ik eerlijk.
Ze bekijkt me onderzoekend van boven naar beneden. Even maak ik me zorgen over wat gaat komen. Dan zegt ze: ‘nóg meer spieren? Pfffft! Als je nog meer spieren krijgt, dan… dan… dat kan helemaal niet!’
Ik denk dat ze de stijlvorm ironie nog niet kent. Toen ze mijn lengte verkeerd inschatte heb ik al gemerkt dat haar beoordelingsvermogen te wensen over laat. Ik denk aan de trainer in de sportschool die afgelopen zaterdag nog subtiel liet merken dat hij vindt dat ik weinig vorderingen maak. Althans, voor iemand die drie keer in de week krachttraining doet.
‘Nou, daar denk ik toch anders over,’ zeg ik.

Het onderwerp interesseert haar niet zo, want nu begint ze over iets anders. Blijkbaar zit ze in de buurt op school. Het pand wordt verbouwd en de kinderen worden met schoolbussen naar een noodlocatie gebracht. De opstapplaats is bij mij aan het einde van de straat en elke morgen loopt een stoet schoolkinderen mijn huis voorbij.
‘Ik zie u élke morgen, echt élke morgen, dáár ontbijten,’ zegt ze op een toon alsof het iets heel slechts is. Ze wijst erbij naar mijn eettafel, voor in de huiskamer. Nu heb ik de kans om haar terug te pakken.
‘Ontbijt jij dan niet elke morgen? Dat is toch heel normaal?,’ vraag ik.
‘Nee hoor, niet elke morgen,’ zegt het meisje met een stalen gezicht.
‘Maar dat is heel slecht. Je moet elke morgen ontbijten, en veel melk drinken. Dan word je net zo groot als ik. En sterk,’ zeg ik.
‘Ik eet yoghurt voor mijn ontbijt. Daar zit ook melk in,’ zegt ze wijsneuzerig.

Ik wil nu echt gaan, dus ik maak aanstalten. Dan begint ze over de gevonden kastanjes.
‘Er zit een heel mooie bij, bijna helemaal wit,’ roept ze.
Ze komt achter me aan gerend.
‘O ja?,’ vraag ik en zeg dan, met enige tegenzin: ‘laat maar zien.’
Ze haalt een bijna egaal witte kastanje uit haar plastic zakje. Ze aait er voorzichtig over. Het is inderdaad een mooi exemplaar.
‘Wat ga je er eigenlijk mee doen? Poffen?,’ vraag ik.
‘Dat kan helemaal niet. Dit zijn wilde kastanjes. Alleen tamme kastanjes kan je eten,’ zegt ze.
‘O ja. Je hebt al gemerkt dat ik niet veel van de natuur weet,’ geef ik eerlijk toe.
Het meisje houdt wijselijk haar mond. Terwijl ik weg loop roep ik haar na: ‘als je de komende dagen kastanjes wilt rapen: ga je gang. Ook als ze in m’n voortuintje liggen: raap maar op.’
‘Dat heb ik al gedaan,’ zegt ze.
‘Ik had niet anders verwacht,’ zeg ik, net iets te hard.

Posted in Eindhoven, Overig | Comments Off on Kastanjes

Zwembad

Ik moet bij de Paralympics aan mijn vakantie in Denemarken denken. Het was 1988 en ik was zeven jaar oud, een leeftijd waarop een vakantie de meeste indruk maakt; dagen die in je geheugen gegrift staan. En dan gingen we ook nog naar Denemarken. Denemarken, dat was het land van Legoland. Heilige Grond, zeker voor een Lego-adept als ik.

De naam van de camping, Løgballe, beloofde veel goeds. Zelfs met mijn non-existente kennis van het Deens kon ik ontcijferen dat die naam voor luchtballon stond en daar was niks mis mee. Het was een kleine camping, met een (niet gemist) gebrek aan Nederlandse families. Het was de vakantie dat ik eens minutenlang stond de schutteren in de campingwinkel. Mij was gevraagd om daar de koelelementen om te gaan wisselen, maar de dame achter de balie gaf me niet de plastic tas mee waar de elementen in hadden gezeten. Die wilde ik wel terug, want ik zag het niet zitten om met ijskoude koelelementen in mijn handen terug naar de vouwwagen te lopen. Op de balie tekende ik met mijn vingers een tas en in pseudo-Deens legde ik uit wat ik moest hebben. Tevergeefs. Ik vroeg de enkele andere klanten in de winkel om te helpen, maar niemand sprak er Nederlands. Omdat mijn vader het te lang vond duren, kwam hij naar de winkel en loste hij het probleem op. Het was de vakantie van het vliegeren, op één van de veldjes bij de ingang, waarbij het de kunst was om de vlieger niet in de elektriciteitskabels te doen belanden. En het was de vakantie van het kleine openluchtzwembad met het ijs- en ijskoude water. Zó koud was het, dat ik er misschien twee keer in heb gezwommen. Achter het zwembad keek je weg over het grasgroene, lege, licht-glooiende landschap van Denemarken.

Ook al waren er weinig Nederlandse gezinnen op Løgballe, schuin tegenover onze staanplaats stond een caravan met een gezin uit Wijk bij Duurstede. Niek, een jongetje van een paar jaar jonger dan ik, kwam regelmatig bij ons in de vouwwagen. Z’n linkerarm was niet volgroeid. Het was geen softenonarmpje, met kleine handjes, maar boven de linkerelleboog zat bij Niek slechts een stompje. Ik dacht als zevenjarige dat het simpelweg nog zou aangroeien; niet volgroeid betekende toch dat het nog zou kunnen gebeuren? En ik groeide toch ook nog? Niek leek niet te lijden onder z’n handicap. Hij was zelfs uiterst behendig met z’n ene, of anderhalve arm. Zo kwam hij regelmatig vol trots de met lieveheersbeestjes gevulde pot laten zien: hij had ze zelf bij elkaar gevangen. Mijn moeder vond Niek heel lief, maar maakte zich wel zorgen of dat niet mis zou gaan met die pot met lieveheersbeestjes. Dat ging ook mis; uitgerekend die ene keer dat hij met z’n kostbare schat bij ons achter in de vouwwagen stond, liet hij de pot vallen.

Op een ochtend na de vakantie riepen mijn ouders me naar hun slaapkamer en vroegen me om tussen hen in op bed te komen zitten. Ze hadden slecht nieuws voor me. Johan, een klasgenootje van me, was tijdens de zomervakantie overleden. Hij had een hartstilstand gekregen toen hij in het koude water van het zwembad was gesprongen. Z’n vader had ‘m daar gevonden. Ik stelde me voor hoe Johans vader z’n zoon had gevonden en naar de tent had gedragen. Ik kreeg het beeld niet van mijn netvlies. Terug op school werd aan alle leerlingen in de klas gevraagd om iets te schrijven voor de ouders van mijn overleden klasgenootje. Urenlang zat ik naar het witte vel papier voor me te staren. Die schaarse momenten dat ik dat niet deed, keek ik naar de lege stoel waar Johan had moeten zitten.

Nog jarenlang durfde ik niet in het koude water van het zwembad te springen en nam ik, heel voorzichtig, en treetje voor treetje afdalend, het trapje.

Posted in Overig | Tagged , , | Comments Off on Zwembad

Madeira

DSC_4758X

Hare Koninklijke Hoogheid, op een droogrek in de Zona Velha, Funchal.

Het klopt niet. Net zoals Amerika niet ontdekt werd door Christopher Columbus maar door Leif Eriksson, en Marco Polo niet de eerste westerling was die China bezocht, waren het niet João Gonçalves Zarco en Tristão Vaz Teixeira die Madeira in 1418 ontdekten. Het eiland was al eeuwen bekend. Het is op Arabische zeekaarten terug te vinden; zelfs de Vikingen voeren rond voor de Atlantische kust en moeten de archipel waar Madeira deel van uitmaakt hebben bezocht. Het nabijgelegen (en veel kleinere) Porto Santo was sowieso al veel langer bewoond. Alleen had nog nooit iemand geprobeerd om Madeira te koloniseren. Simpelweg omdat het te lastig was vanwege de hoge kliffen rond de kust: geen enkele fatsoenlijke plek om aan land te komen. Bovendien was het eiland volledig bebost. Vandaar de naam Madeira: houteiland.

De rotsachtige kust draagt ertoe bij dat Madeira geen standaard zonbestemming als Kreta, Spanje of Italië is. Het heeft tegenwoordig twee strandjes, waarvan eentje kunstmatig is aangelegd. Daar staat tegenover dat die hotels die aan de kust grenzen een trapje kunnen plaatsen voor de zeezwemmers. De rest van de hotels heeft standaard een zwembad. Hotels hebben ze veel in Madeira, maar slim genoeg liggen die allemaal in wat in de volksmond de ‘hotelwijk’ wordt genoemd. Praktisch, bij elkaar aan de westkant van hoofdstad Funchal, en niet eens zo heel tacky. De boulevard die je een half uur moet aflopen om in het centrum is niet onaardig.

Het komt allemaal door de vulkanische oorsprong van Madeira. De rotskust is zó steil dat die vrijwel meteen kilometers de diepte van de Atlantische Oceaan induikt. Van dat vulkanisme is niks meer te merken, al zou er diep onder Madeira een vulkaan liggen die al duizenden jaren slaapt. Een ander gevolg is dat weggetjes door de bergen enórm steil zijn. Bij aankomst, toen ik vanuit het vliegveld naar mijn hotel werd gereden, maakte het minibusje een afslag waarbij ik oprecht even dacht dat de weg ophield. Het bleek bij nader inzien ongeveer de steilste weg te zijn die ik ooit had gezien. De grap is dat heel het eiland tegenwoordig ondertunneld is. In krap twintig jaar tijd zijn over het hele eiland zo’n 140 tunnels aangelegd. Dat heeft de economie en het toerisme een enorme boost gegeven, al is wat van de charme van het eiland verloren gegaan. Zoals een Engelse toerist die al jaren op het eiland komt me vertelde: ‘vroeger deed ik er twee uur over om van het vliegveld in Funchal te komen. Nu ben ik er in vijftien minuten.’ Niet dat het haar ervan weerhield om terug te komen. Ze zou er het liefste heel het jaar wonen.

DSC_4131X

DSC_4150X - kopie

DSC_4144X

DSC_4147X - kopie

DSC_4174

DSC_4179X - kopie

DSC_4180X

DSC_4185X

DSC_4835X

DSC_4840X

DSC_4561X - kopie

DSC_4173X

DSC_4827X

DSC_4814X

DSC_4810X

DSC_4800X

Downtown Funchal, met de Sé Kathedraal en wat straatbeelden. Het beschilderde plafond is van de Igreja do Colégio. De meeste kerken op Madeira zijn te donker om fatsoenlijk foto’s te kunnen maken, maar de plafonds zijn zonder uitzondering prachtig. Op de onderste foto’s de tropische tuinen van Monte (in niet zo tropisch weer).

Funchal zelf is een aardig stadje, qua inwoneraantal ongeveer de helft van Eindhoven. Het heeft een paar kleine musea, een paar kerkjes, waaronder eentje die de titel kathedraal mag dragen en een mooie volksbuurt: de Zona Velha. De wijk ligt achter de boulevard en was jarenlang in verval. De laatste jaren is het opgeknapt en behoren de straten tot de hipste van Madeira. Niet in het minste vanwege de beschilderde deuren (waardoor de buurt een modern openluchtmuseum is), maar wie naar het oosten doorloopt, ziet dat de wijk wordt afgesloten door een fort, het Fortaleza São Tiago, tussen 1614 en 1637 gebouwd als bescherming tegen Engelse en Franse piraten. Met de uitkijkposten doe het denken aan de veel bekendere Torre de Belém bij Lissabon, al is dit fort prachtig felgeel geverfd. Voor het fort is een aanmeerplek dat door de bevolking als strandje wordt gebruikt.

De hoofdplaats van het eiland is bovenal groen. Op veel plekken in de stad zijn parkjes te vinden. Hier vind je honderden hagedissen. Ze zoeken de verkoeling van de schaduw op tijdens hete dagen, al valt het met die hitte nog best mee. Madeira ligt op dezelfde breedtegraad als Agadir in Marokko, maar door de noord-Atlantische zeestroming is het er nooit bloedheet. Zoals een gids op één van de dagen opmerkte: ‘is het kouder dan twintig graden, dan vinden we het te koud, is het warmer dan vijfentwintig graden, dan vinden we het te heet.’ Dat klopt aardig. In de week dat ik er ben loopt de temperatuur een paar keer op tegen de dertig graden. Eigenlijk is het te heet om te wandelen, maar het zwembad biedt dan prima verkoeling.

Hoog boven Funchal ligt het dorpje Monte. Het is makkelijk te bereiken met een kabelbaan vanaf de boulevard. De tocht is ruim vijftien minuten en biedt mooi uitzicht over Funchal, maar de ochtend die ik heb uitgekozen is het net bewolkt. Het dorp vanuit de kust gezien in wolken gehuld, en blijken de tropische tuinen van Monte, de reden waarom ik naar het dorp ben gegaan, een stuk minder uit de verf te komen. Voor de rest heeft Monte een kerk met een barokke façade én heeft het de toboganrit als toeristische attractie. De tobogan, een soort slee met mand waarin twee personen kunnen zitten, wordt door twee mannen achterop door de scherpe bochten naar beneden gestuurd. Het gaat niet harder dan tien kilometer per uur, maar de wegen rond Monte zijn steil en Ernest Hemingway omschreef het als ‘de meest enerverende ervaring in z’n leven.’

DSC_4726 - kopie

DSC_4730X

DSC_4731 - kopie

DSC_4737X

DSC_4741X

DSC_4750X - kopie

DSC_4871X

DSC_4845X - kopie

DSC_4847X - kopie

DSC_4853X - kopie

DSC_4890X

DSC_4857X - kopie

DSC_4882X

DSC_4883X

DSC_4866X - kopie

DSC_4754X

DSC_4775X - kopie

DSC_4896X - kopie

De Zona Velha. Een oude volksbuurt die tot een paar jaar terug was vervallen, maar tegenwoordig dé toeristische trekpleister van Funchal. En het felgeel geschilderde Fortaleza São Tiago.

Aangezien ik nog steeds niet over een rijbewijs beschik en het eiland te bergachtig is om rond te fietsen (al zie ik een enkele waaghals het wel proberen) ben ik tijdens mijn vakantie overgeleverd aan georganiseerde tours. Dat is geen straf. Het is een leuke manier om het eiland te bekijken en het is bovendien sportgoedkoop. De procedure is telkens dezelfde: je wordt ergens rond 9.00 uur door een non-descript wit bestelbusje opgehaald bij je hotel en wordt de rest van de dag rondgereden door een deel van het eiland, met tussendoor voldoende tussenstops. Die minibusjes zijn een vondst – nee, geen grote touringcars, al zal je die hier en daar wel aantreffen op het eiland – ze zijn enorm praktisch op de steile en smalle weggetjes van het eiland. En gegarandeerd dat je daarmee met een klein groepje reist. Het probleem is wel dat je bij de eerste tussenstop tien andere minibusjes aantreft, doordat de bedrijfjes allemaal exact dezelfde route over het eiland aanbieden; ik zou als organisator denken dat het leuker is om de route andersom te rijden, teneinde die drommen toeristen te ontlopen, maar niemand is nog op dat idee gekomen.

Je moet een beetje geluk hebben met de bezetting tijdens zo’n rondreis. Op de dag na aankomst ga ik met een busje mee door het westelijk deel van het eiland. De enige andere deelnemer van mijn leeftijd is een Duitse jongedame, met wie ik af en toe een praatje maak over de reizen die we allebei gemaakt hebben. Maar het meest spraakzaam is een Britse man die mij vanwege mijn digitale camera als een pro ziet en van allerlei specificaties van mijn toestel wil weten. Daarin moet ik ‘m teleurstellen. Dan wil hij weten wat ik fotografeer. Ik hou het er, ietwat pretentieus, maar op dat ik meer conceptueel werk. Dus ik fotografeer veel close-ups? Euh… nee. Vooral plafonds van gebouwen. En zo min mogelijk mensen.

De reis door de westkant van het eiland is niet de meest spannende van de reizen die worden aangeboden. Het meest indrukwekkend is de hoogste klif van Madeira, de 580 meter hoge Cabo Girão. Het is – het ligt eraan aan wie je het vraagt – de hoogste, op-één-na hoogste of op-twee-na hoogste klif van Europa. Ook mooi is Paul da Serra, het plateau aan de westkant van het eiland. Het ligt boven de wolken en oogt als een woestijn. Vanwege het spectaculaire uitzicht met het wolkendek dat de helft van de heuvels bedekt, maken we hier een geïmproviseerde stop. Het grootste deel van de dagtrip gaat op aan stops in kleine dorpjes. Die zijn niet allemaal bijster interessant. Câmara de Lobos is tegen Funchal aangegroeid en heeft als claim to fame dat Winston Churchill er verbleef. Later volgen nog Ribeira Brave, waar gezien de rommel op het strand een avond eerder nog feest is gevierd, Porto Moniz, een dorpje aan de noordkant van het eiland met een donkergekleurde, rotsachtige kust en São Vicente, vooral bekend vanwege de grotten in de buurt. De dorpjes hebben steevast een plein met een mozaïekvloer van zwarte en witte tegeltjes en een hagelwitte kerk (die van binnen juist pikdonker is).

DSC_4190

DSC_4203X

DSC_4206X

DSC_4210X - kopie

DSC_4221X

DSC_4229X

DSC_4231X

DSC_4241X

DSC_4247X

DSC_4251X

DSC_4258X

DSC_4276X - kopie

DSC_4272X

Een tochtje door de westkant van Madeira. Van boven naar beneden Câmara de Lobos, Cabo Girão, Ribeira Brave, de hoogvlakte Paul da Serra met uitzicht op de toppen van de Pico Ruivo en de Pico do Arieiro, een hagedis in Porto Moniz en één van de (vele) watervallen op Madeira.

Op een tweede busreis, later in de week, heb ik minder aanspraak, behalve dan – opnieuw – met een Brits stel. Zij komt al dertig jaar op Madeira – ze doet er aan timeshare – hij is voor de eerste keer overgekomen. Als we tijdens de dagtrip voorbij het vliegveld van Madeira komen (wereldberoemd, omdat het één van de tien gevaarlijkste vliegvelden ter wereld is én omdat een deel van de start- en landingsbaan is gebouwd op 180 palen) vertelt hij dat er bij harde wind niet geland wordt. Soms wordt er uitgeweken naar het nabijgelegen Porto Santo. Niet om de reizigers dan vanuit daar met een ferry naar Madeira te brengen, maar om te wachten. En als het weer niet verbetert, gaat het vliegtuig onverrichter zake terug naar Engeland.

Deze tweede reis door de oostkant van het eiland spreekt me meer aan. Dat komt deels door onze gids, Emanuel. De hele dag heeft hij ruzie met z’n geluidsinstallatie, wat gaandeweg steeds kolderieker wordt, vooral omdat Emanuel nogal temperamentvol is. Het letterlijke hoogtepunt is een bezoek aan de Pico do Arieiro, met 1818 meter net niet de hoogste piek van Madeira. Bij bewolkt weer kijk je hier weg over de wolken, bij zonnig weer kan je de andere eilanden van de archipel zien liggen: Porto Santo en de onbewoonde rotspunten van de Ilhas Desertas. Kijk naar de westkant en je ziet de hoogvlakte Paul da Serra. Dan valt pas op hoe klein Madeira eigenlijk is (801 vierkante kilometer) en wat een verscheidenheid aan landschappen het herbergt. Op de top stormt het en de wind is ijskoud. Dat is niet vreemd; de dichtstbijzijnde landmassa is 550 kilometer verderop (het continent Afrika) en de wind heeft op deze hoogte duizenden kilometers vrij spel gehad.

Tijdens een ritje door de bergen vertelt Emanuel honderduit over de tientallen groente- en fruitsoorten die op het eiland worden verbouwd: tomaten, bananen, passievruchten, avocado’s, appels. Het eiland is grotendeels zelfvoorzienend en door de vele zonuren kan er gerust vier keer per jaar geoogst worden. Elke steile rotswand waar iets verbouwd kán worden, wordt gebruikt voor de landbouw. Het oerbos, dat tot de kolonisatie door de Portugezen het eiland bedekte, heeft daarvoor grotendeels moeten wijken. In plaats daarvan zijn terrassen aangelegd. Maar in de negentiende eeuw ging dat mis; overvloedige regenval zorgde voor landverschuivingen, waarop de overheid eucalyptusbomen aanplantte, die nu in grote delen van het eiland terug zijn te vinden.

Aan de oostpunt van het eiland is die aanplant voorbij gegaan. Ponta de São Lourenco kan het beste worden omschreven als een woestijn. Hier groeit niks. Het nabijgelegen Santana, waar we eerder op de dag zijn geweest, is een alleraardigst dorpje, het leukste dat ik deze reis zie. Het ligt wat hoger, maar niet ver van de kust. Het resultaat is een koel briesje van de zee, maar met veel zon. Santana is niet zo toeristisch, al heeft het een soort openluchtmuseum met typisch Madeireese huisjes. Boven het dorpsplein zijn vlaggetjes in vele kleuren opgehangen. Waarvoor weet Emanuel niet te vertellen, vermoedelijk voor een feest voor één of andere heilige, ‘maar daar zijn er zoveel van.’

DSC_4434X

DSC_4293X

DSC_4295X

DSC_4442X

DSC_4449X

DSC_4457X

DSC_4466X

DSC_4474X - kopie

DSC_4478X

DSC_4503X - kopie

DSC_4512X

DSC_4523X

DSC_4534X

DSC_4545X

Een tochtje door de oostkant van het eiland. Op de bovenste foto het uitzicht vanuit het rietvlechtersdorp Camacha, waar in 1875 de eerste voetbalwedstrijd ooit in Portugal werd gespeeld. Daaronder Santana, met typisch Madeireense huisjes, het uitzicht op de Pico do Arieiro, Ponta de São Lourenco, de woestijn van Madeira en uitzicht op Machico, de derde stad van Madeira.

Een dag eerder ben ik al in Santana geweest, op één van twee wandelingen die ik deze week maak. Deze eerste wandeling gaat langs een levada; een must voor iedereen die het eiland bezoekt. De levada’s zijn het unique selling point van het eiland. Door de eeuwen heen is een netwerk van ruim tweeduizend kilometer aan irrigatiekanalen aangelegd om regenwater van de noordkant van het eiland naar de zuidelijke helft van het eiland te vervoeren. Vandaar de naam levada; ‘levar’ is Portugees voor vervoeren. Het is een slim en bijzonder duurzaam systeem dat de eerste bewoners waarschijnlijk hebben afgekeken van de Moren. Het levadasysteem werkt ook vandaag nog uitstekend. Voor het onderhoud zijn naast de moeilijker toegankelijke levada’s paden aangelegd, zodat eens keer per jaar de levada kan worden stilgelegd om het kanaal schoon te vegen. Het zijn die paden die nu steeds populairder worden bij toeristen.

Daar zijn die paden niet voor gemaakt, waardoor mijn wandeling vanuit het boshut bij Queimadas naar de waterval van Caldeirão Verde over een hobbelig pad gaat. Soms gaat de tocht over de kade van de lavada en onderweg naar de waterval komen we ook nog drie tunnels tegen. Daarbij is de laatste de meest uitdagende: het plafond is dermate laag dat ik er diep bukkend doorheen moet. Portugezen zijn niet zo groot. Een paar keer gedurende de wandeling loop ik op een richel van dertig centimeter breed langs een afgrond. Het is maar goed dat ik geen hoogtevrees heb, want het hekwerk oogt niet al te stabiel.

In de groep zit één Fries stel. Ze praten honderduit, in het Fries, maar als na een paar kilometer ze iets aan haar man vraagt waar hij het antwoord niet weet, help ik hem. Ze schrikt zich wild: ‘jij verstaat Fries.’ Ach, zo moeilijk is dat nu ook weer niet. De rest van de wandeling is ze beduidend stiller. De waterval is prachtig gesitueerd in een cirkelvormige inham. Wie zin heeft kan nog twee kilometer verder klauteren naar een andere waterval, de Caldeirão do Inferno, die minder spectaculair is als hij klinkt. Dat vindt onze gids Nunu tenminste. Als we bij de waterval de tijd nemen voor een lunch vraag ik hem naar een andere wandeling, die van de Pico Ruivo naar de Pico do Arieiro. Hij waarschuwt vooraf: het wordt heet. En het wordt zwaar.

DSC_4303X - kopie

DSC_4313X

DSC_4330X - kopie

DSC_4361X

DSC_4337X - kopie

DSC_4367X

DSC_4370X - kopie

DSC_4392X

DSC_4375X - kopie

DSC_4391X - kopie

DSC_4395X - kopie

DSC_4401X

DSC_4415

DSC_4426X - kopie

Levadawandeling van Queimadas naar de Caldeirão Verde. En weer terug.

Daar had de organisatie me al voor gewaarschuwd. Het bedrijfje waarbij ik mijn bustrips en wandelingen boek heeft de wandelingen onderverdeeld in ‘very easy’, ‘easy’ en ‘moderate’. Dat is een beetje volksverlakkerij, omdat ik eerder op hun site een indeling heb gezien in ‘easy’, ‘moderate’ en ‘challenging.’ Maar die laatste term schrikte wellicht wat reizigers af. Tijdens deze, inderdaad hete zaterdag, is dan ook een aardige groep op komen dagen voor de spectaculaire wandeling tussen de hoogste en de op-twee-na hoogste piek van Madeira (de op-één-na hoogste piek, de Pico das Torres, ligt ertussen in, maar daar lopen we omheen). Die wandeling houdt vijftien kilometer klimmen en dalen is. Het pad is daarbij prima; dit is geen levadawandeling, dit is een traject dat is aangelegd door professionals. Al snel loop ik met een groep jongeren en twintigers uit Scandinavië voorop op het pad naar de Pico Ruivo. Een van de twee gidsen moet ons afremmen omdat blijkt dat niet alle wandelaars gezegend zijn met een topconditie.

Bij een boshut een paar honderd meter van de top van de Pico Ruivo besluiten een aantal wandelaars daarom ook om de laatste tocht naar de top aan hen voorbij te laten gaan. Dat is het begin van de ellende. Een Brits stel blijkt dan eigenlijk al niet fit genoeg te zijn om de overige dertien kilometer af te leggen. Ach, de Britten. Als ze uit de EU stappen kan het niet anders dan dat het gemiddelde IQ in de overgebleven landen gaat stijgen. Een dag eerder heeft de medewerker in het boekingskantoor me verteld over een Britse vrouw die zonder zonnebrandcrème een dag lang in de zon had gelegen. Ze had tweedegraads brandwonden en mocht de rest van de vakantie niet meer in de zon komen.

Voor in de wandelgroep gaat het er gezellig aan toe. Een Deens stelletje, amper de basisschoolleeftijd ontgroeid, maakt aan de lopende band selfies. Een andere soloreiziger, een Noorse, is mijn voornaamste gesprekspartner vandaag. Ze komt uit Trondheim maar verhuist na de vakantie naar Oslo om te promoveren in de nanotechnologie. Ik probeer ‘r nog te verleiden naar Eindhoven te komen. Ze is bekend met de reputatie van mijn woonplaats, maar ging tijdens haar studie liever naar San Diego en Japan. Daar kan ik me iets bij voorstellen. Omdat we beiden alleen reizen maken we tijdens de wandeling wat foto’s bij elkaar. Later op de dag, als we bij het uitkijkpunt van de Pico do Arieiro zijn, mag ik ook een andere wandelaar uit het gezelschap fotograferen. ‘I can see you’re a pro,’ zegt hij vleiend. Dat schept verwachtingen, maar hij is tevreden met het resultaat. (Dat is beter dan twee jaar terug op Santorini. Toen maakte ik een werkelijk heel geslaagde foto van een Chinees stelletje, met op de achtergrond de krater. Blijkbaar waren ze niet tevreden, want toen ze de foto zagen, gaven ze de camera snel aan een andere toerist.)

Het uitzicht tussen de Pico Ruivo en de Pico do Arieiro is schitterend. Om elke bocht is een nieuw vergezicht van Madeira te zien. Kijk weg over de zee en je ziet in de verte Porto Santo liggen, kijk een andere kant op en je ziet de Ilhas Desertas uit de Noordzee omhoog steken. Langs het wandelpad staan zowaar wat planten in bloei, Madeira is weliswaar het bloemeneiland, maar voor de ware kleurenpracht is het nog te vroeg in het seizoen, waaronder de Pride of Madeira, letterlijk en figuurlijk de trots van het eiland. Er is alle tijd om foto’s te maken omdat onze twee gidsen nog steeds hun handen vol hebben aan het reisgezelschap. Even denk ik dat ze ons afremmen om de achterblijvers bij te laten komen, iets wat me nutteloos lijkt, maar gelukkig heeft de voorste gids snel genoeg in de gaten dat dit zinloos is.

Maar dit is ook een gebied dat in 2010 is getroffen door een grote bosbrand. De sporen daarvan zijn nog terug te vinden in de kale, afgebladderde bomen langs het pad naar de Pico Ruivo. Ook een paar weken na mijn vertrek wordt Madeira geteisterd door bosbranden. Doordat het zo’n klein eiland is, heeft een brand van kleine omvang al een verwoestend effect. Net zoals eilanden als Nieuw-Zeeland, of Hawaï, heeft Madeira een unieke flora en fauna. De freira, of madeirastormvogel, nestelt alleen op enkele rotsrichels rond de hoogste toppen van het eiland en heeft een fragiel klein leefgebied. Door de bosbrand is 65% van de jongen gestorven, zijn nesten vernield en bovendien een hoop volwassen vogels gestorven.

DSC_4564X

DSC_4565

DSC_4569X

DSC_4580X - kopie

DSC_4604X

DSC_4611X

DSC_4624X

DSC_4638X

DSC_4643X

DSC_4654X - kopie

DSC_4658X

DSC_4667X

DSC_4675X

DSC_4684X

Wandeling van de Pico Ruivo, de hoogste piek van Madeira, naar de Pico do Arieiro, de op-twee-na-hoogste piek van het eiland. Op de vijfde foto van boven kan je in de verte de onbewoonde Ilhas Desertas zien liggen. De plant op de achtste foto van boven heet de Pride of Madeira. Tussendoor nog een actiefoto van uw blogger.

Een dag voor vertrek boek ik nog één keer een tripje, maar dan van een halve dag. Tot mijn (en zijn) verbazing is het Emanuel die weer mijn gids van de dag is. Dit keer heeft ie een zwart busje. Met een wegwuifgebaar legt hij uit dat dit z’n andere busje is. Ik begin het systeem van de dagtrips eindelijk door te krijgen. Veel van de gidsen zijn zelfstandigen, die enkel worden opgetrommeld als er voldoende belangstelling is voor een tripje. Dit busje zit vandaag redelijk vol voor een bezoekje in de morgen naar het Curral de Freiras, letterlijk: de stal van de nonnen. De naam dankt het dal aan de nonnen die, in 1566 op de vlucht voor Franse kapers, hun klooster ontvluchtten en bij de herders in dit afgelegen dal domicilie vonden. Tot vijftig jaar geleden lag het nog steeds zó afgelegen dat het alleen via een wandelpad te bereiken was. Daarna werd een weg aangelegd en tegenwoordig loopt er zelfs een tunnel naar het dal. Aan de spectaculaire ligging van het dorp doet deze vooruitgang niks af.

Het dorpje zelf is aardig, maar het is vooral de volop aanwezige drank die tegenwoordig toeristen trekt. Het is de kastanjelikeur die het bekendste is, maar wordt van alles wat op Madeira te krijgen is wel likeur gestookt. En het liefste met een extreem hoog alcoholpercentage. Later die dag, als ik met een gezelschap langs de zuidkust van Madeira vaar, weet één van de gidsen te melden dat de in de supermarkt te krijgen rum veel te slap is. Een van de passagiers krijgt een adresje aan de noordkust, waar heerlijke (illegaal gestookte) rum te krijgen is, met een alcoholpercentage van boven de tachtig procent. Gezien de alomtegenwoordigheid van de drank in de supermarkten krijg ik de indruk dat de toeristenindustrie vooral inzet op poncha, een mix van rum, honing, citroen en suiker.

Aan het einde van de tocht vraagt Emanuel aan z’n reizigers wie in het centrum van Funchal afgedropt wil worden. Dat klinkt als een goed idee. Hij biedt aan me af te droppen bij het museum van Cristiano Ronaldo. Z’n redenering is logisch: een jonge man houdt vast van voetbal, en wie van voetbal houdt, houdt van de beste voetballer aller tijden. Althans, dat vindt Cristiano Ronaldo zelf, en met hem heel Madeira. Heel het eiland is geobsedeerd door de voetballer die in 1985 in de arme wijk Santo António werd geboren. Het verhaal van CR7 is natuurlijk een typisch rags to riches verhaal en ik zal niet ontkennen dat de man een aardig balletje kan trappen, maar ik vind Ronaldo een vreselijk irritant en pedant kereltje. Dat blijkt wel uit het museum, gelegen aan de boulevard van Madeira, met voor de ingang een larger than life verguld standbeeld van de voetballer. In een ongebruikelijke pose; hij trekt niet eens z’n shirt omhoog om z’n sixpack te showen.

Voordat ik naar Madeira reisde hoopte ik hartgrondig dat Portugal niet het EK Voetbal zou winnen. Be careful what you wish for. Als ik per se wil dat iets niet gebeurt, gebeurt het juist wel. Toch, ondanks de hekel die ik aan Cristiano Ronaldo heb, is het de Madeirezen gegund. Al was het maar omdat na het laatste fluitsignaal van de EK-finale er amper toeterende auto’s in de straten te horen waren. Het is tekenend voor de volksaard. Rustig en gereserveerd, en niet al te borstklopperig. Die houding bevalt me wel.

DSC_4691X

DSC_4690 - kopie

DSC_4689X

DSC_4696X

DSC_4708X - kopie

DSC_4717X

DSC_4721X

DSC_4723X

DSC_4911X

DSC_4913X

DSC_4921X

DSC_4936X

Op weg naar Curral de Freiras, de stal van de nonnen. Met bovenaan uitzicht op Funchal, verder naar onderen uitzicht op de vallei met het dorp. De vogel op de hoek van het dak is om het ongeluk af te zweren. Op de onderste foto’s de dolfijnen tijdens de tocht met de catamaran langs de zuidkust van Madeira.

Even overwoog ik nog tijdens mijn verblijf een reis naar Porto Santo, het andere bewoonde eiland in de Madeira-archipel, te maken. Ik zag er uiteindelijk toch vanaf. Om de boot te halen moest ik vroeg op, de reis zou tweeëneenhalf uur duren en meer dan één dorpje en een zandstand leek het eiland niet te bieden. Ik zou me al snel stierlijk vervelen. Wel reserveerde ik op mijn laatste middag een tochtje met een catamaran langs de zuidkust van Madeira. Het doel was om dolfijnen te spotten, maar die beesten zijn veel te slim om met zich te laten sollen. Maar, na een speurtocht van een slordige drie kwartier waren er zowaar een paar dolfijnen die zich lieten zien.

Eerlijk gezegd ging het me niet zo zeer om de dolfijnen. Wat me meer aansprak was de mogelijkheid om een stukje te gaan zwemmen. Nadat de dolfijnen gespot waren zette de catamaran koers naar Cabo Girão, de (al dan niet) op-één-na-hoogste klif van Europa. Bij de klif dook ik in het water voor een kwartiertje zwemmen. Het water was fris en kraakhelder; de diepte onderwater leek oneindig. Op de terugweg langs de kust vertelde de gids honderduit over de steile rotskust en de boeren die zelfs op de meest steile plekken nog fruit en groente verbouwen. Desnoods wordt de oogst via kabelbaantjes naar boven getakeld. Ik begreep de Britse vrouw die ik eerder in de week had getroffen wel. Ik zou hier best kunnen wonen.

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Madeira

Zegeltjes

Waarom ze geen mandje heeft gepakt weet ik niet. De oudere vrouw voor me vindt het blijkbaar praktischer om haar boodschappen in twee zakjes te stoppen die ze van de groenteafdeling heeft gegapt. Óf ze is vergeten haar boodschappentas mee te nemen, óf ze is te krenterig om een plastic tas van 25 cent bij de kassa af te rekenen. Nu ze aan de beurt is peutert ze één voor één de boodschappen uit de zakjes, waarna ze deze snel in de zakken van haar jas propt.

Afrekenen gaat al even moeizaam. Als ze vijftien euro moet afrekenen komt uit haar jaszakken eerst het ene na het andere bonnetje tevoorschijn. Het hele ritueel neemt nogal wat tijd in beslag, dus ik zucht een keertje en wissel een blik van verstandhouding uit met de dame achter me in de rij. Ik heb pauze, ruim voldoende tijd om heen en terug naar de Albert Heijn te lopen, maar dan moeten de klanten wel een beetje opschieten. Na lang zoeken tovert ze een briefje van tien euro tevoorschijn. Een verfrommeld briefje van vijf volgt.

Dan gaat het mis.

‘Och,’ zegt de caissière, ‘ik ben vergeten te vragen of u zegeltjes wilt.’
‘Ja, die wil ik! Die moet ik hebben! Jij móet dat vragen!,’ brult de vrouw.
De caissière twijfelt en wil de klant naar de servicebalie verwijzen. Daar neemt de vrouw geen genoegen mee. ‘Nee, ik wil zegeltjes, daar heb ik recht op!,’ herhaalt ze.
‘Euh… ja, ik kijk wel of ik nog iets kan doen,’ zegt de caissière beduusd. Ze drukt op een paar knopjes op de kassa en vraagt de klant om geld voor de zegeltjes. Die is nu nog bozer.
‘Nee, niet díe zegeltjes. Die restaurantzegeltjes bedoel ik! Verdorie. Daar heb ik recht op! Toch?’
Terwijl ze dat laatste woord uitspreekt kijkt ze mij aan. De vrouw is op zoek naar steun. Ik heb enorm veel zin om ‘r aan te spreken op haar belachelijke gedrag, maar weet niet wat ik moet zeggen. Even kijk ik haar heel indringend boos aan. Blijkbaar spreekt mijn blik boekdelen, want ze valt stil. Nouja, bijna dan. Ze mompelt alleen nog ‘o’, neemt snel het ene schamele zegeltje aan en druipt af met haar boodschappen, schielijk in de twee groentezakjes gepropt.

Als de dame na me aan de beurt is roept ze lachend tegen de caissière: ‘ik wil geen zegeltjes. Geen restaurantzegeltjes, geen koopzegeltjes: helemaal géén zegeltjes.’

Posted in Eindhoven | Comments Off on Zegeltjes

Klein relatieleed

Het huis valt niet bijzonder op. Een vooroorlogs rijtjeshuis langs een drukke weg in Eindhoven. Twee deuren naast de sportschool, dus ik loop er een paar keer per week langs. Het zou me nooit zijn opgevallen, totdat mijn oog een keer viel op het naambordje van het huis. Op ongeveer een meter hoogte waren naast de voordeur, in kleine tegeltjes met letters, de namen van twee mensen op de muur geplakt: een man en een vrouw. Ik had ze wel eens gezien; een paar dagen voor kerst zag ik ze, terwijl ik aan het fietsen was op een hometrainer, hun auto inladen voor de wintersport.

Gisteren liep ik er langs en viel me het bord op dat op de bovenverdieping hing: het huis staat te koop. Meteen daarna viel mijn oog op de tegeltjes naast de voordeur. Of beter, de restanten ervan. Er stond nog één naam. De andere was er bruusk afgebikt, de lijmresten nog zichtbaar.

Posted in Eindhoven | Comments Off on Klein relatieleed