Tien keer Songfestival 2019

Begin vorige maand ging ik naar Eurovision in Concert. Dat was voor mij de tweede keer en net als het jaar ervoor een bijzonder leuke ervaring. Het format is simpel: zo’n tweederde van de deelnemende acts voert tijdens deze avond alvast hun kunstje op. Zonder show of act eromheen, dus volledig opsmukvrij. Van sommige acts zie je al meteen dat het land dat ze vertegenwoordigen écht niet wil winnen (standaard het meest venijnige commentaar), andere landen maken meer indruk. En dan zijn er nog goede deelnemers die verstek laten gaan. Ik heb de afgelopen maanden menig inzending, al dan niet live, gehoord. De tien liedjes die ik hier uitlicht zijn kanshebbers, of zijn om andere redenen opvallend. Al is dat soms niet meer dan het feit dat het van een buurland is.

Duncan Laurence mensen. Hij gaat het doen.

België (Eliot – Wake Up)

België had twee jaar geleden goud in handen. City Lights was een geweldige electropophit die niet zou misstaan in een hipsterhitlijst. Helaas bleek zangeres Blanche zo stijf van de zenuwen te staan dat ze tijdens haar optreden drie minuten lang als een bang konijntje starend in de koplampen op het podium stond. Toch: vierde plek.

Eliot, de Belgische inzending van dit jaar is net als Blanche afkomstig uit Wallonië. Waar het met de Vlamingen de afgelopen jaren hit (Laura Tesoro) or miss (eigenlijk alle andere inzendingen) was, hebben de Walen het goed begrepen. De songschrijver van City Lights, Pierre Dumoulin, mocht de nieuwste bijdrage schrijven. Opnieuw is het een electrotrack, maar een stuk ingetogener dan die killertrack van twee jaar geleden. Dat is dan ook het grootste euvel. Wake Up is een mooie, stemmige track, met een boodschap over het klimaat. Ik ben een sucker voor dit soort electropop, maar twijfel of dit potten gaat breken. Electropop is zo 2010.

Italië (Mahmood – Soldi)

Hij ontbrak tijdens Eurovision in Concert en pas toen ik later het clipje bij Soldi zag begreep ik wat we daar gemist hebben. Natuurlijk, Duncan Laurence móet winnen, maar mag Italië dan tweede worden? Soldi is zo’n geweldige track, een song die ook buiten het Songfestival pal overeind blijft. Een mix tussen pop, hiphop en trap, in het Italiaans, met ook wat Arabisch tussendoor (Mahmood heeft deels Egyptische wortels). Soldi gaat over een moeilijke jeugd: gebroken gezinnen, een moeder die niet kan rondkomen en een vader die alles bij elkaar liegt voor geld. Die boodschap haal ik uit de vertaling, maar de woede waarmee Mahmood z’n gal spuwt spreekt ook boekdelen. Het is weer eens wat anders dan het zoveelste songfestivalniemendalletje. Mahmood. Onthou die naam.

Nederland (Duncan Laurence – Arcade)

Zou het dan eindelijk? Pays-Bas: douze points? Ahoy 2020?

Het kan snel gaan. Een half jaar geleden had nog maar een handjevol mensen gehoord van Duncan Laurence. Ondergetekende incluis: ‘Duncan wie?,’ was mijn eerste reactie bij het horen van de naam. Toegegeven, daar zat enige scepsis bij. Artiesten als Anouk, Ilse DeLange en Douwe Bob zijn amper bekend over de landsgrenzen, het zijn wel podiumbeesten die hun hand niet omdraaien voor een goed optreden. Dat moest deze Duncan nog maar bewijzen.

De eerste positieve verrassing was de song. Arcade bleek een mooi, klein gehouden en eigentijds liedje te zijn dat de drie minuten goed benut en nergens gehaast klinkt. De tweede positieve verrassing was dat het liedje niet speciaal voor het Songfestival is geschreven, maar gewoon, een goed liedje, dat het ook goed op de hedendaagse radio zou kunnen doen. De derde positieve verrassing kwam tijdens Eurovision in Concert waar Duncan Laurence bewees Arcade ook live perfect uit te kunnen voeren. Aan het oorverdovende applaus voor Laurence tijdens die avond leek het alsof de Messias zelve was neergedaald. Mag het een keertje? Voor het eerst in decennia doen ‘we’ mee voor de eindoverwinning.

Noorwegen (KEiiNO – Spirit In The Sky)

Zweden heeft Melodifestivalen, een nationaal songfestival waar alle Europese landen vanwege de steevast geweldige inzendingen stikjaloers naar kijken. Sinds jaar en dag is één van de deelnemers de Lapse zanger Jon Henrik Fjällgren. Winnen doet ie niet, wel komt ie al jaren heel dichtbij (z’n inzending in 2017, En värld full av strider, was écht heel goed). Noorwegen heeft goed naar de prestaties van Fjällgren gekeken en vaardigt dit jaar een gelegenheidssupertrio af, met daarin joik-zanger/rapper Fred Buljo. Spirit In The Sky is eurohouse die met z’n etnische invloeden wat doet denken aan Power of American Natives van Dance 2 Trance. Misschien is het door dancemangel halen van die mooie Lapse muziek keiharde heiligschennis, maar toegegeven, dit is goed gemaakt; niet voor niets ging tijdens Eurovision in Concert het dak eraf. Een van m’n favoriete inzendingen van dit jaar, al is het een guilty pleasure.

Portugal (Conan Osiris – Telemóveis)

Op IJsland, met afstand de opvallendste act van deze editie, kom ik straks nog. Maar in de categorie ‘vreemd, maar toch wel lekker’ is Portugal goede tweede. Ik hoorde deze inzending een paar maanden terug al op Radio 2. De dienstdoende dj posteerde dat de Portugezen gek waren geworden dit in te sturen. Toegegeven, Telemóveis is bizar. En de act is nog bizarder. Twee mannen die in semi-antieke Romeinse outfit een mix tussen dans en pantomime brengen. Soms lijkt het slapstick, maar dan op z’n Portugees. Ik checkte voor de zekerheid bij een Braziliaanse waar Telemóveis eigenlijk over gaat. Dat blijkt, heel obligaat, de liefde te zijn (al lijkt hij niet echt geïnteresseerd in de dame waar hij over zingt). Zij omschreef het geheel als ‘nogal conceptueel’. Het moge conceptueel zijn, draai het een paar keer en je bent verkocht. En verknocht. Dit verdient een finaleplek.

Rusland (Sergej Lazarev – Scream)

Weet u nog hoe het ging in 2016? Måns Zelmerlöw won in 2015 met een act met een geanimeerd poppetje en half Europa dacht: heej, dát is leuk, laten we volgend jaar ook uitpakken met allerlei stoere special effects. Van die landen ging Rusland het verste met een volstrekt idiote act die helemaal niks toevoegde aan het liedje (dat best goed was). Die zanger, Sergej Lazarev, is nu terug en, zoals altijd, of we het leuk vinden of niet, Rusland is in it to win it. Ik denk dat de Europese homogemeenschap niet bang hoeft te zijn dat Moskou volgend jaar gastheer is van het Songfestival. Scream haalt het niet bij You Are The Only One, zo heeft de ballad een iets te hoog musicalgehalte. Ook blijft het niet zo goed hangen als die vorige bijdrage. De presentatie is weer – verrassend – volledig over the top: met spiegels waardoor niet één maar negen Lazarevs op het podium staan. Je moet er van houden. Kan iemand de Russen het principe less is more uitleggen?

Spanje (Miki – La Venda)

Ik licht hier negen liedjes uit die tot de kanshebbers behoren, of op een andere manier opvallen. Spanje is de uitzondering. Het land eindigt steevast in de onderste regionen, maar ik ben tijdens Eurovision in Concert gevallen voor dit vrolijke niemendalletje. Wellicht komt dat door het totale gebrek aan decorum: gewoon een jonge gast in t-shirt en spijkerbroek, met een baseballpetje achterstevoren op z’n hoofd. Fijn dat iemand tijdens het kitschfestijn dat het Songfestival is zonder enige opsmuk een vrolijk moppie komt zingen. En dan flirt de videoclip handig met urban sports als freerunning. Ja, dan heb je me. La Venda is het soort liedje dat Spanje al jaren afvaardigt en de prestaties van de afgelopen jaren geven Miki weinig kans: de laatste vier jaar kwam het land nooit hoger dan een 21ste plaats.

De eerste beelden van de repetities beloven weinig goeds: iets met een robot die door songfestivalwatchers zo hartgrondig wordt gehaat dat hij nu al is uitgegroeid tot de Jar Jar Binks van dit Songfestival. Dat is op zich best een knappe prestatie.

IJsland (Hatari – Hatrið mun sigra)

De WTF?!-inzending van dit jaar komt op naam van IJsland. De groep heet Hatari (iets met haters), de bijdrage heet Hatrið mun sigra (iets met haat zal zegevieren) en muzikaal is het een mix van My Chemical Romance en Depeche Mode. Qua presentatie is het nouja, een BDSM-act. Compleet met leren tuigjes, latex en maskers. Whatever turns you on, maar IJsland vaardigde ooit Pál Oscar (in 1997 al) én Euroband af, dus het land heeft een reputatie hoog te houden. Grappig feitje: de ouders van de bandleden vervullen allemaal hoge regeringsfuncties in IJsland. Stel je voor dat de kinderen van – ik noem maar wat – Stef Blok en Paul Blokhuis in Nederland in een BDSM/dance-act zouden zitten. Goed, het liedje dan. Dat is best grappig én goed. Het zwakke punt binnen Hatari is de falsetzang van Klemens. Die kwam tijdens Eurovision in Concert niet echt uit de verf. Blijft de vraag of dat in Tel Aviv goed komt.

Elk jaar is er wel een land dat uit het Lordivaatje wil tappen. Doorgaans doet zo’n act het goed, dus IJsland haalt zeker de finale. Of de Europese BDSM-scene groot genoeg is dat het ook wint, betwijfel ik. Wat voor IJsland pleit is dat ze zich uitspreken tegen schurkenstaat Israël, wat ze nog meer gehaat zal maken. Mijn sympathie hebben ze.

Zweden (John Lundvik – Too Late For Love)

Het is een zekerheidje dat Zweden altijd met goede inzendingen komt, het zijn de Grote Vernieuwers die met een opvallende act (Måns Zelmerlöw, Robin Bengtsson) of eigentijdse productie (Loreen, Benjamin Ingrosso) de rest van Europa de weg wijzen. Het heeft het land zes songfestivaloverwinningen opgeleverd, slechts eentje minder dan recordhouder Ierland, en ik zie de Scandinaviërs hen op de lange termijn met gemak inhalen. Maar Too Late For Love klinkt niet alleen als een vroege ninetiesarrenbiegospelproductie, het is ook nog eens afgekeken van de Oostenrijkse inzending van vorig jaar. Nu eindigde de Oostenrijkse Cesár Sampson verrassend als derde (Zweden viel vooral bij de televoters genadeloos door de mand en werd zevende), dus waarschijnlijk dacht de Zweedse omroep dit jaar: beter goed gejat dan slecht bedacht. Maar toch, van het Beloofde Popland verwacht je net wat meer.

Zwitserland (Luca Hänni – She Got Me)

Als Nederland de topfavoriet is, dan is Zwitserland de grootste concurrent. Dat snap ik deels; de Zwitsers hebben heel goed naar Cyprus geluisterd, dat het vorig jaar boven verwachting goed deed met Fuego (en natuurlijk had moeten winnen). Leg She Got Me daar naast en je hoort het trucje: langzaam opbouwen naar dat refrein, dat vervolgens plagerig nog een klein beetje uitstellen, en daarna het dak eraf spelen met dat lekker dreinerige refrein met een etnische sound. Kortom: goed gemaakt. Wat in het nadeel van Zwitserland werkt is dat het met een blauwdruk komt van een niet-winnend liedje van een jaar eerder. Toen was het idee nieuw en niet genoeg voor winst, wie zegt dat een mindere kopie een jaar later meer succes heeft?

En verder…

– doet ook Malta met Chameleon vrolijk mee met Fuego imiteren. Maar zoals altijd: minder dan het origineel.
– is de inzending van Ierland, 22 van Sarah McTernan, geschreven door de hoofdrolspeler van de film Pluk van de Petteflet. Echt waar.
– vaardigt San Marino andermaal cultheld Serhat af, die zich dit keer door het ultracatchy niemendalletje Say Na Na Na heen kreunt.
– komt Finland met Look Away van Darude. Jeweetwel, de dj die begin deze eeuw een wereldhit had met Sandstorm. Aardig, doch niet memorabel.
– heeft Tsjechië met Friend Of A Friend gewoon een leuk gitaarliedje ingestuurd, wel van een band met de ietwat gekke naam Lake Malawi.
– heet de inzending van Cyprus Replay en die klinkt verdacht veel als de inzending van dat land van vorig jaar.
– komt Australië met Zero Gravity, een Papageno-duet op anabolen. Aussies love it. Maar ja, André Rieu is daar ook mateloos populair.

Posted in Lijstjes, Muziek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Tien keer Songfestival 2019

Indroppen

M’n skateboardmaatje (en personal coach) en ik besloten dat we dit keer echt echt echt gingen indroppen. We hadden het al eerder tegen elkaar gezegd, wetende dat we allebei nogal tegen het trucje opzagen. Nouja, trucje. Moeilijk is het niet, het is meer een kwestie van durven. Het is eerder dat je met board over de rand gaat hangen, je ene voet op je tail, je voorste voet op de nose en dan met die voorste voet een flinke stamp op je board geeft. Het fijne is dat je daarmee veel snelheid genereert en dat is leuk. Het vervelende is dat je daarmee veel snelheid genereert en dat moet je wel euh… aankunnen.

Dat indroppen is al vanaf de eerste les een spannende exercitie. Ik zie mezelf nog de eerste keer op de rand staan in de instructieruimte, mezelf afvragend wat ik daar in godsnaam stond te doen. Het heeft nog weken geduurd voordat ik alleen in durfde te droppen in de instructieruimte, en dat is dan een rand van amper een halve meter hoog.

Vorige week reed ik rond in de skatehal terwijl de instructeur die me de eerste weken onder z’n hoede had gehad vanaf het balkon toekeek. Toen ik onder het balkon langs reed, riep ie naar me.
‘Gaat lekker he?,’ riep hij.
‘Jazeker,’ antwoordde ik, trots om een compliment te krijgen.
‘Ik zit zo te kijken, maar je gaat heel lekker,’ vervolgde hij.

Even later zat ie beneden nog een keer te kijken en liep ik op ‘m af om ‘m te bedanken. Dat het zo goed ging kwam grotendeels door een balansoefening die hij me een paar maanden terug had aangeleerd: op je board rijden en daarbij op je voorste voet leunen.
‘Als je dat goed kunt, dan scheelt dat zoveel,’ had hij gezegd, nadat ik voor de zoveelste keer een les met veel gestuntel was doorgekomen.

De weken erna was ik elke avond op het asfaltveldje voor m’n huis heen en weer aan het rijden, steeds sneller en altijd balancerend op m’n voorste voet. Aan het begin zette ik nog geregeld m’n andere voet aan de grond, maar gaandeweg merkte ik dat het niet nodig was. Ik ging inderdaad veel lekkerder, meer ontspannen, rijden. Ik had m’n balans gevonden.

‘Het gaat wel lekker, alleen dat indroppen wil nog niet zo,’ zei ik en vertelde dat m’n skateboardmaatje er net zo tegenop zag.
‘Dat kunnen jullie,’ antwoordde hij.
‘Dat weet ik,’ zei ik en tikte een paar keer op m’n skateboardhelm, ‘maar hierboven wil dat er niet zo in.’
‘Niet bij nadenken, gewoon doen,’ was het antwoord.

Twee dagen later zag een andere instructeur me van een rampje af rijden en aan de andere kant van de zaal een kickturn maken. Het was dezelfde instructeur die me twee maanden terug de geheime tip had gegeven waardoor ik nu überhaupt die draai kon maken, dus toen hij vlak bij me stond, sprak hij me aan.
‘Gaat lekker man,’ zei hij.
‘Ja he?,’ antwoordde ik, ‘elke keer als ik hier ben doe ik nu kickturns.’
‘Je gaat ze ook leuk vinden als ze lukken,’ zei hij.
‘Nu het indroppen nog,’ verzuchtte ik en wees op een opstaande rand achter hem.
‘Dat kan jij,’ zei hij.

Dit weekend moest het gebeuren. Ik was m’n uitstelgedrag spuugzat. Wilde ik verder met skateboarden, dan moest ik kunnen indroppen, period. Daarnaast, over anderhalve maand staat een weekje Malmö op het programma en het hotel dat ik daar op het oog heb ligt pal voor een enorm gaaf skatepark. Toeval bestaat niet. Ik moest kunnen indroppen. Daarbij, ik zag het de meeste jonge gastjes in de hal probleemloos doen: zo moeilijk kon het toch niet zijn?

Thuis sprak ik mezelf moed in. Je kunt dit. Ik kan dit. Ik. Kan. Dit.

‘Wat doen we eerst?,’ vroeg ik aan m’n personal coach terwijl we samen in de hal stonden, want ik vond het logischer om eerst op een lagere rand te beginnen, verderop in de zaal en van daaruit naar dit hogere punt toe te werken.

M’n skateboardmaatje dacht daar anders over. Terwijl ik voor het eerst m’n board over de rand hing en in de afgrond voor me keek, dropte hij in, reed van het rampje een paar meter verder af en was een paar seconden later terug.
‘Ja, zo snel gaat dat bij mij niet he,’ zei ik.
‘Niet bij nadenken,’ was z’n antwoord, ‘en chill.’
‘Ik ben nu zeker niet chill,’ zei ik en voelde het zweet in m’n handen staan.

Verderop in de hal waren twee vrouwen bezig met een photoshoot.
‘Ze staan een beetje in de weg,’ zei ik tegen m’n personal coach.
‘Smoesjes,’ zei hij.
‘Ja oké,’ gaf ik toe.
‘Tien punten als ik haar omver rij?,’ vroeg ik en wees op de vrouw die het meest in de weg stond.
‘Vijftig als je ook de fotograaf omver kegelt,’ antwoordde hij.

Ik bleef een paar minuten naar m’n board staren. De afgelopen weken had ik vaker op die rand gestaan. Gewoon. Om aan het idee te wennen. En elke keer had ik me vooraf ingebeeld dat het echt niet zo moeilijk was, maar eenmaal met m’n board over de rand hangend begon ik daar toch ernstig aan te twijfelen. Nee, die rand was echt niet zoveel hoger als die in de instructieruimte. Maar toch: ik zag mezelf al op de grond liggen.

Een jongen van een jaar of vijftien kwam naast me staan.
‘Eerste keer?,’ vroeg hij.
‘Ja,’ antwoordde ik, ‘wel al vaak in de instructieruimte gedaan, maar de eerste keer hier.’
Hij knikte.
‘Ik zie het iedereen hier doen, jou zie ik het ook doen. Het kan niet moeilijk zijn, maar het blijft een uitdaging,’ zei ik nerveus lachend.
‘Het wordt niet makkelijker als je minutenlang met je board boven de rand blijft hangen,’ zei hij goedbedoeld.

Eigenlijk wilde ik even naar de halfpipe om te pompen. Als ik dat deed, dan werd ik vanzelf losser en leek die rand wat minder hoog. Het is allemaal mentaal, maar dat is zo vaak met skateboarden. De halfpipe was bezet en in plaats daarvan ging ik elders in de zaal kickturns doen. Altijd eerst dingen doen die je goed kunt, dan krijg je zelfvertrouwen en kan je je mentaal voorbereiden op dat ene moeilijke trucje waar je tegenaan hikt.

Een kwartier later ging ik terug. Opnieuw hing ik m’n board over de rand. Ik zette m’n achterste voet op de tail. Zover was ik daarnet ook gekomen. Nu zette ik ook voorzichtig, trillend, m’n voorste voet op de nose, m’n knie naar voren gebogen. Het board boog een beetje door, dat was me nooit eerder opgevallen. Het enige dat ik nu moest doen was stampen, maar dat deed ik niet. Weer stond ik minutenlang te dubben. Soms haalde ik m’n voet eraf, dan zette ik die weer terug.

M’n skateboardmaatje kwam naast me staan.
‘Wat is het probleem? De snelheid?,’ vroeg hij.
‘Nee, het is het idee dat ik hier onderuit ga,’ antwoordde ik.
‘Maar je gaat alleen onderuit als je ook denkt dat je onderuit gaat. Je moet denken dat je het kunt,’ zei hij in z’n rol als personal coach. ‘En je kunt het.’
Dat klonk logisch.

Nog steeds stond ik met m’n board op de rand. Ik gebaarde naar een jongen aan de andere kant van de zaal dat ie kon komen.
‘Als je met je board over de rand hangt, denken ze dat je gaat,’ zei hij.
‘Dat snap ik,’ antwoordde ik geïrriteerder dan bedoeld.
‘Ik wijs je alleen maar op de etiquette,’ antwoordde hij.
‘Maar ik denk dat ze wel zien dat het me niet makkelijk afgaat,’ zei ik.

Een oudere man die we al maanden alleen hadden zien skateboarden gebaarde nu ook dat ik wat hem betreft kon gaan. Ik wuifde terug dat hij voor mocht gaan. In al die maanden had ik ‘m nog nooit tegen iemand iets horen zeggen, maar nu reed ie bij me voor langs, kwam naast me staan en zei: ‘Niet nadenken. Gewoon doen.’
Ik knikte.

Ik stond nog een minuut naar m’n board te kijken. In m’n hoofd speelde zich de volgende dialoog af:
‘Kom op Guido, wat is het ergste dat kan gebeuren?’
‘Nou, dat ik iets breek.’
‘Dat heelt wel weer.’
‘Ja, maar ik moet zo nog naar de verjaardag van m’n nichtje.’
‘Je gaat zo boos op jezelf zijn als je het niet doet.’
‘Dat wel.’
‘Nou dan. Doe niet zo moeilijk en stamp op dat ding.’

Ik slikte een keer en zette opnieuw m’n voorste voet op de nose. Daarna stampte ik. Ik stampte hard. Ik stampte met alle overtuiging. Toen landde ik ‘m. Vervolgens schoot m’n board met een rotvaart de zaal in. Ik lag op de grond.

‘Je hebt het gedaan,’ riep m’n personal coach enthousiast. ‘Wacht, ik ga je board halen.’
Ik keek verdwaasd de zaal in, niet wetend waar m’n board ergens was geëindigd.
‘Nog een keer,’ zei ik toen hij terug was en me m’n board gaf.

Ik klom op de rand. Weer stond ik een paar minuten te twijfelen. Net was ik onderuit gegaan, dat zou me niet nog een keer overkomen. Maar net was het me ook gelukt om me over de drempel heen te zetten. Dus dat moest een tweede keer ook lukken. Opnieuw gaf ik een flinke stamp op de nose. Dit keer bleef ik staan, maar terwijl ik met een noodvaart op het rampje af reed besefte ik dat ik volledig verkrampt en in een verkeerde houding op m’n board stond. Ik reed van het rampje af en wist precies wat ging gebeuren: ik werd gelanceerd. Ik vloog voorover en gleed een paar meter over de grond. Instinctief voelde ik meteen of ik niks had gebroken. Dat was niet het geval. Wel had ik een grote schaafwond op m’n onderarm.

Ik stond op, trillend op m’n benen.
‘Het indroppen ging goed,’ zei m’n skateboardmaatje enthousiast.
Ik grijnsde. ‘Ja, nu de rest nog.’

M’n personal coach ging naar huis om naar de Grand Prix van Azerbeidzjan te kijken.
‘Dinsdag weer?,’ vroeg ik, want nu moest ik doorzetten.
Hij antwoordde dat ‘m dat een goed idee leek.
‘Wel met elleboogbeschermers,’ zei ik en keek naar de schaafwond op de rand van m’n onderarm en m’n elleboog.

In de kantine bestelde ik een worstenbroodje. Ik liet de schaafwond aan de jongen achter bar zien.
‘Eerste keer in de hal ingedropt,’ zei ik, niet zonder trots.
Hij keek met een pijnlijk gezicht naar de wond.
‘Het indroppen ging goed. Nu de rest nog,’ lachte ik.

De oudere man die ik voor het eerst iets had horen zeggen kwam naast me zitten. Hij bestelde een biertje en dronk het zwijgend op.

Toen ik even later naar huis fietste voelde ik de schaafwond op m’n arm. Die deed best veel pijn. Maar ik was apetrots.

I did it.

No pain, no gain.

Posted in Skateboarden | Tagged , | Comments Off on Indroppen

Jarig

Op m’n 28ste verjaardag zei m’n toenmalig leidinggevende tegen me: ‘Gefeliciteerd. Vanaf nu wordt het alleen maar minder.’
Ik had toch al een klotebaan, dus die mededeling kon er ook nog wel bij.

Hij had wel gelijk. De tijd dat je naar je verjaardag uitkijkt is dan wel voorbij. Verjaren wordt minder memorabel. Hoezeer je ook wilt dat het een Bijzondere Dag is, in de praktijk zijn al die verjaardagen inwisselbaar. Nouja, op m’n achttiende verjaardag ging ik naar de Efteling, dat is altijd leuk. En ik kan me m’n dertigste verjaardag nog goed herinneren want toen was ik jarig met Pasen en gingen we pannenkoeken eten. Ook goed. Een paar jaar eerder ging ik op de avond voor m’n verjaardag stappen en was ik zo bezopen dat ik bij thuiskomst half in m’n broek en half in de tuin heb gepist. De dag erna was ik vrij brak, maar ook die verjaardag zal ik niet licht vergeten.

Nee, bij het verstrijken van weer een jaar is er eerder gelatenheid dat het nooit meer zo goed wordt als het nooit is geweest. Het aandeel grijze haren in mijn toch al niet zo weelderige haardos is zichtbaar aan het toenemen. Een spier in m’n linkerlies speelt danig op bij het hardlopen en skateboarden en dat ene verkoudheidje blijkt ook heel hardnekkig. Er zijn mensen die de schoonheid van verval zien, maar dat zijn waarschijnlijk dezelfde mensen waar zelfs Robert Schoemacher hoofdschuddend van zou zeggen: ‘Nee, daar ga ik niet meer aan beginnen.’

Aan de andere kant, vorig jaar deed ik, vlak voor m’n 37ste verjaardag, een coopertest en toen bleek ik nog de conditie van een 17 jaar jonge god te hebben. Dus waar hebben we het over?

Toch, het enige dat rest is zoveel mogelijk Leuke Dingen Doen; iets dat ik, u had het waarschijnlijk al gemerkt, in grote mate doe.

Twee jaar terug had ik een memorabele verjaardag. Ik was jarig op een maandag, niet de beste dag van de week om een feestje te vieren. Het toeval wilde dat net die dag Japandroids op zou treden in de Melkweg. Dat vind ik één van de leukste rockbands van de laatste jaren en wilde ik dus graag live zien. Ik had ze een paar jaar eerder voor een show op Incubate geïnterviewd, maar kon het optreden toen niet bijwonen. Dat ging ik nu inhalen. Hoe leuk zou het zijn om mezelf dit concert cadeau te doen?

Wat heet, dacht ik. Ik maak er een dagje van. Ik heb altijd mooi weer op m’n verjaardag, dus dat kwam vast goed.

Op de Grote Dag postte ik eerst een vrolijke foto van mezelf als kleuter op Facebook: ik ben jarig en ga vandaag alleen maar leuke dingen doen. Daarna pakte ik de trein naar Amsterdam. Zonnig was het niet, maar de weersverwachting was dat het open zou trekken, dus ik had een zomerjas meegenomen.

In Amsterdam pakte ik de metro naar de hortus botanicus. Die ligt in een deel van de hoofdstad waar ik eigenlijk nooit kom, dus dat leek me vandaag een leuk uitje. In de buurt zocht ik een pinautomaat. Ik ben jarig op payday; een prettige bijkomstigheid. Dat deed ik niet bij een automaat van m’n eigen bank, maar dat leek me niet zo’n probleem. Daarna ging ik naar de hortus. Niet alleen het weer was grijs en grauw, de bloemen stonden ook nog niet in bloei. De enige planten die vrolijk kleurden stonden in de kassen. De lens van m’n digitale camera besloeg van het vocht en de warmte in de kassen en het duurde een eeuwigheid voor dat was verholpen.

Jarig voelde ik me niet.

Na het bezoek aan de hortus liep ik Amsterdam in. Het liep tegen het einde van de ochtend en langzaam begon ik spijt te krijgen dat ik zo vroeg was vertrokken. Wat ging ik in godsnaam doen om de rest van de dag door te komen? Intussen stroomden op Facebook de felicitaties binnen. Ik likete ze allemaal braaf. Leuk, dacht ik, maar die telefoon loopt zo wel heel snel leeg. Trouwens, had ik m’n lader eigenlijk wel bij me?

Via allerlei omzwervingen belandde ik in de Concerto (ik kom daar altijd uit als ik in Amsterdam uit). In de rekken vond ik de nieuwste cd van The Naked and Famous. Ik had het niet breed, dus stond een half uur te twijfelen of ik ‘m wel of niet zou kopen. Of zou ik dan voor de vinylversie gaan? Dan moest ik wel nog een halve dag zo’n onhandig grote lp met me meeslepen. Ik besloot eerst naar het Fotomuseum om de hoek te gaan, maar in gedachten was ik bij die cd. En ik wilde jarig zijn. Jarig Zijn. Maar ik voelde me niet jarig. Ik was me stierlijk aan het vervelen. Na het museumbezoek liep ik terug naar de Concerto en kocht die cd; je hebt het meest spijt van de dingen die je niet doet. Misschien voelde ik me nu wel jarig.

De rest van de dag liep ik wat door de stad te slenteren. Het weer bleef grauw en koud. Het begon zachtjes te miezeren. Ondanks de tijd van het jaar struikelde je over de toeristen. Eigenlijk heb ik een pesthekel aan Amsterdam.

Ik besefte dat ik eigenlijk nog extra geld moest pinnen voor de garderobe en wat drankjes in de Melkweg. Misschien hadden ze een leuke poster of lp die ik kon kopen. Ik probeerde een pinautomaat, maar die weigerde. Ik had die dag al gepind en mocht alleen nog een keer pinnen bij een automaat van m’n eigen bank (een idiote regel waarvan ik dacht dat die allang was afgeschaft). Ik kwam zat geldautomaten tegen, maar niet die van m’n eigen bank. Op m’n telefoon kijken waar ik een pinautomaat kon vinden ging niet, dat ding was zo goed als leeg.

Ik ging eten in Café De Prins, een vast adres als ik in Amsterdam ben. Ik zag een telefoon aan een lader liggen. Even kreeg ik hoop.
‘Kan ik m’n telefoon ook even aan de lader leggen?,’ vroeg ik.
‘Heb je een lader?,’ vroeg ze.
Nee, dat niet. En zij hadden die ook niet liggen.

Onderweg naar de Melkweg bleef ik naar een geldautomaat van de Rabobank zoeken. Tevergeefs.

Bij de Melkweg vreesde ik het ergste. Ik had niet eens voldoende geld voor de garderobe.
‘Is het heel erg als ik m’n jas en tas mee de zaal in neem?’, vroeg ik.
Dat was geen probleem. Bij de merchandise hing een poster van het concert, maar ik was zo murw van de teleurstellend verlopen dag dat het niet in me opkwam om te vragen of ik kon pinnen.

Het concert was goed, maar na zo’n dag kon zelfs dat me niet meer opbeuren. Ik voelde me een halve toerist, op het balkon met die onhandige tas bij me.

Na afloop pakte ik snel de tram naar Amsterdam Centraal. Weg. Naar huis. Toen ik in de trein zat, kwamen drie jongens mijn kant op lopen. Eentje had een poster van het concert gekocht, met daarop ook de datum van het concert in de Melkweg. Dat was een gaaf aandenken geweest, bedacht ik knarsetandend. In de weken erna probeerde ik in alle macht nog aan die poster te komen. Wat ik ook probeerde, niks lukte.

Je hebt het meest spijt van de dingen die je níet doet.

Ook dit jaar ga ik alleen maar leuke dingen doen; als dat maar goed gaat. Eerst ‘s morgens werken, maar ‘s middags heb ik vrij genomen. Dan ga ik eerst sporten en daarna een paar uurtjes skateboarden. ‘s Avonds eet ik pannenkoeken.

Het lijkt me de perfecte gelegenheid om iets te breken. Weet ik zeker dat ik deze verjaardag niet vergeet.

Posted in Overig | Tagged , | 1 Comment

Tien keer Record Store Day

Morgen is het Record Store Day. Een feestje om de lokale platenboer een financieel hart onder de riem te steken. Ik ben sinds 2010 vrijwel elk jaar van de partij geweest. Die eerste keer was dat nog een kleinschalig feestje: twee bakken met releases op vinyl (zelfs een enkele cd) op een tafel tegenover de kassa, meer was het niet. In de jaren erna werd het steeds drukker en daarom heb ik een paar edities overgeslagen. Ik hield niet van het benauwde en drukke van dat toch al zo kleine platenzaakje dat ik frequenteer.

Sinds een paar jaar heeft m’n platenzaak een ingenieus systeem waarmee eventuele vechtpartijen worden voorkomen (niet dat die er waren) en dus ben ik weer van de partij. Elk jaar sta ik rond 7.30 uur voor de deur en dan ben ik zeker niet de eerste, meestal staat er al een man of zes à zeven. Dat zijn vaak dezelfde gezichten, dus het voelt inmiddels als een soort reünie, waarbij je op slinkse wijze probeert te achterhalen of diegenen die vóór jou arriveerden niet toevallig op het door jou zo felbegeerde plaatje azen, onderwijl hopend dat de platenzaak voldoende exemplaren heeft ontvangen.

Ik speelde al een paar jaar met het idee om tien Record Store Day-releases uit te lichten in een blogje. Dit zijn natuurlijk niet de tien beste releases. Dat zijn die obscure vinyl singletjes waar 250 exemplaren van geperst zijn – dat werk. Nee, dit zijn de tien releases van negen edities van Record Store Day die me om de een of andere reden bij zijn gebleven. Sommige draai ik zelfs nog regelmatig.

Franz Ferdinand – Covers EP (2010)

Ik bekeek het programma van London Calling in 2003 en zag Franz Ferdinand staan. Nooit van gehoord. Een paar weken later was ik in Engeland en was ik getuige van de hype. Pardon, De Hype. Ik kocht de eerste ep Darts Of Pleasure en zag ze in het (veel te kleine) bovenzaaltje van Paradiso. Franz Ferdinand was gaaf. Een paar maanden later zag ik ze opnieuw, in de Vera in Groningen, tijdens Eurosonic. Wat een tof optreden was dat. Ik was fan.

Op zich heeft Covers EP niet zoveel om het lijf en ik zou deze plaat allang weer vergeten zijn, ware het niet dat het me lang heeft geduurd om het exacte toerental uit te vogelen. Bij een ep is dat doorgaans 45 toeren, maar dat klonk niet. Nouja, soms wel, soms niet. Maar 33 toeren werkte ook niet altijd prettig. Pas recent vond ik op Discogs de oplossing: kant a is geperst op 45 toeren, kant b op 33 toeren. Een gebbetje, typisch Record Store Day.

Villagers – Live at the Workman’s Club (2011)

De eerste keer dat ik Villagers zag was op London Calling. Ik was niet onder de indruk. Ik was daarin, gezien de lovende recensies die ik na afloop las, de enige. Toch, ik vond de liedjes gekunsteld en niet overkomen. Ik dacht dat de songs beter uit de verf zouden komen zonder alle productionele opsmuk, of begeleiding van een band.

Omdat m’n kennismaking met Villagers niet al te best was, twijfelde ik aanvankelijk bij deze lp. Maar Live at the Workman’s Club bleek juist de ideale instapplaat voor Villagers. In feite is het een soloplaat van frontman Conor O’Brien (die toch al in z’n eentje Villagers is). De zanger heeft alleen begeleiding van gitaar of piano en daardoor komen die kleine liedjes veel beter uit de verf; precies zoals ik ze wil horen. Komt nog bij dat O’Brien weergaloos in vorm was op deze avond, wat een intieme en bij geestige live-lp opleverde. Na het draaien was ik alsnog fan (check ook het prachtige album Darling Arithmetic). En dat allemaal op basis van een Record Store Day release.

2 Many DJ’s – As Heard On Radio Soulwax Pt. 2 (2012)

Van alle Record Store Day releases in m’n collectie is dit vermoedelijk de obscuurste; er zijn niet meer dan tweehonderd exemplaren van geperst. Dat is te merken aan de prijzen die op internet voor een exemplaar worden geboden: die lopen op tot tachtig euro. Niet dat ik mijn dubbel-lp van de hand doe; ik speculeer niet met vinyl. Maar daarnaast vind ik dit een veel te leuke mix van de broertjes Dewaele. Van Peaches naar The Velvet Underground en van The Breeders naar New Order: het gaat alle kanten op. De mix van Destiny’s Child Independent Woman en Dreadlock Holiday van 10cc is zelfs nog een alternatief hitje geworden.

Het clearen van alle samples zorgde indertijd voor de nodige problemen. Voor de hoes gold hetzelfde. Oorspronkelijk stond op de hoes een foto van Elton John die twee vingers opsteekt. Om problemen met de rechten te voorkomen fotoshopte de ontwerper een papieren zak over Johns hoofd. Ook dan wilde de fotograaf niet dat de foto werd gebruikt, en dus werd de volledige foto getipp-ext; de papieren zak uitgezonderd.

Nick Drake – Nick Drake (2013)

Nick Drake is me dierbaar. De drie albums die hij bij leven uitbracht, Five Leaves Left, Bryter Layter en Pink Moon draai ik nog geregeld en laatst keek ik nog op Joetjoep de hartverscheurende documentaire A Skin Too Few terug. Dat de platenmaatschappij begin jaren zeventig heeft geprobeerd Drake ook in Amerika door te laten breken was me niet bekend, maar voor die gelegenheid stelde Island een compilatie samen met de beste tracks van de eerste twee lp’s. Om onduidelijke redenen is die lp nooit in de handel gekomen. Die omissie werd in 2013 ingehaald, al hebben de makers wel de lelijke gaten in de hoes, in de seventies in de originele release gestanst om illegale verkoop te voorkomen, gereproduceerd. Geen nieuwe muziek, maar alles van Nick Drake is en blijft prachtig.

Tame Impala – Live Versions (2014)

‘Neem je die mee?,’ vroeg de jongen die naast me stond bij het doorspitten van de bakken met Record Store Day releases.
‘Ik vrees van wel,’ antwoordde ik.

Wie op Record Store Day een felbegeerd exemplaar van z’n keuze wil bemachtigen moet goed beslagen ten ijs komen. Vooraf even online checken hoe de hoes eruit ziet bijvoorbeeld. Daardoor had ik Live Versions snel uit de bakken gevist.

Zoals wel vaker bij Record Store Day releases gingen nogal wat tegenstrijdige berichten over deze lp de ronde. Sommige exemplaren zouden op gekleurd vinyl zijn geperst, andere op ‘gewoon’ zwart vinyl. Sommige zouden geleverd worden met downloadcode, andere weer niet. Ik had geluk: mijn Live Versions kwam op groen doorschijnend vinyl én met downloadcode. Pas veel later begreep ik dat dit voor alle Europese versies van Live Versions geldt.

Arcade Fire – Ready To Start / Sprawl II (Mountains Beyond Mountains) (2012)

Ik heb het niet zo op remixen. Je moet er eigenlijk van uit kunnen gaan dat de beste versie van een song de originele release is. Een remix voegt daar weinig aan toe. Hetzelfde geldt voor Sprawl II (Mountains Beyond Mountains) op The Suburbs – het magnum opus van Arcade Fire; het was enige tijd de meestgedraaide song op m’n iPod. Geen idee waarom ik dan deze 12″ heb gekocht, misschien was de reden júist dat ik Sprawl II (Mountains Beyond Mountains) zo goed vond. Ook een mindere remix is dan acceptabel. Ik heb er geen spijt van, want de remix van Damian Taylor is beter dan het origineel. Echt. De productie is opgeschroefd, met een iets hardere bas die heerlijk door de huiskamer dreunt (sorry, not sorry buren). Iemand op Discogs omschrijft het als ‘Depeche Mode meets Bat For Lashes in an especially bad mood. It’s dynamite.’ Dat is allemaal waar.

Fleetwood Mac – Tusk (2016) / Mirage (2017) / Tango In The Night (2018)

Fleetwood Mac heeft iets slims bedacht. Elk jaar brengt het een oud album opnieuw uit, maar vervangt het de originele liedjes door andere versies. De groep staat er om bekend om, onder het genot van bergen cocaïne en andere geestverruimende middelen, maanden te pielen op alternatieve uitvoeringen van songs. Zo’n lp is dus makkelijk samen te stellen, zeker omdat veel van deze alternatieve versies eerder al op heruitgaven of boxsets van de westcoastpopgroep zijn verschenen. Tusk was de eerste lp die deze eer ten deel viel, een persoonlijke favoriet. Later volgden Mirage en Tango In The Night, al stonden bij die laatste albums op de alternatieve versie zelfs wat b-kantjes en outtakes (Stevie Nicks was tegen die tijd zo doorgesnoven dat ze tot niet veel meer in staat was). Ik heb ze braaf allemaal gekocht; het zijn heel leuke lp’s. Zelfs het artwork komt in een alternatieve uitvoering.

Dit jaar verschijnt Fleetwood Macs titelloze lp uit 1975 in een alternatieve versie. Logischerwijs is dan volgend jaar het vermaarde Rumours aan de beurt. Ik vrees dat ik dan echt vroeg in de rij moet gaan staan.

Fleet Foxes – Crack-Up (Choral Version) (2018)

Ik koop bijna geen vinyl singletjes. De reden is triviaal: mijn oude pick-up heeft wat moeite met de 45 toeren. Het duurt eventjes voordat de platenspeler is warmgedraaid op het juiste toerental. Maar Fleet Foxes’ Crack-Up wilde ik per se hebben, zeker in de live versie die de groep maakte tijdens Iceland Airwaves 2017. Dat die prachtig is, had ik al gehoord op YouTube. Nog verrassender is de b-kant: In The Morning. Een cover van de Bee Gees, opgenomen tijdens het Montreux Jazz Festival 2017. En dan dat artwork: een foto van de kalkterrassen in het Turkse Pamukkale. Alles even stijlvol.

Eerder baalde ik nog van The War On Drugs die hun nieuwe track Thinking Of A Place, een andere Record Store Day release, over twee plaatkanten uitsmeerde, waardoor die mooie song onnodig wordt onderbroken; het had met gemak op één plaatkant gekund. Dan had je op de b-kant een live opname, outtake of cover kunnen plaatsen. Nee, dat heeft Fleet Foxes beter bekeken.

Phoenix – Monologue (2018)

Phoenix is een band met een retestrakke discipline. Elk nieuw album van de Franse band telt evenveel tracks; van debuut United tot de meest recente (en onderschatte) lp Ti Amo, ja dat is een ode aan de Italo disco: ze tellen allemaal exact tien composities. Dus toen voor Record Store Day 2018 een shaped vinyl met een outtake van de opnamesessies van Ti Amo werd aangekondigd, wilde ik deze hebben. Daarmee wijken de Fransen in zekere zin af van hun strakke regime, maar het bood mij ook de gelegenheid om een keer een lp in een maf vormpje aan te schaffen. Helaas voor m’n bankrekening was Monologue nogal prijzig. Nooit eerder betaalde ik zoveel geld voor één liedje.

Nu nog een keer een goede picture disk scoren.

Rage Against The Machine – Democratic National Convention 2000 (2018)

Officieel is het een bootleg, en zoals het een bootleg betaamt is het geluid niet optimaal. Dat geeft niks; het geeft de rellerige sfeer die rond dit optreden, volgens de hoes georganiseerd tijdens de democratische conventie rond de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2000, goed weer. De openingswoorden van volksmenner Zack de la Rocha alleen al: ‘Brothers and sisters, our democracy has been hi-jacked.’ Vervolgens komen in een stief half uurtje een paar van de grootste hits voorbij: Bulls On Parade, Guerrilla Radio en Killing In The Name. Daarna werd de show op last van de politie afgebroken. Een heerlijke lp, die ik graag draai als ik na een avondje skateboarden net iets te veel adrenaline in m’n lijf heb.

Toch is Democratic National Convention 2000 niet geheel onomstreden. Op Discogs beweren sommige fans dat dit helemaal geen registratie is van dat vermaarde concert, maar van een heel ander optreden. Of anders een mix van verschillende concerten. Mij maakt het niet uit. Rage Against The Machine ragt er lekker op los. I love it.

Posted in Lijstjes, Muziek, Uncategorized | Tagged , , , , , , , , , , | Comments Off on Tien keer Record Store Day

Muziekbibliothecaris

Het beste baantje dat ik ooit heb gehad was dat van muziekbibliothecaris, van 2002 tot 2008 op de muziekafdeling van de bibliotheek in de Witte Dame. En hoewel ik het prima naar m’n zin heb in m’n huidige baan wordt het nooit meer beter dan toen: heel de dag met klanten over muziek lullen, iets waar ik ook nog vorstelijk voor betaald kreeg, én ik mocht gratis onbeperkt cd’s lenen. Daar kwam nog bij dat ik de leukst denkbare collega’s had die eenzelfde passie voor muziek deelden.

Wel heb ik me er over verbaasd dat ze me indertijd hebben aangenomen. Ik was begin twintig en liep erbij als een overjarige puber. M’n standaard outfit bestond uit een vaalgewassen t-shirt, een oversized spijkerbroek en afgetrapte All Stars. M’n haar stond stijf van de gel. Letterlijk. Ik kan niet echt een bibliothecaire indruk hebben gemaakt toen ik op sollicitatiegesprek kwam. Dat moet een heel keurige collega van een andere afdeling ook hebben gevonden, zo hoorde ik later. Hij had me op één van m’n eerste werkdagen op de muziekafdeling zien zitten en vroeg geschokt aan een collega van de aangrenzende jeugdafdeling: ‘Wie is die jongen?!’

Waarschijnlijk was het feit dat ik niet het standaard biebtype was juist de reden dat ze me hebben aangenomen. Het gaf de muziekafdeling een jong, tikkeltje rebels imago. Al was de leeftijdgenoot waarmee ik de weekenddiensten draaide (we werkten afwisselend op zaterdag en zondag) het compleet tegenovergestelde van mij: keurig gekleed volgde ze een opleiding tot klassiek pianiste, een studie die ze uiteraard afrondde binnen de tijd die daar voor stond. Ze zat altijd fris en fruitig achter de balie, wat mij na een nacht doorhalen iets meer moeite kostte. Niet dat ik met hoofdpijn werkte (katers heb ik nooit gehad), maar op sommige zondagen was m’n lontje net iets te kort; dat klanten zelfs dan vriendelijk bleven heeft mijn vertrouwen in de mensheid aanzienlijk doen vergroten.

De muziekafdeling was het walhalla. Goed, cd’s opruimen was niet m’n favoriete klusje, en dat klanten tientallen keren per dag om de sleutel van het toilet kwamen vragen werkte ook danig op m’n zenuwen, zeker omdat het ding om de haverklap kwijt was. En dan was er nog een pianokamer die per uur gereserveerd kon worden maar waarvan sommige gebruikers het begrip quatre mains iets te letterlijk namen.

Daar stond een kleurrijk palet aan klanten tegenover, ieder met een eigen verhaal. Zo was daar een verstokte roker die zo naar nicotine stonk dat ik m’n adem inhield als hij de afdeling op kwam lopen. Hij liet vaak cd’s uit de Centrale Discotheek Rotterdam overkomen, dus ik moest ‘m wel persoonlijk aan de balie helpen. Die cd’s moest ik uit de kast achter de balie pakken, dus ik draaide me dan snel om, haalde nogmaals diep adem en pakte de cd’s. Het was een bijzonder aimabele man die ook nog graag een praatje maakte, iets dat ik wellicht iets te gelaten onderging.

Er was een stotteraar, nouja, er waren er meerdere. Omdat ik heb geleerd dat je bij een stotteraar nooit de zin moet afmaken wachtte ik rustig af, al is geduld niet m’n sterkste kant. Een enkele keer zocht ik al in het systeem naar de cd van de klant (in gedachten had ik z’n zin allang afgemaakt), maar de computer was erg traag. De man zat nog midden in een stotter toen ik gefrustreerd naar het scherm riep: ‘Schiet nou es op man!’
De man schrok, stamelde ‘owja natuurlijk,’ en maakte probleemloos z’n zin af.
‘Ik bedoelde niet u,’ verzuchtte ik.

De bekendste of beter, beruchtste, klant was een kale oudere man die meerdere keren per week in de bibliotheek bivakkeerde. Hij kwam dan druk pratend en gebarend de afdeling op lopen, daarbij eventuele andere klanten die ik aan het helpen was negerend en toeterde, al dan niet met z’n kunstgebit in, een zin die standaard begon met ‘hedde gullie’ over de afdeling, waarna geregeld iets wanstaltig Nederlands- of Duitstaligs volgde. Een keer liep hij, zonder kunstgebit, op me af en riep: ‘Hedde gullie Jussify My Luv?’ Een surreële ervaring.

M’n favoriete klant was een man die een jaar of vijf à zes ouder was dan ik. We deelden een liefde voor alternatieve gitaarbandjes. Hij kwam elke zaterdag naar de bibliotheek. Als bijbaantje werkte hij, naast z’n reguliere baan, één dag in de week in de Free Record Shop in Den Bosch. Als hij in de bieb kwam haalde hij een schriftje uit z’n tas waarin hij zorgvuldig de nieuwste releases van de afgelopen tijd bijhield en informeerde of we de cd’s hadden besteld. Ik was te cool om het toe te geven, maar ik keek elke zaterdag uit naar z’n bezoek en baalde als ik een zondagdienst moest draaien, waardoor ik ‘m mis zou lopen. Onze gesprekken gingen nooit verder dan muziek, dus dat hij vader zou worden hoorde ik via een collega.

Het leukste vond ik het om m’n muziekkennis te etaleren. De klant die zich wilde verdiepen in Depeche Mode en aan me vroeg wat een goede instapplaat was (Violator), of een andere klant die een soortgelijke vraag stelde, maar dan over Prince (Sign Of The Times). En er was een jongen die een keertje aan m’n balie kwam. Hij had een liedje gehoord, maar wist niet hoe het heette en begon, loepzuiver, te zingen: ‘I saw you standing there.’ Ik herkende het meteen: Just Friends van Gavin DeGraw (achteraf denk ik dat hij donders goed wist wat hij zong en met me aan het flirten was).

Een andere keer was een klant cd’s aan het luisteren aan onze balie toen hij vertelde al jaren op zoek te zijn naar een liedje uit de jaren tachtig.
‘Het gaat over mensen die op ruimtereis zijn en daar proberen ze contact mee te leggen, maar na een tijdje verbreekt het contact. Het is best een zielig liedje,’ zo vertelde hij.
‘Dat ken ik,’ zei ik, ‘Clouds Across The Moon van The Rah Band.’
De klant was sceptisch want de titel zei ‘m niks. Hij kon zich ook moeilijk voorstellen dat een jong broekie als ik het kende, dus ik pakte een verzamel-cd uit de bakken waar ik wist dat het op stond. Hij stopte lacherig de cd in de speler en zette de koptelefoon op om helemaal verbaasd het liedje te horen dat hij al die jaren had gezocht.

Ooit had ik vlak voor een invaldienst doordeweeks meegespeeld met het Popduel op 3FM. Ik had daarbij de connectie moeten raden tussen drie hiphopplaten, maar had geen idee.
‘Ik weet niet, alle drie doodgeschoten?,’ had ik, gangstarap indachtig, gegrapt.
Ik vertelde dat net aan m’n leidinggevende terwijl een klant naar de balie kwam lopen.
‘Dat heb ik gehoord. Ik had dat ook gezegd,’ bekende hij.

M’n werkzaamheden hielden niet op bij strikt muzikale zaken. Zo mocht ik geregeld helpen bij computerproblemen. We hebben het hier over de jaren nul, dus mensen die naar de bibliotheek komen om te internetten zijn, laat ik het diplomatiek zeggen, geen early adopters. Een keer kwam een man (‘ik ben bang voor computers’) naar de balie omdat hij tot z’n frustratie alleen de bovenste twee resultaten in de zoekmachine zag. Hoe kon hij de andere zoekresultaten zien? Ik nam de muis van ‘m over, bewoog de cursor naar de balk aan de zijkant van het scherm, klikte op de linkermuisknop en bewoog de balk naar beneden.
Hij keek me met grote ogen aan en sprak vol bewondering: ‘Jij weet ook álles he?’

Een andere klant wilde graag chatten. Ik legde uit hoe hij een account aan kon maken voor MSN, maar daarmee had hij nog geen contactpersonen om mee te chatten.
‘Weet u misschien iemand waar u mee kunt chatten?,’ vroeg ik.
Dat bleek het geval en hij voegde een persoon toe. Die persoon was offline.
‘U kunt nu niet met deze persoon chatten, hij is niet online. Is er nog iemand anders waar u mee wilt chatten?,’ vroeg ik.
Nee, dit was de enige persoon die hij kende. Hij wilde wachten.
‘Maar het kan nog uren duren voordat hij online komt,’ probeerde ik nog.
Dat deerde hem niet.

Toen ik later die dag met pauze ging zag ik ‘m nog steeds doelloos naar het scherm staren.

We zijn inmiddels tien jaar verder, maar alle opvallende klanten staan nog op m’n netvlies: de oudere dame met wie ik meeliep om de weg naar het toilet te wijzen en die me als dank een doosje rozijntjes gaf. De Franse student van de Design Academy die zo onduidelijk Engels sprak dat ik ‘m écht niet verstond toen ie om de nieuwste cd van Jamiroquai vroeg. De Amerikaanse muzikant die, na de bladmuziek voor een obscuur muziekstuk bij me ingeleverd te hebben wegliep én terugkwam, omdat het ‘m niet zinde dat ik niet had geïnformeerd hoe het concert was verlopen; ik ben niet zo van de oppervlakkige beleefdheden. Het meisje dat een cd zocht met een lied uit een operette omdat ze het wilde draaien op de uitvaart van haar oma. Ze zat huilend bij me aan de balie.

Alles wat mooi is moet kapot. In 2008 kreeg de bibliotheek een nieuwe directeur en hij maakte binnen een paar maanden een complete puinzooi van de instelling. Hij versjteerde de relatie met de grootste subsidieverstrekker (de gemeente), joeg tientallen medewerkers weg en doekte uiteindelijk de muziekafdeling op. Tegen die tijd had ik zowaar m’n studie Journalistiek afgerond dus ik kon met opgeheven hoofd vertrekken. Omdat de directeur me met een fooi af had willen poeieren (ik had een vast contract, wat ‘m niet beviel) en uit woede over al het goede dat hij had verziekt heb ik ‘m een ongenadige trap na gegeven op die plekken waar het het meest pijn deed: in de lokale media, bij de gemeente en in het vakblad van het bibliotheekwezen. Hij moet me vervloekt hebben en daar ben ik nog steeds trots op.

De muziekafdeling mag niet meer bestaan, als oud-collega’s hebben we altijd contact gehouden. Iedereen is goed terechtgekomen en elk jaar komen we bij elkaar. Dan halen we herinneringen op aan onze kleurrijke klantenkring. Dit weekend staat een reünie op de planning.

Ook sommige klanten kom ik nog tegen. De verstokte roker zie ik nog af en toe in een platenzaak. Hij is gestopt met roken en gezonder dan ooit. De kale, oudere man die Justify My Love wilde lenen zag ik, zonder kunstgebit, een paar weken terug bij de Albert Heijn. Er was een vage blik van herkenning toen hij me zag; we worden allemaal ouder.

M’n favoriete klant heb ik nog één keer gezien. Dat was in de Free Record Shop in Den Bosch. Hij was druk met klanten helpen en maakte een vermoeide druk. Hij leek me niet te herkennen. Dat zal door het vaderschap komen.

Posted in Eindhoven, Muziek, Overig | Tagged , , , | 1 Comment

Proteststem

‘Stem desnoods op ons’ was jaren terug een politieke slogan. Die was van de Partij voor de Toekomst, voorheen de Feestpartij van Johan Vlemmix. Ik vond dat best een geestige tekst: laat je stem niet verloren gaan door weg te blijven, maar kies in plaats daarvan voor de grootste malloot op het stembiljet.

De toekomst is nu, zo bleek afgelopen week. Alleen is de grootste malloot op het kiesbiljet niet iemand die een recordaantal keer aan Ter Land, Ter Zee en in de Lucht heeft deelgenomen, maar een omhooggevallen, raaskallende politieke ezel die naar de naam Thierry Baudet luistert.

De afgelopen dagen zag ik op sociale media wat Baudetkiezers uit de kast komen. Op zich dapper, want het laatste dat ik zou doen is ervoor uitkomen dat ik op iemand stem die er fascistische ideeën op nahoudt. De meest gehoorde verantwoording was dan dat het om een proteststem ging, of om een stem tegen de gevestigde orde. Dat vind ik een onzinargument. Als je tegen de gevestigde partijen bent, kan je ook op de Partij voor de Dieren, of zelfs Denk stemmen. Van beide partijen kan je moeilijk zeggen dat ze tot de gevestigde orde behoren, ongeacht of je het met hun ideeën eens bent. Daarnaast is er altijd nog de optie om blanco te stemmen, wat ik veel stoerder vind. Als je in plaats daarvan stemt op een politicus die er extreemrechtse ideeën op nahoudt, dan ben je nouja, extreemrechts. Het is geen diskwalificatie en het is zeker geen demonisering (over jeuktermen gesproken), het is een constatering.

Ik kom er dan ook ruiterlijk voor uit dat ik Forum voor Democratie-kiezers dom, nee, oerdom vind. Dat vinden mensen op sociale media niet aardig. Dat mag. Ik word volgende maand 38 en ik kan iedereen zeggen dat aardig worden gevonden me in al die jaren nooit enige zier heeft geboeid. In dit geval zeker; ik kan slecht tegen domheid, zeker als die gepaard gaat met kwaadaardige ideeën.

‘We stemmen op Forum voor Democratie omdat de elite ons dom noemt omdat we op Forum voor Democratie stemmen,’ kreeg ik tegengeworpen. Die argumentatie vind ik zo stupide dat het geestig is. Het is een paradox, maar ik heb niet geprobeerd dat uit te leggen. Discussiëren op sociale media heeft geen zin. Geloof me, ik heb in een vorige baan een tijdje het forum van stand.nl moeten schoonhouden en daar werden geen grote ideologische vergezichten gedeeld. Hetzelfde geldt voor Facebook en Twitter. Het enige dat ervan af komt is een onwelriekende putlucht.

Het punt is dat het heel makkelijk is om ergens tegen te zijn. Tegen buitenlanders. Tegen het klimaatakkoord. Tegen Europa. Tegen vrouwenrechten. Ik vermoed dat de mensen die op Forum voor Democratie hebben gestemd daar allemaal tegen zijn. Waar ze voor zijn is een raadsel. Zij hebben lekker rebels een proteststem uitgebracht.

Het is niet dat ik boos ben. Waarom zou ik? Door de grote winst van het Forum voor Democratie zal de coalitie voor meerderheden in de Eerste Kamer moeten samenwerken met PvdA en GroenLinks. Daar ben ik als linkse jongen alleen maar gelukkig mee. Het is meer een gelatenheid, dat sinds 2002 een flink deel van het Nederlandse electoraat achter het maakt niet uit welke politieke charlatan aanloopt: in polonaise van Pim Fortuyn naar Rita Verdonk naar Geert Wilders naar Thierry Baudet. Hou het domme kiezersvolk een worst voor en het rent er massaal achteraan. Bij niemand van die kiezers is het besef doorgedrongen dat na zeventien jaar rechts-populisme van de ideeën niks terecht is gekomen – en ook niet gaat komen (nee, echt niet). Het enige waar het voor heeft gezorgd is dat het politieke en maatschappelijke klimaat danig is verziekt.

Nee, als ik me al boos maak, dan is het over m’n eigen beroepsgroep: de media. Zij hebben Baudet kritiekloos op een voetstuk gehesen, presenteren hem als the new kid on the block, een leuke frisse jongen op het Binnenhof, terwijl om de ideeën over omvolking, homeopathische verdunning, Nexit en een boreaal Europa van de FvD-frontman een onfrisse Blut-und-Bodenlucht hangt.

Ik mag hopen dat aan de talkshowtafels van De Wereld Draait Door, Pauw en Jinek Baudet cum suis (om in het potjeslatijn van onze nationale lavendelsnuiver te blijven) voortaan iets kritischer bejegend wordt. Al vrees ik het ergste.

Posted in Media, Politiek | Tagged , , | 1 Comment

Personal coach

M’n vaste skateboardmaatje op de zondagmiddag had zich buitengesloten en wist niet of ie nog kon komen. Hij fungeert ook als personal coach, dwingt me soms net iets meer risico te nemen dan ik zelf zou willen, wat me verder helpt. Maar inmiddels ga ik best aardig dus zonder z’n coaching zou ik me ook prima kunnen vermaken.

Toch had hij, in de vorm van een donker jochie van ongeveer acht jaar oud, uitstekende vervanging. Eerst stond hij naast me op een verhoging. Daarna reed hij op een wand af waarvan ik sinds een paar weken weet dat die de ‘quarter’ heet. Hij reed te hard, remde netjes af door een voet aan de grond te zetten en probeerde in de wand een kickturn te maken. Dat lukte niet, maar het scheelde niet veel.

‘Ik kan ‘m wel hoor,’ zei hij terwijl hij terug de verhoging op liep.
‘Dat denk ik ook, want je zat er al dicht bij,’ zei ik.
‘Kunt u ‘m?,’ vroeg hij.
‘Ja, ik kan ‘m,’ antwoordde ik, niet zonder trots, want ik had begin dit jaar weken zitten prutsen voordat ik het trucje onder de knie had. Vorige maand viel het kwartje en sindsdien maakte ik aan de lopende band kickturns, elke keer hoger dan de vorige keer.

En dus reed ik nu van de verhoging af, daarna de wand in en maakte een perfecte draai. Nouja, ik draai nog altijd niet voldoende met m’n schouders (wat eigenlijk wel moet, iets waar ik door andere skateboarders zo af en toe voorzichtig op word gewezen), maar heej, ik land ‘m, dus wat zou ik me druk maken dat ie niet helemaal is zoals het hoort?

Een volgende poging maakte hij een geslaagde kickturn. Een beetje wankel, maar dat geeft niet. Als je ‘m landt, telt ie.
‘Wow, goed hoor,’ complimenteerde ik ‘m. Een jongen van een jaar of vijftien, zestien stampte een paar keer met z’n skateboard op de grond, de meer gangbare manier van juichen onder skateboarders.
‘Ik heb ‘m van m’n vader geleerd,’ glunderde hij, terwijl hij de verhoging weer opliep. Af en toe keek hij naar het balkon waar een vrouw, ik denk z’n moeder, toekeek.
‘Ik kan ook van die hoge helling af,’ zei hij en wees naar een helling elders in de zaal. ‘Heeft u die al eens gedaan?’
‘Nee, die heb ik nog niet gedaan,’ antwoordde ik eerlijk. Niet omdat ik ‘m per se te eng vind, maar omdat het er nog niet van was gekomen. Ik heb nog zoveel andere dingen te leren.
‘Ik kan ‘m u wel leren meneer,’ zei hij.
Even later reed hij naar de rand boven aan de helling.
‘Kijk maar,’ zei hij, om daarna met een noodvaart van de helling af te rijden.

Ik ging verder met m’n eigen oefeningen: die kickturns moesten steeds sneller en hoger, ik wilde van een ander hellinkje af, en een ander rampje, waar een verraderlijk bultje aan voorafging, een bultje dat me al een paar maanden tot wanhoop dreef, maar dat ik de laatste week onder de knie had gekregen. Terwijl ik een rampje op reed, reed hij bij me achterop.
‘O sorry,’ verontschuldigde ik me.
‘Geeft niet,’ zei hij luchtig.
‘Je gaat sneller dan ik,’ zei ik.
‘U moet meer afzetten, dan ga je harder,’ zei hij.
‘Dat weet ik,’ antwoordde ik, ‘maar dat vind ik nog een beetje eng.’
‘Hoe lang bent u bezig?,’ vroeg hij.
Ik dacht na wat de beste tijdsaanduiding zou zijn voor een jochie van acht: een half jaar of zes maanden. Ik besloot tot het laatste, en dacht terug aan m’n eerste bezoek aan de skatehal, toen ik al omviel als ik naar een skateboard keek. Ik zal nooit de nieuwe Tony Hawk worden, maar hoef me niet te schamen voor wat ik inmiddels kan.

Twee BMX’ers kwamen het skategedeelte van de hal op rijden.
You little BMX’ers think you own this place, dacht ik. Area 51 heeft een apart deel voor BMX’ers en stuntstepjes, alleen op maandagen rijdt alles en iedereen door elkaar. Vanaf komende zomer is altijd alles gemengd, dit tot ongenoegen van mij en andere skateboarders; het is levensgevaarlijk.
‘Heej, dat mag niet,’ zei m’n personal coach verontwaardigd.
Voordat ik kon reageren riep hij naar de twee BMX’ers, terwijl ze voorbij kwamen snellen: ‘Meneer, u mag hier niet rijden. Meneer, dat mag niet!’
Een van de twee keek onze kant op. Ik ben wat minder vrijpostig, dus ik gebaarde dat hij naar elders in de hal moest. Hij maakte rechtsomkeert, maar de andere jongen bleef rondfietsen.
‘Meneer, dat mag niet,’ hield m’n personal coach vol. De tweede BMX’er kwam naar ons toe gereden.
‘Ich bin Deutsch, ich verstehe nicht,’ zei hij tegen mij.
‘BMX is on the other side, over there,’ gebaarde ik.
Hij reed weg, m’n personal coach keek tevreden.
‘Zo,’ zei ik tegen hem, ‘dat hebben we mooi opgelost.’

Vervolgens verloor ik m’n personal coach uit het oog. Ik was met m’n gedachten bij VVV – PSV en keek af en toe op m’n telefoon voor de tussenstand. Tot ik ineens iemand vanaf het balkon hoorde roepen.
‘Dag meneer,’ klonk het door de hal en ik zag m’n personal coach enthousiast naar me zwaaien.
Ik zwaaide lachend terug.

Posted in Eindhoven, Skateboarden | Tagged , , | Comments Off on Personal coach

Lyrisch

Galerie aan Zee: voor kinderen en kunstenaars.

Achteraf gezien had ik als 10-jarige misschien beter wat vaker buiten kunnen gaan spelen. Skateboarden ofzo, dan had ik nu niet een achterstand gehad die ik nooit meer goed maak. In plaats daarvan zat ik op de bank met m’n neus boven de atlas, en ik tekende graag.

Een begenadigd tekenaar ben ik nooit geweest. Ik heb op de havo, tot grote schrik van m’n tekenleraar, Tekenen als eindexamenvak gekozen. Toen ik dat deed legde ik aan ‘m uit dat ik dat vooral deed vanwege de kunstgeschiedenis en ik nam revanche toen ik als enige van m’n klas (bestaande uit acht leerlingen) een ruime voldoende voor het theoretisch examen haalde, waarmee ik al m’n met onvoldoendes of magere zesjes beoordeelde kliederwerkjes ruimschoots compenseerde.

Wel heb ik ooit in een heuse galerie geëxposeerd. Dat kwam door de Taptoe die ik van voor naar achter uitspelde. In dat blad stond een oproep van een galerie: maak een tekening rond het thema Een Verre Reis. Stuur je tekening in en als die, à la raison van 25 gulden wordt verkocht, verdien je een bedrag. De precieze verdeelsleutel weet ik niet meer, wel dat het grootste deel naar jou, een kleiner deel naar de galerie en een paar gulden naar Unicef ging. Dat leek me een goede deal.

Ik wist precies wat ik ging tekenen, want die tekening had ik al verschillende keren gemaakt: een tropisch eiland (ja, ook toen had ik al een obsessie met ver afgelegen eilandjes). Eerst tekende ik met een kroontjespen en Oost-Indische inkt de contouren van het eiland. Daarna tekende ik minutieus één voor één tientallen palmbomen die gemodelleerd waren naar de palmbomen uit m’n doos Lego. Als ik goede zin had deed ik er ook een poppetje of schildpad bij. Vervolgens kleurde ik alles in met ecoline. Hierdoor kwamen alle kleuren heel fel uit: de zee was diepblauw, het strand goudgeel, de palmbomen mooi bruin met groene bladeren.

Een paar weken nadat ik m’n kunstwerk had ingestuurd ontving ik een uitnodiging voor de opening van de expositie. Galerie aan Zee was in Amsterdam, dus we maakten er een dagje van. Het was niet meer dan een huiskamer in een oud huis in een smal straatje in de hoofdstad, maar het zag er, met wanden die van boven naar beneden waren volgestouwd met kindertekeningen, heel gezellig uit. M’n eigen kunstwerk hing er ook tussen, met naam en leeftijd erbij vermeld. Ik was apetrots en vond m’n tekening één van de mooiste.

Toen viel me iets op. Achter m’n tekening hing een rood plakkertje. Een held was ik toen al niet, dus ik vroeg aan m’n vader of hij wilde vragen wat dat betekende. Hij schoot een medewerkster aan.
‘Welke tekening bedoelt u?,’ vroeg ze.
M’n vader wees op m’n ijverig met Oost-Indische inkt en ecoline uitgevoerde kunstwerk.
‘Is die van uw zoon? Die is meteen gekocht door een kunstenaar,’ zei ze enthousiast. ‘Hij was er helemaal lyrisch over.’
Ik kende het woord lyrisch niet, dus ik moest aan m’n vader vragen wat dat betekende, maar toen ik de betekenis hoorde was ik nog trotser. Als één van de eersten verkocht en dan nog wel aan een kunstenaar die er heel enthousiast, nee, zelfs lyrisch, over was.

Pas jaren later begreep ik waarom de kunstenaar zo lyrisch was geweest. Dat besef kwam tijdens tekenles op de middelbare school, toen m’n tekenleraar tot z’n afgrijzen zag hoe ik de ecoline puur op het papier uitstreek (het rook best lekker). Dat het een soort aquarelverf is die je eigenlijk moet verdunnen was nooit bij me opgekomen, een kinderlijke naïviteit die de kunstenaar zal hebben aangesproken.

Een paar weken geleden vond m’n vader de uitnodiging voor de opening van de expositie, met daarin het adres van Galerie aan Zee. Ik pakte Google Street View erbij. De straat bleek in Oud-West te liggen en was minder smal dan ik in gedachten had. Het huis is tegenwoordig te huur als appartement, dus ik denk dat het niet veel meer is geworden met Galerie aan Zee, maar ik heb er een leuke herinnering aan overgehouden.

Ik teken nog steeds graag palmbomen. Voor het surreële effect voeg ik er tegenwoordig graag een sneeuwpop aan toe.

Posted in Kunst | Tagged , | Comments Off on Lyrisch

Kutkickturn

Je rijdt van het rampje af, over het middenstuk, dan beweeg je je achterste voet naar je tail, je gaat door de knieën, leunt in de wand, drukt op je tail en maakt een draai met je schouders. De zwaartekracht doet de rest. No biggie.

Of ik nog goede voornemens voor 2019 had.
‘Jazeker,’ antwoordde ik, ‘ollie, indroppen op zaal, een betere afzet en de kickturn.’
M’n gesprekspartner zuchtte, waarop ik zei: ‘Oké, en verder de jaartitel in de pubquiz prolongeren en vrijgezel blijven. Maar dat lijkt me niet zo moeilijk.’

Inmiddels ging dat skateboarden best aardig. Ik vloog nog steeds niet elegant door de hal, zo miste ik vooral snelheid en overtuiging, maar die volgden nog wel. Het beste advies dat ik na een paar weken van een andere (bejaarde) skateboarder had gekregen was dat ik de tijd moest nemen. Dat klopte. Ik voelde me steeds zekerder, wat zich uitte in het feit dat ik bij steeds meer trucjes en ramps niet langer dacht ‘no way’ maar ‘kom maar op’. Dat leek me vooruitgang. Daar kwam nog bij dat ik steeds vaker de straat op ging om te oefenen. Medeskateboarder (en personal coach) Sjors en z’n vriendin oefenden geregeld op het Stadhuisplein, ik ging ook de sk8ter boi uithangen en op m’n afzet oefenen, want die was – het was niet voor niets een voornemen voor 2019 – pretty lame.

Omdat het steeds lekkerder ging, leken die vier skateboardtrucjes me haalbaar. Op de ollie (simpel gezegd: je skateboard laten springen) had ik al eens geoefend. Het is zo’n beetje het bekendste trucje, maar zeker niet het makkelijkste.

Alhoewel.

Een paar maanden terug had een collega me een lift gegeven naar de skatehal, omdat hij z’n stiefzoon moest ophalen die daar een middag had gespeeld met z’n stuntstepje.
‘U doet het al best goed voor iemand die net begonnen is,’ had de jongen gezegd toen hij me bezig had gezien. Dat was enorm beleefd van ‘m, omdat ik er op dat moment nog echt weinig van bakte. Toen hij daarop vroeg of hij m’n skateboard even mocht lenen kon ik natuurlijk niet weigeren. Vervolgens liet hij pal voor m’n ogen een ollie zien. Cool.

Een paar weken later werkte ik me een avond in het zweet in de skatehal om de ollie onder de knie te krijgen, waarbij ik enthousiast werd gecoacht door een ervaren skateboarder die me telkens toeriep dat ik ‘m bíjna had. Omdat bijna niks is, stelde hij voor dat ik me vast zou houden aan de reling en het dan nog eens zou proberen. Pas toen lukte het. Ook later, thuis, op een kleed om te voorkomen dat m’n board zou wegrijden én omdat het laminaat nogal glad is, zag ik tot m’n schrik (en blijdschap) terwijl ik met een half oog Met het Mes op Tafel terugkeek, m’n board ineens dertig centimeter van de grond loskomen.

Deze ollies telden niet. Je kunt ‘m pas als je dat ding zonder hulpmiddelen van de grond krijgt. Ik was zo obsessief met die ollie bezig dat ik dreigde te vergeten wat ik leuk vind aan skateboarden, simpelweg rondrijden, en dus besloot ik ‘m even te parkeren.

Afzetten was een ander heikel punt. Dat die belabberd was werd pijnlijk duidelijk als ik filmpjes zag die familie en vrienden hadden gemaakt terwijl ze eens kwamen kijken in de skatehal. Goedbedoeld, maar mij viel, immer de optimist, meteen op wat ik nog níet kon. Het ergste vond ik m’n afzet. Heel voorzichtig, lafjes, alsof ik zo snel mogelijk op dat board wilde stappen, reed ik naar de bovenkant van een hellinkje. Het deed pijn aan m’n ogen.

Indroppen deed ik elke week al tijdens de les in de instructieruimte. Dat was van een rand van amper een halve meter hoog (al voelde het zeker de eerste paar maanden als een tientallen meters diep ravijn). In de hal zijn randen van enkele meters hoog, ook de laagste gaat al richting een meter. Al dropte ik tegenwoordig zonder hulp van de instructeur in, ik wisselde nog geregeld een paar goede drop-ins af met een half mislukte poging, waarbij ik de wieltjes van m’n skateboard akelig langs de rand hoorde glippen.

‘Met de schouders naar voren leunen, dat weten we toch?’, riep de instructeur na weer zo’n belabberde poging.
‘Nee joh, ik doe maar wat. Dat is juist de ellende,’ was dan m’n droge antwoord.

Dat was natuurlijk niet waar. Ik wist wel waar ik mee bezig was, maar kon niet verklaren waarom ik na een paar goede pogingen ineens weer zo’n belabberde drop-in afleverde. Daardoor voelde me ik nog niet zeker genoeg om in de hal in te droppen. Dat wilde ik wel graag; met een drop-in genereer je snelheid, maar op dit moment was de kans groter dat ik een stervende zwaan zou imiteren dan dat ik enigszins gracieus zou indroppen.

En dan was er nog de kickturn. Voor de leken onder u: je rijdt met licht gebogen knieën een wand in, op het hoogste punt druk je op de tail van je board, je maakt een draai met je schouders, je board draait 180 graden et voilà: je rijdt weer naar beneden. Ik zag iedereen in de skatehal het constant doen, dus zo moeilijk kan het nu ook weer niet zijn. In de les oefenden we geregeld op de kickturn. Ik reed dan de wand in, deed braaf wat van me verwacht werd en de instructeur gaf me een zwiep mee. Dat ging zo goed, dat eind vorig jaar een instructeur opmerkte dat ik de kickturn best zelf kon. Uh-uh, dacht ik.

Toch. Ik had het gestuntel van de eerste paar maanden achter me gelaten en er waren momenten dat ik best chill op m’n board door die zaal reed. Ik kon zelfs al wat trucjes.

Nouja. Eén trucje. Een 180 fakie turn.

Een wat? Bij een 180 fakie turn rij je achterstevoren, duwt met je achterste voet op je tail en draait met je schouders, zodat je niet meer fakie (achteruit) rijdt, maar vooruit. Tijdens een les kreeg ik als tip om een hellinkje op te rijden, achteruit te rijden en op een vlak stuk in de hal de draai te oefenen.

Dit kon ik met een beetje commitment wel leren. Op een rustige zondagmiddag ging ik aan de slag. De eerste pogingen mislukten. Ik maakte een draai van negentig graden, hoogstens. Ik bleef doorgaan: knieën licht gebogen, met de voet op de tail duwen en een draai maken met de schouders. Na veertig, vijftig pogingen begon ik richting de 120 graden te gaan. Eerst stond ik daarbij zo wankel dat ik van m’n board viel, maar gaandeweg had ik steeds meer grip. Ik denk dat ik zo’n honderd pogingen verder was toen ik ineens tot m’n eigen verbazing een draai van 180 graden maakte. Een zwaluw maakt geen zomer – de tien pogingen daarna mislukten weer – maar na nog eens honderd pogingen lukte het vaker wel dan niet. Het stelde niks voor, maar toch. Ik kon een trucje.

Socialemedialoze Frances kwam kijken en zag me aanklooien met de 180 fakie turn.

Begin januari deden we weer kickturns in de les. En weer merkte een instructeur op dat ik die best alleen kon. Oké, dacht ik, ze hebben er voor doorgeleerd, dus misschien kán ik ‘m inderdaad wel. Die 180 fakie turn was me toch maar mooi gelukt.

De week erna waagde ik een poging. Voordat ik naar de skatehal reed, ging ik op m’n skateboard in de huiskamer staan en nam ik de stappen door.
‘Je rijdt naar de wand, knieën gebogen, achterste voet op de tail, je leunt in, op het hoogste punt duw je op je tail en maak je een draai met je schouders,’ zei ik hardop tegen mezelf.
Dit ging me lukken.

In de hal reed ik van een ramp af aan de ene kant van de zaal, reed over een lang middenstuk waarbij de vloer even omhoog en weer omlaag gaat (om aan te geven dat ik tegenwoordig echt wel iets kan, dit waren de hellinkjes die ik de eerste weken doodeng vond; nu rijd ik er probleemloos overheen) om aan de andere kant van de zaal in de wand te eindigen. De eerste paar keer deed ik niets meer dan inleunen; in de wand rijden, mee leunen, achterstevoren naar beneden rijden. Bij voldoende vaart deed ik om het helemaal af te maken m’n 180 fakie turn op het vlakke deel. Daarna reed ik weer terug naar de bovenkant van de ramp aan de andere kant van de zaal. Dit was de warming-up.

Na een half uur deed ik een eerste poging. Ik reed van de ramp af, bewoog m’n achterste voet langzaam naar de tail van m’n board, reed de wand in, drukte op het hoogste punt de tail in en maakte een draai met m’n schouders. Een halfslachtige poging; ik was nog te gespannen. Ik probeerde het opnieuw, met meer overtuiging. Het mislukte weer jammerlijk. Telkens kwam m’n board amper tot een draai van 90 graden, waarbij dat ding tot overmaat van ramp wegschoot en tussen de vuilcontainers aan de zijkant van de baan eindigde. Dit gebeurde nog een aantal keer, tot ik er genoeg van had om telkens m’n board tussen de kliko’s uit te vissen.

Commitment Guido, commitment. Er zijn pros die er een half jaar over hebben gedaan om de ollie te leren. Doorzetten, je kunt het,’ zo sprak ik mezelf moed in. ‘Zei niet laatst nog een instructeur dat skateboarden één van de moeilijkste dingen is om te leren?’

Maar de weken erna ging het niet beter, voorafgaand aan de les op donderdag, of op zondag, terwijl m’n personal coach tips gaf: meer door de knieën, meer commitment, meer met de schouders draaien. Ik volgde alle adviezen zo goed mogelijk op. Als ik naar de wand reed praatte ik mezelf keer op keer, en allengs steeds geïrriteerder, moed in (andere skateboarders keken af en toe verbaasd mijn kant op): ‘Oké. Voet op de tail. Inleunen. Door de knieën. Op het hoogste punt draai je met je schouders. Kijk waar je heen gaat en dan land je… niet.’

Telkens eindigde m’n skateboard weer tussen de containers. Ik zag de hele exercitie steeds somberder in.

‘Ever notice that sometimes when you care less about something, you do better at it? Notice how it’s often the person who is the least invested in the success of something that actually ends up achieving it? Notice how sometimes when you stop giving a fuck, everything seems to fall into place?’

Mark Manson schrijft het in The Subtle Art of Not Giving a Fuck. Misschien heeft ie gelijk. Misschien moest ik wat minder graag willen en er wat relaxter in staan. Misschien was ik verkrampt, te eager, niet chill genoeg om die kickturn te maken. Ik besloot een keertje andere dingen te doen tijdens een bezoek aan de skatehal. Dingen die ik wel kon en durfde.

Maar een les later probeerde ik het opnieuw. Weer mislukte het. Ik stampvoette van frustratie, had het liefst wat krachttermen op vol volume door de skatehal geschreeuwd en m’n skateboard tussen de vuilcontainers gesmeten.
‘Je zit er echt heel dicht bij,’ zei m’n personal coach dan, terwijl hij even later nog eens een perfecte kickturn liet zien.

De lijst goedbedoelde adviezen van instructeurs en andere skateboarders werd intussen steeds langer:

– zet je voet verder op de tail
– meer inleunen
– meer met je schouders draaien
– leun wat meer naar voren
– zet je voet minder ver op de tail
– meer druk op je voorste voet
– oefen op een andere wand in de zaal
– ga verder door je knieën
– druk je tail wat minder ver in
– schuin insturen
– leun wat meer naar achteren

Niets hielp.

Inmiddels had ik m’n leskaart voor wat extra euro’s omgeruild voor een abonnement (of, zoals dat daar heet, een abbonement). Twee keer in de week werd vier keer in de week oefenen in de skatehal, wel altijd op de rustige momenten, want ik wil niemand voor de voeten lopen, plus de keren dat ik op het pleintje voor m’n huis rondreed want ja, ik had me eindelijk over m’n schroom heen gezet en reed (met herriemuziek op m’n koptelefoon op vol volume zodat ik niks van m’n omgeving mee zou krijgen) m’n rondjes. Ik wilde dit leren en dat lukt alleen als je oefent, heel veel oefent.

Al begon ik de indruk te krijgen dat de kickturn bij mij fysiek onmogelijk was. Het enige dat steeds beter ging was m’n afzet, omdat ik telkens weer naar die ramp aan de andere kant van de zaal terug moest skateboarden.

De wand. Inmiddels staat de teller op meer dan vierhonderd mislukte pogingen.

Tijdens de les delen de instructeurs de groep meestal in tweeën. De leerlingen die al een jaar of langer bezig zijn (of die aanleg hebben), plus de beginners. Van die beginnersgroep ben ik dan weer wat verder, waardoor ik een beetje tussen wal en schip val. Ik krijg dan wel eens de vraag met welke groep ik mee wil, maar door schade en schande wijs geworden kies ik dan de beginnersgroep; beter voor m’n zelfvertrouwen.

Dat ik toch wat verder ben merkte ik toen we vorige week tijdens de les weer oefenden op de kickturn. We reden om de beurt van een hellinkje af richting een wand. Mijn medeleerlingen komen daarbij nog niet heel hoog, maar doordat m’n afzet inmiddels heel behoorlijk is, kom ik wél vaak hoog in die wand. Dat is heel cool, maar bij één poging schrok de instructeur en gaf me een zwiep mee waardoor ik een te grote draai maakte en naar beneden viel. Ik landde met beide knieën op de zijkant van m’n skateboard en ging door de grond van de pijn. Zeker omdat ik een paar dagen eerder, tijdens een avondje oefenen op het skatepleintje bij het havenhoofd, al hard op m’n rechterknie was gevallen.

‘O sorry,’ zei de immer chille instructeur, nu zelfs een beetje geschrokken, ‘gaat het?’
‘Ja hoor,’ antwoordde ik met een van pijn vertrokken gezicht terwijl ik terug naar het hellinkje liep.

Afgelopen donderdag had ik tijdens de les een andere, derde instructeur. Ik reed van de verhoging af richting de wand. Net als de andere keren gaf de instructeur me weer een zwiep mee. Na een paar keer sprak hij de woorden die ik inmiddels niet meer kon horen: ‘Jij kunt dit best alleen.’
‘Ha,’ schamperde ik, ‘dat hoor ik al weken. Het is me nog steeds niet gelukt.’
‘Blijven proberen,’ antwoordde hij.
Dat vond ik makkelijk gezegd. Hoe lang moest ik op dezelfde weg door blijven gaan zonder ook maar enige progressie te boeken? Het was duidelijk dat ik iets niet goed deed. Ik voelde me een enorme schlemiel. Ik stelde me voor dat áls het een keer goed zou gaan een luid gejuich in de hal zou losbarsten. Al was het maar omdat iedereen wekenlang m’n vreselijke gestuntel aan had moeten zien.

Deze zondag was ik eens niet als eerste in de skatehal. Terwijl ik m’n helm opzette en elleboogbeschermers aantrok zag ik dat een andere, wat oudere skateboarder al bezig was.
‘Hoi,’ riep hij, ‘ik ben van het bejaardenklasje.’
‘Ha,’ antwoordde ik, ‘ik ook.’
Hij keek me verbaasd aan, vertelde dat hij zes weken terug was begonnen en bleek een uur later les te hebben. Vervolgens dropte hij in om even later aan de andere kant van de hal een kickturn te maken. Ik zag het hoofdschuddend aan.
‘Voor iemand die net begonnen is, doe je het al heel behoorlijk,’ zei ik.
‘Ik deed al aan wakeboarden,’ zei hij.
Welja, dacht ik, daar hebben we er weer eentje die nooit heeft geskateboard maar wel ‘iets anders’ heeft gedaan en na anderhalve maand al verder is dan ik. En dan deed ie ook nog eens een kickturn. Ik mopperde dat ik ruim een maand bezig was en het niet wilde lukken.
‘Je moet op een vlak stuk gaan staan, op je tail drukken en dan je board vooruit draaien. Elke keer zet je je board neer en zo maak je rondjes, steeds sneller,’ gaf hij als tip.
Ik zag niet in hoe mij dit hielp met de kickturn, maar na honderden mislukte pogingen was ik de wanhoop nabij. En dus ging ik rondjes rijden, steeds sneller.
‘Je moet wat meer door je knieën gaan,’ zei hij terwijl hij van een afstandje toe keek.
Ook dat deed ik. Ik bleef draaien totdat het voelde of m’n linkervoet in brand stond en ik duizelig was van de rondjes. Hoe ging mij dit in godsnaam verder helpen met de kickturn?

Even later zag ik ‘m in een halfpipe de ene na de andere kickturn maken. Ernaar kijken voelde als masochisme.

Ik zocht een afgelegen skatebowl waar ik eerder met Sjors had geoefend. Hier kon ik rustig in een wand rijden en proberen een kickturn te maken. Ik deed tien, twintig, dertig, veertig, vijftig pogingen. Ze mislukten allemaal. Na een uur droop ik af.

‘Failure is the way forward,’ schrijft Manson. Yeah right, dacht ik, die heeft makkelijk lullen. Hij heeft niet tevergeefs vierhonderd pogingen gedaan om een trucje te leren.

‘Kutkickturn,’ zei ik tegen mezelf terwijl ik naar huis fietste, en ik besefte dat in het woord kickturn het woordje kut zit verborgen. Dat kan geen toeval zijn. Daarna bedacht ik allerlei martelmethodes voor de eerstvolgende skateboarder die tegen me durft te zeggen dat ik dit trucje echt best zelf kan, of dat ik het bijna onder de knie heb.

Het enige dat ik nog niet heb geprobeerd is de frustratie van me af bloggen. Eens kijken of dat helpt.

Posted in Eindhoven, Overig, Skateboarden | Tagged , , | 2 Comments

Song Top 20 2018

Dit jaar ontdekte ik dat ik ook YouTube op TV kan kijken. Een geweldige uitvinding. Ik ben gek op videoclips en op die manier kan ik zelf MTV spelen – zonder alle realitymeuk (al heb ik een zwak voor pulp als Ex On The Beach). Veel mensen vinden clips afleiden van de muziek, maar ik vind de videoclip een kunstvorm (zoals ik begin deze maand nog in NRC vertelde), die de boodschap van een song juist weet te versterken. Het is niet voor niets dat veel befaamde filmregisseurs zijn begonnen als makers van videoclips: Michel Gondry, Spike Jonze, Jonathan Glazer. Kijk naar het prachtige Nica Libres at Dusk van Ben Howard, of de energie die bij New Orleans van Brockhampton van het scherm spat. Twee tracks die de hitlijsten niet hebben gehaald – in beide gevallen heel erg jammer.

Tijdens de feestdagen vroeg ik aan m’n oudste nichtje wat ze op haar Spotifyplaylist heeft staan. Daar stond veel leuke hedendaagse pop in, zo’n beetje alle hitjes uit de Top 40 kwamen voorbij. Ze bleek vooral hard te gaan op Huts van The Blockparty wat ik, als muzikale puritein, toch een beetje een afknapper vond. Toen ik haar wat goede platen van dit jaar liet horen viel me pas goed op hoe jongeren tegenwoordig muziek beoordelen. Is na vijftien of twintig seconden niks gebeurd (een harde drum, een beat, een vervormde stem) dat de aandacht van de luisteraar trekt, dan gaat het resoluut af: de aandachtsspanne van een pantoffeldiertje. Producers spelen daar op in door liedjes kort te houden, waarbij zo snel mogelijk de botte bijl erin gaat.

Toch ben ik ervan overtuigd dat een goed liedje ook zonder overproductie kan. Echt, hits als Leave a Light On van Tom Walker, We Can Do Better van Matt Simons en Natural van Imagine Dragons blijven ook wel overeind zonder al die lompe productionele opsmuk. Sowieso zijn het duistere tijden als de succesvolste rockgroep van het jaar naar de naam Imagine Dragons luistert. Maar goed. We leven in een tijd dat niet alleen Kensington tien keer in de Top 2000 staat, zelfs Bastille weet de Lijst der Lijsten met vier tracks te veroveren. Duistere tijden indeed.

En toch, toen ik deze Top 20 samenstelde, waren er nog altijd liedjes die net buiten de boot vielen. Beautiful Trauma van Pink bijvoorbeeld, of Nicotine van Chef’Special. Zelfs Niall Horan had dit jaar weer een paar hitjes (On The Loose, Flicker) die, in al hun bescheidenheid, hogere posities in de Top 40 hadden verdiend. Kortom, als dat soort mooie hits buiten de boot vallen, dan is het simpelweg een prima popjaar. Toch ontbreekt net als voorgaande jaren die ene onontkoombare pophit, zoals Get Lucky van Daft Punk, of Shake It Off van Taylor Swift. Misschien komt het doordat de échte poppareltjes onder in de Top 40 blijven steken en pas jaren later uitgroeien tot klassiekers. Zie hoe Chandelier van Sia en Try van Pink steevast bij de bovenste duizend van de Top 2000 staan.

De regels zijn hetzelfde als in voorgaande jaren. Een liedje moet in 2018 in de Top 40 binnen zijn gekomen. Of het ook een grote hit is geweest doet er niet toe. Maximaal één liedje per artiest, maar voor de rest komt alles in aanmerking voor m’n lijst favoriete hits van dit jaar die tegelijkertijd een representatieve staalkaart van de popmuziek anno 2018 poogt te zijn. Of zoiets.

20. The Revivalists – All My Friends

De Tipparade wordt al enige tijd op basis van stemmen samengesteld. Dat zal ongetwijfeld eerlijk gaan, toch ben ik verbaasd als schijnbaar uit het niets een rockgroep als The Revivalists Alarmschijf wordt én de Top 40 binnen schuifelt. Het wordt nog vreemder als die track vervolgens amper iets (of beter: niks) doet in de Mega Top 50. All My Friends was snel uit die ene hitlijst verdwenen, maar de paar weken fijne retrorock (uit New Orleans) met net voldoende pop- en hiphopinvloeden waren niettemin prettige. Al klinkt het als een oude rocker die op een urban feestje is verdwaald.

19. Dean Lewis – Be Alright

Singer-songwriters die met kleine liedjes de Top 40 halen. Je moet ze zoeken met een zaklampje, maar zo hier en daar glipt er eentje de hitlijsten binnen. Straks komen we nog een Duitser tegen die het lukte, op nr. 17 alvast de Aussie Dean Lewis die met het simpele pianoliedje Be Alright zonder noemenswaardige airplay zowaar de bovenste tien in de Nederlandse Top 40 binnen wist te sneaken. Dat Lewis (al net zo’n krullenbol als de oosterbuur op nr. 13) uit down under komt, is helemaal niet te horen, mate.

18. Nielson – IJskoud

Nielson zong ooit met Miss Montreal het duet Hoe. Een nummer dat zo’n hoge irritatiefactor had dat een collega me ooit vroeg alle exemplaren van de promo bij de lokale omroep op te halen en ritueel te verbranden. Sexy Als Ik Dans was niet veel beter, maar wel heel aanstekelijk. Dit jaar maakte Nielson met IJskoud de beste track van z’n carrière. De productie is wat dun, maar de tekst maakt veel goed. Alleen die openingszin al: ‘Het is ijskoud en je woorden maken wolkjes in de lucht.’ Het is bijna poëzie. Bijna.

M’n collega die niet zoveel op had met Hoe zal het vermoedelijk niet meer horen. Hij emigreerde dit jaar naar Nieuw-Zeeland.

17. Maroon 5 ft. Cardi B – Girls Like You

Ik weet niet hoe jullie jaar was, maar 2018 was voor mij een topjaar. Ik ben gelukkiger dan ik in jaren ben geweest: ik doe dingen waarvan ik een jaar geleden niet had gedacht ze te kunnen/durven, heb niet één, maar twee leuke bijbaantjes en had een fijne stedentrip naar Kopenhagen en Malmö. What Lovers Do van Maroon 5 was de soundtrack die bij de vakantie (en de rest van die eindeloze zomer) hoorde. Die single stamde al uit 2017. Pas later ontdekte ik de hit van Adam Levine en consorten van dit jaar: Girls Like You. Die was misschien toepasselijker geweest dan What Lovers Do, maar net zo catchy. Maroon 5 is een band you love to hate, met muzikaal volstrekt oninteressante hitjes, maar dit soort liedjes maakt het wel moeilijk een hekel aan ze te hebben.

16. John Mayer – New Light

Ik was nooit echt een grote fan van John Mayer. Z’n album Battle Studies vind ik sterk, omdat het z’n meest westcoastachtige pop bevat, maar oudere liedjes vond ik vaak wat flauw. U begrijpt: ik ben een ouwe lul aan het worden en ben sinds dit jaar om. Dat gebeurde al met het geweldige In My Blood (dat vorig jaar – o schande – niet eens de Top 40 haalde), dit jaar ontdekte ik het al uit 2006 stammende Stop This Train (en stemde het tot nr. 1998 in de Top 2000). Met New Light haalde Mayer dit jaar weer eens de Top 40. Niet eens zo geweldig (al heb ik een zwak voor regels als ‘pushing forty in the friend zone’), maar de Amerikaanse zanger weet met die amateuristische clip precies hoe hij de aandacht moet trekken.

15. Davina Michelle – Duurt Te Lang

Ik geloof niet dat ik ooit een seconde van Beste Zangers heb gezien. Ook van Davina Michelle had ik tot een maand of twee geleden nog nooit gehoord. De naam Glen Faria kende ik evenmin. En ziehier: we zitten eind december, Davina Michelle staat voor de negende week op nr. 1 in de Top 40 met haar cover van Duurt Te Lang (die ironisch genoeg veel te kort duurt) en het liedje komt op nr. 477 binnen in de Top 2000. Om het helemaal af te maken: m’n vader vroeg vorige week aan mij wie Davina Michelle is. Als zelfs m’n vader naar je informeert, dan ben je een Heel Grote aan het worden.

14. Kraantje Pappie – Lil Craney

Sinds deze zomer bedenk ik vragen voor Met het Mes op Tafel. Dat is leuk, maar ook lastig. Je wilt geen vraag maken die al is gesteld en om eerlijk te zijn, alles is al eens geweest. Zelfs naar Kraantje Pappie is eerder gevraagd. Maar ja. Ik laat de kans Klaas van Dijk en Mylou Frencken een Nederhopvertolking te laten horen niet aan me voorbijgaan. Dat gebeurde dan ook en ik zal de uitzending waarin Klaas ”k heb je al een poos niet gezien in de stad, mien jong’ en Mylou ‘baby gooi je dough omhoog’ hoorde zingen niet licht vergeten. Een dag later pakte ik het origineel er nog eens bij. Verrek, als je door de overdaad aan autotune heen luistert is dat Lil Craney nog best een puik nummer. Zeker goed genoeg voor een plekje in m’n Song Top 20.

13. Michael Schulte – You Let Me Walk Alone

Ik heb het ook wel eens mis. Ik vond Michael Schultes inzending voor het Songfestival maar een drakerige, sentimentele ballad. Duitsers noemden het een Jammerlap, wat ik dan weer een geestige omschrijving vind. Maar waar winnaar Netta de hitlijsten niet eens wist te halen (het was ook niks meer dan een gimmick) en Waylons Outlaw in ‘Em niet verder kwam dan een 37ste plek in de Top 40, had Schulte wel een grote hit. De hitpotentie van You Let Me Walk Alone zit ‘m in dat slimme refrein: ‘I was born from one love of two hearts, we were three kids and a loving mum’. Het kan niet anders of deze ode van Schulte aan z’n overleden vader is een nieuwe uitvaartfavoriet.

12. Sheppard – Coming Home

Een paar jaar terug stond Sheppard op Pinkpop. Als een band met één album en slechts één hit op een popfestival staat is dat behelpen: hoe hou je de aandacht van het publiek een uur lang vast? Nou, niet. Het enige dat een beetje hielp was een cover van Teenage Dirtbag van Wheatus. Ik had Sheppard afgeschreven na monsterhit Geronimo al was de single die daarna kwam, Let Me Down Easy, eigenlijk veel leuker. 2018 is een vergevingsgezind jaar. Acts die ik geen glansrijke carrière had toegedicht mochten in 2018 weer aan het hitsucces ruiken. Dat is met Coming Home niet meer dan terecht. Zulke vrolijke ongedwongen pop (uiteraard afkomstig uit Australië) verdient het om veel op de radio gedraaid te worden.

11. Aya Nakamura – Djadja

Vroeger gebeurde het elke zomer wel dat vakantiegangers een plaatselijke hit uit Frankrijk mee terug naar Nederland namen. Denk aan Zebda met Tomber La Chemise, Moi… Lolita van Alizée, of Manau met La Tribu De Dana. Dit tot grote vreugde van docenten Frans die hun leerlingen dan de songtekst konden laten tekstverklaren. Aya Nakamura daarentegen heeft haar succes vooral te danken aan YouTubers die Djadja, een afrekening met een ex-vriendje, flink plugden. Terecht, het is een knappe track waar de hitpotentie niet eens zo vanaf spat. Maar ja, die boodschap he. Nakamura is gedoemd om, net als Zebda, Alizée en Manau een one hit wonder te worden. Jammer dat de in Mali geboren zangeres Française is. Hoe leuk zou het zijn geweest als de zangeres als eerste Malinese ooit nr. 1 in de Nederlandse Top 40 had gestaan?

10. Justin Timberlake ft. Chris Stapleton – Say Something

Kent iemand Deliverance van Bubba Sparxxx nog? Die unieke mix van hiphop en country stond voorjaar 2004 een paar weken in de Nederlandse Top 40. Ik moest aan die track denken toen ik Say Something voor het eerst hoorde. Ik stuurde Deliverance als ‘lang niet gehoord request’ naar Rob Stenders op Radio 2 die de plaat pardoes draaide, met de opmerking dat het waarschijnlijk de eerste keer was dat Deliverance op Radio 2 was gedraaid. Dat vermoeden heb ik ook. Het grappige is dat ik niet de enige ben die de gelijkenis was opgevallen; andere radio-dj’s (en luisteraars) merkten het ook op.

Say Something is vergeleken met ander werk uit de back catalogue van Timberlake (Sexyback, Can’t Stop The Feeling!, Cry Me A River en, mijn persoonlijke favoriet, Mirrors) geen meesterwerk. Het roept wel één van de leukste hiphoptracks van de zeroes in herinnering. Dat alleen is een vermelding waard.

9. 5SOS – Youngblood

You look so perfect standing there in my American Apparel underwear
And I know now, that I’m so down

Die fijne tekstregels uit She Looks So Perfect maken me instant vrolijk. 5 Seconds of Summer, fijn punkpopgroepje uit immer zonnig Sydney. Het is me dus een raadsel wat ze met die vijf seconden bedoelen. Misschien vonden ze dat zelf ook en kortten ze de bandnaam daarom af tot 5SOS. Met die afkorting is ook het laatste restje zomerse gitaarrock uit de muziek verdwenen. Daarvoor in de plaats is met Youngblood een soort inwisselbare grootstegemenedelerpop gekomen, compleet met auto-tune en harde drums. Imagine Dragons Light zeg maar. Het leverde een track op die maandenlang in de Top 40 bivakkeerde en het viertal zelfs een eerste top-10-notering in de Billboard Hot 100 opleverde. Wie maalt er dan om dat de muziek niet meer om aan te horen is? Nouja, ik. Wie redt 5SOS uit de klauwen van die gruwelijke A&R-manager?

Owja, Youngblood is gecoverd door landgenoten Angus & Julia Stone. Zij wisten er zowaar nog een acceptabele deun van te maken.

8. David Guetta ft. Sia – Flames

Omdat ik op m’n 37ste ben begonnen met skateboarden ben ik wellicht niet de juiste persoon om iets over leeftijden te zeggen, maar het verbaast me dat David Guetta al 51 is. Z’n eerste top-40-hit scoorde hij op z’n 33ste. Inmiddels staat de teller op 45 hits, al zit daar merkwaardig genoeg geen enkele nr. 1 hit bij. Ook Flames strandde, net als Titanium en When Love Takes Over (om maar es een paar ultieme floorfillers te noemen), op de tweede plek. Ik weet niet wat het is waarom het ook met Flames nét niet lukte om die eerste plaats te veroveren. Het is een lekkere track, goed ingezongen door Sia. Misschien is dat wel het probleem. Voor dat hoogste plekje op het erepodium moet je beter voor de dag komen dan met een lekkere track, met zang van de alomtegenwoordige mediaschuwe Australische.

7. Álvaro Soler – La Cintura

Het is een opmerkelijk hitjaar met veel artiesten die een langere levensduur hebben dan ik had gedacht. We zagen al Sheppard, een andere gedoodverfde one hit wonder komen we verderop nog tegen. Ook van Álvaro Soler had ik niet veel meer verwacht. El Mismo Sol was een leuke zomerhit in 2015, dat trucje deed hij een jaar later nog eens dunnetjes over met Sofia, al stond die track nog op hetzelfde album als El Mismo Sol. In 2018 is Soler terug met z’n grootste hit tot nu toe: La Cintura, wat zoveel betekent als De Taille. Daar hoort natuurlijk een dansje bij, wat ik afdoe als een gimmick. La Cintura is een vrolijk, zomers Spaans deuntje, slim geproduceerd door RedOne, de man achter hits van J.Lo, Nicki Minaj, Michael Jackson, U2, Enrique Iglesias – need I say more? Nee, we zijn voorlopig nog niet van Soler af.

6. Liam Payne & Rita Ora – For You

Met het tweede deel van de Fifty Shades-filmtrilogie was het muzikaal behelpen (I Don’t Wanna Live Forever van Zayn en Taylor Swift), maar het afsluitende For You is weer een schot in de roos. Opnieuw is het een ex-lid van One Direction, de verder in de luwte opererende Liam Payne die z’n wilde haren heeft verloren, dat het duet/duel aangaat met een zangeres, in dit geval Rita Ora. Van de valse, loeiende sirenes die het nummer openen tot de subtiele drum ‘n bassbeat en van de harde drums tot het smachtende refrein ‘wasn’t looking for love til I found you, o-nye-nye’: alles klopt aan dit perfecte poppareltje (uiteraard van Zweedse makelij) dat niet van de radio was weg te slaan maar vreemd genoeg niet hoger kwam dan een 21ste plaats in de Top 40. Parels voor de zwijnen noemen we dat.

5. Mr. Probz – Space For Two

Mr. Probz probeert al jaren een carrière op te bouwen als credible hiphopartiest, maar z’n grootste hits scoort hij met ballads: Waves, Nothing Really Matters en Space For Two. Daar is niks mis mee; het zijn stuk voor stuk prachtige songs. Zo is Space For Two met gemak één van de beste radiohitjes van dit jaar, een met veel gevoel gezongen R&B-track met regels als ‘she could be my cocaine, she could be my rehab’ of ‘if crazy is a place, then I hope they’ve got space for two.’ Ik ben ongetwijfeld een sentimentele dweil aan het worden, maar ik val als een blok voor dit soort regels. En dan is er nog die mildly disturbing maar oergeestige videoclip van een man die er met een paspop vandoor gaat. Ter afsluiting nog één regel? Vooruit dan: ‘she’s the pain and the medicine, the problem and my solution.’ Zucht.

4. Kendrick Lamar & SZA – All The Stars

2018 was een goed jaar voor Kendrick Lamar. Hij won de Pullitzer Prijs voor Muziek voor z’n album DAMN. Een primeur; de prijs ging tot dit jaar alleen naar albums met jazz of klassieke muziek. Daarnaast verzorgde hij de muziek voor superheldenfilm Black Panther. Die soundtrack was grotendeels langs me heengegaan, totdat ik voor deze lijst nog eens wat hits van dit jaar terugluisterde. Wat een goede tracks zijn dat. Pray For Me, de samenwerking met The Weeknd, is al fijn maar All The Stars, in een samenwerking met zangeres SZA, is nog veel fijner. Een heerlijk galopperende synthesizerbeat, met Lamars rap eroverheen. De beste hiphop haalt de Top 40 niet. All The Stars is een uitzondering op die regel.

3. Ariana Grande – Thank U, Next

Ik ben nooit groot fan van Ariana Grande geweest, maar ik heb de afgelopen jaren diep respect voor de zangeres gekregen. Knap hoe ze na de aanslag na haar concert in Manchester opkrabbelde en een prachtig, oprecht benefietconcert verzorgde. Dit jaar kreeg ze weer een tegenslag te verduren toen haar ex-vriendje Mac Miller zelfmoord pleegde. Haar beste liedje van 2018 was het door – heej, daar is ie weer – Max Martin geproduceerde No Tears Left To Cry, maar ik kan niet om Thank U, Next heen. Dat is Grandes afscheidsbriefje aan een aantal ex-vriendjes: Big Sean, Ricky Alvarez, Mac Miller en Pete Davidson. En die krijgen niet eens op z’n Taylor Swifts een trap na, maar een paar vriendelijke woordjes. Het zijn de regels die ze aan Mac Miller richt die het meest bijblijven: ‘Wish I could say ‘Thank you’ to Malcolm, ’cause he was an angel.’ Echt, groots van Grande.

2. Ava Max – Sweet But Psycho

Hoort u de hittrucjes? De stotterende tekst (‘On my m-m-m-m-mind’)? De eightiessynthesizerbeat? De afwisseling tussen de langzame coupletten en het snelle refrein? Het stukje trap in de bridge? Allemaal schaamteloos afgekeken van Popmeister Max Martin. Sweet But Psycho is de (ietwat zwakzinnige) liefdesbaby van I Really Like You (Carly Rae Jepsen) en Love Me Like You Do (Ellie Goulding) en net als papa en mama is Ava Max’ hit een (deels) Scandinavische productie. Noors, om precies te zijn. Dat zal de reden zijn dat Max op dit moment in Europa een monsterhit scoort met haar poppy song terwijl ze in de States nog aan het slapen zijn. Jammer voor hen, fijn voor ons. Sweet But Psycho voelt anno 2018 als een anachronisme maar is één van de leukste pophits van het jaar. Na het draaien direct op repeat. De natte droom van iedere rechtgeaarde poptimist.

1. George Ezra – Shotgun

De leukste uitdrukking in de Engelse taal is going commando. Riding shotgun, een coole bijnaam voor de passagier op de bijrijdersstoel in de auto, is een goede tweede. Uit de tijd dat de koetsier was voorzien van een bijrijder die als taak had met een geweer bandieten, schavuiten en andere schobbejakken te verjagen.

De term werd deze zomer ineens weer heel bekend, met dank aan singer-songwriter George Ezra die na Budapest met Shotgun een onwaarschijnlijke tweede wereldhit op z’n conto schreef. Onwaarschijnlijk, omdat ik Ezra eigenlijk al had afgeschreven. Alle singles na Budapest (Cassy O’, Blame It On Me, Barcelona, Don’t Matter Now) waren, hoe leuk ook, in de Tipparade gestrand. Ook over Shotgun was ik aanvankelijk niet eens zo enthousiast, luister maar eens naar de compleet onzinnige tekst, maar het deuntje is zo aanstekelijk dat je het na twee keer luisteren niet meer uit je hoofd krijgt (sinds Life van Des’Ree nr. 1 stond in Nederland weet ik dat niemand een biet om slechte teksten geeft). Shotgun is de beste track van het jaar, een zomers niemendalletje. Dat is in het warmste jaar sinds de oerknal ook wat waard.

Going commando is slang voor kleding dragen zonder ondergoed. Weet u dat ook weer.

Posted in Lijstjes, Muziek | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Song Top 20 2018