Filmster

Skateboarden is superleuk, maar het laatste wat ik wil is gefilmd worden terwijl ik bezig ben. Foto’s gaan nog, maar als ik bewegend beeld van mezelf zie, valt me vooral op wat niet goed is: stijf, onbeholpen, slungelig. Ik zie een enorme stuntel. Oké, de laatste keer dat ik gefilmd werd is jaren geleden en misschien zijn mijn skatecapriolen het aanzien tegenwoordig best waard, maar dat weet ik niet want nouja, u begrijpt het wel.

Dat ik niet gefilmd wil worden tijdens het skateboarden wist de productiemedewerker van een speelfilm (geregisseerd door Ramón Gieling, met onder andere Johan Heldenbergh, Thekla Reuten en Hannah Hoekstra, toch niet de minsten) die me twee jaar geleden benaderde via Facebook natuurlijk niet. Dom van haar, echte skaters zitten op Instagram, niet op een bejaardenmedium als Facebook. Ik denk dan ook dat ze bij me terecht was gekomen omdat Area 51 een bericht op Facebook had gepost en ik daar op had gereageerd: díe moet ik hebben om als skater in mijn film te figureren.

Ze drong nogal aan, want ze had dat blik skaters de volgende dag nodig, maar ik was resoluut: ze wilde me echt niet in de film hebben. Ook de dagvergoeding die ze me als worst voor hield wist me niet te verleiden. Ik vertelde dat ik nog niet zo lang bezig was en dat ik mezelf simpelweg niet goed genoeg achtte. Ik zag al voor me hoe ik het decor in de vernieling zou rijden, de hoofdrolspeler zou blesseren en de regisseur ziedend achter de productiemedewerker zou aanrennen waar ze die stoethaspel vandaan had gehaald.

Maar ik ben de kwaadste niet; natuurlijk kende ik wel wat skaters. Ik stuurde een paar van hen een berichtje. De eerste die reageerde was m’n vaste skatemaatje. Hij is tegelijk met mij begonnen met skateboarden en heeft wél talent; en zelfvertrouwen.

Een dag later deed hij via Whatsapp verlekkerd verslag van de opnames. Hij stuurde foto’s door van de euh… opvallende outfits die hij aan moest (en die ik niet zal delen) en ik dankte God op m’n blote knietjes dat ik sterk genoeg was geweest om de sirenenzang van de productiemedewerker te weerstaan. M’n skatemaatje was heel blij, want één van de andere skaters zat in de nationale selectie en had ‘m tussen de opnames door tips gegeven. Ook had hij het aanbod gekregen om in een andere scène te figureren.

Daarna bleef het lang stil. Af en toe informeerde ik hoe het zat met die film, die als werktitel Poor Boy had. Geen idee, hij zou bericht krijgen als ie in de bioscopen ging draaien, zo was ‘m verzekerd.

Maar ziehier: een pandemie verder en op het Nederlands Film Festival is Poor Boy te zien. Alleen heet de film nu Sisyphus at Work; de enige reden dat de film niet langs me heen was gegaan was dat ik de namen van de regisseur en de hoofdrolspelers herkende. Ik bekeek de trailer en deelde die met de nieuwe filmster. Ik vind dat ie een IMDB-profiel moet aanmaken.
‘Die scène op 1 minuut 34 herken ik wel,’ appte m’n medeskater.
In die scène is geen skater te zien. In de rest van de trailer evenmin. Zal je zien dat ie alleen in de Director’s Cut zit.

Ik doe steeds minder met Facebook. Ik zit tegenwoordig wel veel op Instagram.

Posted in Skateboarden | Tagged , | 1 Comment

Skatebowl

Een doordeweekse ochtend in het skatepark. De scholen zijn weer begonnen, dus ik heb alle tijd om rustig aan te klooien in de skatebowl. Die is voor mij nog iets te hoog om in te droppen, dus ik rij rustig rond. Dat komt wel. Elders in het parkje probeert een vader, overduidelijk jarenlang geskatet, z’n zoontje te overtuigen ook wat te proberen met een skateboard. Het jochie is meer geïnteresseerd in z’n stuntstepje. Het zal je kind maar wezen.

Dan komt vanuit het niets een jongen van een jaar of 12 op een mountainbike aangesneld. Oversized t-shirt en surfshort, Vans sokken opgetrokken tot de knieën, op z’n rug een tas met skateboard. All preppy. Hij smijt z’n fiets in de struiken, sjort het board van z’n tas, zet het op de rand van bowl, gebaart dat ik aan de kant moet gaan, dropt in en rijdt in een minuut het asfalt uit de bowl. De vader en ik kijken ademloos toe.

Dan gaat z’n telefoon. Z’n moeder. Waarom hij niet op school is.

Posted in Skateboarden | Tagged , | Comments Off on Skatebowl

Surfen

Surfen wilde dan niet echt lukken, liggen in de hangmat ging me prima af.

Het klinkt natuurlijk heel leuk als je zegt dat je ooit hebt leren surfen in Hawaï. Maar het was inmiddels acht jaar geleden en sindsdien was er amper iets mee gebeurd. Jammer, want de paar keer dat ik op die plank stond gaf een enorme kick. Ik had daarom nog wat vage plannen om op surfvakantie in Portugal te gaan, maar dat was afgelopen jaren zowat onmogelijk vanwege corona. Vorig jaar volgde ik een les in Domburg die niet al te voorspoedig verliep. Teleurstellend, vooral omdat ik dacht dat die twee jaar skateboarden me zouden helpen bij het surfen.

Afgelopen weekend ging ik toch op surfvakantie, een lang weekend op Vlieland. Dat gebeurde min of meer toevallig. Ik wilde graag op vakantie naar een Waddeneiland, bij voorkeur Terschelling. Maar accommodatie op dat eiland bleek deze zomer peperduur, dus ik keek voor de aardigheid of Vlieland wel iets betaalbaars had. Dat was het geval, surf sheds, een soort mini-huisjes op camping Stortemelk. Maar ja, als je in een surf shed verblijft is het een beetje gek om niet te gaan surfen, of althans, een poging daartoe te doen. En dus maakte ik er meteen een weekend van. Twee vrienden wilden ook mee, wat het allemaal nog gezelliger maakte.

Na die dramatisch verlopen les in Domburg dacht ik dat m’n succesvolle les in Hawaï een fluke was. Gewoon mazzel dat het me een paar keer was gelukt om op dat board te staan. Vooral dankzij TJ, een uiterst geduldige leraar die vooraf al had bezworen dat hij echt iedereen kon leren surfen. Ja, zelfs mensen die zijn behept met twee linkerbenen, zoals ondergetekende. Al meende ik ook bij TJ een flinke scheut wanhoop te bespeuren toen het de eerste paar uur nog niet echt wilde lukken. ‘You’re doing fine, but you need to relax more,’ verzuchtte hij. Een wijze levensles, en daarna ging het pardoes beter. (Misschien beeld ik het me in, maar ik meen bij elke sportinstructeur die mij iets moet uitleggen enige wanhoop te bespeuren, of het nou de skateleraar of de instructeur uit de sportschool is.)

Het weekend begon met een introductie over surfen, waarbij m’n vriend het niet kon nalaten nog eens te benadrukken dat ik had gesurft in Hawaï. Bedankt, nou kan ik alleen nog maar teleurstellen.

De les ging niet eens zo onbehoorlijk. Dat kwam door de golven, die ons vandaag goedgezind waren, en door de geruststellende mededeling van de instructeur dat ze echt niet van ons verwachtte dat we de eerste les al op de plank zouden kunnen staan. Surfen is de moeilijkste sport om te leren (volgens surfers), of één van de moeilijkste sporten om te leren (volgens skaters). Het bleef daarom bij goed liggen op de plank, de juiste timing van de golven lezen en dan heel hard peddelen met de armen om de snelheid van de golf te vangen. Catching waves. Dat peddelen ging me nog het beste af. Dat krijg je met die jarenlange training in de sportschool (waar ik ondanks de wanhopige blik van de instructeur wel goed heb opgelet).

Op de plank staan zat er de eerste les dus niet in. De instructeur raadde een langere plank aan. Dat vond ik geen slecht idee; in Hawaï surfte ik op een plank van ruim drie meter. Een belachelijke lengte, waarschijnlijk ingegeven door het feit dat ik indertijd nogal mager was, waardoor m’n 1 meter 88 meer als ruim twee meter oogde, maar het had wel gewerkt.

Een dag later ging ik op voor les 2. De golven werkten dit keer niet mee. Het waaide onstuimig en het water klotste alle kanten op. Dat was de wijze les die ik dit weekend leerde: de golven zijn altijd anders. (En je kunt dus altijd de golven de schuld geven als het niet lukt.) Het maakte m’n voornemen om ten minste één keer op de plank te staan wel heel lastig; ook al had ik nu een langere plank en was ik hoger op de plank gaan liggen. Golven lezen was al lastig, ook nog rechtop gaan staan bleek onmogelijk. M’n peddelen is echter onovertroffen.

De eindscore na dit weekend is een gelijkspel. Zo goed als in Hawaï ging het ook nu niet, maar het ging al veel beter dan in Domburg. Misschien komt het nog goed.

Posted in Reizen | Tagged , | Comments Off on Surfen

Vlieland

Ik was op Vlieland om te surfen en omdat het zonde is om alleen naar Vlieland te gaan voor het surfen plakte ik een paar dagen aan het weekend vast zodat ik het eiland kon bekijken. M’n digitale camera ging mee.

Het Waddeneiland, het kleinste van de vijf bewoonde Nederlandse, is prachtig. Het ligt ruim 27 kilometer van Harlingen, die afstand is bijna even groot als de breedte van het Nauw van Calais. Vlieland is een andere wereld. Het is zo klein dat je in minder dan een kwartier van de aanmeerplaats van de ferry aan de zuidkant van het eiland naar het strand aan de noordkant wandelt. Het dorp Oost-Vlieland heeft een gezellige winkelstraat én een oud kerkje, in de haven kijkt Willem de Vlamingh, vermaard zeevaarder uit de Gouden Eeuw en geboren in Oost-Vlieland weg over de Waddenzee. Aan de schuttingen hangen gejutte spullen. Ga ‘s nachts op het strand staan en je ziet in de verte de Brandaris op Terschelling.

Fiets naar het westen van het eiland en je komt in een verrassend heuvelachtig landschap terecht (het hoogste punt van de Nederlandse Waddeneilanden bevindt zich met 45 meter boven zeeniveau op Vlieland) met enkele bossen, rond 1900 aangeplant om verstuiving van het eiland tegen te gaan. Het eiland heeft zelfs een skatespot. Wat wil een mens nog meer?

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , , | Comments Off on Vlieland

Kerkepad

Mauritiuskerk. Oud kerkje van Marsum.

M’n collega, afkomstig uit Groningen, deed wat lacherig toen ik vertelde dat ik dit jaar op vakantie ging naar zijn thuisprovincie. Ik was op mijn beurt verbaasd. Groningen is de provincie met de hoogste postcode van Nederland (9999 ZZ, in Stitswerd), het heeft slechts één hunebed (in tegenstelling tot Drenthe, waar je over die dingen struikelt), je vindt er het enige treinstation met een Q in de naam (Usquert), Oost-Groningen is het laatste communistische bolwerk van Nederland (er ligt zelfs een Hamer en Sikkellaan) en het oostelijkste punt van Nederland ligt in Groningen (veel mensen denken dat Nederland de vorm van een rechthoek heeft, maar het is eigenlijk een trapezium). What’s there not to like?

Echter, de voornaamste reden om naar Groningen te gaan zijn de oude kerkjes. Die heeft Groningen heel veel. Dat is buiten de provincie amper bekend, maar begin tegen een Grûnner over de kerkjes van het Hogeland en hij weet meteen waar je het over hebt. Misschien is dat de reden dat ze worden omschreven als het bestbewaarde geheim van Nederland.

Ik hou van kerkjes. Als ik op vakantie ben moet ik ze bekijken. In IJsland bijvoorbeeld, kwetsbaar ogende houten bouwwerkjes met op de achtergrond een rotswand van ijs en sneeuw. Of Italië, met de Santa Maria in Trastevere in Rome, waarvan de bouw startte in de vierde eeuw; ik denk niet dat ik ooit een oudere kerk heb gezien. Alhoewel, op Kreta staan bouwsels van duizenden jaren oud. Maar er is ook Gallarus Oratory in Ierland, waarvan niemand weet hoe oud het is. Duitsland heeft de Dom van Aken, waar Karel de Grote in 800 is gekroond. Engeland heeft verrassend veel stokoude kerkjes. In Canterbury staat St. Martin’s Church, misschien al gebouwd in de tijd van de Romeinen. Bij een volgend bezoek aan Engeland wil ik eigenlijk naar de Chapel of St Peter-on-the-Wall bij Bradwell-on-Sea, uit de zevende eeuw.

Wat bij de meeste stokoude kerkjes opvalt, is dat ze op afgelegen plekken liggen. St. Martin’s Church ligt buiten het huidige centrum van Canterbury, waar de wereldberoemde kathedraal boven alles uittorent. En de Chapel of St Peter-on-the-Wall ligt tegenwoordig midden in een weiland, aan de Engelse oostkust. Gallarus Oratory ligt in de heuvels van het schiereiland Dingle, aan de Ierse westkust. De bewoners uit de streek namen het bestaan van het kerkje voor kennisgeving aan. Het was er altijd al.

Nederland komt er bekaaid af. Ja, ook wij hebben stokoude kerkjes, maar de kerken van voor het jaar 1000 zijn op de vingers van één hand te tellen. Ook hier gaat het om bouwwerken aan de randen van het land: in Oosterbeek bij Arnhem staat de Oude Kerk, gebouwd in de tweede helft van de tiende eeuw. In Mesch, in het zuidelijkste puntje van Limburg, staat de Sint-Pancratiuskerk, gebouwd in de negende eeuw. En op het Valkhof in Nijmegen staat de Sint-Nicolaaskapel, volgens een recente theorie aan het einde van de tiende eeuw gebouwd in opdracht van keizer Otto III.

Het is logisch dat de kerkjes juist op deze afgelegen plekken hebben weten te overleven. Veel middeleeuwse kerken zijn door de eeuwen heen verloren gegaan doordat ze zijn vervangen door grotere, modernere exemplaren: dorpen en steden groeiden en die nieuwe zieltjes hadden meer ruimte nodig. Vooral in het zuiden zijn in de negentiende eeuw veel oude kerkjes afgebroken en vervangen door grotere exemplaren. Ik hoef alleen al naar m’n eigen geliefde Tongelre te kijken: de grote Sint-Martinuskerk stamt uit 1890, maar er stond in 1220 al een kerkje.

Op de bovenste zes foto’s kerkje van Marsum, van buiten en binnen. Op de derde foto van boven de hagioscoop. Op de onderste foto een boodschap in het kerkje van Eenum.

Maar de grootste concentratie oude kerkjes in Nederland vind je dus in het noorden. In Friesland, maar vooral in Groningen. Iedere wierde, de plaatselijke naam voor een terp, herbergt een dorpje met 100 tot 200 inwoners, met in het centrum een kerkje uit de elfde of twaalfde eeuw. Deze streek was in de middeleeuwen zeer welvarend. De grond tussen de wierden was vruchtbaar, het land was in bezit van de kloosters die overal in de streek kerken bouwden. De bouwstijl heet in de meeste gevallen romanogotiek, een mix van de twee bekende middeleeuwse bouwstijlen.

De VVV van Groningen heeft er een fietsroute voor uitgezet. Toen ik augustus vorig jaar in Groningen was, stuitte ik op een blad over Groningen, met die fietsroute. Die wilde ik fietsen, maar de tocht stelde ik uit naar oktober. Het leek me mooi foto’s maken in het najaar. Toen barstte de coronapleuris weer uit, dus liet ik het schieten. Die kerkjes staan er al acht eeuwen, ze lopen niet weg.

Ik trok een dag uit voor deze fietstocht. Ik begon in Appingedam en zou al slingerend tussen alle wierden door naar Bedum fietsen. Op de route ligt elke twee à drie kilometer een dorpje met een oud kerkje. Dat de kerk open is wordt vaak aangegeven met mooi vormgegeven bordjes, in sommige gevallen kan je bij een omwonende aanbellen voor de sleutel.

Wat opvalt is hoe prachtig de kerkjes vaak liggen. Neem de Mauritiuskerk van Marsum, m’n favoriet. Het ligt midden op de wierde, omringd door weilanden. Dat het boven de omgeving uittorent heeft een trieste reden. Het dorpje is vrijwel volledig weggevaagd tijdens het Beleg van Delfzijl van 1813 en 1814. Er is een pad van een paar honderd meter dat naar de ingang leidt. Het kerkje is stokoud, uit het begin van de twaalfde eeuw. Wat het uniek maakt, is dat het sinds die tijd amper is veranderd. Op het dak liggen nonnen en monniken, in een hoekje langs het altaar zit een hagioscoop. Via dit kleine raampje konden mensen die de kerk niet binnen mochten (kluizenaars, lepralijders) toch de mis volgen. Je vindt ze alleen in heel oude kerken en zijn dus zeldzaam. De tijd staat hier stil, alleen het blauwe plafond is een latere toevoeging. De bouwstijl is stoer, functioneel.

De Sebastiaankerk van Bierum en de Antoniuskerk van Kantens zijn een stuk groter dan het kerkje van Marsum en hebben beiden een enorme steunbeer, in beide gevallen pas eeuwen later toegevoegd als extra versteviging (en niet vanwege aardbevingen door aardgaswinning). De Donatuskerk van Leermens, één van de oudste kerken van noord-Nederland, heeft een bijna massief koor dat in stijl doet denken aan een Noorse stavkirke. Misschien dat de strenge stijl samenhangt met het feit dat de kerk eeuwenlang fungeerde als seendstoel, een soort kerkelijke rechtbank. De muur heeft kleine ramen, maar de kerk oogt opvallend licht van binnen.

Op de bovenste vijf foto’s de kerk van Krewerd, gebouwd in opdracht van Tyadeke, op de onderste drie foto’s de kerk van Leermens.

Het loont de moeite om naar binnen te gaan. Aan de muur hangen bordjes met boodschappen. In Marsum staat ‘Hopende dat het virus voorbijgaat. Dat de goede tijden terugkeren.’ Ik kan alleen maar amen zeggen. In de romaanse kerk van Eenum, een andere favoriet, hangt ‘Blied dat joe der binn’n’, Gronings voor ‘Blij dat u er bent’. Om de tekst in de Mariakerk te Krewerd, ‘Menco & Tete’ te begrijpen, moet je de voorgeschiedenis van de kerk kennen.

De bouw van de Mariakerk hangt samen met de belofte van Tyadeke, de bewoonster van de inmiddels verdwenen Steenhuizerborg. Zij zou een kapel op haar landgoed bouwen als haar ernstig zieke zoon Menco zou herstellen, maar kwam haar belofte niet na. In plaats daarvan zocht ze een huwelijkspartner voor Menco, dat werd Tete, de dochter van de deken van Loppersum, die op haar beurt had beloofd het klooster in te gaan. Het liep natuurlijk anders. Tete werd zwanger, Menco overleed alsnog, Tete verloor haar kindje en stierf ook, waarbij ze al haar bezittingen naliet aan het klooster. Tyadeke liet alsnog de kerk bouwen.

Veel kerkjes hebben muurschilderingen. Die variëren van bescheiden, zoals in de kerk van Krewerd, tot meer uitgebreid, zoals in de Bartholomeuskerk van Stedum. In de kerk staat het plafond vol met scholastieke schilderingen, van bijvoorbeeld de vier aartsengelen. De beheerder vertelt dat ze in de vijftiende eeuw zijn geschilderd, vermoedelijk door een groep kunstenaars onder leiding van Jan van Aken, de grootvader van Jeroen Bosch (geboren als Jeroen van Aken). Zij trokken door de regio om de kerken van muur- en plafondschilderingen te voorzien. Ze zijn in de jaren dertig van de twintigste eeuw voorbeeldig gerestaureerd en aan de gedetailleerde informatie van de beheerder te horen lijkt het er op dat hij erbij is geweest. De tijd lijkt dan stil te hebben gestaan in deze kerken, tegelijkertijd herbergen ze eeuwen aan historie.

De laatste kerk op de route is de Georgiuskerk van Stitswerd. Tegen die tijd heb ik tien kerkjes bezocht. Dit is niet het meest spectaculaire kerkje, omdat je hier ziet wat met een aantal andere kerken ook is gebeurd: de buitenkant is lichtgeel of wit geverfd, waardoor de zo authentieke baksteenstijl niet meer zichtbaar is. Ook de muren aan de binnenkant zijn witgepleisterd. Maar het kerkje stamt wel degelijk uit de dertiende eeuw en ademt nog steeds die sfeer.

Tien kerkjes, maar er zijn er nog veel meer. Later in de week kom ik nog in de de Der Aa-kerk in Groningen en volgen kerkjes in Garmerwolde, Finsterwolde, Pieterburen, Westernieland (waar Freek de Jonge in de pastorie is geboren) en Usquert.

Had ik al gezegd dat Usquert het enige treinstation van Nederland is met een Q in de naam?

Op de bovenste vier foto’s de Bartholomeuskerk van Stedum, met schilderingen van (vermoedelijk) Jan van Aken. Daaronder de indrukwekkende steunbeer van de Antoniuskerk van Kantens, met buurtkat, en tot slot de Georgiuskerk in Stitswerd, de kerk met de hoogste postcode van Nederland.

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , | Comments Off on Kerkepad

Telefoon

‘Heej, hier ligt een telefoon,’ riep het jochie.
Ik was bij Helperzoom, een skateparkje in Groningen. Aan de kant zat een moeder, twee kinderen reden rond op stuntstepjes. Verder was er niemand.

Ik reed naar de plek achter een skate-obstakel waar het jochie had gestaan. Inderdaad, daar lag een telefoon naast een flesje water. Ik bekeek de telefoon, vol krassen en barsten.
‘Er ligt inderdaad een telefoon,’ riep ik naar de vrouw. ‘Zo te zien van een skater,’ lachte ik.

‘s Middags was ik langs het skatespotje gereden en had ik een groep jongeren zien zitten. Ik had toen geen zin om te skaten met al dat publiek. Tien tegen één dat de telefoon van één van hen was. Wat te doen? Skaters zijn net zo vergroeid met hun telefoons als andere jongeren. Deze telefoon was minstens een uur niet gebruikt, voor de gemiddelde puber een eeuwigheid. De eigenaar had allang terug moeten zijn geweest. Ik kon ‘m laten liggen, maar dan wist ik niet wat ermee zou gebeuren. Ik kan instaan voor m’n eigen eerlijkheid en al deugen de meeste mensen echt wel, m’n vertrouwen in de mensheid is niet grenzeloos.

‘Ik bel straks wel even met de politie,’ zei ik tegen de moeder. Ze stond op het punt naar huis te gaan.

Dat deed ik, en ik vroeg of ik de telefoon af kon geven op het bureau.
‘We nemen dat niet meer aan sinds 2012,’ sprak de medewerkster vriendelijk doch resoluut. ‘U kunt een melding doen bij de gemeente.’
Ik vond een site waar ik melding kon maken van een gevonden voorwerp: wat ik had gevonden. Waar ik het had gevonden. Wanneer ik het had gevonden. Hoe de eigenaar met me in contact kon komen. Waar ik woonde. Of ik een foto wilde meesturen. Toen ik alles had ingevuld kreeg ik een bevestiging per e-mail. Ik was nu verantwoordelijk voor het gevonden voorwerp. Als het na een jaar niet was opgehaald, mocht ik het houden.

Nu zat ik met een telefoon opgescheept. Ik had meteen spijt. Had ik dat ding maar laten liggen.

Er kwam een groep oudere skaters die ik vorig jaar ook in het parkje had zien rijden. Ze zijn heel goed, dus ik besloot er voor die avond mee op te houden en naar het enige hunebed in de provincie Groningen (net ten zuiden van Noordlaren) te fietsen. Wel sprak ik nog één van de skaters aan: ‘Mocht iemand z’n telefoon komen zoeken, wil je dan doorgeven dat ik de telefoon heb, dat ik in The Student Hotel verblijf en dat ik het als gevonden voorwerp heb doorgegeven bij de gemeente?’
Geen probleem, hij zou het doorgeven.

De volgende ochtend kreeg ik per e-mail een bevestiging van de gemeente Groningen. M’n gevonden voorwerp stond op hun website. Wel met als af te halen adres m’n woonadres in Eindhoven. Lekker handig. En wat moest ik nu met die telefoon? Ik wilde een dagje weg, maar wilde ook dat ding afgeven bij de gemeente. Dat kon pas na 9.00 uur en alleen op afspraak. Ik besloot de telefoon op m’n hotelkamer te laten liggen. Mocht ie aan het einde van de week niet zijn opgehaald, dan kon ik ‘m altijd nog afgeven op het gemeentehuis.

De rest van de dag hield ik angstvallig m’n telefoon in de gaten of de rechtmatige eigenaar me zou bellen. Ik hoorde niks. ‘s Avonds ging ik weer naar het skatespotje. Er was een klein groepje skaters aanwezig. Het leken me coole gasten, dus ik waagde het er op. We groetten elkaar kort. Ik besloot de eerste de beste aan te spreken: ‘Weet jij een skater die hier gisteren z’n telefoon is verloren?’
‘Ja,’ antwoordde hij, ‘ik.’
‘Ow,’ zei ik blij verrast. ‘Die heb ik. Ligt bij mij in The Student Hotel. Kom straks maar even ophalen.’

Voor de zekerheid stelde ik nog een paar controlevragen, maar er was geen twijfel mogelijk. Die telefoon was van hem. Ja, hij was dezelfde avond nog teruggegaan. En nee, de andere skaters hadden ‘m niet verteld dat ie even naar The Student Hotel moest komen.

Een uur later stond ie met z’n maat bij de receptie van het hotel en kon ik de telefoon teruggeven.

Ik vraag me nog steeds af of ik het ding niet beter had kunnen laten liggen.

Posted in Overig, Skateboarden | Comments Off on Telefoon

Baasje

Op vakantie in Groningen appte m’n moeder een foto van een oude ansichtkaart. Op de voorkant stond een tekening van een kind op een skateboard, op de achterkant een boodschap van m’n opa en oma: ‘Dag Baasje.’
De kaart hadden m’n grootouders aan m’n moeders kant, oma Toos en opa Frans, in 1986 gestuurd, toen we op de camping in Luxemburg stonden. Ik kon me de kaart niet meer herinneren, maar moest lachen om de voorkant en appte terug dat het was voorbestemd.

Terwijl ik door het Groningse landschap fietste, dacht ik aan ‘Dag baasje’. Het raakte me, alsof m’n oma me 35 jaar na deze kaart nog een keer groette. Oma Toos noemde mij haar baasje. Ik vond dat niet leuk, omdat ik het woord baasje associeerde met bazig. Pas later begreep ik dat baasje voor haar een koosnaam was, zoals knaapje, ventje of kereltje.

Toen ik zondag bij m’n ouders op bezoek was, ging de telefoon. De vader van m’n zwager was overleden. Hij was al lange tijd ziek. M’n zus en haar man belden om dat te vertellen, en om te vragen of ze m’n neefje Sjors (5) mochten komen brengen. Hij was terug van scoutingkamp en stuiterde aan alle kanten.

‘Opa is in de ruimte,’ vertelde hij me in de huiskamer, terwijl m’n zus en zwager in de hal de condoleances van m’n ouders in ontvangst namen. Sjors vertelde het droogjes, alsof het vanzelfsprekend was.
Ah ja, dacht ik, mensen die overlijden worden tegenwoordig sterretjes.
‘Als Vlekkie doodgaat, gaat ie ook naar de ruimte. Dan kan opa met Vlekkie spelen,’ ging hij verder. Vlekkie is de hond van de ouders van m’n zwager.
‘Dat kan zeker,’ beaamde ik.
‘Opa kan nu met Karel spelen, die is al in de ruimte,’ vervolgde hij. Karel was de kater van m’n zus die vorig jaar, vlak voordat de coronashit losbarstte, overleed. M’n zus denkt dat ie is overleden aan corona. Dat zou kunnen, Karel was obees en op leeftijd. Hij zat in de risicogroep.
‘Ik mis Karel,’ zei hij.
‘Dat snap ik,’ zei ik. ‘Karel was een heel lieve poes.’
‘Maar Fientje leeft nog. Ik hoop dat ze nog heel lang bij ons blijft,’ zei Sjors.
‘Dat hoop ik ook,’ zei ik, al is Fientje vermoedelijk tegen de 20 en loopt ze op haar laatste pootjes. Sjors is dol op de poes. Hij had haar het liefst meegenomen op kamp. Dat vond m’n zus geen goed idee.

‘Iedereen gaat naar de ruimte,’ concludeerde hij.
‘Dat klopt,’ zei ik. ‘Er zijn dan ook heel veel sterren. Maar er is heel veel ruimte in de ruimte.’
‘Veel ruimte in de ruimte,’ zei hij me lachend na.

‘s Avonds at Sjors mee. Hij had geen trek in warm eten en at een broodje kaas dat hij in de appelmoes en de ‘mooienaise’ depte. Waarom ook niet.

In gedachten was ik in de zomer van 1987. Ik was 6 en opa Frans was overleden. Om m’n ouders te ontzien logeerde ik bij juf Henny, m’n kleuterjuf, en haar man Dieter (die ik Gieter noemde). Henny en Dieter waren een jong stel, nog zonder kinderen, en ze vonden het prima om mij een paar dagen te verwennen. Ik herinner het me als een leuke tijd. Henny en Dieter woonden in een groot, oud huis. Ik mocht m’n bord vol met appelmoes smeren, en Gieter beweerde dat hij tot 10 kon tellen, wat hij vervolgens helemaal niet goed deed.

Na het overlijden van opa Frans heb ik jarenlang bij elke vallende ster gewenst dat opa weer ‘laf’. Het was een groot verzoek, dus ik had berekend dat het duizend vallende sterren kostte voor m’n wens zou uitkomen.

Na het eten haalde m’n zus Sjors op. Ik ging ook naar huis. Thuis zette ik Find The River van R.E.M. op.

The ocean is the river’s goal,
we need to leave, the water knows’

Posted in Overig | 1 Comment

Assistent

Jaren geleden nam ik deel aan een rondleiding van Westminster Abbey. De rondleiding werd verzorgd door London Walks en het verzamelpunt voor de start van de wandeling was een metrostation schuin tegenover de kerk. Om veilig naar de ingang te lopen had de gids, een kordate dame, een vrijwilliger nodig die aan het einde van de rij met een leaflet van London Walks in de lucht zou lopen. Zo wist ze wie de rij sloot.
‘You’re the volunteer,’ zei ze tegen me en duwde een folder in m’n handen. Dat krijg je als je de langste in het gezelschap bent.

Dat zorgde vervolgens nog voor de nodige verwarring toen een verlate toerist me zag lopen en per se bij mij wilde afrekenen voor deelname aan deze wandeling. Hij wilde niet accepteren dat hij niet bij mij, maar bij de dame voor in de stoet moest zijn.

Afgelopen week ging ik wadlopen. Omdat ik met de fiets naar het wadloopcentrum in Pieterburen was gekomen, had ik geen eigen vervoer om naar het startpunt van de tocht achter de dijk te rijden. Daarom mocht ik met de gids meerijden. Ik nam plaats in de auto. Tussen de bijrijdersstoel en die van de gids lagen twee rood-wit gestreepte stokken van een slordige twee meter.
‘Wilt u mijn assistent zijn?,’ vroeg de gids tijdens het ritje.
‘Ja hoor,’ antwoordde ik, zonder te vragen wat het eigenlijk inhield. Ik heb in een grijs verleden strandwacht gelopen. Zo moeilijk kon het niet zijn.
De gids legde uit: ‘Bij een groep van meer dan twaalf wadlopers moeten twee begeleiders mee. Dit is een grote groep. Als u uw gegevens op dit formulier invult, dan is het wel in orde.’

Bij het startpunt van de wandeling stond ik met één van de stokken in de hand. Terwijl we door de kwelder liepen, een stuk land waar de schapen zich te goed doen aan plaatselijke lekkernijen als zeekraal en slijkgras, kwamen nieuwsgierige wadlopers op me af lopen die wilden weten wat mijn taak inhield. M’n antwoorden varieerden van ‘ik heb in de vijf minuten naar de startplaats een boek van vijftig pagina’s uit m’n hoofd geleerd’ tot ‘ik prik met de stok in de bodem of er geen verdronken wadlopers liggen’ of ‘fierljeppen’.

Ik besloot, indachtig mijn ervaring bij Westminster Abbey, de rij wandelaars dan maar te sluiten. Zo hield ik het overzicht terwijl de wadlopers zich een weg door het slik baanden en kon ik achterblijvers een beetje helpen. Daardoor miste ik wel soms de uitleg van de gids. Die stok was een mixed blessing. Ik had m’n handen al vol aan het overeind blijven, en dan droeg ik ook nog een rugtas én een tas met m’n digitale camera. Zo’n stok is dan extra ballast. Maar die ene keer dat de moed me in de schoenen zonk omdat ik tot m’n knieën was weggezakt in de smurrie, mezelf vacuüm had gezogen en ik met geen mogelijkheid los leek te komen uit het slik, was de stok zeer welkom.

Eenmaal weinig elegant door het slik en over de rijsdammen heen geklauterd was het wadlopen goed te doen. We liepen zo’n tweeënhalf uur. In de verte lagen Schiermonnikoog en Rottumerplaat, en Borkum, het meest westelijke Duitse Waddeneiland. In het water vonden we kreeftjes, Japanse oesters en kokkels. De zeehonden waren vandaag met verlof.

Op de terugweg naar het vasteland wees de gids aan waar we aan land moesten komen. Een aantal wadlopers stapte voor de groep uit. Dat deden ze zo flink, dat ze verkeerd dreigden te lopen. De gids, een bescheiden man met een niet al te luide stem, riep naar ze maar ze hoorden niks. De gids riep nogmaals, tevergeefs. Toen deed ik m’n mond open: ‘Heej, even stoppen daar voor!’
De wadlopers die bij me in de buurt stonden keken me verbaasd aan. Ik haalde m’n schouders op: ‘Tja. Assistent he.’

In de auto terug naar Pieterburen vertelde ik hoe ik met die stok was gevaren, en dat het nut ervan me nog niet helemaal duidelijk was.
‘Als een loper in de problemen komt, kunnen we met de stokken een brancard maken,’ legde de gids uit.
‘Is dat ooit gebeurd?,’ vroeg ik.
‘Nee, gelukkig niet,’ zei hij.

Goed dat ik dat niet van tevoren wist.

Posted in Foto's, Reizen | Tagged , , , | 2 Comments

Opa

Ik was in het skatepark in Amsterdam. Ik was er een maand geleden al een keer geweest en toen was het geweldig. We waren er op een vrijdagochtend, het zonnetje scheen en de meeste andere skaters waren ook volwassenen. Het merendeel was een stuk minder ervaren dan ik, waardoor ik het respect van de enkele jongere aanwezige skaters verdiende, iets dat m’n zelfvertrouwen een niet te onderschatten boost gaf. Ik kon zelfs een oudere skater iets leren, waarna hij gelaten opmerkte dat hij het trucje na drie maanden eindelijk kon. I feel you, man.

Ik was dus in het skatepark. Eigenlijk wilden we in de ochtend gaan, maar eenmaal in Zeeburgereiland lag het park er verregend bij. We reserveerden daarom een spot in het indoor skatepark in Utrecht, maar toen we aan de lunch in de Tolhuistuin zaten brak de zon door en besloten we nog een poging te wagen. Er gaat niks boven buiten skaten.

Het aanzicht was nu anders dan een maand geleden. Het was vroeg in de middag, dus de jongste stuntstepjes waren er nog niet. Wel waren er veel jongeren. Intimiderend goed skatende jongeren zelfs. Ik bewonder dat soort gasten. Skateboarden is, naast zelf aanklooien, net zo goed kunnen genieten van wat andere skaters op tafel leggen. Al is dat ook in het treurig stemmende doch realistische besef dat ik nooit meer zo goed zal worden. Had ik maar wat zinnigs met m’n leven gedaan.

In de loop van de middag werd het drukker. Dat maakte het lastig een lijn te skaten die ik graag wilde oefenen. Er kwamen steeds meer stuntstepjes bij die, zoals stuntstepjes betaamt, altijd in de weg rijden. Daardoor moest ik een keer minutenlang wachten.

Op een verhoging stonden twee gastjes van een jaar of twaalf, klaar om in te droppen. Ik had ze al zien rijden en ze waren goed. Heel goed. Nu wilden ze bij mij voorlangs rijden, maar moesten wachten.
‘Laat opa maar voorgaan,’ merkte eentje op.
Misschien beeldde ik het me in, maar ik bespeurde enig dédain in die opmerking. Negen van de tien keer had ik het van me af laten glijden, maar dit keer niet. Ik had z’n vader kunnen zijn, maar niet z’n opa.
‘Noemde één van jullie me nou net opa?,’ zei ik verbaasd.
‘Nee, echt niet hoor,’ ontkenden ze allebei geschrokken.
Ik ben dan wel oud, maar doof ben ik nog niet.
‘Vreemd. Dan zal ik het wel verkeerd verstaan hebben,’ zei ik.
Er viel een ongemakkelijke stilte.

Ik reed m’n lijn, die voor geen meter liep, want het was niet m’n beste dag. Toen ik aan de andere kant van het park stond, zag ik dat de twee skaters ineens stil aan de kant stonden.

En dat stonden ze een half uur later, toen opa vertrok, nog steeds.

Posted in Skateboarden | Tagged , , , | 1 Comment

V-Day

En toen was V-Day ineens daar. Goed, het had allemaal veel te lang geduurd, maar op 1 juni mocht ik, bouwjaar 1981, een afspraak maken. Tot mijn stomme verbazing kon ik de volgende dag al terecht voor Pfizer. Liever had ik Janssen gehad, want dan was ik in één keer klaar geweest, maar ach, de tweede prik zat er op deze manier toch nog voor de zomervakantie in. Daarbij, wat klaag ik? Het was gratis. En met die vaccinatie zou eindelijk een einde komen aan deze anderhalf jaar durende doffe ellende. Eindelijk. Licht aan het einde van de tunnel.

Het voelde een beetje als de Efteling. Eerst de halve nacht wakker liggen van de spanning (‘als ik me maar niet verslaap’), daarna in de file naar de vaccinatielocatie en dan in de rij voor de nieuwste attractie. Er was een heus parcours in het sportcentrum uitgezet waarbij ik bij een poortje moest wachten, werd doorverwezen, gecontroleerd (‘bekend gezicht, jij bent toch van de pubquiz?’), een brief kreeg met een grote oranje sticker met ‘Pfizer’ en toen was het prikmoment daar.

‘Komt u maar hoor,’ sprak de medewerkster geroutineerd vanuit haar cubicle.
Gedwee nam ik plaats. De medewerkster gaf me een folder en wees me op de brief die ik zojuist had gekregen: ‘Die moet u goed bewaren. Sommige mensen maken er een foto van.’
Nog voor ik kon reageren, vervolgde ze: ‘U bent klaar. Nu nog even vijftien minuten wachten en dan kunt u gaan. Fijne dag.’
Ik had de prik niet gevoeld.

Terwijl ik beduusd plaatsnam op één van de stoeltjes moest ik aan onze kat Saartje denken. Als ze bij de dierenarts een prik kreeg aaide hij haar altijd even over haar bolletje, terwijl aan de andere kant van haar niet al te slanke lijf (‘model theemuts’, aldus de dierenarts) de injectienaald erin gleed.
‘Katten zijn niet zo slim. Zo merkt ze niet dat ze wordt geprikt,’ zei de dierenarts.

Ik dacht dat ik intelligenter was dan onze kat, maar ik heb mezelf overschat.

Posted in Eindhoven, Overig | Tagged | 1 Comment